| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Flora- en faunawet
JACHTBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 28 november 2000, houdende regels ten
aanzien van de jacht (Jachtbesluit)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 18 februari 2000, nr. TrcJZ/2000/1843, Directie Juridische
Zaken;
Gelet op artikel 8 van Richtlijn nr. 79/409/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het
behoud van de vogelstand (PbEG L 103);
Gelet op de Beschikking van het Comité van
Ministers van de Benelux Economische Unie van 27 april 1983 strekkende
tot onderlinge erkenning van de jachtexamens (Trb. 1987, 2);
Gelet op de Beschikking van het Comité van
Ministers van de Benelux Economische Unie van 24 september 1984
strekkende tot de limitatieve opsomming van de te bezigen geweren en
munitie bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten (Trb. 1987,
2);
Gelet op de artikelen 34, vijfde lid, 36,
tweede lid, 40, eerste lid, 44, 49, 50, tweede lid, 53, eerste lid, 54,
vierde en vijfde lid, 56, eerste lid, 75, eerste, en vierde lid,
onderdeel c, en 76, eerste lid, van de Flora- en faunawet;
De Raad van State gehoord (advies van 14 april
2000, nr. W11.00.0068/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 21 november
2000, nr. TrcJZ/2000/9481, Directie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Definities
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Flora- en faunawet;
b. akte: jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte;
c. jachtexamen: examen als bedoeld in artikel 39, eerste lid,
onderdeel c, van de wet;
d. korpschef: korpschef als bedoeld in artikel 27 van de
Politiewet 2012;
e. overeenkomst: overeenkomst van huur en verhuur van het genot
van de jacht als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet;
f. verzekering: verzekering als bedoeld in artikel 54 van de wet.
Paragraaf 2. De verhuur van het genot van de jacht
Artikel 2
1. Een overeenkomst wordt voor de duur van ten minste zes en ten
hoogste twaalf jaar aangegaan.
2. Een overeenkomst bevat geen beding van optie of verlenging.
Artikel 3
Bij het aangaan van een overeenkomst mag worden bedongen dat, indien
enige onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, wordt
opgenomen in een akte van toedeling als bedoeld in artikel 207 van de
Landinrichtingswet, en deze akte voor het einde van de duur van de
overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de overeenkomst,
voorzover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop
deze akte is ingeschreven.
Paragraaf 3. De uitoefening van de jacht buiten gezelschap van de
jachthouder
Artikel 4
1. Een jachthouder kan schriftelijk toestemming verlenen voor de
gehele of gedeeltelijke uitoefening, anders dan in zijn gezelschap,
van het hem toekomende genot van de jacht.
2. Een jachthouder kan de schriftelijke toestemming, bedoeld in het
eerste lid, slechts verlenen indien hij in het bezit is van een
geldige jacht- of valkeniersakte.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de jachthouder een
rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende
jachthouders, Staatsbosbeheer of een rechtspersoonlijkheid bezittende
particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie, als
genoemd in bijlage 1 bij dit besluit, is.
4. Het tweede lid is niet van toepassing indien degene aan wie de
toestemming wordt verleend een jachtopzichter is als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de wet.
5. Indien de toestemming wordt verleend aan anderen dan
jachtopzichters als bedoeld in het vierde lid, kan zij slechts worden
verleend indien:
a. de toestemming is voorzien van:
1°. Een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat
het jachtveld waarop de jacht plaatsvindt, voldoet aan de
artikelen 10 en 11, voorzover de jacht geschiedt met het
geweer en
2°. De naam, voornamen en geboortedatum van degenen aan
wie de toestemming wordt verleend;
b. de toestemming een geldigheidsduur heeft die uiterlijk
verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van
de toestemming.
6. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid en onverminderd
het bepaalde in het derde en vierde lid kan de jachthouder die niet in
het bezit is van een geldige jacht- of valkeniersakte schriftelijke
toestemming verlenen voor de gehele of gedeeltelijke uitoefening,
anders dan in zijn gezelschap, van het hem toekomende genot van de
jacht, voorzover hem daartoe schriftelijk verlof is verleend door Onze
Minister.
7. Indien degene aan wie de toestemming is verleend, in het bezit
is van een geldige jacht- of valkeniersakte, kan deze aan derden
toestaan het genot van de jacht in zijn gezelschap uit te oefenen,
indien dit uitdrukkelijk in de schriftelijke toestemming is bepaald.
Paragraaf 4. De eisen voor het jachtexamen
Artikel 5
Om te kunnen worden erkend, voldoet een jachtexamen aan het bepaalde
bij artikel 6 en krachtens artikel 7.
Artikel 6
1. Het jachtexamen bevat, voorzover het de jacht met het geweer of
de jacht met jachtvogels betreft, een theoretisch en een praktisch
gedeelte. Het jachtexamen bevat, voorzover het de jacht met de
eendenkooi betreft, een theoretisch gedeelte.
2. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met
het geweer toetst op:
a. kennis van het wild, andere diersoorten die schade kunnen
veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en
wateren en hierop gelijkende diersoorten;
b. kennis van de leefomgeving van de in onderdeel a bedoelde
diersoorten;
c. kennis van het beheer van het wild;
d. kennis van het beheer van het edelhert, de ree, het damhert
en het wilde zwijn;
e. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften op het
terrein van de jacht en de natuurbescherming;
f. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften over
het voorhanden hebben van geweren en munitie;
g. kennis van landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die
gevoelig zijn voor schade aangericht door de in onderdeel a
bedoelde diersoorten, en de perioden gedurende het jaar waarin
zich deze schade kan voordoen;
h. kennis van de maatregelen die genomen kunnen worden om
schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door
de in onderdeel a bedoelde diersoorten te voorkomen;
i. kennis van het geweer, de daarbij gebezigde munitie en het
gebruik van het geweer;
j. kennis van de overige middelen, bedoeld in de artikelen 50
en 72 van de wet en het gebruik van deze middelen;
k. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor
consumptie bestemde dieren en
l. kennis van hetgeen een goed jager betaamt.
3. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met
jachtvogels toetst op kennis over de in het tweede lid, onderdelen a,
b, c, e, g, h, j, k en l, bedoelde onderdelen.
4. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met
de eendenkooi toetst op kennis over de in het tweede lid, onderdelen
a, b, c, e, j, k en l, bedoelde onderdelen.
5. Het praktische gedeelte van het jachtexamen toetst op:
a. schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met
vuurwapens, indien het het doden van dieren met het geweer
betreft, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar gelang van de
aard van het gebruik van de munitie, en
b. bekwaamheid in de omgang met jachtvogels, indien het de
jacht met jachtvogels betreft.
Artikel 7
1. Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld met
betrekking tot de jachtexamens.
2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:
a. eisen waaraan een organisatie die examens afneemt dient te
voldoen ten behoeve van erkenning van het jachtexamen;
b. regels omtrent de taken en bevoegdheden van de personen die
namens Onze Minister toezien op de jachtexamens en de beoordeling
van examenresultaten.
Paragraaf 5. De jacht-, valkeniers- en kooikersakten
Artikel 8
1. De jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte geldt van 1 april
tot 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor
heel Nederland.
2. De akte verliest haar geldigheid van rechtswege op het tijdstip
waarop een rechterlijke uitspraak waarbij aan de houder de bevoegdheid
om te jagen is ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt.
3. De geldsom, bedoeld in artikel 44 van de wet, omvat een bijdrage
ter dekking van de kosten van de uitgifte van een akte alsmede een
algemene bijdrage in de kosten van onderzoek en voorlichting op het
gebied van jacht, beheer en schadebestrijding.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien
van:
a. de aanvraag van akten;
b. het besluit op aanvragen van akten;
c. de voor de akten verschuldigde bedragen, die voor de
onderscheiden akten verschillend kunnen worden vastgesteld.
Artikel 9
1. Degene wiens akte is ingetrokken, is verplicht deze binnen vijf
dagen nadat het besluit tot intrekking hem is bekendgemaakt, in te
leveren bij degene die haar heeft verleend.
2. Degene aan wie de bevoegdheid tot jagen bij een rechterlijke
uitspraak is ontzegd, is verplicht binnen vijf dagen nadat die
uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, de akte in te
leveren bij degene die haar heeft verleend.
Paragraaf 6. De jachtvelden
Artikel 10
1. Een jachtveld waarop het genot van de jacht met gebruikmaking
van een geweer mag worden uitgeoefend, heeft een aaneengesloten
oppervlakte van:
a. ten minste 40 hectare per jachthouder waarop deze als
zodanig bevoegd is te jagen en bovendien
b. ten minste zoveel maal 40 hectare als er behalve de onder a
bedoelde jachthouder anderen dan jachtopzichters in datzelfde
jachtveld bevoegd zijn te jagen uit hoofde van een schriftelijke
toestemming als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de wet.
2. De afmetingen van een jachtveld als bedoeld in het eerste lid,
zijn zodanig dat daarin een cirkel met een straal van ten minste 150
meter kan worden beschreven.
Artikel 11
1. Bij de berekening van de oppervlakte van een jachtveld, bedoeld
in artikel 10, worden niet meegerekend:
a. gronden die zijn gelegen op een afstand van meer dan 350
meter van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150
meter die het dichtst bij die gronden binnen het jachtveld kan
worden beschreven;
b. gronden die, hoewel niet op een afstand van meer dan 350
meter van het in onderdeel a bedoelde middelpunt gelegen, van dat
middelpunt uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond
die tot een ander jachtveld behoort;
c. openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen;
d. begraafplaatsen en
e. bebouwde kommen van de gemeenten en onmiddellijk aan die
kommen grenzende terreinen.
2. Voor de toepassing van dit besluit worden als afzonderlijke
jachtvelden beschouwd, ook indien op aangrenzende gronden dezelfde
persoon of personen uit anderen hoofde bevoegd zijn te jagen:
a. gronden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
b. delen van een jachtveld waarbij de verbinding tussen deze
delen op enig punt smaller is dan 50 meter, of
c. delen van een jachtveld die van elkaar worden gescheiden
door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een
water breder dan 10 meter waarover zich het genot van de jacht
niet uitstrekt.
Paragraaf 7. De jachtmiddelen
Artikel 12
1. Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste
24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber
van .22 inch of 5,58 millimeter.
2. Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste
twee patronen kan bevatten.
3. Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen
kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee
het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
4. Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een
kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een
vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig
ander instrument om 's-nachts te schieten.
Artikel 13
1. Bij het jagen op de hierna opgesomde wildsoorten wordt slechts
gebruik gemaakt van onderstaande soorten munitie:
a. haas, fazant, patrijs of wilde eend: hagelpatronen waarvan
de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter
niet overschrijdt;
b. konijn of houtduif: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte
van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter niet overschrijdt of
kogelpatronen van een kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter.
2. Het gebruik van hagelpatronen die metallisch lood bevatten, is
niet toegestaan.
Artikel 14
Een eendenkooi als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel d,
van de wet, voldoet aan de volgende eisen:
a. er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200
vierkante meter, waarin een cirkel met een straal van ten minste
7,50 meter beschreven kan worden;
b. het water is ten minste 50 centimeter diep;
c. rondom het water ligt een rand van bos of struweel;
d. in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp
aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt.
Paragraaf 8. Jachtverboden
Artikel 15
1. Het verbod om te jagen, bedoeld in artikel 53, eerste lid,
onderdelen a en m, van de wet geldt niet indien wordt gejaagd ter
uitoefening van de bevoegdheden toegekend bij of krachtens de
artikelen 65 en 68 van de wet, voorzover is voldaan aan het bepaalde
bij of krachtens artikel 72 van de wet.
2. De verboden om te jagen, bedoeld in artikel 53, eerste lid,
onderdelen b, f, g, h en l, van de wet gelden niet indien wordt
gejaagd ter uitoefening van de bevoegdheden toegekend bij of krachtens
artikel 68 van de wet, voorzover is voldaan aan het bepaalde bij of
krachtens artikel 72 van de wet.
3. Het verbod om te jagen voor zonsopkomst en na zonsondergang,
bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel f, van de wet geldt niet
ten aanzien van de jacht op de wilde eend gedurende een half uur voor
zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.
4. Het verbod om te jagen indien de grond met sneeuw is bedekt,
bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel g, van de wet geldt,
tenzij gedeputeerde staten de jacht met toepassing van artikel 46,
vijfde lid, van de wet hebben gesloten, niet:
a. voor de jacht op de wilde eend of de houtduif, of
b. voor de jacht op het konijn, de haas of de fazant, indien
deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.
5. Het verbod om te jagen vanaf of vanuit een vaartuig, bedoeld in
artikel 53, eerste lid, onderdeel o, van de wet geldt uitsluitend voor
de jacht op de wilde eend, fazant, patrijs en houtduif vanuit
vaartuigen die varen met een snelheid van meer dan 5 kilometer per
uur.
Paragraaf 9. De verzekeringsplicht
Artikel 16
De verzekering is gesloten met een financiële onderneming die
ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van
verzekeraar mag uitoefenen.
Artikel 17
1. De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het
jaar daaropvolgend en is van kracht voor geheel Nederland.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 54, vijfde lid, van de wet,
bedraagt € 907 560,43 per gebeurtenis.
Artikel 18
1. Het bewijs van verzekering, bedoeld in artikel 54, zesde lid,
van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:
a. naam en adres van de verzekeraar;
b. naam en adres van de verzekeringnemer;
c. het polisnummer;
d. dagtekening en jaar van de ingang en van het einde van de
dekking;
e. de aanduiding van de personen die als verzekerden worden
aangemerkt;
f. het gebied waarin de verzekering van kracht is en
g. het verzekerde bedrag.
2. Degene aan wie een jachtakte is uitgereikt, is verplicht iedere
wijziging van de gegevens die ingevolge het eerste lid in het door hem
overgelegde bewijs van verzekering zijn vermeld, onmiddellijk te
melden aan de korpschef.
Artikel 19
1. De korpschef houdt aantekening van de in artikel 18 bedoelde
gegevens betreffende de verzekering.
2. De korpschef verstrekt op verzoek schriftelijke inlichtingen
omtrent de nakoming van de verzekeringsplicht voorzover deze uit de
bijgehouden aantekeningen blijken aan:
a. Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
b. de personen belast met de opsporing van de in de wet
strafbaar gestelde feiten en
c. hen die aannemelijk maken dat zij betrokken zijn bij schade
die grond kan opleveren voor toepassing van de artikelen 54 en 55
van de wet.
Paragraaf 10. Vrijstellingen en ontheffingen
Artikel 20
Als ander belang als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, onderdeel c,
van de wet is aangewezen de training van jachthonden in het opsporen van
fazanten en patrijzen buiten de periode dat de jacht op deze diersoorten
is geopend.
Artikel 21
Van het verbod, bedoeld in artikel 10 van de wet, wordt vrijstelling
verleend voor het met behulp van honden opsporen van fazanten en
patrijzen in de maanden februari tot en met april, ten behoeve van de
training van jachthonden voorzover de opsporing geschiedt door een
jachthouder of door een ander met schriftelijke toestemming van een
jachthouder.
Artikel 22
De wildsoorten, genoemd in artikel 32, eerste lid, van de wet, worden
in de volgende categorieën gerangschikt:
a. grof wild: nihil;
b. klein wild: haas (Lepus europaeus), fazant (Phasianus
colchicus) en patrijs (Perdix perdix);
c. waterwild: wilde eend (Anas platyrhynchos) en
d. overig wild: houtduif (Columba palumbus) en konijn (Oryctolagus
cuniculus).
Paragraaf 11. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 23 [Vervallen per 01-07-2002]
Artikel 24
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 25
Dit besluit wordt aangehaald als: Jachtbesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 28 november 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij,
G.H. Faber
Uitgegeven de zevende december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage 1, als bedoeld in artikel 4, derde lid, van
het Jachtbesluit
Particuliere terreinbeherende organisaties zijn:
a. Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland;
b. Provinciale landschappen;
c. Stichting het Gooisch Natuurreservaat;
d. Stichting Marke Vragenderveen
e. G.A. van der Lugtstichting
f. Stichting Edwina van Heek
|
|
|