Artikel 1
Als jachtexamen, als bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdeel c, van de
Flora- en faunawet, wordt erkend het jachtexamen dat wordt afgenomen met
inachtneming van de volgende door de Stichting Flora- en faunawetexamens
vastgestelde documenten:
a. Reglement op de Flora- en faunawetexamens, uitgave februari 2003;
b. Examenregelingen van het examen voor de jacht met een geweer, uitgave
juli 2003;
c. Examenregelingen van het examen voor de jacht met een of meer
jachtvogels, uitgave februari 2003;
d. Examenregelingen van het examen voor de jacht met een eendenkooi,
uitgave februari 2003.
Artikel 1a
Als personen die belast zijn met het toezicht op de kwaliteit van
jachtexamens en de wijze van beoordeling van examenresultaten worden
aangewezen:
a. mr. G.J. Jansen te Zwolle, Commissaris van de Koningin van Overijssel;
b. R.C. Robbertsen te Ede, burgemeester van Ede.
Artikel 2
Als preparateursexamen, als bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de Flora-
en faunawet, wordt erkend het preparateursexamen dat wordt afgenomen met
inachtneming van de volgende door de Stichting Flora- en faunawetexamens
vastgestelde documenten:
a. Reglement op de Flora- en faunawetexamens, uitgave februari 2003;
b. Examenregelingen van het examen prepareren dieren, uitgave februari
2003.
Artikel 2a
1.
Een migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 1 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties die uitoefening wenst van het
gereglementeerde beroep preparateur van dieren, dient een aanvraag tot
erkenning van de beroepskwalificaties voor de uitoefening van dit beroep in
bij Onze Minister.
2. De erkenning van de beroepskwalificaties voor de uitoefening van dit
beroep wordt voor de toepassing van artikel 62, eerste lid, van de Flora- en
faunawet gelijk gesteld aan een door Onze Minister erkend preparateursexamen.
Artikel 2b
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, overlegt de
migrerende beroepsbeoefenaar de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
onderdelen a, b, en c, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
Artikel 2c
Onze Minister kan een aanvraag als bedoeld in artikel 2a, eerste lid,
afwijzen, indien uit de overlegde documenten blijkt dat de kennis van de
diersoorten die mogen worden geprepareerd, of de kennis van de wettelijke
voorschriften ten aanzien van het prepareren van dieren, de destructie van
dieren en het gebruik van chemische stoffen, onvoldoende is.
Artikel 2d
1.
Een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties die uitoefening wenst van het
gereglementeerde beroep preparateur van dieren overlegt aan Onze Minister voor
de eerste dienstverrichting de verklaring en de documenten, bedoeld in artikel
23, eerste, onderscheidenlijk derde lid, onderdelen a tot en met d, van die
wet.
2. Onze Minister kan de beroepskwalificaties van de dienstverrichter
controleren ten aanzien van de kennis van het gebruik van chemische stoffen.
3. Indien de beroepskwalificaties wezenlijk verschillen van de kennis
van het gebruik van chemische stoffen, die vereist is voor het behalen van het
preparateursexamen, bedoeld in artikel 62, tweede lid, kan Onze Minister de
dienstverrichter laten aantonen dat hij de ontbrekende kennis heeft verworven,
bijvoorbeeld door middel van een proeve van bekwaamheid.
4. Een dienstverrichter is vrijgesteld van artikel 62, eerste lid, van
de Flora- en faunawet tot uiterlijk een jaar na overlegging van de in het
eerste lid bedoelde verklaring, zolang de minister niet op grond van het derde
lid heeft vastgesteld dat de dienstverrichter niet bekwaam is voor de
uitoefening van dit beroep.
Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 4
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling erkenning jachtexamen en
preparateursexamen Flora- en faunawet.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 15 augustus 2003.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
C.P. Veerman.