|
BESLUIT van 28 november 2000 houdende regels ten aanzien van het
prepareren van dieren (Besluit prepareren
van dieren)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 18 februari 2000, nr. TrcJZ/2000/1842, Directie
Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 62, tweede en vierde lid, 63, eerste lid, 64,
eerste lid, en 76, eerste lid, van de Flora- en faunawet;
De Raad van State gehoord (advies van 23 maart 2000,
nr.
W11.00.0066);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij van 21 november 2000, nr. TrcJZ/2000/9480,
Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Flora- en faunawet;
b. korpschef: korpschef als bedoeld in artikel 24 van de
Politiewet 1993.
Artikel 2
Om te kunnen worden erkend, voldoet een preparateursexamen als
bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de wet aan het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 3 en 4.
Artikel 3
Het preparateursexamen bevat de volgende onderdelen:
a. kennis van de diersoorten die mogen worden geprepareerd, en
b. kennis van de wettelijke voorschriften ten aanzien van het
prepareren van dieren, de destructie van dieren en het gebruik van
chemische stoffen.
Artikel 4
1. Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld met
betrekking tot het preparateursexamen.
2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:
a. eisen waaraan een organisatie die examens afneemt dient te
voldoen ten behoeve van de erkenning van een preparateursexamen;
b. regels omtrent de taken en bevoegdheden van de personen die
namens Onze Minister toezien op de preparateursexamens en de
beoordeling van examenresultaten.
Artikel 5
Als diersoort ten aanzien waarvan het verbod, bedoeld in artikel 62,
eerste lid, van de wet niet geldt, worden aangewezen:
a. de diersoorten die niet worden aangemerkt of niet zijn
aangewezen als beschermde inheemse of uitheemse diersoort;
b. de diersoorten waarvoor, met inachtneming van de daarbij
gestelde voorschriften, een vrijstelling of ontheffing geldt van het
in artikel 13, eerste lid, van de wet bedoelde verbod op het onder
zich hebben van producten van dieren van die soorten:
1°. ingevolge artikel 13, vierde lid, of artikel 75, derde
lid, van de wet;
2°. ingevolge het Besluit vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten of
3°. krachtens een ministeriële regeling als bedoeld in
artikel 75, tweede lid, van de wet;
met uitzondering van de diersoorten, bedoeld in artikel 8.
Artikel 6
1. Het is een ieder toegestaan, onverminderd artikel 8, te
prepareren producten van dieren van andere diersoorten dan die,
bedoeld in artikel 5, onder zich te hebben, te vervoeren of af te
leveren, mits de houder beschikt over een verklaring van een korpschef
dat:
a. het betrokken dier kennelijk een natuurlijke dood is gestorven
of kennelijk buiten schuld of medeweten van de houder de dood heeft
gevonden dan wel kennelijk niet in strijd met de wetgeving van het
land van herkomst is verkregen, en
b. de houder het betrokken product onder zich heeft, vervoert of
aflevert met het oog op preparatie daarvan.
2. Het is een ieder toegestaan, onverminderd artikel 8,
geprepareerde producten van dieren van andere diersoorten dan die,
bedoeld in artikel 5, onder zich te hebben, te vervoeren of af te
leveren, mits deze producten zijn voorzien van een merkteken dat voldoet
aan de krachtens artikel 7, tweede lid, gestelde regels.
3. Het is, in afwijking van het tweede lid, een ieder toegestaan,
onverminderd artikel 8, binnen het grondgebied van Nederland gebrachte
geprepareerde producten van dieren van andere diersoorten dan die,
bedoeld in artikel 5, onder zich te hebben, te vervoeren of af te
leveren mits de houder beschikt over een verklaring van de korpschef
dat:
a. het betrokken product kennelijk niet in strijd met de wetgeving
van het land van herkomst is verkregen, en
b. de houder het betrokken product onder zich heeft, vervoert of
aflevert met het oog op het daarop laten aanbrengen van een merkteken
als bedoeld in het tweede lid.
4. Het is een ieder toegestaan, onverminderd artikel 8, te
prepareren of geprepareerde producten van dieren van andere diersoorten
dan die, bedoeld in artikel 5, binnen het grondgebied van Nederland te
brengen, mits de houder aannemelijk kan maken dat hij voldoet dan wel
binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, zal voldoen aan het eerste
of derde lid.
5. Het is in afwijking van het tweede lid een ieder toegestaan,
onverminderd artikel 8, geprepareerde producten van dieren van andere
diersoorten dan die, bedoeld in artikel 5, onder zich te hebben, te
vervoeren of af te leveren indien het betrokken product aantoonbaar is
verworven vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
6. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, gelden
gedurende drie dagen na de dagtekening van de in die leden bedoelde
verklaring.
Artikel 7
1. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 62,
eerste lid, van de wet is verplicht:
a. op de te prepareren en geprepareerde producten van dieren
behorende tot andere diersoorten dan die, bedoeld in artikel 5, een
merkteken aan te brengen dat voldoet aan de krachtens het tweede lid
gestelde regels;
b. een register bij te houden dat voldoet aan de in het derde lid
bedoelde voorschriften;
c. mutaties in het in onderdeel b bedoelde register binnen vier
etmalen na de dagtekening van de verklaring, bedoeld in artikel 6,
eerste en derde lid, daarin aan te brengen, en
d. ieder jaar in de maand januari aan Onze Minister schriftelijk
verslag te doen van de soorten die en per soort het aantal dieren dat
hij het voorgaande kalenderjaar heeft verworven, ontvangen en
afgeleverd.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de
merktekens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
3. Het register, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bevat
ten aanzien van alle van de ter preparatie verworven en ontvangen
producten van dieren, alsmede van de afgeleverde geprepareerde producten
van dieren behorende tot andere diersoorten dan die, bedoeld in artikel
5:
a. het aantal en de soort van de dieren;
b. de datum van ontvangst en aflevering van de dieren;
c. de naam en het adres van degenen van wie de dieren zijn
ontvangen;
d. de naam en het adres van degenen aan wie de dieren zijn
afgeleverd en
e. het nummer van het merkteken.
Artikel 8
Als diersoorten als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de wet die
uit het oogpunt van natuurbehoud niet mogen worden geprepareerd, zijn
aangewezen de volgende beschermde inheemse diersoorten:
a. de diersoorten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c,
van de wet, met uitzondering van de groene kikker (Rana esculenta)
en de bruine kikker (Rana temporaria), en
b. de krachtens artikel 4, tweede en derde lid, van de wet
aangewezen diersoorten;
c. alle van nature in Nederland voorkomende vleermuizen (Chiroptera);
d. alle van nature in Nederland voorkomende walvisachtigen (Cetacea);
e. de bever (Castor fiber);
f. de hamster (Cricetus cricetus);
g. de hazelmuis (Muscardinus avellanarius);
h. de noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola);
i. de otter (Lutra lutra).
Artikel 9
Voor de toepassing van dit besluit wordt een vergunning of een
ontheffing als bedoeld in artikel 15 of 21
van de Vogelwet 1936, artikel 60 van de Jachtwet of artikel 25 van de
Natuurbeschermingswet, voorzover deze is verleend met het oog op
preparatie van dieren, gelijkgesteld aan een vergunning als bedoeld in
artikel 62, eerste lid, van de wet.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit prepareren van dieren.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 28 november 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij,
G.H. Faber
Uitgegeven de zevende december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|