|
De
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de op 3 maart 1973 te Washington tot
stand gekomen Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde
in het wild levende dier- en plantesoorten (Trb. 1975, 23);
Gelet op Verordening (EG) nr. 338/97 van de
Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van
in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het
desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61);
Gelet op Verordening (EG) nr. 1808/2001 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 augustus 2001, houdende
uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake
de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door
controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 250);
Gelet op Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 november 1991, houdende een
verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het
binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd
zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar
gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet
stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van
vallen (PbEG L 308);
Gelet op Verordening (EG) nr. 35/97 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 januari 1997 tot
vaststelling van bepalingen betreffende de certificatie van pelzen en
goederen die vallen onder Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad (PbEG
L 8);
Gelet op Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding
van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L
206);
Gelet op artikel 75, tweede lid, Flora- en
faunawet;
Gelet op artikel 17a, tweede lid,
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet:
Flora- en faunawet;
b. de Minister:
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
c. overeenkomst:
Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild
levende dier- en plantensoorten (Trb. 1975, 23);
d. basisverordening:
verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9
december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en
plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG
1997, L 61);
e. uitvoeringsverordening:
verordening (EG) nr. 1808/2001 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 30 augustus 2001, houdende uitvoeringsbepalingen van
Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het
wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende
handelsverkeer (PbEG L 250);
f. lid-staat:
land behorende tot de Europese Unie;
g. derde land:
land niet behorende tot de Europese Unie;
h. naadloos gesloten pootring:
pootring die voldoet aan de criteria van artikel 36, vijfde lid, van de
uitvoeringsverordening;
i. in gevangenschap geboren en gefokte specimens van een diersoort:
specimens van een diersoort die voldoen aan de criteria van artikel 24
van de uitvoeringsverordening;
j. kunstmatig gekweekte specimens van een plantensoort:
specimens van een plantensoort die voldoen aan de criteria van artikel
26 van de uitvoeringsverordening.
2.De begripsbepalingen van artikel 2 van de basisverordening en artikel
1 van de uitvoeringsverordening zijn van toepassing.
3.Voor de toepassing van deze regeling wordt in de bepalingen van de
basisverordening en de uitvoeringsverordening waarnaar in deze regeling
wordt verwezen verstaan onder:
a. certificaat van oorsprong: certificaat waaruit de oorsprong van
specimens van soorten opgenomen in bijlage III bij de Overeenkomst
blijkt, voor de uitvoer hiervan afgegeven door de nationale
administratieve instantie die bevoegd is CITES-vergunningen en
-certificaten af te geven;
b. douanekantoor aan de grens: douanekantoor dat, indien in Nederland
gelegen, is aangewezen in de Regeling aanwijzing douanekantoren
beschermde dier- en plantensoorten of, indien in een andere lid-staat
gelegen, door die andere lid-staat is aangewezen overeenkomstig artikel
12 van de basisverordening.
§ 2. Algemeen
Artikel 1a
Deze regeling berust op artikel 75, tweede lid, van de Flora- en
faunawet, artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en
de artikelen 4, eerste lid, 11, 16, tweede lid, onderdeel b, 16h en
artikel 17a, tweede lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier-
en plantensoorten.
Artikel 1b
1.Als beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten
worden aangewezen de soorten, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling.
2.Als dieren als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluit
vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten worden aangewezen
dieren, behorende tot de soorten genoemd in bijlage 2 bij deze regeling.
3.Als dieren als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van het Besluit
vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten worden aangewezen
dieren, behorende tot de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze regeling.
4.Als beschermde inheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel
16b, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit vrijstelling beschermde
dier- en plantensoorten worden aangewezen de soorten, genoemd in bijlage
4 bij deze regeling.
5.Als diersoorten als bedoeld in artikel 16h, eerste lid, van het
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten worden
aangewezen de soorten, genoemd in de bijlagen 5 tot en met 7 bij deze
regeling.
Artikel 1c
Van het verbod, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren, wordt ten behoeve van de bestrijding van
ziekten, plagen of onkruiden vrijstelling verleend voor het houden van
dieren, behorende tot de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze regeling,
met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten.
Artikel 2
1.De vrijstellingen, bedoeld in deze regeling, gelden slechts voorzover:
a. met betrekking tot de aanvraag, afgifte, vorm, inhoud, overlegging en
geldigheid en het gebruik van invoervergunningen, uitvoervergunningen,
kennisgevingen van invoer en certificaten, dan wel afschriften daarvan,
alsmede van merken en etiketten is voldaan aan hetgeen daarover in de
basis- en uitvoeringsverordening is bepaald, en
b. het bewijs daarvan door de houder van de betrokken specimens
desgevraagd aan de ambtenaren belast met de handhaving van de wet wordt
overgelegd.
2.De vrijstellingen genoemd in deze regeling gelden met inachtneming van
artikel 43 van de uitvoeringsverordening.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de
vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 1c en 7, onderdeel b.
§ 3. Invoer vanuit een derde land van specimens bestemd voor een
lid-staat
Artikel 3
1.Indien is voldaan aan artikel 4, eerste onderscheidenlijk tweede,
derde of vierde lid, van de basisverordening, geldt een vrijstelling van
het verbod op het binnen het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld
in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten,
genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, die vanuit een
derde land op het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden
gebracht en bestemd zijn voor Nederland.
2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt vanaf de plaats van
binnenkomst in Nederland tot de plaats van bestemming een vrijstelling
van het verbod op het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de
wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de
basisverordening, specimens van soorten, behorende tot beschermde
inheemse dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de
basisverordening, alsmede specimens van soorten als aangewezen in
artikel 2 of artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling
aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet,
voorzover deze soorten voorkomen op één van de bijlagen bij de
basisverordening.
Artikel 4
1.Indien is voldaan aan artikel 4, eerste onderscheidenlijk tweede,
derde of vierde lid, van de basisverordening, geldt een vrijstelling van
het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland
brengen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens
van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening,
die vanuit een derde land op het grondgebied van de Europese Gemeenschap
worden gebracht en bestemd zijn voor een andere lid-staat dan Nederland.
2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt vanaf de plaats van
binnenkomst in Nederland tot aan de grens een vrijstelling van het
verbod op het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet
voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de
basisverordening, specimens van soorten, behorende tot beschermde
inheemse dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de
basisverordening, alsmede specimens van soorten als aangewezen in
artikel 2 of artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling
aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet,
voorzover deze soorten voorkomen op één van de bijlagen bij de
basisverordening.
Artikel 5
De vrijstellingen genoemd in deze paragraaf gelden met inachtneming van
artikel 23 van de uitvoeringsverordening.
§ 4. Doorvoer vanuit een derde land van specimens bestemd voor een
derde land
Artikel 6
1.Van de verboden op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland
brengen, alsmede het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de
wet wordt ten behoeve van doorvoer vrijstelling verleend voor specimens
van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening,
die zijn verzonden vanuit een derde land en via Nederland bestemd zijn
voor een derde land.
2.De vrijstellingen als bedoeld in het eerste lid gelden met
inachtneming van artikel 7, tweede lid, van de basisverordening.
§ 5. Intracommunautair verkeer
Artikel 7
Ten behoeve van het intracommunautaire verkeer geldt een vrijstelling
van artikel 13, eerste lid, van de wet, voor het binnen of buiten het
grondgebied van Nederland brengen van:
a. specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de
basisverordening, voorzover betreffende specimens aantoonbaar
overeenkomstig de in een lid-staat geldende wetgeving en met
inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening zijn
verkregen;
b. geprepareerde producten van dieren, waarop het verbod als bedoeld in
artikel 62, eerste lid, van de wet van toepassing is, niet behorende tot
soorten als bedoeld in onderdeel a, voorzover betreffende producten
aantoonbaar overeenkomstig de in een lid-staat geldende wetgeving zijn
verkregen.
§ 6. Uitvoer of wederuitvoer vanuit een lid-staat van specimens bestemd
voor een derde land
Artikel 8
1.Indien is voldaan aan artikel 5, eerste onderscheidenlijk vierde lid,
van de basisverordening, geldt een vrijstelling van het verbod op het
binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd
in bijlage A, B of C bij de basisverordening, die vanuit Nederland of
vanuit een andere lid-staat via Nederland buiten het grondgebied van de
Europese Gemeenschap worden gebracht.
2.Indien een fytosanitair certificaat, dat voldoet aan artikel 8, zesde
en zevende lid, van de uitvoeringsverordening, is afgegeven door de
Plantenziektenkundige Dienst of door een bevoegde administratieve
instantie van een andere lid-staat, geldt een vrijstelling van het
verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor kunstmatig gekweekte
hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten genoemd in bijlage
A bij de basisverordening en kunstmatig gekweekte planten van soorten,
genoemd in bijlage B of C bij de basisverordening, die vanuit Nederland
of vanuit een andere lid-staat via Nederland buiten het grondgebied van
de Europese Gemeenschap worden gebracht.
3.Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, geldt ten
behoeve van uitvoer een vrijstelling voor het vervoer, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van de wet, voor specimens van soorten, genoemd
in bijlage A bij de basisverordening, specimens van soorten, behorende
tot beschermde inheemse dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage B of
C bij de basisverordening, alsmede specimens van soorten als aangewezen
in artikel 2 of artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling
aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet,
voorzover deze soorten voorkomen op één van de bijlagen bij de
basisverordening.
4.Van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland
brengen en het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet
wordt vrijstelling verleend voor specimens van soorten, genoemd in
bijlage D bij de basisverordening, die vanuit Nederland of vanuit een
andere lid-staat via Nederland buiten het grondgebied van de Europese
Gemeenschap worden gebracht.
§ 6. Persoonlijke bezittingen of huisraad
Artikel 9
Indien voldaan is aan artikel 7, derde lid, van de basisverordening en
artikel 27 onderscheidenlijk artikel 28 van de uitvoeringsverordening,
geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen of buiten het
grondgebied van Nederland brengen alsmede het vervoer, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van de wet voor dode specimens, delen daarvan of
daaruit verkregen producten van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D
bij de basisverordening, die vallen onder persoonlijke bezittingen of
huisraad die vanuit een derde land op het grondgebied van de Gemeenschap
worden gebracht en bestemd zijn voor een lid-staat of die vanuit een
lid-staat worden uitgevoerd naar een derde land.
§ 7. Handel in specimens binnen de Europese Gemeenschap
Artikel 10 (handel)
1.Met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het
grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben, geldt een
vrijstelling van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de
wet voor:
a. specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening,
indien een certificaat is afgegeven op grond van artikel 8, derde lid,
van de basisverordening;
b. in gevangenschap geboren en gefokte specimens van de in bijlage VIII
bij de uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden
daarvan, indien voldaan is aan artikel 32, onderdeel a, bij de
uitvoeringsverordening;
c. kunstmatig gekweekte specimens van plantensoorten, genoemd in bijlage
A bij de basisverordening;
d. meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens, genoemd in
bijlage A bij de basisverordening, als omschreven in artikel 2, onder w,
van de basisverordening.
2.Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt met
uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van
Nederland brengen of onder zich hebben, een vrijstelling van de
verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens
van soorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening,
indien kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig
het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de
basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of
verkregen.
3.De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van
toepassing, voorzover voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels.
4.De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van
toepassing op aan de natuur onttrokken specimens van soorten die
voorkomen op bijlage IV bij richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de
natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).
§ 8. Vrijstelling bezitsverbod uitheemse diersoorten
Artikel 11
1.Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van de wet geldt een vrijstelling voor dode specimens van in
gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren,
behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij
de basisverordening, indien:
a. het meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens betreft als
omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening;
b. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in
artikel 2, onderdeel j, van de basisverordening of
c. kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het
bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de
basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of
verkregen.
2.Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt een
vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van de wet voor levende en dode specimens van in
gevangenschap geboren en gefokte dieren, behorende tot beschermde
uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de
basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de dieren in
Nederland zijn gefokt, of indien het eieren, nesten of producten van die
soorten betreft, betrokken producten van gefokte dieren afkomstig zijn.
3.De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van
toepassing op:
a. aan de natuur onttrokken dode specimens van soorten die voorkomen op
bijlage IV, letter a), bij richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de
natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
b. te prepareren producten van dieren, behorende tot de soorten
roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende
tot beschermde uitheemse soorten, genoemd in bijlage A of B bij de
basisverordening;
c. dode specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de
basisverordening, voorzover het betreft botten en daarvan of daarmede
vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en
daarvan of daarmede vervaardigde producten anders dan jachttrofeeën van
Ceratotherium simum simum afkomstig van de populatie van Zuid-Afrika,
van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea);
d. levende specimens van soorten, behorende tot de orde van de primaten
(Primates), de familie van de katachtigen (Felidae) genoemd in Bijlage 3
van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en
faunawet of de fretkat (Cryptoprocta ferox), genoemd in bijlage B bij de
basisverordening, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten,
genoemd in bijlage B bij de basisverordening;
e. voorzover het het bezit in het veld betreft, levende specimens van de
soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes),
behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij
de basisverordening.
§ 9. Vrijstelling bezitsverbod gefokte vogels
Artikel 12
1.Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van de wet geldt een vrijstelling voor levende en dode specimens
van in gevangenschap geboren en gefokte vogels, behorende tot beschermde
inheemse diersoorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de
basisverordening, en levende specimens van in gevangenschap geboren en
gefokte vogels, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd
in bijlage A bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat
de vogels gefokt zijn, of, indien het eieren, nesten of producten van
die vogels betreft, betrokken producten van gefokte vogels afkomstig
zijn en voorzover:
a. deze vogels zijn voorzien van een naadloos gesloten pootring, met
uitzondering van de vogelsoorten, bedoeld in bijlage VIII bij de
uitvoeringsverordening, voorzover deze soorten niet van een annotatie
zijn voorzien;
b. registratie heeft plaatsgevonden in de administratie, bedoeld in
artikel 8 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten;
c. voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit vrijstelling
beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels.
2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens voor
levende en dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte
vogels, behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten,
genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien deze vogels in
overeenstemming met artikel 36 van de uitvoeringsverordening zijn
voorzien van een microchiptransponder.
3.Indien een naadloos gesloten pootring of microchiptransponder als
bedoeld in het eerste of tweede lid, wegens lichamelijke kenmerken van
de betrokken specimens aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht,
geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, eveneens, indien een
daartoe strekkende door de Minister of een door een overheidsorgaan van
een andere lid-staat afgegeven verklaring kan worden overgelegd.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. te prepareren producten van dieren, behorende tot de orde roofvogels
(Falconidae) of uilen (Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse
of uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A of B bij de
basisverordening;
b. levende specimens van de soort havik (Accipiter gentilis), behorende
tot beschermde inheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de
basisverordening;
c. onverminderd onderdeel b, voorzover het het bezit in het veld
betreft, levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes)
of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of
uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A of B bij de
basisverordening.
Artikel 13
1.In Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels als bedoeld in
artikel 12, eerste lid, met uitzondering van de vogelsoorten, bedoeld in
bijlage VIII bij de uitvoeringsverordening, voorzover deze soorten niet
van een annotatie zijn voorzien, zijn aantoonbaar rechtmatig voorzien
van een door de Minister op aanvraag afgegeven naadloos gesloten
pootring.
2.De vrijstelling, bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid, geldt
eveneens voor in andere staten dan Nederland in gevangenschap geboren en
gefokte vogels, die voorzien zijn van een merkteken, dat aantoonbaar
overeenkomstig de in die andere staat geldende regelgeving en met
inachtneming van artikel 36 van de basisverordening is afgegeven en
aangebracht.
§ 10. Vrijstelling bezitsverbod gefokte gewervelde dieren, niet zijnde
vogels
Artikel 14
1.Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van de wet geldt een vrijstelling voor levende specimens van in
gevangenschap geboren en gefokte gewervelde dieren, behorende tot
beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de
basisverordening, die geen in gevangenschap geboren en gefokte vogels
zijn, indien kan worden aangetoond dat de betreffende dieren gefokt zijn
en voorzover:
a. gewervelde dieren in overeenstemming met artikel 36, eerste lid,
onderdeel b, van de uitvoeringsverordening, zijn voorzien van een
microchiptransponder en
b. voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit vrijstelling
beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels.
2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens, indien in
overeenstemming met artikel 36 van de uitvoeringsverordening een ander
merkteken is aangebracht, voorzover de Minister of een overheidsorgaan
van een andere lid-staat dan Nederland een schriftelijke verklaring
heeft afgegeven.
3.Indien een microchiptransponder of een ander merkteken als bedoeld in
het eerste of tweede lid, wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken
specimens aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, geldt de
vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, eveneens, indien een daartoe
strekkende door de Minister of een door een overheidsorgaan van een
andere lid-staat afgegeven verklaring kan worden overgelegd.
4.De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing
op levende specimens van soorten, behorende tot de orde van de primaten
(Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae), behorende tot
beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de
basisverordening.
§ 11. Vrijstelling bezitsverbod plantensoorten
Artikel 15
1.Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van de wet geldt een vrijstelling voor dode specimens van
kunstmatig gekweekte of uit het wild afkomstige planten, behorende tot
beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A bij de
basisverordening, indien:
a. het meer dan 50 jaar verkregen bewerkte specimens betreft als
omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening;
b. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in
artikel 2, onderdeel j, van de basisverordening of indien
c. kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het
bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de
basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of
verkregen.
2.Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt een
vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van de wet voor levende en dode specimens van kunstmatig
gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten,
genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden
aangetoond dat de planten in Nederland zijn gekweekt, of, indien het
producten van die planten betreft, betrokken producten van gekweekte
planten afkomstig zijn.
3.Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van de wet geldt een vrijstelling voor levende en dode specimens
van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde inheemse
plantensoorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening,
en levende specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot
beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A bij de
basisverordening, indien kan worden aangetoond dat betreffende specimens
overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming
van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn
gebracht of verkregen, of, indien kan worden aangetoond dat de planten
in Nederland zijn gekweekt, of, indien het producten van die planten
betreft, betrokken producten van gekweekte planten afkomstig zijn.
4.De vrijstellingen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, zijn
van toepassing, voorzover voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels.
5.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op
aan de natuur onttrokken dode specimens van soorten die voorkomen op
bijlage IV, letter b), bij richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de
natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).
§ 12. Vrijstelling vervoersverbod
Artikel 16
1.Indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in
bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, overeenkomstig het bij of
krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en
de uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van
Nederland zijn gebracht of verkregen, geldt, met inachtneming van
artikel 9 van de basisverordening, een vrijstelling van het verbod op
het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet.
2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor levende
specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde
Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of uitheemse
diersoorten, zoals opgenomen in bijlage A of B bij de basisverordening,
voorzover het het vervoer in het veld betreft.
Artikel 17. (bewijs gefokte havik)
Onverminderd de bepalingen van de basisverordening en de
uitvoeringsverordening, wordt een ontheffing als bedoeld in artikel 75
van de wet van de verboden voor het vervoer of onder zich hebben van een
levende gefokte havik (Accipiter gentilis) slechts verleend, indien in
overeenstemming met artikel 25 van de uitvoeringsverordening de
aanvrager door het overleggen van DNA-fingerprints van zowel de
oudervogels als de jonge vogel het bewijs levert dat de vogels inderdaad
in gevangenschap zijn gefokt.
§ 13. Specimens bestemd voor wetenschappelijke instellingen
Artikel 18
Van de verboden op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland
brengen, vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voor specimens uit herbaria
en andere geconserveerde, gedroogde of ingesloten specimens uit musea en
voor levende planten, van soorten genoemd in bijlage A, B, C of D bij de
basisverordening, indien is voldaan aan artikel 7, vierde lid, van de
basisverordening en artikel 22 van de uitvoeringsverordening.
§ 14. Overige vrijstellingen
Artikel 19. (kunstmatig gekweekte planten en gefokte dieren, die niet
vallen onder basisverordening)
1. Van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet wordt
vrijstelling verleend voor in gevangenschap geboren en gefokte dieren of
kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse dier-
of plantensoorten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de
Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en
faunawet, indien:
a. kan worden aangetoond dat de planten in Nederland gekweekt of de
dieren in Nederland gefokt zijn, of, indien het producten van die
planten of dieren betreft, betrokken producten van gekweekte planten of
gefokte dieren afkomstig zijn, of,
b. bedoelde gefokte dieren of gekweekte planten of producten daarvan
aantoonbaar in overeenstemming met de in een lid-staat geldende
regelgeving zijn verkregen.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing,
voorzover voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit
vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels.
Artikel 20. (specimens van pelsdieren)
1.Van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet wordt
vrijstelling verleend voor dieren en producten van dieren van de
soorten, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling
aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.
2.De in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt niet voor het vanuit
derde landen binnen het grondgebied van Nederland brengen van pelzen en
goederen die pelzen of delen daarvan bevatten, tenzij voldaan is aan
Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem
in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen
en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende
diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of
andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor
humane vangst met behulp van vallen (PbEG L 308) en Verordening (EG) nr.
35/97 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 januari
1997 tot vaststelling van bepalingen betreffende de certificatie van
pelzen en goederen die vallen onder Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de
Raad (PbEG L 8).
Artikel 20a. (aal)
1. Van de verboden, bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de wet, en het
verbod op het onder zich hebben van beschermde inheemse diersoorten,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling
verleend voor de aal (Anguilla anguilla).
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is alleen van toepassing,
indien kan worden aangetoond:
− dat is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963
bepaalde, of
– dat de aal in Nederland is gebracht of verkregen overeenkomstig het
bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de
basisverordening en uitvoeringsverordening.
§ 14a. Inperking vrijstellingen
Artikel 20b
1. De artikelen 3 tot en met 10, 16 en 18 zijn niet van toepassing op
dode specimens van de Kaapse pelsrob (Arctocephalus pusillus pusillus).
§ 15. Overige en slotbepalingen
Artikel 21
Een wijziging van bijlage IV bij Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van
de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) geldt
voor de toepassing van deze regeling met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 22
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 75,
tweede lid, van de Flora- en faunawet en artikel 17a van het Besluit
vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten in werking treden.
Artikel 23
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling beschermde
dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.
Deze regeling zal met de toelichting in de
Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 5 maart 2002.
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
G.H. Faber.
Bijlage 1, als bedoeld in artikel 1b,
eerste lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten Flora- en faunawet
|
Nederlandse naam |
Wetenschappelijke
naam |
|
Aardmuis |
Microtus agrestis |
|
Boommarter |
Martes martes |
|
Boomspitsmuis |
Sorex coronatus |
|
Bosmuis |
Apodemus sylvaticus |
|
Bosspitsmuis |
Sorex araneus |
|
Brandmuis |
Apodemus agrarius |
|
Bunzing |
Mustela putorius |
|
Damhert |
Dama dama |
|
Dwergmuis |
Micromys minutus |
|
Dwergspitsmuis |
Sorex minutus |
|
Edelhert |
Cervus Elaphus |
|
Grote bosmuis |
Apodemus flavicollis |
|
Haas |
Lepus europaeus |
|
Hermelijn |
Mustela erminea |
|
Huisspitsmuis |
Crocidura russula |
|
Konijn |
Oryctolagus cuniculus |
|
Mol |
Talpa europaea |
|
Ondergrondse woelmuis |
Pitymys subterraneus |
|
Ree |
Capreolus capreolus |
|
Rosse woelmuis |
Clethrionoms glareolus |
|
Steenmarter |
Martes foina |
|
Veldmuis |
Microtus arvalis |
|
Veldspitsmuis |
Crocidura leucodon |
|
Vos |
Vulpes vulpes |
|
Waterspitsmuis |
Neomys fodiens |
|
Wezel |
Mustela nivalis |
|
Wijngaardslak |
Helix pomatia |
|
Wild zwijn |
Sus scrofa |
|
Woelrat |
Arvicola terrestris |
Bijlage 2, als bedoeld in artikel 1b,
tweede lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten Flora- en faunawet
|
Nederlandse naam |
Wetenschappelijke
naam |
|
Bosmuis |
Apodemus sylvaticus |
|
Ekster |
Pica pica |
|
Holenduif |
Columba oenas |
|
Huismus |
Passer domesticus |
|
Kauw |
Corvus monedula |
|
Knobbelzwaan |
Cygnus olor |
|
Kokmeeuw |
Larus ridibundus |
|
Mol |
Talpa europaea |
|
Rietgans |
Anser fabalis |
|
Roek |
Corvus frugilegus |
|
Spreeuw |
Sturnus vulgaris |
|
Turkse tortel |
Streptopelia decaocto |
|
Veldmuis |
Microtus arvalis |
|
Vlaamse gaai |
Garrulus glandarius |
|
Vos |
Vulpes vulpes |
|
Waterhoen |
Gallinula chloropus |
|
Zilvermeeuw |
Larus argentatus |
|
Zwarte kraai |
Corvus corone corone |
Bijlage 3, als bedoeld in artikel 1b,
derde lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten Flora- en faunawet
|
Nederlandse naam |
Wetenschappelijke
naam |
|
Alpensneeuwhoen |
Lagopus mutus |
|
Auerhoen |
Tetrao urogallus |
|
Barbarijse patrijs |
Alectoris barbara |
|
Bokje |
Lymnocryptes minimus |
|
Damhert |
Dama dama |
|
Edelhert |
Cervus elaphus |
|
Eidereend |
Somateria mollissima |
|
Fazant |
Phasianus colchicus |
|
Goudplevier |
Pluvialis apricaria |
|
Grauwe gans |
Anser anser |
|
Haas |
Lepus europaeus |
|
Houtduif |
Columba palumbus |
|
Houtsnip |
Scolopax rusticola |
|
Kolgans |
Anser albifrons |
|
Konijn |
Oryctolagus cuniculus |
|
Korhoen (Britse populaties) |
Tetrao tetrix (Britse populaties) |
|
Kuifeend |
Aythya fuligula |
|
Meerkoet |
Fulica atra |
|
Moerassneeuwhoen |
Lagopus lagopus |
|
Patrijs |
Perdix perdix |
|
Pijlstaart |
Anas acuta |
|
Ree |
Capreolus capreolus |
|
Rode patrijs |
Alectoris rufa |
|
Slobeend |
Anas clypeata |
|
Smient |
Anas penelope |
|
Tafeleend |
Aythya ferina |
|
Toppereend |
Aythya marila |
|
Watersnip |
Gallinago gallinago |
|
Wild zwijn |
Sus scrofa |
|
Wilde eend |
Anas platyrhynchos |
|
Wintertaling |
Anas crecca |
|
Zwarte zee-eend |
Melanitta nigra |
Bijlage 4, als bedoeld in artikel 1b,
vierde lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten Flora- en faunawet
|
Nederlandse naam |
Wetenschappelijke
naam |
|
Vaatplanten |
|
|
Aardaker |
Lathyrus tuberosus |
|
Akkerklokje |
Campanula rapunculoides |
|
Brede wespenorchis |
Epipactis helleborine |
|
Breed klokje |
Campanula latifolia |
|
Dotterbloem1 |
Caltha palustris |
|
Gewone vogelmelk |
Ornithogalum umbellatum |
|
Grasklokje |
Campanula rotundifolia |
|
Grote kaardenbol |
Dipsacus fullonum |
|
Kleine maagdenpalm |
Vinca minor |
|
Knikkende vogelmelk |
Ornithogalum nutans |
|
Koningsvaren |
Osmunda regalis |
|
Slanke sleutelbloem |
Primula elatior |
|
Zwanebloem |
Butomus umbellatus |
| |
|
|
Zoogdieren |
|
|
Aardmuis |
Microtus agrestis |
|
Bosmuis |
Apodemus sylvaticus |
|
Bunzing |
Mustela putorius |
|
Dwergmuis |
Micromys minutus |
|
Dwergspitsmuis |
Sorex minutus |
|
Egel |
Erinaceus europaeus |
|
Gewone bosspitsmuis |
Sorex araneus |
|
Haas |
Lepus europeus |
|
Hermelijn |
Mustela erminea |
|
Huisspitsmuis |
Crocidura russula |
|
Konijn |
Oryctolagus cuniculus |
|
Ondergrondse woelmuis |
Pitymys subterraneus |
|
Ree |
Capreolus capreolus |
|
Rosse woelmuis |
Clethrionomys glareolus |
|
Tweekleurige bosspitsmuis |
Sorex coronatus |
|
Veldmuis |
Microtus arvalis |
|
Vos |
Vulpes vulpes |
|
Wezel |
Mustela nivalis |
|
Woelrat |
Arvicola terrestris |
| |
|
|
Amfibieën |
|
|
Bruine kikker |
Rana temporaria |
|
Gewone pad |
Bufo bufo |
|
Kleine watersalamander |
Triturus vulgaris |
|
Meerkikker |
Rana ridibunda |
|
Middelste groene kikker |
Rana esculenta |
| |
|
|
Mieren |
|
|
Behaarde rode bosmier |
Formica rufa |
|
Kale rode bosmier |
Formica polyctena |
|
Stronkmier |
Formica truncorum |
|
Zwartrugbosmier |
Formica pratensis |
| |
|
|
Slakken |
|
|
Wijngaardslak |
Helix pomatia |
Bijlage 5, als bedoeld in artikel 1b,
vijfde lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten Flora- en faunawet
Insecta (insecten)
Coleoptera (kevers)
Adalia bipunctata (Linnaeus 1758)
Aleochara bilineata (Gyllenhal 1810)
Atheta coriaria (Kraatz 1856)
Chilocorus baileyi Blackburn 1890
Chilocorus bipustulatus (Linnaeus 1758)
Chilocorus circumdatus (Schoenherr 1808)
Chilocorus nigritus (Fabricius 1798)
Clitostethus arcuatus (Rossi 1794)
Cryptolaemus montrouzieri Mulsant 1853
Delphastus catalinae (Horn 1895)
Exochomus laeviusculus Weise 1909
Exochomus quadripustulatus (Linnaeus
1758)
Holobus flavicornis (Boisduval &
Lacordaire 1835) [=Oligota flavicornis (Boisd. et Lac. 1835)]
Nephus includens (Kirsch 1870)
Rhyzobius forestieri (Mulsant 1853)
Rhyzobius lophanthae (Blaisdell 1892 [=Lindorus
lophanthae (Blaisdell 1892)]
Rodolia cardinalis (Mulsant 1850) [=Vedalia
cardinalis (Mulsant 1850)]
Scymnus rubromaculatus (Goeze 1777)
Stethorus punctillum (Weise 1891)
Diptera (tweevleugeligen)
Aphidoletes aphidimyza (Rondani 1847)
Coenosia attenuata (Stein 1903)
Episyrphus balteatus (De Geer 1776)
Feltiella acarisuga (Vallot 1827) [=Therodiplosis
persicae (Kieffer 1912)]
Hemiptera – Heteroptera (roofwantsen)
Anthocoris nemoralis (Fabricius 1794)
Anthocoris nemorum (Linnaeus 1761)
Dicyphus (Dicyphus) errans (Wolff 1804)
Macrolophus melanotoma A.Costa 1853 [=Macrolophus
caliginosus (Wagner) 1950]
Orius (Dimorphella) albidipennis (Reuter
1884)
Orius (Heterorius) majusculus (Reuter
1879)
Orius (Orius) laevigatus (Fieber 1860)
Picromerus bidens (Linnaeus 1758)
Hymenoptera (sluipwespen)
Anagrus atomus (Linnaeus 1767)
Anagyrus dactylopii (Howard 1898)
Anagyrus fusciventris (Girault 1915)
Anagyrus pseudococci (Girault 1915)
Anaphes iole (Girault 1911)
Aphelinus abdominalis (Dalman 1820)
Aphelinus mali (Haldeman 1860)
Aphelinus varipes (Förster 1841)
Aphidius colemani (Viereck 1912)
Aphidius ervi (Haliday 1834)
Aphidius matricariae (Haliday 1834)
Aphytis diaspidis (Howard 1881)
Aphytis holoxanthus (DeBach 1960)
Aphytis lignanensis (Compere 1955)
Aphytis melinus (DeBach 1959)
Aprostocetus hagenowii (Ratzeburg 1852)
Arrhenophagus albitibiae (Girault 1915)
Blastothrix brittanica (Girault 1920)
Bracon (Habrobracon) hebetor (Say 1836)
Coccidencyrtus ochraceipes (Gahan 1927)
Coccidoxenoides peregrina (Girault 1915)
[=Pauridia peregrina (Timberlake 1919)]
Coccophagus cowperi (Girault 1917)
Coccophagus gurneyi (Compere 1929)
Coccophagus lycimnia (Walker 1839)
Coccophagus pulvinariae (Compere 1931
Coccophagus rusti (Compere 1928)
Coccophagus scutellaris (Dalman 1825)
Comperiella bifasciata Howard 1906)
Cotesia glomerata (Linnaeus 1758)
Cotesia rubecola (Marshall 1885)
Dacnusa sibirica (Telenga 1934)
Diglyphus isaea (Walker 1838)
Encarsia citrina (Craw 1891)
Encarsia formosa (Gahan 1924)
Encarsia guadeloupae (Viggiani 1987)
Encarsia hispida (DeSantis 1948)
Encarsia protransvena (Viggiani 1985)
Encyrtus infelix (Embleton 1902)
Encyrtus lecaniorum (Mayr 1876)
Eretmocerus eremicus (Rose &
Zolnerowich 1997)
Eretmocerus mundus (Mercet 1931)
Gyranusoidea litura (Prinsloo 1983)
Leptomastidea abnormis (Girault 1915)
Leptomastix dactylopii (Howard 1885)
Leptomastix epona (Walker 1844)
Leptomastix histrio (Förster 1856)
Metaphycus flavus (Howard 1881)
Metaphycus helvolus (Compere 1926)
Metaphycus lounsburyi (Howard 1898) [=Metaphycus
bartletti (Annecke & Mynhardt 1972)]
Metaphycus stanleyi (Compere 1940)
Metaphycus swirskii (Annecke &
Mynhardt 1979)
Meteorus gyrator (Thunberg 1822)
Microterys flavus (Howard 1881)
Ophelosia crawfordi (Riley 1890)
Praon volucre (Haliday 1833)
Pseudaphycus flavidulus (Brčthes 1916)
Pseudaphycus maculipennis (Mercet 1923)
Scutellista caerulea (Fonscolombé 1832)
[=Scutellista cyanea (Motschulsky 1859)]
Synacra paupera (Macek 1995)
Tetracnemoidea brevicornis (Girault 1915)
[=Hungariella pretiosa (Girault 1915)]
Tetracnemoidea peregrina (Compere 1939)
[=Hungariella peregrina (Compere 1939)]
Tetrastichus coeruleus (Nees 1834) [=Tetrastichus
asparagi (Crawford 1909)]
Thripobius semiluteus (Boucek 1977)
Trichogramma brassicae (Bezdenko 1968) [=Trichogramma
maidis (Pintureau & Voegelé 1980)]
Trichogramma evanescens (Westwood 1833)
Neuroptera (gaasvliegen)
Chrysoperla carnea (Stephens 1836) [=Chrysopa
carnea (Stephens 1836)]
Coniopteryx tineiformis (Curtis 1834)
Conwentzia psociformis (Curtis 1834)
Sympherobius fallax (Navás 1908) [=Sympherobius
sanctus (Tjeder 1939)]
Thysanoptera (rooftripsen)
Aeolothrips intermedius (Bagnall 1934)
Aleurodothrips fasciapennis (Franklin
1908)
Franklinothrips megalops (Trybom 1912) [=Franklinothrips
myrmicaeformis (Zanon 1924)]
Franklinothrips vespiformis (Crawford
1909)
Karnyothrips melaleucus (Bagnal 1911)
Arachnida (spinachtigen)
Acari – Mesostigmata (roofmijten)
Phytoseiidae
Amblyseius andersoni (Chant 1957) [=Amblyseius
potentillae (Garman 1958)]
Amblyseius largoensis (Muma 1955)
Euseius finlandicus (Oudemans 1915)
Euseius scutalis (Athias-Henriot 1958)
Iphiseius degenerans (Berlese 1889) [=
Amblyseius degenerans (Berlese 1889)]
Metaseiulus occidentalis (Nesbitt 1951)
[=Typhlodromus occidentalis, Galendromus occidentalis]
Neoseiulus barkeri (Hughes 1948) [=Amblyseius
barkeri (Hughes 1948); Amblyseius mckenziei (Schuster et Pritchard
1963)]
Neoseiulus cucumeris (Oudemans 1930) [=Amblyseius
cucumeris (Oudemans 1930)]
Neoseiulus fallacis (Garman 1948) [=Amblyseius
fallacis (Garman 1948)]
Phytoseiulus longipes (Evans 1958) [=Mesoseiulus
longipes (Evans 1958)]
Phytoseiulus persimilis (Athias-Henriot
1957)
Phytoseius finitimus (Ribaga 1904)
Typhlodromips montdorensis (Schicha 1979)
[=Amblyseius montdorensis (Schicha 1979)]
Typhlodromips swirskii (Athias-Henriot
1962) [=Amblyseius swirskii (Athias-Henriot 1962)]
Typhlodromus athiasae (Hirschmann 1962)
Typhlodromus doreenae (Schicha 1987)
Typhlodromus pyri (Scheuten 1857) [=Galendromus
pyri (Scheuten 1857)]
Laelapidae
Galeolaelaps aculeifer (Canestrini 1884)
[=Hypoaspis aculeifer (Canestrini 1884)]
Stratiolaelaps miles (Berlese 1892) [=Hypoaspis
miles (Geolaelaps miles)]
Parasitidae
Pergamasus quisquiliarum (Canestrini
1882)
Acari – Prostigmata (roofmijten)
Eupalopsellidae
Saniosulus nudus (Summers 1960)
Cheyletidae
Cheyletus eruditus (Schrank 1781)
Nematoda (Entomopathogene aaltjes)
Strongylida – Heterorhabditidae
Heterorhabditis bacteriophora (Poinar
1976) [=Heterorhabditis heliothidis (Khan, Brooks & Hirschmann
1976)]
Heterorhabditis megidis (Poinar, Jackson
& Klein 1988)
Rhabditida – Steinernematidae
Steinernema carpocapsae (Weiser 1955) [=Neoaplectana
carpocapsae (Weiser 1955)]
Steinernema feltiae [=Neoaplectana
feltiae (Filipjev 1934), Neoplectana bibionis (Bovien 1937),
Neoaplectana leucaniae (Hoy 1954)]
Steinernema glaseri (Steiner 1929)
Steinernema kraussei (Steiner 1923)
Chilopoda (duizendpoten)
Lamyctinus coeculus (Brölemann 1889) [=Lamyctes
coeculus (Brölemann 1889)]
Bijlage 6, als bedoeld in de artikelen
1b, vijfde lid, en 1c van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten Flora- en faunawet
A. Ondersteunende organismen (banker-systemen,
pest-in-first, voeding)
Insecta (insecten)
Hemiptera – Aphididae (bladluizen)
Rhopalosiphum padi (Linnaeus 1758)
Sitobion (Sitobion) avenae (Fabricius
1775)
Hemiptera – Aleyrodidae (wittevliegen)
Trialeurodes vaporariorum (Westwood 1856)
Lepidoptera (vlinders)
Ephestia kuehniella Zeller 1879 (als
steriele eieren)
Sitotroga cereallela (Olivier 1879) (als
steriele eieren)
Arachnida (spinachtigen)
Acarina (mijten)
Acarus siro (Linnaeus 1758)
Tyrophagus putrescentiae (Schrank 1781)
Tetranychus urticae (Koch 1836)
B. Begeleidende organismen
Insecta (insecten)
Diptera
Bradysia difformis (Frey 1948) [=Bradysia
paupera (Tuomikoski 1960)]
Chromatomyia syngenesiae (Hardy 1849) [=Phytomyza
chrysanthemi, (Kowarz in Lintner 1891)]
Hemiptera – Aphididae (bladluizen)
Aphis (Aphis) gossypii (Glover 1877)
Acyrthosiphon (Acyrthosiphon) pisum (Harris
1776)
Macrosiphum (Macrosiphum) euphorbiae
(Thomas 1878)
Hemiptera – (dop-, wol- en
schildluizen)
Abgrallaspis cyanophylli (Signoret 1869)
Aspidiotus nerii (Bouché)
Coccus hesperidum (Linnaeus 1758)
Diaspis boisduvalii (Signoret 1869)
Icerya purchasi (Maskell 1878)
Pinnaspis aspidistrae (Signoret 1869)
Planococcus citri (Risso 1813)
Pseudococcus viburni (Signoret 1875)
[=Pseudococcus affinis (Fernald 1903)]
Pseudococcus longispinus (Targioni
Tozzetti 1867)
Pulvinaria floccifera (Westwood 1870)
Saissetia coffeae (Delplanche 1859)
Saissetia oleae oleae (Olivier 1791)
Lepidoptera (vlinders)
Galleria mellonella (Linnaeus 1758)
Pieris brassicae (Linnaeus 1758)
Pieris rapae (Linnaeus 1758)
Spodoptera exigua (Hübner 1808)
Thysanoptera (tripsen)
Heliothrips haemorrhoidalis (Bouché
1833)
Hercinothrips femoralis (O.M. Reuter
1891)
Parthenothrips dracaenae (Heeger 1854)
Dictyoptera (kakkerlakken)
Periplaneta australasiae (Fabricius 1775)
Entognata
Collembola – Isotomidae
(springstaarten)
Folsomia candida (Willem 1902)
Symphyla
Scutigeromorpha – Scutigerellidae
(wortelduizendpoten)
Scutigerella immaculata (Newport 1845)
Bijlage 7, als bedoeld in artikel 1b,
vijfde lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en
plantensoorten Flora- en faunawet
1. INSECTEN
Diptera (tweevleugeligen)
– Delia antiqua (Meigen 1826) –
uienvlieg (bestraalde mannetjes)
Voetnoten:
|