Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Flora- en faunawet

 

JACHTBESLUIT

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 28 november 2000, houdende regels ten aanzien van de jacht (Jachtbesluit)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 18 februari 2000, nr. TrcJZ/2000/1843, Directie Juridische Zaken;
     Gelet op artikel 8 van Richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103);
     Gelet op de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 27 april 1983 strekkende tot onderlinge erkenning van de jachtexamens (Trb. 1987, 2);
     Gelet op de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 24 september 1984 strekkende tot de limitatieve opsomming van de te bezigen geweren en munitie bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten (Trb. 1987, 2);
     Gelet op de artikelen 34, vijfde lid, 36, tweede lid, 40, eerste lid, 44, 49, 50, tweede lid, 53, eerste lid, 54, vierde en vijfde lid, 56, eerste lid, 75, eerste, en vierde lid, onderdeel c, en 76, eerste lid, van de Flora- en faunawet;
     De Raad van State gehoord (advies van 14 april 2000, nr. W11.00.0068/V);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 21 november 2000, nr. TrcJZ/2000/9481, Directie Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Paragraaf 1. Definities

 

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Flora- en faunawet;

b. akte: jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte;

c. jachtexamen: examen als bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdeel c, van de wet;

d. korpschef: korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

e. overeenkomst: overeenkomst van huur en verhuur van het genot van de jacht als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet;

f. verzekering: verzekering als bedoeld in artikel 54 van de wet.

 

Paragraaf 2. De verhuur van het genot van de jacht

 

Artikel 2

1. Een overeenkomst wordt voor de duur van ten minste zes en ten hoogste twaalf jaar aangegaan.

2. Een overeenkomst bevat geen beding van optie of verlenging.

 

Artikel 3

Bij het aangaan van een overeenkomst mag worden bedongen dat, indien enige onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, wordt opgenomen in een akte van toedeling als bedoeld in artikel 207 van de Landinrichtingswet, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de overeenkomst, voorzover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.

 

Paragraaf 3. De uitoefening van de jacht buiten gezelschap van de jachthouder

 

Artikel 4

1. Een jachthouder kan schriftelijk toestemming verlenen voor de gehele of gedeeltelijke uitoefening, anders dan in zijn gezelschap, van het hem toekomende genot van de jacht.

2. Een jachthouder kan de schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid, slechts verlenen indien hij in het bezit is van een geldige jacht- of valkeniersakte.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de jachthouder een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders, Staatsbosbeheer of een rechtspersoonlijkheid bezittende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie, als genoemd in bijlage 1 bij dit besluit, is.

4. Het tweede lid is niet van toepassing indien degene aan wie de toestemming wordt verleend een jachtopzichter is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet.

5. Indien de toestemming wordt verleend aan anderen dan jachtopzichters als bedoeld in het vierde lid, kan zij slechts worden verleend indien:

a. de toestemming is voorzien van:

1°. Een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht plaatsvindt, voldoet aan de artikelen 10 en 11, voorzover de jacht geschiedt met het geweer en

2°. De naam, voornamen en geboortedatum van degenen aan wie de toestemming wordt verleend;

b. de toestemming een geldigheidsduur heeft die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming.

6. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid en onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid kan de jachthouder die niet in het bezit is van een geldige jacht- of valkeniersakte schriftelijke toestemming verlenen voor de gehele of gedeeltelijke uitoefening, anders dan in zijn gezelschap, van het hem toekomende genot van de jacht, voorzover hem daartoe schriftelijk verlof is verleend door Onze Minister.

7. Indien degene aan wie de toestemming is verleend, in het bezit is van een geldige jacht- of valkeniersakte, kan deze aan derden toestaan het genot van de jacht in zijn gezelschap uit te oefenen, indien dit uitdrukkelijk in de schriftelijke toestemming is bepaald.

 

Paragraaf 4. De eisen voor het jachtexamen

 

Artikel 5

Om te kunnen worden erkend, voldoet een jachtexamen aan het bepaalde bij artikel 6 en krachtens artikel 7.

 

Artikel 6

1. Het jachtexamen bevat, voorzover het de jacht met het geweer of de jacht met jachtvogels betreft, een theoretisch en een praktisch gedeelte. Het jachtexamen bevat, voorzover het de jacht met de eendenkooi betreft, een theoretisch gedeelte.

2. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met het geweer toetst op:

a. kennis van het wild, andere diersoorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en hierop gelijkende diersoorten;

b. kennis van de leefomgeving van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;

c. kennis van het beheer van het wild;

d. kennis van het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;

e. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;

f. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;

g. kennis van landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door de in onderdeel a bedoelde diersoorten, en de perioden gedurende het jaar waarin zich deze schade kan voordoen;

h. kennis van de maatregelen die genomen kunnen worden om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door de in onderdeel a bedoelde diersoorten te voorkomen;

i. kennis van het geweer, de daarbij gebezigde munitie en het gebruik van het geweer;

j. kennis van de overige middelen, bedoeld in de artikelen 50 en 72 van de wet en het gebruik van deze middelen;

k. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren en

l. kennis van hetgeen een goed jager betaamt.

3. Het theoretische gedeelte van

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x