St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Flora- en faunawet

 

BESLUIT  AANWIJZING  DIER-  EN  PLANTENSOORTEN  FLORA-  EN  FAUNAWET

Tekst zoals deze geldt op 20 januari 2012

 

  
 

 

 
BESLUIT van 28 november 2000, houdende aanwijzing van dier- en plantensoorten ingevolge de Flora- en faunawet (Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 18 februari 2000, nr. TrcJZ/2000/1844, Directie Juridische Zaken;
     Gelet op de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, onderdeel a en b, en tweede lid, en 14, tweede, derde en vijfde lid, van de Flora- en faunawet;
     De Raad van State gehoord (advies van 23 maart 2000, nr. W11.00 0069/V);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 21 november 2000, nr. TrcJZ/2000/9384, Directie Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder wet: Flora- en faunawet.

Artikel 2

Als beschermde inheemse plantensoort als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn aangewezen de in bijlage 1 bij dit besluit genoemde plantensoorten.

Artikel 3

Als soorten zoogdieren waarvan gedomesticeerde dieren niet worden aangemerkt als beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de wet zijn aangewezen:

a. de bunzing (Mustela putorius).

b. het konijn (Oryctolagus cuniculus);

c. het varken (Sus scrofa).

Artikel 4

Als soorten vogels waarvan gedomesticeerde vogels niet worden aangemerkt als beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn aangewezen:

a. de grauwe gans (Anser anser);

b. de Europese kanarie (Serinus canaria);

c. de rotsduif (Columba livia);

d. de wilde eend (Anas platyrhynchos).

Artikel 5

Als beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet zijn aangewezen de in bijlage 2 bij dit besluit genoemde diersoorten.

Artikel 5a [Vervallen per 30-05-2011]


Artikel 6

1. Als plantensoort als bedoeld in artikel 14, tweede en derde lid, van de wet is aangewezen de grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides).

2. Als diersoort als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet is aangewezen de muntjak (Muntiacus reevesi).

Artikel 7

Als vissoort ten aanzien waarvan ingevolge artikel 14, vijfde lid, van de wet het verbod om dieren in de vrije natuur uit te zetten niet geldt, zijn aangewezen de vissoorten, aangewezen op basis van de artikelen 1, tweede lid, en17 van de Visserijwet 1963.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 9

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 28 november 2000

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
G.H. Faber

 

Uitgegeven de zevende december 2000
De Minister van Justitie,

A.H. Korthals

 

 

Bijlage 1. Lijst met beschermde inheemse plantensoorten als bedoeld in artikel 2 van het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet

 

Nederlandse naam wetenschappelijke naam motief voor opname
Aardaker Lathyrus tuberosus b
Akkerklokje Campanula rapunculoides d
Beenbreek Narthecium ossifragum a
Bergklokje Campanula rhomboidalis a
Blaasvaren Cystopteris fragilis a
Blauwe zeedistel Eryngium maritimum a
Breed klokje Campanula latifolia d
Daslook Allium ursinum a
Dotterbloem Caltha palustris b
Duitse gentiaan Gentianella germanica a
Franjegentiaan Gentianella ciliata a
Gele helmbloem Pseudofumaria lutea a
Gewone vogelmelk Ornithogalum umbellatum b
Grasklokje Campanula rotundifolia d
Groensteel Asplenium viride a
Grote kaardebol Dipsacus fullonum b
Gulden sleutelbloem Primula veris a
Hondskruid Anacamptis pyramidalis a
Jeneverbes Juniperus communis a
Klein glaskruid Parietaria judaica a
Kleine maagdenpalm Vinca minor b
Kleine zonnedauw Drosera intermedia a
Klokjesgentiaan Gentiana pneumonanthe d
Kluwenklokje Campanula glomerata a
Knikkende vogelmelk Ornithogalum nutans b
Koningsvaren Osmunda regalis b
Koraalwortel Corallorhiza trifida a
Kruisbladgentiaan Gentiana cruciata a
Lange ereprijs Veronica longifola a
Lange zonnedauw Drosera anglica a
Maretak Viscum album a
Muurbloem Erysimum cheiri a
Parnassia Parnassia palustris a
Pijlscheefkelk Arabis hirsuto sagittata a
Prachtklokje Campanula persicifolia a
Rapunzelklokje Campanula rapunculus a
Rechte driehoeksvaren Gymnocarpium robertianum a
Ronde zonnedauw Drosera rotundifolia a
Ruig klokje Campanula trachelium a
Schubvaren Ceterach officinarum a
Slanke gentiaan Gentianella amarella a
Slanke sleutelbloem Primula elatior d
Spaanse ruiter Cirsium dissectum a
Steenanjer Dianthus deltoides a
Steenbreekvaren Asplenium trichomanes a
Stengelloze sleutelbloem Primula vulgaris a
Stengelomvattend havikskruid Hieracium amplexicaule a
Stijf hardgras Catapodium rigidum a
Tongvaren Asplenium scolopendrium b
Veldgentiaan Gentianella campestris a
Veldsalie Salvia pratensis a
Weideklokje Campanula patula d
Wilde gagel Myrica gale b
Wilde herfsttijloos Colchicum autumnale a
Wilde kievitsbloem Fritillaria meleagris a
Wilde marjolein Origanum vulgare a
Zinkviooltje Viola lutea calaminaria a
Zomerklokje Leucojum aestivum a
Zwanebloem Butomus umbellatus b
Zwartsteel Asplenium adiantum-nigrum a

De letters a tot en met d in de derde kolom corresponderen met de onderdelen a tot en met d van artikel 3, eerste lid, van de wet en refereren naar de motieven voor opname in deze lijst van beschermde inheemse plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen en die:

a.
in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
b.
niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting;
c.
uit Nederland zijn verdwenen doch ten aanzien waarvan gerede kans op terugkeer bestaat of
d.
zodanige gelijkenis vertonen met soorten die zijn aangewezen op grond van het bepaalde in de onderdelen a, b of c, dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.

 

 

Bijlage 2. Lijst met beschermde inheemse diersoorten als bedoeld in artikel 5 van het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en Faunawet

 

Nederlandse naam wetenschappelijke naam motief voor opname
KREEFTACHTIGEN CRUSTACEA  
Rivierkreeft Astacus astacus a

Nederlandse naam wetenschappelijke naam motief voor opname
KEVERS COLEOPTERA  
Vliegend hert Lucanus cervus a

Nederlandse naam wetenschappelijke naam motief voor opname
DAGVLINDERS LEPIDOPTERA  
Bruin dikkopje Erynnis tages a
Dwergblauwtje Cupido minimus c
Dwergdikkopje Thymelicus acteon c
Groot geaderd witje Aporia crataegi c
Grote ijsvogelvlinder Limenitis populi a
Heideblauwtje Plebejus argus d
Iepepage Strymonidia w-album a
Kalkgraslanddikkopje Spialia sertorius c
Keizersmantel Argynnis paphia c
Klaverblauwtje Cyaniris semiargus c
Purperstreepparelmoervlinder Brenthis ino c
Rode vuurvlinder Palaeochrysophanus hippothoe c
Rouwmantel Nymphalis antiopa c
Tweekleurig hooibeestje Coenonympha arcania a
Vals heideblauwtje Lycaeides idas c
Veenbesparelmoervlinder Boloria aquilonaris a
Veenhooibeestje Coenonympha tullia a
Veldparelmoervlinder Melitaea cinxia a
Woudparelmoervlinder Melitaea diamina c
Zilvervlek Clossiana euphrosyne c

Nederlandse naam wetenschappelijke naam motief voor opname
MIEREN FORMICOIDEA  
Behaarde rode bosmier Formica rufa b
Zwartrugbosmier Formica pratensis b
Kale rode bosmier Formica polyctena b
Stronkmier Formica truncorum b

Nederlandse naam wetenschappelijke naam motief voor opname
SLAKKEN GASTROPODA  
Wijngaardslak Helix pomatia b

De letters a tot en met d in de derde kolom corresponderen met de onderdelen a tot en met d van artikel 4, tweede lid, van de wet en refereren naar de motieven voor opname in deze lijst van beschermde inheemse diersoorten die van nature in Nederland voorkomen en die:

a.
in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
b.
niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting;
c.
uit Nederland zijn verdwenen doch ten aanzien waarvan gerede kans op terugkeer bestaat of
d.
zodanige gelijkenis vertonen met soorten die zijn aangewezen op grond van het bepaalde in de onderdelen a, b of c, dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x