|
De Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
Gelet op artikel 17, vijfde lid, van de
Financiële-verhoudingswet;
Besluit
Artikel 1. Begripsbepalingen
Deze regeling verstaat onder:
1. Onderwijskansenschool:
a. een basisschool met op de teldatum 1 oktober 2000 50% of meer
leerlingen met een gewicht als bedoeld in artikel 15b van het
Formatiebesluit WPO of;
b. een school voor voortgezet onderwijs of een vestiging van een
school voor voortgezet onderwijs met op de teldatum 1 oktober 2000
40% of meer cumi-leerlingen zoals bedoeld in de regeling personele
vergoeding culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen
WVO zoals luidend op 1 oktober 2000.
2. GOA-beleid: Het gemeentelijk onderwijsachterstanden-beleid op
grond van artikel 166 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118b
van de Wet op het voortgezet onderwijs en op grond van het Besluit
landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
2002-2006.
Artikel 2. Doel van de regeling
De minister verstrekt een specifieke uitkering ten behoeve van het
verbreden van de schoolspecifieke aanpak van onderwijskansenbeleid om
daarmee dat beleid uit te breiden naar de kleine steden en
plattelandsgemeenten.
Artikel 3. Doelgroep
1. Een gemeente komt in aanmerking voor
een specifieke uitkering indien:
a. de gemeente in de periode 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2006
een specifieke uitkering ontvangt voor de uitvoering van GOA-beleid
en;
b. in de gemeente één of meer onderwijskansenscholen gevestigd
zijn en;
c. waarvan voor zover het onderwijskansenscholen betreft als
bedoeld in artikel 1, eerste lid onder a:
1e. de Inspectie van het Onderwijs in het IST/RST- rapport naar
aanleiding van het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de
basiskwaliteit onvoldoende is, te weten:
a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste
schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het
verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het
onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste
schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de
kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is
aangemerkt;
2e. indien niet wordt voldaan aan het gestelde onder 1e, wordt
aangetoond dat sprake is van aantoonbare risico’s ten aanzien van
de basiskwaliteit, te weten het niveau van de opbrengsten en de
kwaliteit van het onderwijsleerproces en;
d. de gemeente in op overeenstemming gericht overleg met het
bestuur van de onderwijskansenscholen een plan van aanpak heeft
opgesteld dat voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 5.
2. Indien sprake is van de situatie genoemd in het eerste lid
onder c 2e wordt een specifieke uitkering toegekend voor één
onderwijskansenschool voor basisonderwijs per gemeente.
3. Indien sprake is van de situatie genoemd in het eerste lid
onder c 2e en er binnen de gemeente op de teldatum 1 oktober 2000, 1900
of meer leerlingen zijn met een gewicht als bedoeld in artikel 15b van
het Formatiebesluit WPO wordt een specifieke uitkering toegekend ten
behoeve van maximaal twee onderwijskansenscholen voor basisonderwijs.
4. Niet in aanmerking voor een specifieke uitkering op grond van
deze regeling komen de gemeenten genoemd in de bijlage bij deze
regeling.
Artikel 4. Aanvraag van de specifieke
uitkering
1. Een gemeente die in aanmerking wenst
te komen voor de specifieke uitkering, bedoeld in deze regeling dient
uiterlijk op 1 september 2002 een plan van aanpak in als bedoeld in
artikel 5 bij het Ministerie van OCenW, directie primair onderwijs,
afdeling Onderwijs en Omgeving, postbus 25000, 2700 LZ Zoetermeer.
2. Aanvragen ontvangen na 1 september 2002 worden afgewezen.
Artikel 5. Plan van aanpak
1. Het plan van aanpak dient de volgende
elementen te bevatten:
a. de naam en het BRIN-nummer van de aangewezen
onderwijskansenscholen;
b. beschrijving en analyse op hoofdlijnen van de huidige situatie
binnen de aangewezen onderwijskansenscholen, mede in relatie tot de
omgeving van de betreffende onderwijskansenscholen;
c. de doelstellingen en te bereiken resultaten op hoofdlijnen;
d. een activiteitenplanning inclusief een overzicht van de
taakverdeling tussen gemeente, schoolbestuur, school en relevante
andere betrokkenen;
e. een begroting, waarin op hoofdlijnen wordt beschreven welke
kosten gemoeid zijn met de geformuleerde activiteiten;
f. de wijze waarop de voortgang van de activiteiten wordt gevolgd
en waarop de resultaten worden beschreven.
2. De in het eerste lid onder d bedoelde activiteitenplanning
dient in elk geval een beschrijving te bevatten van de wijze waarop en
het tijdpad waarlangs de betrokken school of scholen een
schoolontwikkelingsplan of schoolontwikkelingsplannen zullen opstellen
ter verdere uitwerking en realisatie van de in het plan van aanpak
geformuleerde doelstellingen en resultaten.
3. Het plan van aanpak dient daarnaast aandacht te besteden aan:
a. de doorstroming van achterstandsleerlingen van primair onderwijs
naar voortgezet onderwijs en de wijze waarop de samenwerking tussen
basisscholen en één of meer scholen voor voortgezet onderwijs waarin
in belangrijke mate de leerlingen van primair onderwijs instromen,
vorm krijgt;
b. de samenhang tussen de schoolspecifieke onderwijskansenaanpak en
het overige binnen de gemeente geformuleerde GOA-beleid;
c. de samenhang tussen de onderwijskansenaanpak en relevante andere
beleidsterreinen en aandachtsgebieden, waaronder de inspanningen van
scholen binnen de gemeenten terzake van het Weer Samen Naar School
beleid en het gemeentelijk beleid terzake van jeugdzorg, veiligheid,
wijkzorg en werkgelegenheid.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op één of meer
onderwijskansenscholen als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder c 2e,
bevat de aanvraag tevens:
a. een omschrijving van de aard en de ernst van de risico’s ten
aanzien van de basiskwaliteit binnen de betreffende school of scholen;
b. een beschrijving van de indicatoren waaruit de aanwezigheid van
de betreffende risico’s blijkt, en;
c. een omschrijving van de redenen op grond waarvan aannemelijk
wordt gemaakt dat deze risico’s niet met reguliere of GOA-middelen
kunnen worden bestreden.
Artikel 6. Beoordeling
1. De minister beslist uiterlijk 1
november 2002 op het verzoek tot toekenning van een specifieke
uitkering.
2. De minister wijst de aanvraag in ieder geval af indien de
gemeente niet voldoet aan de voorwaarden opgenomen in de artikelen 3 en
5.
Artikel 7. Verdeling van de specifieke
uitkering
1. Voor specifieke uitkeringen op grond
van deze regeling is per schooljaar een totaalbedrag van € 4.500.000
beschikbaar.
2. Voor gemeenten met één of meer onderwijskansenscholen als
bedoeld in artikel 3, eerste lid onder c 1e, bedraagt de specifieke
uitkering € 45.000 per schooljaar ten behoeve van de
onderwijskansenschool, alsmede € 5.000 per onderwijskansenschool per
schooljaar ten behoeve van de kosten van gemeentelijke coördinatie en
regie.
3. Voor gemeenten met één of meer onderwijskansenscholen voor
voortgezet onderwijs bedraagt de specifieke uitkering € 113.445 per
schooljaar ten behoeve van de onderwijskansenschool, alsmede € 5.000
per onderwijskansenschool per schooljaar ten behoeve van de kosten van
gemeentelijke coördinatie en regie.
4. Ten behoeve van onderwijskansenscholen als bedoeld in artikel
3, eerste lid onder c 2e, is per schooljaar het bedrag beschikbaar dat
resteert na toekenning van de specifieke uitkering voor de
onderwijskansenscholen bedoeld in het tweede en derde lid van dit
artikel. De hoogte van de specifieke uitkering per
onderwijskansenschool, bedoeld in artikel 3, eerste lid onder c 2e,
bedraagt minimaal € 14.000 en maximaal € 45.000. De hoogte van de
specifieke uitkering wordt bepaald naar rato van het aantal goedgekeurde
aanvragen. Daarnaast wordt € 5.000 per onderwijskansenschool per
schooljaar beschikbaar gesteld ten behoeve van de kosten van
gemeentelijke coördinatie en regie.
Artikel 8. Informatieplicht
1. Burgemeester en wethouders van
gemeenten die op grond van deze regeling een specifieke uitkering
ontvangen werken mee aan door of namens de minister ingestelde
onderzoeken die erop gericht zijn de minister inlichtingen te
verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
2. De bevoegde gezagsorganen van de onderwijskansenscholen zijn
gehouden aan de door de gemeenteraad aangewezen personen alle gevraagde
bescheiden ter inzage te geven en de gevraagde inlichtingen te
verstrekken die van belang zijn voor de opstelling van het plan van
aanpak, voor het toezicht en voor de rapportages, bedoeld in artikel 9.
Artikel 9. Verantwoording
1. De gemeente is verantwoordelijk voor
de implementatie van een schoolspecifieke onderwijskansenaanpak en de
realisatie van de in het plan van aanpak opgenomen doelstellingen.
2. Uiterlijk op 1 augustus 2004 zendt de gemeente een
tussenrapportage in waaruit blijkt in hoeverre de in het plan van aanpak
geformuleerde doelstellingen en (tussen)resultaten zijn gerealiseerd. In
deze tussenrapportage dienen tevens te worden vermeld:
a. de gegevens per schooljaar binnen de betrokken school of scholen
op de eindtoets voor groep 8, uitgesplitst naar drie categorieën
leerlingen als bedoeld in artikel 15b van het Formatiebesluit WPO:
zonder gewicht, 0.25 en 0.9 alsmede de gegevens per schooljaar op de
toetsgroep 2 van het
leerlingvolgsysteem, eveneens uitgesplitst naar voornoemde
categorieën leerlingen.
b. de examengegevens per jaar binnen het voortgezet onderwijs.
3. Uiterlijk 1 november 2006 zendt de gemeente een financiële
verantwoording in waaruit blijkt dat de specifieke uitkering
overeenkomstig deze regeling is besteed alsmede een eindrapportage
waaruit blijkt in hoeverre de in het plan van aanpak geformuleerde
doelstellingen en de resultaten zijn gerealiseerd. In deze
eindrapportage dienen tevens de in de tweede lid, onder a en b genoemde
elementen te worden vermeld. Indien de totale specifieke uitkering op
basis van deze regeling voor een gemeente meer bedraagt dan € 45.500
gaat de financiële verantwoording vergezeld van een verklaring omtrent
de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De Minister kan
nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de
accountantsverklaring en de financiële verantwoording.
4. De minister kan de specifieke uitkering geheel of gedeeltelijk
terugvorderen indien uit de financiële verantwoording niet blijkt dat
deze is besteed in overeenstemming met deze regeling.
Artikel 10. Tijdvak toekenning specifieke
uitkering en betaalbaar stelling
1. De specifieke uitkering wordt
toegekend voor de periode van 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2006.
2. De minister verleent de ontvanger van de specifieke uitkering
per schooljaar voorschotten. Deze voorschotten worden voor zover het
betreft het schooljaar 2002-2003 betaalbaar gesteld in november 2002 en
voor de schooljaren 2003-2004 tot en met 2005-2006 in de maand
september.
Artikel 11. Niet vervullen
begrotingsvoorwaarde
In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel
4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond
van artikel 7 toegekende bedragen verlaagd tot het bedrag van de
specifieke uitkering dat na de vaststelling of goedkeuring van de
begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal
aanvragers aan wie specifieke uitkering is toegekend en van de hoogte
van de toegekende bedragen.
Artikel 12. Bekendmaking
Deze regeling zal met toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden
geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 13. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de
datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen waarin deze regeling
wordt geplaatst.
Artikel 14. Citeertitel
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling verbreding
onderwijskansenbeleid.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
drs. K.Y.I.J. Adelmund.
Bijlage
Onder verwijzing naar artikel 3, vierde lid:
Het betreft hier de reeds bestaande onderwijskansengemeenten, te
weten:
a. De vier grote gemeenten
Te weten:
1. Amsterdam
2. Rotterdam
3. Den Haag
4. Utrecht
b. De tweeëndertig middelgrote gemeenten
Te weten:
1. Alkmaar
2. Almelo
3. Almere
4. Amersfoort
5. Apeldoorn
6. Arnhem
7. Breda
8. Deventer
9. Dordrecht
10. Ede
11. Emmen
12. Enschede
13. Eindhoven
14. Groningen
15. Haarlem
16. Haarlemmermeer
17. Heerlen
18. Helmond
19. Hengelo
20. Leeuwarden
21. Leiden
22. Lelystad
23. Maastricht
24. Middelburg/Vlissingen
25. Nijmegen
26. Schiedam
27. ’s Hertogenbosch
28. Tilburg
29. Venlo
30. Zaanstad
31. Zoetermeer
32. Zwolle
c. De kleine steden en plattelandsgemeenten die participeren in
de regionale pilots onderwijskansen van Oost-Groningen, Drenthe,
Friesland of Zeeland,
Te weten:
1. Bellingwedde
2. Veendam
3. Pekela
4. Vlagtwedde
5. Winschoten
6. Menterwolde
7. Scheemda
8. Stadskanaal
9. Reiderland (alle Oost-Groningen)
10. Assen
11. Coevorden
12. De Wolden
13. Hoogeveen
14. Meppel
15. Midden-Drenthe (alle Drenthe)
16. Achtkarspelen
17. Smallingerland
18. Heerenveen
19. Weststellingwerf
20. Ooststellingwerf
21. Ameland
22. Dongeradeel
23. Harlingen
24. Sneek
25. Nijefurd
26. Lemsterland (alle Friesland)
27. Middelburg
28. Tholen
29. Schouwen-Duiveland
30. Terneuzen
31. Sas van Gent
32. Breskens
(alle Zeeland)
|