|
BESLUIT van 28 november 2000, houdende regels voor het
bezit en vervoer van en de handel in beschermde dier- en plantensoorten
(Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 18 februari 2000, nr. TRCJZ/2000/1689, Directie Juridische
Zaken;
Gelet op artikel 16, eerste lid, onderdeel c,
van Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en
de wilde flora- en fauna (PbEG L 206);
Gelet op de artikelen 75, eerste lid en vierde
lid, onderdeel a, b en c, en 81, eerste lid, van de
Flora- en faunawet;
De Raad van State gehoord (advies van 26 mei
2000, nr. W11.00.0064/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 21 november
2000, nr. TRCZ/2000/9599, Directie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Flora- en faunawet;
b. gesloten pootring: individueel gemerkte, naadloze,
ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op
geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat
hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht,
niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn
definitieve omvang heeft bereikt;
c. basisverordening: verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van
de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in
het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het
desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61);
d. Habitatrichtlijn: richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van
de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L
206);
e. Vogelrichtlijn: richtlijn nr. 2009/147/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009
inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010 L 20).
Artikel 1a
Dit besluit berust op de artikelen 75, eerste en vierde lid en vijfde
lid, onderdelen a, b en c, 76, eerste lid, 77, en 81, eerste lid, van de
Flora- en faunawet.
Artikel 2
1. Als beschermde inheemse dier- en plantensoorten als bedoeld
in artikel 75, vijfde lid, van de wet zijn aangewezen de dier- en
plantensoorten, genoemd in bijlage 1 bij dit besluit.
2. Als aantal en soort als bedoeld in artikel 75, vijfde lid,
onderdeel b, van de wet zijn aangewezen 10.000 wilde eenden (Anas
platyrhynchos) per jaar.
3. Als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde lid,
onderdeel c, van de wet zijn aangewezen:
a. de bepalingen inzake de gemeenschappelijke markt en een vrij
verkeer van goederen van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap;
b. de bescherming van flora en fauna;
c. de veiligheid van het luchtverkeer;
d. de volksgezondheid of openbare veiligheid;
e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van
redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk
gunstige effecten;
f. het voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom,
anders dan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;
g. belangrijke overlast veroorzaakt door dieren, behorende tot een
beschermde inheemse diersoort;
h. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig
beheer en onderhoud in de landbouw en in de bosbouw;
i. bestendig gebruik;
j. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke
inrichting of ontwikkeling.
Artikel 2a
In totaal kunnen ten hoogste 200 ontheffingen worden verleend voor
het onder zich hebben van gefokte jachtvogels ten behoeve van de
uitoefening van de jacht en de uitoefening van bevoegdheden toegekend in
het kader van beheer en schadebestrijding.
Artikel 2b
1. Met betrekking tot de plantensoorten, genoemd in bijlage IV
van de Habitatrichtlijn, en de plantensoorten, genoemd in bijlage 1
bij dit besluit, kan van artikel 8 van de wet slechts vrijstelling of
ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in
artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c, d, e of f.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan met
betrekking tot de in het eerste lid bedoelde soorten tevens vrijstelling
of ontheffing worden verleend van artikel 8 van de wet ten behoeve van
de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j, mits
ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde soorten:
a. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en
b. zorgvuldig wordt gehandeld, hetgeen in elk geval inhoudt dat van
de werkzaamheden of het gebruik geen wezenlijke invloed uitgaat op de
in het eerste lid bedoelde soorten.
3. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op
gekweekte planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort
die is vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn of in bijlage 1 bij
dit besluit.
Artikel 2c
1. Met betrekking tot de diersoorten, genoemd in bijlage IV van
de Habitatrichtlijn, en de diersoorten, genoemd in bijlage 1 bij dit
besluit, kan:
a. van de artikelen 9 tot en met 12 van de wet slechts vrijstelling
of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in
artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c, d, e of f;
b. van de artikelen 15, 50, 53, eerste lid, onderdelen a en b, en
artikel 72, vijfde lid, van de wet geen vrijstelling of ontheffing
worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2,
derde lid, onderdelen g, h, i en j.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a,
kan met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde soorten tevens
vrijstelling of ontheffing worden verleend van de artikelen 9, 11 en 12
van de wet ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid,
onderdelen h, i en j, mits ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
soorten:
a. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en
b. zorgvuldig wordt gehandeld.
3. Zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
b, houdt in elk geval in dat:
a. van de werkzaamheden of het gebruik geen wezenlijke invloed
uitgaat op de in het eerste lid bedoelde soorten en
b. voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in
redelijkheid alles zal worden verricht of gelaten om te voorkomen of
zoveel mogelijk te beperken dat:
1°. de in het eerste lid bedoelde dieren
worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop
worden opgespoord;
2°. nesten, holen of andere voortplantings-
of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het eerste lid bedoelde
dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of
verstoord;
3°. eieren van de in het eerste lid bedoelde
dieren worden beschadigd of vernield.
4. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op gefokte
dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort die is vermeld
in bijlage IV van de Habitatrichtlijn of in bijlage 1 bij dit besluit.
Artikel 2d
1. Met betrekking tot de vogelsoorten, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel b, van de wet, kan:
a. van de artikelen 9 tot en met 12 van de wet slechts vrijstelling
of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in
artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c, of d;
b. van de artikelen 15, 50, 53, eerste lid, onderdelen a en b, en
artikel 72, vijfde lid, van de wet geen vrijstelling of ontheffing
worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2,
derde lid, onderdelen e, f, g, h, i en j.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a,
kan met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde soorten tevens
vrijstelling of ontheffing worden verleend van artikel 10 van de wet ten
behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen e,
f, g, h, i en j, voorzover de handeling, genoemd in artikel 10 van de
wet, geen wezenlijke invloed heeft.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a,
kan tevens vrijstelling of ontheffing worden verleend van artikel 9 van
de wet ten behoeve van het belang, genoemd in artikel 2, derde lid,
onderdeel g, met betrekking tot de vogelsoorten, genoemd in bijlage II
van de Vogelrichtlijn, met dien verstande dat geen vrijstelling of
ontheffing kan worden verleend voor de periode van 15 maart tot 15 juli.
4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a,
kan met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde soorten tevens
vrijstelling of ontheffing worden verleend van de artikelen 9, 11 en 12
van de wet ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid,
onderdelen h, i en j, mits ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
soorten:
a. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en
b. zorgvuldig wordt gehandeld.
5. Zorgvuldig handelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel
b, houdt in elk geval in dat:
a. van de werkzaamheden of het gebruik geen wezenlijke invloed
uitgaat op de in het eerste lid bedoelde soorten en
b. voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in
redelijkheid alles is of zal worden verricht of gelaten om te
voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
1°. de in het eerste lid bedoelde dieren
worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop
worden opgespoord;
2°. nesten, holen of andere voortplantings-
of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het eerste lid bedoelde
dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of
verstoord;
3°. eieren van de in het eerste lid bedoelde
dieren worden beschadigd of vernield.
6. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op gefokte
vogels, behorende tot een soort als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel b, van de wet.
Artikel 3
Met uitzondering van de artikelen 11, 14 en 14a en de hoofdstukken 3
tot en met 5 is dit besluit niet van toepassing op planten of producten
van planten, noch op dieren of eieren, nesten of producten van dieren,
behorende tot soorten genoemd in de bijlagen van de basisverordening.
Hoofdstuk 2: Vrijstellingen voor bezit, vervoer en handel
§ 1. Vrijstelling voor gehouden dieren
Artikel 4
1. De verboden, bedoeld in
de artikelen 9 tot en met 11 en 13, eerste lid, van de wet, gelden niet
ten aanzien van gefokte dieren behorende tot een bij ministeriėle
regeling aangewezen beschermde inheemse diersoort, alsmede voor
producten van die dieren, voorzover de houder kan aantonen dat de dieren
zijn gefokt, of, indien het producten betreft, dat de betrokken
producten van gefokte dieren afkomstig zijn.
2. De verboden, bedoeld in de artikelen 9
tot en met 11 en 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van
edelherten, damherten en wilde zwijnen die met het oog op de productie
van van die dieren afkomstige producten worden gehouden op terreinen
kleiner dan 40 hectare, alsmede voor producten van die dieren, voorzover
de houder kan aantonen dat de betrokken producten van die dieren
afkomstig zijn.
Artikel 5
1. De verboden, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 en 13,
eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van gefokte vogels
behorende tot een beschermde inheemse diersoort, alsmede voor eieren,
nesten of producten van die vogels, indien de houder kan aantonen dat
de vogels zijn gefokt, of, indien het eieren, nesten of producten van
die vogels betreft, dat de betrokken producten van gefokte vogels
afkomstig zijn en voorzover:
a. deze vogels zijn voorzien van een pootring als bedoeld in
artikel 6;
b. registratie heeft plaatsgevonden in de administratie bedoeld in
artikel 8 en
c. voldaan is aan de krachtens artikel 18 gestelde regels.
2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de verplichting dat
gefokte vogels voorzien dienen te zijn van een pootring voor
bedrijfsmatig, met het oog op de productie, gefokte vogels.
Artikel 6
1. Gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse
diersoort zijn voorzien van een door Onze Minister op aanvraag
afgegeven gesloten pootring, dan wel van een gesloten pootring die
door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland, of een
door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland erkende
organisatie, is afgegeven.
2. Bij ministeriėle regeling
kunnen regels worden gesteld betreffende de afgifte en kenmerken van
gesloten pootringen.
Artikel 7
De vrijstelling, bedoeld in artikel 5, eerste lid, geldt eveneens
voor gefokte vogels die voorzien zijn van een ander merkteken dan
bedoeld in artikel 6, eerste lid, dat door een overheidsorgaan van een
andere staat dan Nederland, of een door een overheidsorgaan van een
andere staat dan Nederland erkende organisatie is afgegeven, en voldoet
aan de eisen die bij ministeriėle regeling gesteld zijn.
Artikel 8
Door Onze Minister wordt een administratie bijgehouden waaruit blijkt
aan wie, wanneer en met welke maten en registratienummers gesloten
pootringen als bedoeld in artikel 6 zijn verstrekt.
§ 2. Vrijstelling voor planten
Artikel 9
1. De verboden, bedoeld in de artikelen 8
en 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van planten of
producten van planten, behorende tot een beschermde inheemse of
uitheemse plantensoort, voorzover de houder kan aantonen dat de planten
zijn gekweekt of, indien het producten betreft, dat de betrokken
producten van gekweekte planten afkomstig zijn.
2. De verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet,
gelden niet ten aanzien van planten behorende tot de soort maretak (Viscum
album), de soort wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) of de soort
zomerklokje (Leucojum aestivum), voorzover de houder kan aantonen dat de
betrokken planten of producten op geoorloofde wijze elders dan in
Nederland zijn verkregen.
3. De verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet,
gelden niet ten aanzien van producten van planten, behorende tot een
beschermde inheemse plantensoort, voorzover de houder kan aantonen dat
de betrokken producten van planten op geoorloofde wijze elders dan in
Nederland zijn verkregen.
Artikel 9a
De verboden op het onder zich hebben en vervoeren, bedoeld in artikel
14, derde lid, van de wet, van in dat artikel bedoelde planten of dieren
gelden niet ten aanzien van de grote waternavel (Hydrocotyle
ranunculoides) voorzover die handelingen ten doel hebben planten
behorende tot die soort te verdelgen.
§ 3. Vrijstelling voor wild
Artikel 10
De verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden
niet ten aanzien van producten van wild:
a. gedurende het tijdvak van de opening tot en met de tiende dag
na de sluiting van de jacht op dat wild, dan wel;
b. gedurende het tijdvak vanaf de elfde dag na de sluiting tot de
opening van de jacht op dat wild,
indien de houder van de betrokken producten kan aantonen dat deze
zijn verworven overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk V,
titel II, van de wet, dan wel op geoorloofde wijze elders dan in
Nederland zijn verkregen.
§ 4. Vrijstelling voor dieren die in het kader van beheer of
bestrijding van schade zijn gedood of elders dan in Nederland zijn
verkregen
Artikel 11
1. De verboden op het onder
zich hebben en vervoeren van producten van dieren, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van producten van
dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, voorzover deze
producten afkomstig zijn van bij ministeriėle regeling aanwezen dieren,
indien de houder van de betrokken producten kan aantonen dat deze zijn
verworven overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk V,
titel III, afdeling 1, paragraaf 3, van de wet.
2. De verboden, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van
producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort,
voorzover deze producten afkomstig zijn van bij ministeriėle regeling
aangewezen dieren, indien de houder van de betrokken producten kan
aantonen dat deze zijn verworven overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, paragraaf 3, van de wet,
dan wel op geoorloofde wijze elders dan in Nederland zijn verkregen.
§ 5. Vrijstelling voor klapmuts en zadelrob
Artikel 12 [Vervallen per 30-05-2011]
§ 6. Overige vrijstellingen
Artikel 13
1. De verboden op het vangen en
bemachtigen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort,
bedoeld in artikel 9 van de wet, en van de verboden op het vervoeren en
onder zich hebben van dieren, behorende tot een beschermde inheemse
diersoort, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet
ten aanzien van beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders
indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze
dieren tegen het verkeer.
2. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor
het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter
vanaf de vangplaats en voorzover de dieren na het vervoeren onmiddellijk
weer in vrijheid worden gesteld.
Artikel 14
1. De verboden op het vervoeren en onder zich hebben, bedoeld
in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van
zieke of gewonde dieren behorende tot een beschermde inheemse
diersoort ten behoeve van opvang en verzorging.
2. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts
voorzover de dieren binnen twaalf uur worden overgedragen aan personen
of instanties die gerechtigd zijn de dieren onder zich te hebben.
3. Met betrekking tot reeėn,
edelherten, damherten en wilde zwijnen geldt de vrijstelling, bedoeld in
het eerste lid, uitsluitend indien vóór het vervoer melding is gemaakt
bij de meldkamer van het regionale politiekorps in de regio waar een
dier wordt aangetroffen van het aantal, de vindplaats en de soort zieke
of gewonde dieren en voorzover dat vervoer geschiedt door een door de
politie aangewezen vervoerder.
Artikel 14a
1. De verboden op het vervoeren en onder
zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet
ten aanzien van keutels, braakballen, losse veren, haarballen,
sterrenschot en afgeworpen geweien afkomstig van dieren, behorende tot
een beschermde inheemse diersoort.
2. Voorzover de in het eerste lid bedoelde producten van dieren
afkomstig zijn van of producten bevatten van vogelsoorten als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de wet of van diersoorten, genoemd in bijlage
IV van de Habitatrichtlijn of in bijlage 1 bij dit besluit, geldt de
vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, slechts als het vervoer of het
onder zich hebben geschiedt met het oog op gebruik van deze producten
bij onderzoek en onderwijs.
Artikel 15 [Vervallen per 23-02-2005]
Artikel 16
1. De verboden op het onder zich hebben en vervoeren, bedoeld
in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van de
groene kikker (Rana esculenta), de bruine kikker (Rana
temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo), alsmede ten
aanzien van eieren van deze soorten, voorzover het vervoer of het
onder zich hebben geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of
eieren van deze dieren bij onderzoek en onderwijs.
2. De vrijstelling in het eerste lid geldt niet ten aanzien van
groene kikkers, bruine kikkers en gewone padden waarvan de metamorfose
is voltooid.
Hoofdstuk 3: Overige vrijstellingen ten behoeve van het
maatschappelijk verkeer
Artikel 16a
De verboden, bedoeld in de artikelen 10 tot en met 12 van de wet,
gelden niet ten aanzien van weidevogels, behorende tot vogels als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet, ten behoeve
van activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van
weidevogels, hun eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen
landbouwwerkzaamheden en vee.
Artikel 16b
1. De verboden, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 12 van de
wet, gelden niet bij:
a. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig
beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, oevers,
vliegvelden, wegen, spoorwegen en bermen en in het kader van
natuurbeheer;
b. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig
beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;
c. bestendig gebruik;
d. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke
ontwikkeling en inrichting.
2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten
aanzien van in het wild levende dieren en planten behorende tot:
a. bij ministeriėle regeling
aangewezen beschermde inheemse dier- en plantensoorten;
b. overige beschermde inheemse dier- en plantensoorten, mits de
werkzaamheden en het gebruik aantoonbaar plaatsvinden overeenkomstig een
door Onze Minister goedgekeurde gedragscode.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, gelden de
vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, voor wat
betreft artikel 10 van de wet niet ten aanzien van de soorten, genoemd
in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage 1 bij dit besluit.
4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, geldt de
vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet ten aanzien
van de soorten, genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in
bijlage 1 bij dit besluit.
5. Bij de in het tweede lid
bedoelde ministeriėle regeling worden niet aangewezen vogelsoorten als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet en soorten,
die genoemd worden in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage 1
bij dit besluit.
Artikel 16c
1. Een gedragscode, als bedoeld in
artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, wordt slechts goedgekeurd, indien
hierin een wijze van uitvoering van werkzaamheden of gebruik is
beschreven waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende
gewaarborgd is dat ten aanzien van de in artikel 16b, tweede lid,
onderdeel b, bedoelde soorten:
a. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt;
b. zorgvuldig wordt gehandeld, hetgeen inhoudt dat:
1°. slechts werkzaamheden verricht worden of
gebruik plaatsvindt waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de in
artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde soorten;
2°. voor wat betreft dieren voorafgaand en
tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles wordt
verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken
dat:
i. de in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde dieren
worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop
worden opgespoord;
ii. nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of
verblijfplaatsen van de in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b,
bedoelde dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen
of verstoord;
iii. eieren van de in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b,
bedoelde dieren worden beschadigd of vernield.
2. Onze Minister kan het goedkeuringsbesluit intrekken, indien
naar zijn oordeel de staat van instandhouding van de soorten, bedoeld in
artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, of de trend in de staat van
instandhouding van deze soorten daartoe noodzaakt.
Artikel 16d
Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de vrijstellingen, bedoeld in artikel 16b, eerste lid, en
ten aanzien van de goedkeuring van gedragscodes als bedoeld in artikel
16c waarbij onder andere onderscheid kan worden gemaakt tussen
beschermde inheemse soorten.
Artikel 16e
1. De verboden, bedoeld in de artikelen 9
tot en met 11 van de wet, gelden niet ten aanzien van de huisspitsmuis (Crocidura
russula) voorzover dit dier zich in of op gebouwen of daarbij behorende
erven of roerende zaken bevindt.
2. De verboden, bedoeld in artikel 9 tot en met 11 van de wet,
gelden niet ten aanzien van de mol (Talpa europea) de bosmuis (Apodemus
sylvaticus) en de veldmuis (Microtus arvalis).
Artikel 16f
Het verbod, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, geldt niet
ten aanzien van het binnen de bebouwde kom vangen van verwilderde katten
(Felis catus) en verwilderde duiven (Columba livia forma domestica)
met vangkooien.
Artikel 16g
De verboden op het onder zich hebben en vervoeren, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van de afvoer van
planten en producten van planten, behorende tot een beschermde inheemse
plantensoort, in verband met werkzaamheden als bedoeld in artikel 16b,
eerste lid, die verricht worden in overeenstemming met artikel 16b en de
nadere regels die op grond van artikel 16d zijn gesteld.
Hoofdstuk 4: Vrijstellingen voor het uitzetten van dieren
Artikel 16h
1. Het verbod, bedoeld in
artikel 14, eerste lid van de wet, geldt niet ten aanzien van dieren of
eieren van dieren, behorende tot bij ministeriėle regeling aangewezen
diersoorten, ten behoeve van de bestrijding van ziekten, plagen of
onkruiden.
2. De vrijstelling als bedoeld
in het eerste lid kan bij ministeriėle regeling naar gelang een soort
of groep van soorten worden beperkt tot delen van Nederland of tot
bepaalde categorieėn gebieden.
Hoofdstuk 5: Overige bepalingen
Artikel 17
Ter uitvoering van artikel 12 van de basisverordening worden bij
ministeriėle regeling plaatsen aangewezen waar planten behorende tot
beschermde inheemse of uitheemse plantensoorten of dieren behorende tot
beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, alsmede producten van die
planten of producten of eieren van die dieren, vanuit derde landen het
grondgebied van Nederland dienen te worden binnengebracht en vanuit
Nederland naar derde landen worden uitgevoerd.
Artikel 17a
1. Ter uitvoering van artikel 13, eerste
lid, onderdeel a, van de basisverordening is Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie belast met de uitvoering van de
basisverordening en de contacten met de Commissie.
2. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan
nadere regels stellen voor een goede uitvoering van de basisverordening
en de daarop gebaseerde uitvoeringsverordening.
Artikel 18
Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld over het
voeren van een administratie en verstrekken van gegevens met betrekking
tot het onder zich hebben, ontvangen, verkopen, ten verkoop voorradig of
voorhanden hebben en afleveren van dieren of planten, dan wel producten
van die planten of producten of eieren van die dieren.
Artikel 18a
Onze Minister besluit binnen een termijn van zestien weken na
ontvangst van een verzoek om ontheffing, bedoeld in artikel 75, derde
lid, van de wet.
Hoofdstuk 6: Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
1. Artikel 6, eerste lid, geldt niet voor het onder zich hebben
van gefokte vogels behorende tot soorten genoemd in artikel 2 van de
Jachtwet, voorzover deze op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit werden gehouden.
2. Artikel 6, eerste lid, geldt niet voor het onder zich hebben
van gefokte vogels behorende tot de soorten bedoeld in artikel 1, onder
2, van de Vogelwet 1936, voorzover deze op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit werden gehouden overeenkomstig artikel
35 van de Vogelwet 1936 of de artikelen 6, eerste lid, onderdeel b, 7,
eerste lid, onderdeel a, 23 of 25 van het Vogelbesluit 1994.
Artikel 20
Een wijziging van de in dit besluit genoemde verordening geldt voor
de toepassing van dit besluit met ingang van de dag waarop de betrokken
wijzigingsverordening in werking treedt.
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vrijstelling beschermde
dier- en plantensoorten.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 28 november 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij,
G.H. Faber
Uitgegeven de zevende december
2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage 1, als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten
|
Nederlandse naam |
Wetenschappelijke
naam |
| |
|
|
ZOOGDIEREN |
|
| |
|
|
Boommarter |
Martes martes |
|
Das |
Meles meles |
|
Eikelmuis |
Eliomys quercinus |
|
Gewone zeehond |
Phoca vitulina |
|
Veldspitsmuis |
Crocidura leucodon |
|
Waterspitsmuis |
Neomys fodiens |
| |
|
|
REPTIELEN |
|
| |
|
|
Adder |
Vipera berus |
|
Hazelworm |
Anguis fragilis |
|
Ringslang |
Natrix natrix |
| |
|
|
AMFIBIEĖN |
|
| |
|
|
Vinpootsalamander |
Triturus helveticus |
|
Vuursalamander |
Salamandra salamandra |
| |
|
|
VISSEN |
|
| |
|
|
Beekprik |
Lampetra planeri |
|
Bittervoorn |
Rhodeus cericeus |
|
Elrits |
Phoxinus phoxinus |
|
Gestippelde alver |
Alburnoides bipunctatus |
|
Grote modderkruiper |
Misgurnus fossilis |
|
Rivierprik |
Lampetra fluviatilis |
| |
|
|
DAGVLINDERS |
|
| |
|
|
Bruin dikkopje |
Erynnis tages |
|
Dwergblauwtje |
Cupido minimus |
|
Dwergdikkopje |
Thymelicus acteon |
|
Groot geaderd witje |
Aporia crataegi |
|
Grote ijsvogelvlinder |
Limenitis populi |
|
Heideblauwtje |
Plebejus argus |
|
Iepepage |
Strymonidia w-album |
|
Kalkgraslanddikkopje |
Spialia sertorius |
|
Keizersmantel |
Argynnis paphia |
|
Klaverblauwtje |
Cyaniris semiargus |
|
Purperstreepparelmoervlinder |
Brenthis ino |
|
Rode vuurvlinder |
Palaeochrysophanus hippothoe |
|
Rouwmantel |
Nymphalis antiopa |
|
Tweekleurig hooibeestje |
Coenonympha arcania |
|
Veenbesparelmoervlinder |
Bolaria aquilonais |
|
Veenhooibeestje |
Coenonympha tullia |
|
Veldparelmoervlinder |
Melitaea cinxia |
|
Woudparelmoervlinder |
Melitaea diamina |
|
Zilvervlek |
Clossiana euphrosyne |
| |
|
|
PLANTEN |
|
| |
|
|
Groot zeegras |
Zostera marina |
Bijlage 2, als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten
|
Nederlandse naam |
wetenschappelijke
naam |
|
Bosmuis |
Apodemus sylvaticus |
|
Ekster |
Pica pica |
|
Holenduif |
Columba oenas |
|
Huismus |
Passer domesticus |
|
Kauw |
Corvus monedula |
|
Knobbelzwaan |
Cygnus olor |
|
Kokmeeuw |
Larus ridibundus |
|
Mol |
Talpa europaea |
|
Rietgans |
Anser fabalis |
|
Roek |
Corvus frugilegus |
|
Spreeuw |
Sturnus vulgaris |
|
Turkse tortel |
Streptopelia decaocto |
|
Veldmuis |
Microtus arvalis |
|
Vlaamse gaai |
Garrulus glandarius |
|
Vos |
Vulpes vulpes |
|
Waterhoen |
Gallinula chloropus |
|
Zilvermeeuw |
Larus argentatus |
|
Zwarte kraai |
Corvus corone corone |
Bijlage 3, als bedoeld in artikel 11,
tweede lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten
|
Nederlandse naam |
wetenschappelijke
naam |
|
Alpensneeuwhoen |
Lagopus mutus |
|
Auerhoen |
Tetrao urogallus |
|
Barbarijse patrijs |
Alectoris barbara |
|
Bokje |
Lymnocryptes minimus |
|
Damhert |
Dama dama |
|
Edelhert |
Cervus elaphus |
|
Eidereend |
Somateria mollissima |
|
Fazant |
Phasianus colchicus |
|
Goudplevier |
Pluvialis apricaria |
|
Grauwe gans |
Anser anser |
|
Haas |
Lepus europaeus |
|
Houtduif |
Columba palumbus |
|
Houtsnip |
Scolopax rusticola |
|
Kolgans |
Anser albifrons |
|
Konijn |
Oryctolagus cuniculus |
|
Korhoen (Britse populaties) |
Tetrao tetrix (Britse populaties) |
|
Kuifeend |
Aythya fuligula |
|
Meerkoet |
Fulica atra |
|
Moerassneeuwhoen |
Lagopus lagopus |
|
Patrijs |
Perdix perdix |
|
Pijlstaart |
Anas acuta |
|
Ree |
Capreolus capreolus |
|
Rode patrijs |
Alectoris rufa |
|
Slobeend |
Anas clypeata |
|
Smient |
Anas penelope |
|
Tafeleend |
Aythya ferina |
|
Toppereend |
Aythya marila |
|
Watersnip |
Gallinago gallinago |
|
Wild zwijn |
Sus scrofa |
|
Wilde eend |
Anas platyrhynchos |
|
Wintertaling |
Anas crecca |
|
Zwarte zee-eend |
Melanitta nigra |
|