|
De
Staatssecretaris van Financiën;
In overeenstemming met de Minister van
Financiën van de Nederlandse Antillen;
Gelet op artikel 11, vierde lid, van de
Belastingregeling voor het Koninkrijk, zoals deze is gewijzigd bij
Rijkswet van 5 december 1985, Stb.1985, 645, bij Rijkswet
van 13 december 1996, Stb. 1996, 644, en bij Rijkswet van 14
december 2001, Stb. 2001, 647;
Besluit:
Vast te
stellen de navolgende regeling met bijlagen I en II.¹
1. De bij deze regeling horende bijlagen
I en II zullen begin 2002 worden vastgesteld.
Artikel 1. Algemeen
1.
Deze regeling neemt over de begrippen
van de Belastingregeling voor het Koninkrijk.
2.
Deze regeling zal zo nodig worden aangepast bij invoering van
een dividendbelasting door de Nederlandse Antillen.
Artikel 2. Nederlandse dividendbelasting met
betrekking tot portfoliodividenden (vrijstellingsprocedure)
1.
Een inwoner van de Nederlandse
Antillen die, ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Belastingregeling
voor het Koninkrijk, aanspraak heeft op vermindering van
dividendbelasting, levert voor het geldend maken van die aanspraak bij
de bevoegde aanslagregelende autoriteit over zijn woonplaats een
ingevulde en ondertekende verklaring in tweevoud in op een formulier
volgens het in bijlage I opgenomen model (formulier 'IB 92 NAN'). Nadat
hij een exemplaar van de verklaring, voorzien van dagtekening en
ondertekening van de daarop voorkomende bevestiging omtrent de
woonplaats, van vorenbedoelde aanslagregelende autoriteit heeft
terugontvangen, legt hij dit over bij het innen van de opbrengst van de
dividenden.
2.
De vennootschap die dividend verschuldigd is, degene bij wie
de opbrengst betaalbaar is gesteld, het administratiekantoor dat de
opbrengst doorbetaalt aan certificaathouders, en degene tot wiens beroep
het kopen of innen van dividendbewijzen gewoonlijk behoort, zijn bevoegd
die opbrengst uit te betalen onder aftrek van dividendbelasting naar een
tarief van 15 percent, indien de genieter van het dividend het van een
ondertekende bevestiging omtrent de woonplaats voorziene exemplaar van
de in het eerste lid bedoelde verklaring heeft overgelegd.
3.
Voorzover dividendbelasting die is ingehouden en afgedragen,
ingevolge het tweede lid bij de uitbetaling van de opbrengst niet in
aftrek is gebracht, wordt deze aan de vennootschap teruggegeven na
indiening van een verzoek bij de inspecteur binnen wiens ambtsgebied zij
is gevestigd, onder overlegging van het van een ondertekende bevestiging
omtrent de woonplaats voorziene exemplaar van de in het eerste lid
bedoelde verklaring. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 3. Nederlandse dividendbelasting met
betrekking tot portfoliodividenden (teruggaafprocedure)
1.
Een inwoner van de Nederlandse
Antillen die, ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Belastingregeling
voor het Koninkrijk, aanspraak heeft op vermindering van
dividendbelasting en die, naar het oordeel van de inspecteur van de
Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland, zijn aanspraak
niet op de voet van artikel 2 heeft kunnen geldend maken, heeft recht op
teruggaaf van hetgeen aan dividendbelasting meer is ingehouden dan 15
percent. Toetsing zal terzake plaatsvinden aan de hand van de
voorwaarden die zijn opgenomen in de Belastingregeling voor het
Koninkrijk.
2.
Tot het verkrijgen van de teruggaaf levert de belanghebbende
bij de bevoegde aanslagregelende autoriteit over zijn woonplaats een
ingevulde en ondertekende verklaring in tweevoud in op een formulier
volgens het in bijlage I opgenomen model (formulier 'IB 92 NAN').
Nadat hij een exemplaar van de verklaring, voorzien van dagtekening
en ondertekening van de daarop voorkomende bevestiging omtrent de
woonplaats, van vorenbedoelde aanslagregelende autoriteit heeft
terugontvangen, handelt hij overeenkomstig het derde of het vierde lid.
3.
Indien de opbrengst is uitbetaald door een in Nederland
wonende of gevestigde persoon die de in artikel 9 van de Wet op de
dividendbelasting 1965 bedoelde dividendnota, waaruit van de betaling
van de terug te geven belasting door de belanghebbende blijkt, heeft
uitgereikt, levert de belanghebbende het van een ondertekende
bevestiging omtrent de woonplaats voorziene exemplaar van de verklaring
in bij de hierboven bedoelde persoon, onder bijvoeging van de
dividendnota. Is dit laatste niet mogelijk, dan voegt de persoon die de
dividendnota heeft uitgereikt bij de verklaring een door hem gewaarmerkt
afschrift van de dividendnota. Degene die de dividendnota heeft
uitgereikt zendt, met een begeleidende brief, waaruit blijkt dat hij
voor de belanghebbende optreedt, de bij hem ingeleverde verklaring
tezamen met de dividendnota of het afschrift daarvan, aan de inspecteur
van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland, die op
het verzoek beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het terug te
geven bedrag wordt door de ontvanger van de
Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland ten behoeve van
de belanghebbende overgemaakt aan degene die de dividendnota heeft
uitgereikt.
4.
Indien de opbrengst niet is uitbetaald door een in Nederland
wonende of gevestigde persoon en de belanghebbende dientengevolge niet
in het bezit is van een in het derde lid bedoelde dividendnota, zendt
hij het van een ondertekende bevestiging omtrent de woonplaats voorziene
exemplaar van de verklaring rechtstreeks toe aan de inspecteur van de
Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland, onder bijvoeging
van een dividendnota of ander bewijsstuk, waaruit blijken:
a) de desbetreffende opbrengst, en
b) het feit dat de terug te geven belasting is ingehouden en
afgedragen.
De inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen
buitenland beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Het terug te geven bedrag wordt door de ontvanger van de
Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland aan de
belanghebbende overgemaakt.
Artikel 4. Nederlandse dividendbelasting met
betrekking tot deelnemingsdividenden (vrijstellingsprocedure)
1.
Een lichaam dat inwoner van de
Nederlandse Antillen is, en dat ingevolge artikel 11, derde lid, derde
volzin, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, aanspraak heeft op
vermindering van dividendbelasting, levert voor het geldend maken van
die aanspraak bij de bevoegde aanslagregelende autoriteit over zijn
plaats van vestiging een ingevulde en ondertekende verklaring in
tweevoud in op een formulier volgens het in bijlage II opgenomen model
(formulier 'IB 95(2) NAN'). Nadat het lichaam een exemplaar van de
verklaring, voorzien van dagtekening en ondertekening van de daarop
voorkomende bevestiging omtrent de woonplaats, van vorenbedoelde
aanslagregelende autoriteit heeft terugontvangen, legt het dit over bij
het innen van de dividenden.
2.
De vennootschap die het dividend verschuldigd is, is bevoegd
het dividend uit te betalen onder aftrek van dividendbelasting naar een
tarief van 8,3 percent indien de genieter van de opbrengst het van een
ondertekende bevestiging omtrent het inwonerschap voorziene exemplaar
van de in het eerste lid bedoelde verklaring heeft overgelegd en voorts
op het formulier is verklaard dat in de Nederlandse Antillen met de naar
een percentage van 8,3 percent ingehouden dividendbelasting formeel of
in feite niet zodanig rekening wordt gehouden dat de feitelijke
gecombineerde belastingdruk van woonstaat en bronstaat tezamen op het
dividend lager is of wordt dan 8,3 percent en deze verklaring op het
formulier is bevestigd door de bevoegde aanslagregelende autoriteit in
de Nederlandse Antillen.
3.
In het in het eerste lid bedoelde formulier wordt verklaard:
(i) dat het lichaam inwoner is (was) van de Nederlandse Antillen in
de zin van de Belastingregeling voor het Koninkrijk;
(ii) dat het lichaam een vennootschap is (was) waarvan het kapitaal
geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
(iii) dat het lichaam ten minste 25 percent bezit (bezat) van het
nominaal gestorte kapitaal van de Nederlandse vennootschap;
(iv) dat het lichaam genieter is (was) van het dividend;
(v) dat in de Nederlandse Antillen met de naar een percentage van
8,3 percent ingehouden dividendbelasting formeel of in feite niet
zodanig rekening wordt (is) gehouden dat de feitelijke gecombineerde
belastingdruk van woonstaat en bronstaat tezamen op het dividend lager
is of wordt dan 8,3 percent.
4.
De vennootschap die conform het tweede lid bevoegd is het
dividend uit te betalen onder aftrek van dividendbelasting naar een
tarief van 8,3 percent, zendt het aangiftebiljet dividendbelasting aan
de inspecteur binnen wiens ambtsgebied zij is gevestigd en betaalt de af
te dragen belasting aan de ontvanger binnen wiens ambtsgebied zij is
gevestigd.
5.
Voorzover dividendbelasting welke is ingehouden en afgedragen,
ingevolge het tweede lid, bij de uitbetaling van het dividend niet in
aftrek is gebracht, wordt deze aan de vennootschap teruggegeven na
indiening van een verzoek bij de inspecteur binnen wiens ambtsgebied zij
is gevestigd, onder overlegging van het van een ondertekende bevestiging
voorziene exemplaar van de in het eerste lid bedoelde verklaring. De
inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
6.
Het terug te geven bedrag wordt door de ontvanger ten behoeve
van de belanghebbende aan de vennootschap overgemaakt.
Artikel 5. Nederlandse dividendbelasting met
betrekking tot deelnemingsdividenden (teruggaafprocedure)
1.
Indien meer dan 8,3 percent
dividendbelasting is ingehouden van dividenden betaald door een
vennootschap aan een lichaam dat inwoner van de Nederlandse Antillen is,
terwijl ingevolge artikel 11, derde lid, derde volzin, van de
Belastingregeling voor het Koninkrijk, de daarop in te houden
dividendbelasting 8,3 percent bedraagt, heeft dat lichaam recht op
teruggaaf van hetgeen aan dividendbelasting meer is ingehouden dan 8,3
percent.
2.
Tot het verkrijgen van de teruggaaf levert het lichaam bij de
bevoegde aanslagregelende autoriteit over zijn plaats van vestiging een
ingevulde en ondertekende verklaring in tweevoud in op een formulier
volgens het in bijlage II opgenomen model (formulier 'IB 95(2) NAN').
Nadat het lichaam een exemplaar van de verklaring, voorzien van
dagtekening en ondertekening van de daarop voorkomende bevestiging van
vorenbedoelde aanslagregelende autoriteit heeft terugontvangen, zendt
het dit exemplaar toe aan de inspecteur binnen wiens ambtsgebied de
vennootschap is gevestigd, onder bijvoeging van het bewijsstuk waaruit
van de inhouding van de belasting blijkt. De inspecteur beslist op het
verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3.
In het in het tweede lid bedoelde formulier wordt verklaard:
(i) dat het lichaam inwoner is (was) van de Nederlandse Antillen in
de zin van de Belastingregeling voor het Koninkrijk;
(ii) dat het lichaam een vennootschap is (was) waarvan het kapitaal
geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
(iii) dat het lichaam ten minste 25 percent bezit (bezat) van het
nominaal gestorte kapitaal van de Nederlandse vennootschap;
(iv) dat het lichaam genieter is (was) van het dividend;
(v) dat in de Nederlandse Antillen met de naar een percentage van
8,3 percent ingehouden dividendbelasting formeel of in feite niet
zodanig rekening wordt (is) gehouden dat de feitelijke gecombineerde
belastingdruk van woonstaat en bronstaat tezamen op het dividend lager
is of wordt dan 8,3 percent.
4.
Het terug te geven bedrag wordt door de ontvanger aan de
belanghebbende overgemaakt.
Artikel 5A. Overmaking van Nederlandse
dividendbelasting als bedoeld in artikel 11, derde lid, derde volzin,
onderdeel b, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (met
betrekking tot deelnemingsdividenden)
1.
De inspecteur binnen wiens ambtsgebied
de vennootschap is gevestigd, zendt, na te hebben vastgesteld dat de
dividendbelasting werd afgedragen, en dat de verklaringen onder
onderdeel 3, a t/m d, van het formulier IB 95(2) NAN niet strijdig zijn
met de hem overigens ter beschikking staande gegevens, onverwijld na
binnenkomst van het aangiftebiljet dividendbelasting dan wel van het
verzoekschrift als bedoeld in artikel 4, vijfde lid of artikel 5, tweede
lid, een afschrift daarvan alsmede een afschrift van alle bijbehorende
bijlagen door aan de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen
buitenland. In het geval de inhoudingsplichtige een beroep doet op een
vermindering ingevolge artikel 11, tweede lid van de Wet op de
dividendbelasting 1965, zal een onderzoek naar de vraag of deze
vermindering terecht in aanmerking werd genomen, de hiervoor bedoelde
doorzending niet vertragen.
2.
Na ontvangst van de in het eerste lid vermelde afschriften en
nadat de in het derde lid beschreven fiattering heeft plaatsgevonden
maakt de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland
onverwijld het gefiatteerde bedrag over naar een door de Minister van
Financiën van de Nederlandse Antillen aangegeven rekeningnummer. Een
overzicht van de gefiatteerde bedragen aan dividendbelasting en van de
betalingskenmerken die bij de oorspronkelijke dividendbetaling werden
verstrekt worden aan de Minister van Financiën van de Nederlandse
Antillen en aan het ministerie van Financiën van Nederland (de
directeur Internationale Fiscale Zaken) verstrekt.
3.
Na ontvangst van de het eerste lid vermelde afschriften stelt
de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland onverwijld een
te fiatteren bedrag vast na beoordeling of verrekening dient plaats te
hebben met reeds plaatsgevonden, onverschuldigd gebleken overmakingen.
Onder onverschuldigd gebleken overmakingen worden in dit verband
verstaan overgemaakte bedragen aan dividendbelasting, waarvan achteraf
is gebleken dat bij de definitieve aanslagregeling, eventuele later
plaatsvindende verminderingen naar aanleiding van bezwaar en beroep en
ambtshalve verminderingen inbegrepen, niet werd voldaan aan de laatste
voorwaarde, genoemd in onderdeel a, van artikel 11, derde lid, derde
volzin, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel waarvan de
in het vierde lid genoemde gegevens niet binnen de in het vierde lid
genoemde uiterste termijn zijn overgelegd.
4.
Teneinde Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen
buitenland in staat te stellen stelselmatig (doch achteraf) te
beoordelen of de in het vorige lid bedoelde verrekeningen dienen plaats
te hebben, zendt de bevoegde aanslagregelende autoriteit in de
Nederlandse Antillen de hiervoor benodigde gegevens binnen 3 jaren na
afloop van het kalenderjaar, waarin het dividend werd betaald, dan wel,
zo dit later is, uiterlijk binnen 3 maanden na de dagtekening van de in
artikel 6, tweede lid, vermelde mededeling, toe aan
Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland.
De voor de beoordeling benodigde gegevens omvatten een afschrift van
het tweede exemplaar van het formulier 'IB 95(2) NAN', een afschrift van
het desbetreffende aangiftebiljet winstbelasting inclusief balans en
winst- en verliesrekening, een afschrift van de desbetreffende aanslag,
zoals deze onherroepelijk is komen vast te staan en afschriften van de
ontvangstbewijzen van de desbetreffende belastingbetalingen.
Ingeval de aanslag binnen de termijn van 3 jaren niet onherroepelijk
is komen vast te staan vanwege een tegen de aanslag ingestelde bezwaar-
of beroepsprocedure, wordt een afschrift van het bezwaar-
respectievelijk beroepschrift meegezonden. In dat geval worden
afschriften van uitspraken en betalingsbewijzen zo spoedig mogelijk door
de bevoegde aanslagregelende autoriteit in de Nederlandse Antillen
nagezonden aan de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen
buitenland. De in de eerste volzin vermelde uiterste termijn voor het
overleggen van de voor de beoordeling benodigde gegevens welke nog niet
eerder zijn overgelegd wordt alsdan verlengd tot 3 maanden na het
onherroepelijk worden van de aanslag.
Eveneens worden, in geval van een (verzoek tot) ambtshalve
vermindering van de aanslag, afschriften van het verzoek alsmede van de
beslissing meegezonden c.q. zo spoedig mogelijk nagezonden. Ingeval
afschriften van ontvangstbewijzen niet of in onvoldoende mate kunnen
worden overgelegd, zendt de bevoegde aanslagregelende autoriteit in de
Nederlandse Antillen van de reden daarvan een toelichting mee. De
belastingautoriteit in de Nederlandse Antillen stelt de
Belastingdienst/Particulieren/ Ondernemingen buitenland onverwijld op de
hoogte van eventuele later plaatsvindende gebeurtenissen, waaronder
formele of feitelijke kwijtschelding van belastingschulden, die van
invloed kunnen zijn voor de beoordeling van de feitelijke gecombineerde
belastingdruk. Bij gerezen onduidelijkheden kunnen door
Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland verzoeken om
nadere informatie worden gericht aan de bevoegde aanslagregelende
autoriteit in de Nederlandse Antillen, welke verzoeken door
laatstgenoemde onverwijld worden behandeld en beantwoord.
5.
Periodiek kan de de staatssecretaris van Financiën een
onderzoek laten instellen bij de bevoegde autoriteiten in de Nederlandse
Antillen, teneinde na te gaan of de regeling van overmaking conform haar
bedoeling wordt uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek wordt verricht door
onafhankelijke deskundigen, welke worden aangewezen door de
staatssecretaris van Financiën van Nederland in overeenstemming met de
minister van Financiën van de Nederlandse Antillen. Aan een dergelijk
onderzoek wordt door laatstgenoemde alsmede door de bevoegde
aanslagregelende autoriteit in de Nederlandse Antillen onverwijld alle
medewerking verleend. Voorzover voor de toepassing van dit
uitvoeringsvoorschrift van belang, worden de bevindingen van het
onderzoek door de staatssecretaris van Financiën ter kennis gebracht
van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland.
6.
De Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland
stelt de inspecteur binnen wiens ambtsgebied de vennootschap is gelegen,
terstond ervan in kennis indien blijkt dat niet werd voldaan aan de
laatste voorwaarde, genoemd in onderdeel a, van artikel 11, derde lid,
derde volzin, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk en derhalve
alsnog belasting dient te worden nageheven volgens de regeling van
artikel 11, tweede lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk.
7.
Ten aanzien van eventuele geschillen inzake de toepassing van
dit artikel treden de bevoegde autoriteiten van beide landen in
onderling overleg teneinde overeenstemming te bereiken.
8.
Onverschuldigd gebleken overmakingen kunnen na beëindiging
van de overmakingsregeling worden teruggevorderd.
Artikel 5B. Overmakingsregeling voor het
jaar 2001
Ten aanzien van deelnemingsdividenden die betaalbaar zijn gesteld op
of na 1 januari 2001 maar vóór 1 januari 2002, is het bepaalde in
artikel 5A voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de over te maken bedragen gedurende dit tijdvak zijn
gerelateerd aan de afgedragen en over dit tijdvak uiteindelijk
daadwerkelijk verschuldigde dividendbelasting. Artikel 5C is eveneens
van overeenkomstige toepassing. De bevoegde autoriteiten informeren
elkaar over de wijze, waarop de uitvoerende instanties nader worden
geïnstrueerd ten aanzien van de overmaking, samenhangend met de in 2001
betaalbaar gestelde dividenden.
Artikel 5C. Samenloop met vermindering van
dividendbelasting wegens dooruitdeling
1.
Voor toepassing van deze regeling
worden voor de beoordeling van de feitelijke gecombineerde belastingdruk
verminderingen ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wet op de
dividendbelasting 1965 niet in aanmerking genomen.
2.
Bij het bepalen van de omvang van de op grond van de artikelen
5A, tweede lid, en 5B over te maken bedragen wordt in aanmerking genomen
de af te dragen dividendbelasting vóór aftrek van verminderingen
ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting
1965.
Artikel 6. Naheffing Nederlandse
dividendbelasting met betrekking tot deelnemingsdividenden
1.
Indien ten aanzien van
deelnemingsdividenden niet binnen de in artikel 5A, vierde lid, eerste
volzin, gestelde uiterste termijn overeenkomstig de in artikel 5A
gestelde wijze is aangetoond dat in de Nederlandse Antillen het dividend
is onderworpen aan een belasting met dien verstande dat de feitelijke
gecombineerde belastingdruk van woonstaat en bronstaat tezamen op dit
dividend ten minste 8,3 percent bedraagt, dan wel op enigerlei wijze is
gebleken dat niet is voldaan aan de overige voorwaarden voor toepassing
van artikel 11, derde lid, derde volzin van de Belastingregeling voor
het Koninkrijk, wordt door de bevoegde aanslagregelende autoriteit in
Nederland van de vennootschap die het dividend heeft betaald,
dividendbelasting over het gehele brutobedrag van dat dividend
nageheven.
2.
De naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de Nederlandse
vennootschap die het dividend heeft betaald. Indien de in artikel 5A,
vierde lid, eerste volzin, gestelde termijn van 3 jaren dreigt te
verstrijken dan wel is verstreken zonder dat de voor beoordeling
benodigde gegevens door de bevoegde aanslagregelende autoriteit in de
Nederlandse Antillen zijn overgelegd, wordt een mededeling gezonden aan
de bevoegde aanslagregelende autoriteit in de Nederlandse Antillen. In
de mededeling wordt vermeld dat de bevoegde aanslagregelende autoriteit
in de Nederlandse Antillen in de gelegenheid wordt gesteld, het in
artikel 5A, vierde lid, genoemde bewijs alsnog binnen een termijn van
drie maanden na de dagtekening van de mededeling over te leggen aan de
bevoegde aanslagregelende autoriteit in Nederland. Een afschrift van
deze mededeling vergezeld van een begeleidende brief wordt
tegelijkertijd toegezonden aan de vennootschap en de belastingplichtige.
Deze worden daarbij in de gelegenheid gesteld het in artikel 5A, vierde
lid, genoemde bewijs of, in zoverre de aldaar genoemde stukken niet
kunnen worden overgelegd, daarmee vergelijkbaar bewijs, alsnog zelf over
te leggen binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van de
mededeling. Indien het aldus overgelegde bewijs naar het oordeel van de
bevoegde aanslagregelende autoriteit in Nederland volstaat, blijft het
opleggen van de naheffingsaanslag achterwege.
3.
In afwachting van de uitkomst van in artikel 5A, vierde lid,
bedoelde bezwaar- en beroepsprocedures dan wel van verzoeken tot
ambtshalve vermindering kan, indien de gronden van het bezwaarschrift,
beroepschrift of het verzoekschrift daartoe aanleiding geven, met het
oog op de uiterste termijn voor het opleggen van een naheffingsaanslag
een naheffingsaanslag ter behoud van rechten worden opgelegd. Voor
betaling van het bedrag van de naheffingsaanslag wordt in dat geval
uitstel verleend tot 3 maanden nadat de aanslag onherroepelijk is
geworden.
4.
De bevoegde aanslagregelende autoriteit in Nederland handelt
met betrekking tot de toepassing van het tweede en derde lid
overeenkomstig bindend advies van de
Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland.
5.
Het bedrag van de naheffing is niet meer dan 15 percent van
het in het eerste lid genoemd brutobedrag. Op het bedrag van de
naheffing wordt de ter zake van dat dividend reeds ingehouden
dividendbelasting, voorzover niet reeds teruggegeven, alsmede
verminderingen ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wet op de
dividendbelasting 1965 in mindering gebracht.
6.
De bepalingen van de voorgaande leden van dit artikel laten
onverlet de wijze van naheffing van dividendbelasting wegens het ten
onrechte in aanmerking nemen van verminderingen als bedoeld in artikel
11 van de Wet op de dividendbelasting 1965.
Artikel 7. Formele bepaling
De in deze regeling bedoelde verklaringen, verzoeken, gegevens en
mededelingen moeten duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden
gedaan of verstrekt.
Artikel 8. Termijn voor indiening van
verzoeken om teruggaaf
Verzoeken om teruggaaf van belasting, als bedoeld in artikel 3,
moeten bij de bevoegde inspecteur van de eenheid van de Belastingdienst
zijn ingediend binnen een tijdvak van vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin de belasting is geheven. Verzoeken om teruggaaf van
belasting, als bedoeld in artikel 5, moeten bij de bevoegde inspecteur
van de eenheid van de Belastingdienst zijn ingediend binnen een tijdvak
van drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het dividend
betaalbaar werd gesteld.
Artikel 9. Formulieren
De in de artikelen 2, eerste lid, 3, tweede lid, 4, eerste lid, en 5,
tweede lid, bedoelde formulieren worden van rijkswege verstrekt. De
formulieren zijn op aanvraag kosteloos verkrijgbaar bij de
Belastingdienst/Centrum voor facilitaire dienstverlening, Afdeling
Logistiek reprografisch centrum, Postbus 1314, 7301 BN Apeldoorn.
Artikel 10. Intrekking
De regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december
1996, nr. IFZ96/1632 (Nederlandse Staatscourant van 23 december 1996,
nr. 248) wordt ingetrokken, met dien verstande dat de bepalingen van die
regeling van toepassing blijven met betrekking tot dividenden die zijn
betaald of betaalbaar zijn gesteld vóór 1 januari 2002, met
inachtneming van de regeling in artikel 5B.
Artikel 11. Inwerkingtreding
1.
Deze regeling kan worden aangehaald als:
Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het
Koninkrijk 2002 (Nederlandse Antillen).
2.
Zij treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.
3.
Zij vindt met inachtneming van het bepaalde in artikel 8
toepassing met betrekking tot dividenden die betaalbaar zijn gesteld op
of na 1 januari 2002.
4.
In afwijking van het voorgaande werkt artikel 5B terug tot en
vindt toepassing met ingang van 2001.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. Bos.
|