| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Flora- en faunawet
JACHTREGELING
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
De
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de artikelen 40, tweede lid, 46,
eerste lid, 59, eerste lid, en 94, eerste lid, van de Flora- en
faunawet;
Gelet op de artikelen 7, eerste lid, en 8,
vierde lid, van het Jachtbesluit;
Besluit:
ง 1. Jachtakten, valkeniersakten en
kooikersakten
Artikel 1
1. Een jachtakte wordt aangevraagd op een
kosteloos bij het bevoegde bestuursorgaan, bedoeld in artikel 42, eerste
lid, van de Flora- en faunawet, verkrijgbaar formulier, waarvan het
model door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wordt
vastgesteld.
2. Een valkeniersakte of kooikersakte wordt aangevraagd op een
kosteloos bij het bevoegde bestuursorgaan, bedoeld in artikel 43 van de
Flora- en faunawet, verkrijgbaar formulier, waarvan het model door de
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wordt vastgesteld.
3. Een aanvraag gaat vergezeld van twee goed gelijkende pasfoto's
van degene voor wie de akte bestemd is.
4. De uit te reiken jachtakte, bedoeld in het eerste lid, wordt
door het bevoegde bestuursorgaan voorzien van de pasfoto van degene voor
wie de akte is bestemd. Deze foto wordt door middel van een
stempelafdruk gewaarmerkt.
Artikel 2
De aanvraag voor een akte als bedoeld in artikel 45 van de Flora- en
faunawet, kan namens de persoon voor wie de akte bestemd is, worden
ingediend en ondertekend door een jachthouder, die hem voor de jacht
heeft uitgenodigd.
Artikel 3
1. Uitreiking van een jacht-, valkeniers- of kooikersakte vindt
niet plaats voordat de som der bedragen, bedoeld in het tweede tot en
met vijfde lid, aan het bevoegde bestuursorgaan is voldaan.
2. De bijdrage ter dekking van de kosten van de uitgifte van de
akte, bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Jachtbesluit, bedraagt:
40, voor de jachtakte en 45, voor een valkeniersakte
of kooikersakte.
3. De algemene bijdrage in de kosten van onderzoek en
voorlichting op het gebied van jacht, beheer en schadebestrijding,
bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Jachtbesluit, bedraagt:
18,-.
4. De bijdrage ten behoeve van het Faunafonds, bedoeld in artikel
94 van de Flora- en faunawet, bedraagt: 27,-.
5. Voor een duplicaat van een akte is een geldsom van 30,-
verschuldigd.
6. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing voor de
afgifte van een akte als bedoeld in artikel 45 van de Flora- en
faunawet.
7. De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte akten,
worden niet gerestitueerd.
Artikel 3a
1. Indien in hetzelfde jaar voor dezelfde periode, lopend van 1
april tot 1 april van het daarop volgende kalenderjaar, meer dan ้้n
akte wordt aangevraagd, dan zijn de bijdragen, bedoeld in artikel 3,
derde en vierde lid, slechts ้้n maal verschuldigd.
2. In afwijking van artikel 3, zevende lid, kan een verzoek tot
restitutie van te veel betaalde bedragen worden ingediend bij de
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
3. Een verzoek tot restitutie wordt slechts behandeld indien het
verzoek niet later dan zes maanden na betaling van het te veel betaalde
bedrag door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is
ontvangen en bewijs wordt overgelegd dat de bijdragen, bedoeld in
artikel 3, derde en vierde lid, reeds ten minste ้้n maal zijn
afgedragen.
4. In afwijking van het derde lid, kunnen aktehouders, aan wie
sinds 1 april 2002 reeds meer dan ้้n akte is verleend, een verzoek
tot restitutie indienen binnen drie maanden na publicatie van deze
regeling in de Staatscourant, onder overlegging van het bewijs, bedoeld
in het derde lid.
ง 2. Eisen jachtexamens
Artikel 4
1. Het theoretische gedeelte van het
jachtexamen voor de jacht met een geweer bevat:
a. ten minste 50 meerkeuzevragen waarin de kennis, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan
15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel a tot en met d, van het Jachtbesluit;
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel e en f, van het Jachtbesluit;
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel g en h, van het Jachtbesluit;
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel i en j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
b. ten minste 25 meerkeuzevragen, gesteld naar aanleiding van dia-
of filmbeelden of andere beelddragers waarin de kennis, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan
15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
10 vragen betreffende de overige onderwerpen als bedoeld in
artikel 6, tweede lid, van het Jachtbesluit.
2. Van de vragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b,
dient ten minste 70% goed te zijn beantwoord.
3. Het praktische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met
een geweer omvat:
a. het schieten op ten minste 25 kleiduiven met hagel, waarvan ten
minste 18 van de 25 kleiduiven wordt geraakt;
b. ten minste vier schoten in twee series van twee schoten met
groot-kaliber kogelgeweer op een doel gelegen op een afstand van ten
minste 50 meter, waarvan van de vier schoten ten minste drie treffers
zijn gelegen binnen een cirkel van 15 cm en
c. het tonen van weidelijk gedrag en bekwaamheid in het veilig
omgaan met een geweer in ten minste 10 gesimuleerde situaties.
Artikel 5
1. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht
met ้้n of meer jachtvogels bevat:
a. ten minste 40 meerkeuzevragen waarin de kennis, bedoeld in
artikel 6, derde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan:
15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel g en h, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
b. ten minste 20 meerkeuzevragen, gesteld naar aanleiding van dia-
of filmbeelden of andere beelddragers waarin de kennis, bedoeld in
artikel 6, derde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan:
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel c, e, g, h, j, k en l, van het Jachtbesluit.
2. Van de vragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b,
dient ten minste 70% goed te zijn beantwoord.
3. Het praktische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met
een jachtvogel omvat twee stages van een jaar bij twee door een in
artikel 7 bedoelde organisatie aangewezen mentoren. Bij de beoordeling
van de stages wordt getoetst of voldoende bekwaamheid is verworven ten
aanzien van:
omgang met jachtvogels;
dragen en zeeg maken van jachtvogels;
verzorging van jachtvogels;
aanleggen van tuig;
doden van prooien en slachten van aasdieren;
aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels;
voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels;
zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels;
beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels;
toepassen van fretten en
gebruik van fluit, loer en balg.
Artikel 6
1. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht
met een eendenkooi bevat:
a. ten minste 30 meerkeuzevragen waarin de kennis, bedoeld in
artikel 6, vierde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan:
15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
b. ten minste 15 meerkeuzevragen, gesteld naar aanleiding van dia-
of filmbeelden of andere beelddragers waarin de kennis, bedoeld in
artikel 6, vierde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan:
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel c, e, j, k en l, van het Jachtbesluit.
2. Van de vragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b,
dient ten minste 70% goed te zijn beantwoord.
Artikel 7
Een organisatie die examens afneemt als bedoeld in artikel 39, eerste
lid, onderdeel c, van de Flora- en faunawet, voldoet aan de volgende
eisen:
zij bezit rechtspersoonlijkheid;
zij is statutair gevestigd;
de bestuursleden zijn naar evenredigheid afkomstig uit de
kringen van jagers en natuurbescherming-landbouw;
zij beschikt over een itembank met ten minste 500
meerkeuzevragen die betrekking hebben op de jachtexamens, waarvan de
relatieve samenstelling overeenkomt met de eisen die ten aanzien van
het examen worden gesteld;
zij beschikt over een diabank of andere beelddrager met ten
minste twee afbeeldingen van elk van de diersoorten, genoemd in
artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het Jachtbesluit en ten
minste ้้n afbeelding van de overige beschermde diersoorten;
zij beschikt over een kwaliteitszorgsysteem en
zij beschikt over een reglement waarin onder meer is
vastgelegd aan welke eisen dient te worden voldaan om een examen te
mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop
het resultaat van het examen wordt beoordeeld, wie gerechtigd is de
examens bij te wonen en een regeling voor geschillen.
Artikel 8
1. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst
personen aan die belast zijn met het toezicht op de kwaliteit van
jachtexamens en de wijze van beoordeling van examenresultaten.
2. Een aangewezen persoon als bedoeld in het eerste lid ziet erop
toe dat de organisatie die examens afneemt voldoet aan de in artikel 7
gestelde eisen en dat de examens worden afgenomen in overeenstemming met
het in de artikelen 4 tot en met 6 bepaalde.
3. Een aangewezen persoon als bedoeld in het eerste lid
informeert de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit omtrent
de bevindingen die van belang zijn voor de erkenning van de organisatie.
4. Een aangewezen persoon als bedoeld in het eerste lid is
bevoegd bij het bestuur van een organisatie die examens afneemt
inlichtingen in te winnen over de inhoud van en de wijze van afnemen van
examens.
5. Een aangewezen persoon als bedoeld in het eerste lid is
bevoegd alle examens bij te wonen.
ง 3. Erkenning van buitenlandse
jachtexamens
Artikel 9
Als gelijkwaardig aan het jachtexamen, bedoeld in artikel 39, eerste
lid, onder c, van de Flora- en faunawet worden erkend:
a. met betrekking tot het theoretische gedeelte, het theoretische
gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op
grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk
besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van
jachtverloven en jachtvergunningen, het Belgisch ministerieel
besluit van 2 maart 1977 tot inrichting van het jachtexamen en het
Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 mei 1991 tot inrichting van
het jachtexamen;
b. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of
krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 18 januari 1995
betreffende de organisatie van het jachtexamen;
c. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of
krachtens het Besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 tot
organisatie van het jachtexamen in het Waalse Gewest;
d. met betrekking tot het theoretische gedeelte, het theoretische
gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op
grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk
besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van
jachtverloven en jachtvergunningen en het Besluit van de Brusselse
Hoofdstedelijke Executieve van 21 januari 1991 tot organisatie van
het jachtexamen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
e. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of
krachtens het gewijzigde R่glement grand-ducal van 16 april 1991
betreffende de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot de
bekwaamheidsproef voor het verlenen van een eerste jachtvergunning
f. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of
krachtens het Bundesjagdgesetz.
ง 4. Opening en sluiting van de jacht
Artikel 10
In heel Nederland is de jacht op de hieronder genoemde wildsoorten
geopend gedurende de daarnaast vermelde tijdvakken:
a. fazantenhaan (Phasianus colchicus): van 15 oktober tot en met
31 januari;
b. fazantenhen (Phasianus colchicus): van 15 oktober tot en met
31 december;
c. haas (Lepus europaeus): van 15 oktober tot en met 31 december;
d. houtduif (Columba palumbus): van 15 oktober tot en met 31
januari;
e. konijn (Oryctolagus cuniculus): van 15 augustus tot en met 31
januari;
f. wilde eend (Anas platyrhynchos): van 15 augustus tot en met 31
januari.
ง 5. Opschrift palen van de kring van een
eendenkooi
Artikel 11
Het opschrift van de palen ter afpaling van de kring van een
eendenkooi wordt als volgt vastgesteld:
'Eendenkooi van ..., met recht van afpaling op ... meter, gerekend
uit het midden der kooi',
met dien verstande, dat dit opschrift tevens moet vermelden de naam
van de eigenaar van de kooi en het aantal meters, hetwelk het recht tot
afpaling bedraagt.
ง 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12
1. Een v๓๓r de inwerkingtreding van de
Flora- en faunawet met gunstig gevolg afgeronde stageperiode van drie
jaar, die is doorlopen onder auspici๋n van ้้n van de
valkeniersverenigingen, genoemd in het derde lid, wordt beschouwd als
omvattende het theoretische en praktische gedeelte van het jachtexamen
voor de jacht met een jachtvogel, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede
lid.
2. Een stageperiode die onder auspici๋n van ้้n van de
valkeniersverenigingen, genoemd in het derde lid, is aangevangen 12
maanden of langer v๓๓r de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet,
omvat geheel of gedeeltelijk het praktische gedeelte van het
jachtexamen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, mits een
beoordelingsrapport kan worden overgelegd, dat voorzien is of begeleid
gaat van een daartoe strekkende verklaring van ้้n van de
verenigingen, genoemd in het derde lid.
3. De valkeniersverenigingen, bedoeld in het eerste en tweede
lid, zijn:
a. Nederlands Valkeniersverbond 'Adriaan Mollen' te Nistelrode;
b. Orde der Nederlandse Valkeniers te Oirschot;
c. Valkeniersvereniging Nederland te De Hoef;
d. Valkerij Equipage 'Jacoba van Beieren' te Wintelre.
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen
40, tweede lid, 46, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, van de
Flora- en faunawet en de artikelen 7, eerste lid, en 8, vierde lid, van
het Jachtbesluit in werking treden.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Jachtregeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de
Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 14 december 2001.
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
G.H. Faber.
|
|
|