|
BESLUIT van 28 november 2000, houdende regels ten aanzien van
faunabeheereenheden en faunabeheerplannen (Besluit faunabeheer)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 18 februari 2000, nr. TrcJZ/2000/1839, Directie
Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 29, tweede lid, en 30, tweede lid, van de
Flora- en faunawet;
De Raad van State gehoord (advies van 11 mei 2000, nr. W11.00
0065/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij van 21 november 2000, nr. TrcJZ/2000/9597,
Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Flora- en faunawet.
Artikel 2
Voorzover het werkgebied van een samenwerkingsverband van
jachthouders op het grondgebied van meer dan ιιn provincie is gelegen,
erkennen gedeputeerde staten van de provincie waarin het grootste
gedeelte van dit werkgebied is gelegen, een faunabeheereenheid en keuren
zij een faunabeheerplan goed, in overeenstemming met gedeputeerde staten
van de overige betrokken provincies.
Paragraaf 2. Faunabeheereenheden
Artikel 3
Teneinde voor erkenning als faunabeheereenheid als bedoeld in artikel
29, eerste lid, van de wet in aanmerking te komen, voldoet een
samenwerkingsverband van jachthouders aan de artikelen 4 tot en met 6.
Artikel 4
1. Het samenwerkingsverband heeft de rechtsvorm vereniging met
volledige rechtsbevoegdheid of stichting.
2. Bij of krachtens de statuten van de vereniging met volledige
rechtsbevoegdheid of stichting worden de plichten opgenomen die de bij
de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot
de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid verleende bevoegdheden.
Artikel 5
1. De binnen het werkgebied van het samenwerkingsverband
gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende
jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht:
a. hebben een oppervlakte van ten minste 5000 hectare;
b. vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het
werkgebied van het samenwerkingsverband en
c. zijn zo veel mogelijk aaneengesloten.
2. Onverminderd het eerste lid, onderdeel a, is de oppervlakte
van de gronden waarop in het eerste lid bedoelde jachthouders gerechtigd
zijn tot de jacht groter dan 5000 hectare, indien daartoe uit het
oogpunt van duurzaam en effectief beheer van diersoorten aanleiding
bestaat.
Artikel 6
Het werkgebied van het samenwerkingsverband strekt zich niet uit tot
het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid
uitstrekt.
Paragraaf 3. Faunabeheerplannen
Artikel 7
Teneinde voor goedkeuring als faunabeheerplan als bedoeld in artikel
30, eerste lid, van de wet in aanmerking te komen, voldoet een plan aan
de artikelen 8 tot en met 11.
Artikel 8
1. Het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van
het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.
2. Indien op grond van artikel 5, tweede lid, uit het oogpunt van
duurzaam en effectief beheer van diersoorten is vastgesteld dat de
oppervlakte, waarop de in artikel 5, eerste lid, bedoelde jachthouders
gerechtigd zijn tot de jacht, groter is dan 5000 hectare, geldt in
afwijking van het eerste lid het faunabeheerplan ten minste voor die
grotere oppervlakte van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.
Artikel 9
Het faunabeheerplan is gericht op het duurzame beheer van diersoorten
ten aanzien waarvan met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 68,
eerste lid, van de wet een duurzaam beheer kan worden gevoerd.
Artikel 10
Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;
b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de
faunabeheereenheid is aangegeven;
c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten
ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht,
met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in
het betrokken gebied gedurende het jaar;
d. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van
de in onderdeel c bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde
verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 68, eerste lid,
van de wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou
worden overgegaan;
e. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde
belangen in de vijf jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring
indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;
f. de gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten;
g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak
van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand,
bedoeld in onderdeel f, te bereiken;
h. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die
in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden
van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede,
voorzover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar
zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;
i. voorzover het plan betrekking heeft op het beheer van
edelherten, damherten, reeλn of wilde zwijnen, een beschrijving van
het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte
van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden
van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de
faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in
onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
k. de mogelijkheid en de voorwaarden om gebruik te maken van een
aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van
jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten,
mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid
vallen en voorzover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel j
omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;
l. voorzover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn,
een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in
onderdeel g bedoelde handelingen;
m. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de
voorgenomen handelingen zal worden bepaald.
Artikel 11
In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een
geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren heeft.
Artikel 12
Indien faunabeheereenheden krachtens artikel 67, eerste lid, van de
wet, zijn aangewezen, brengen zij jaarlijks een verslag aan gedeputeerde
staten uit over de wijze waarop zij hun werkzaamheden hebben uitgeoefend
en van de uitvoering van het faunabeheerplan.
Paragraaf 4. Slotbepalingen
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit faunabeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 28 november 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij,
G.H. Faber
Uitgegeven de zevende december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|