| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Rijkswet
cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire,
Sint Eustatius en Saba
BESLUIT
TERMIJNEN RIJKSWET
CASSATIERECHTSPRAAK VOOR
ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN
VOOR BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
¹
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 januari 1965, houdende vaststelling van
enige termijnen als bedoeld in de Cassatieregeling voor de Nederlandse
Antillen ¹
1. Ingevolge artikel 2.7, onderdeel D, van de
Rijksbesluit aanpassing rijksbesluiten aan de oprichting van de
nieuwe landen is onderhavig rijksbesluit voorzien van een citeertitel,
luidende: Besluit termijnen Rijkswet
cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 17 november 1964,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 421/664;
Gelet op de artikelen 5, eerste en derde lid,
en 11, eerste lid, van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord
(advies van 9 december 1964, nr. 34);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 18 januari 1965, nr. 21/665;
De bepalingen van het Statuut voor het
Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Besluit wordt verstaan onder "termijn
van dagvaarding": de termijn van dagvaarding terzake van een beroep
in cassatie als bedoeld in § 2 van de Rijkswet cassatierechtspraak voor
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 2
Voor hen, die in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en Bonaire, Sint
Eustatius en Saba wonen of verblijfhouden, is de gewone termijn van
dagvaarding ten minste twee maanden.
Artikel 3
In geval de gedaagde geen woonplaats binnen Aruba, Curaçao en Sint
Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, daar ook geen bekende
werkelijke verblijfplaats bezit en zijn woonplaats buiten de Nederlandse
Antillen onbekend is, en tevens in het geval in rechte worden opgeroepen
houders van aandelen in geldleningen of maatschappijen welke niet op
naam staan en waarvan de eigenaars uit dien hoofde onbekend zijn, is de
termijn van dagvaarding ten minste drie maanden.
Artikel 4
1. Indien de gedaagde, die binnen Aruba, Curaçao en Sint Maarten
en Bonaire, Sint Eustatius en Saba noch een bekende woonplaats noch
een bekend werkelijk verblijf bezit, daarbuiten een bekende woonplaats
heeft, gelden de hierna volgende termijnen van dagvaarding:
a. indien de gedaagde in Amerika of in Europa woont: ten minste
drie maanden;
b. indien de gedaagde elders woont: ten minste vier maanden.
2. Indien de eiser in het geval, in het vorige lid bedoeld, een
authentiek afschrift van de dagvaarding binnen vier weken na de dag
van het exploot door een openbaar ambtenaar in het land van bestemming
aan de gedaagde doet uitreiken, zijn de termijnen van dagvaarding:
a. indien de gedaagde in het Europese deel van Nederland woont:
ten minste zes weken;
b. indien de gedaagde elders woont: ten minste twee maanden.
3. De vervulling van de voorwaarde, bedoeld in het vorige lid, kan
slechts worden bewezen door een ten dienenden dage overgelegd
authentiek verbaal van de openbare ambtenaar, waarin deze verklaart
een hem door de exploterende deurwaarder toegezonden afschrift der
dagvaarding op diens verzoek op de door hem vermelde dag aan de
gedaagde in persoon of aan diens woonplaats te hebben uitgereikt. De
dagvaarding moet melding maken van het door de deurwaarder te doen
verzoek.
Artikel 5
De termijnen, in de vorige artikelen vermeld, kunnen op verzoek van
de eiser, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, door het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden verkort. In dat geval worden
de vergunningen en de voorwaarden, waaronder deze zijn verleend, aan het
hoofd van het exploot gesteld en hiermede gelijktijdig geregistreerd.
Artikel 6
Indien een exploot aan iemand, die buiten Aruba, Curaçao en Sint
Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonachtig is, aan zijn
persoon binnen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en Bonaire, Sint
Eustatius en Saba wordt gedaan of indien de betrokkene in een bepaalde
zaak woonplaats binnen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en Bonaire, Sint
Eustatius en Saba heeft gekozen, gelden de termijnen van dagvaarding,
voor ingezetenen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en Bonaire, Sint
Eustatius en Saba vastgesteld.
Artikel 7
De in artikel 5, derde lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak voor
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba
bedoelde termijn bedraagt veertien vrije dagen.
Artikel 8
De in artikel 11, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak
voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en
Saba bedoelde termijn voor het instellen van beroep in cassatie in
strafzaken bedraagt één maand voor de verdachte, die geen woonplaats
heeft op het eiland waar de beslissing, tegen welke hij beroep in
cassatie instelt, is uitgesproken.
Artikel 9
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 1965.
2. Op het zelfde tijdstip treden in werking de Cassatieregeling
voor de Nederlandse Antillen (Stb. 1961, 212) en de Rijkswet
van 18 december 1963, houdende wijziging van de Cassatieregeling voor
de Nederlandse Antillen (Stb. 1963, 546).
Artikel 10
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit termijnen Rijkswet
cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
Onze Minister van Justitie is
belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad,
in het Gouvernementsblad van Suriname en het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst en waarvan afschrift
zal worden gezonden aan de Raad van State van het Koninkrijk.
Soestdijk, 25 januari 1965
JULIANA
De Minister van Justitie,
Y. Scholten
Uitgegeven de achtentwintigste januari 1965
De Minister van Justitie,
Y. Scholten
|
|
|