| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Algemene douanewet
(Adw)
ALGEMEEN
DOUANEBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 5 juli 2008, houdende regels ter
uitvoering van de Algemene douanewet (Algemeen douanebesluit)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 8 februari
2008, nr. DV2007/103 M, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 1:4, 1:19, 1:25, 1:28,
1:30, 3:1, 4:1, 9:5, 10:10 en 12:1 van de Algemene douanewet;
De Raad van State gehoord (advies van 10 april
2008, nr. W06.08.0054/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris
van Financiën van 2 juli 2008, nr. DV 2008-332U, uitgebracht
mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de
Staatssecretaris van Economische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1:1
Dit besluit geeft uitvoering aan de
artikelen 1:4, 1:19, 1:25, 1:28, 1:30, 3:1, 4:1, 9:5, 10:10 en 12:1 van
de Algemene douanewet.
Afdeling 1.1. Internationaal recht
Artikel 1:2
De inspecteur neemt van het op 10
december 1982 te Montego Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde
Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) bij de douanecontrole
in acht:
a. de artikelen 21, 24, 25, 26 en 32,
voor zover het de territoriale zee betreft;
b. de artikelen 33 en 303, voor zover
het de aansluitende zone betreft; en
c. artikel 56, voor zover het de
exclusieve economische zone betreft.
Artikel 1:3
Onze minister van Financiën kan aan
organisaties de bevoegdheid verlenen, hetzij rechtstreeks, hetzij door
tussenkomst van soortgelijke organisaties, carnets TIR (TIR-Overeenkomst)
af te geven of in dat kader borg te staan. Hij kan daarbij voorwaarden
en eisen stellen waaraan deze organisaties moeten voldoen.
Afdeling 1.2. Kosten ambtelijke
werkzaamheden
Artikel 1:4
Kosten zijn verschuldigd:
a. voor werkzaamheden verricht op
verzoek van de belanghebbende:
1°. buiten de normale
openingstijden;
2°. op andere plaatsen dan die
aangewezen zijn voor het onderzoek van goederen; of
3°. waarbij speciale kosten als
bedoeld in artikel 11, tweede lid, van het Communautair
douanewetboek, zijn gemaakt;
b. voor het doen vernietigen van
goederen, bedoeld in artikel 56 van het Communautair douanewetboek;
c. voor het ambtshalve onderzoek van
de goederen, bedoeld in artikel 241, tweede lid, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek;
d. inzake het aanvullend onderzoek
van goederen, ingeval de verschillen tussen de uitkomst van het
gedeeltelijk onderzoek en de uitkomst van het aanvullend onderzoek,
blijven binnen de spelingen, bedoeld in artikel 1:35 van de Algemene
douanewet.
Afdeling 1.3. Lijfsvisitatie
Artikel 1:5
1.De ambtenaar, bedoeld in artikel
1:28, zesde lid, van de Algemene douanewet, vermeldt in een
schriftelijk verslag de redenen voor het geven van de toestemming over
te gaan tot gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het
onderlichaam.
2.Na afloop van de lijfsvisitatie
waarbij overgegaan is tot gehele ontkleding dan wel onderzoek van het
onderlichaam vult degene die de lijfsvisitatie uitvoert, binnen 48 uur
het schriftelijke verslag aan met vermelding van de wijze waarop de
lijfsvisitatie is verricht en de resultaten van de lijfsvisitatie. Hij
doet dit verslag toekomen aan de inspecteur, en in het geval dat een
verpleegkundige het onderzoek van het onderlichaam verricht, doet hij
een afschrift toekomen aan de arts die daartoe opdracht heeft gegeven.
3.Op de besloten plaats waar de
lijfsvisitatie plaatsvindt waarbij wordt overgegaan tot gehele
ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam, wordt degene
die de lijfsvisitatie uitvoert slechts vergezeld door de ambtenaar,
bedoeld in artikel 1:28, zesde lid, van de Algemene douanewet. Hiervan
kan worden afgeweken indien deze ambtenaar een redelijk vermoeden
heeft dat de persoon die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen een
gevaar oplevert voor de veiligheid van zichzelf of van anderen.
4.Apparatuur waarmee door kleding van
personen wordt gekeken, mag op een niet besloten plaats worden
gebruikt, mits de beelden op een besloten plaats worden geanalyseerd.
De persoon die de beelden analyseert, hoeft niet van hetzelfde
geslacht te zijn als dat van de persoon die aan lijfsvisitatie wordt
onderworpen.
5.Bij regeling van Onze minister van
Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken en het
gebruik daarvan.
Afdeling 1.4. Gebruik geweld en
veiligheidsfouillering
Artikel 1:6
Voor de toepassing van deze afdeling
wordt verstaan onder:
a. ambtenaar: degene die namens de
inspecteur een douanecontrole uitoefent;
b. meerdere: de ambtenaar die uit
hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met
de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;
c. geweld: elke dwangmatige kracht
van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of goederen;
d. geweldsmiddel: de wapens en
uitrusting waarmee met overeenkomstige toepassing van artikel 3a,
derde lid, van de Wet wapens en munitie geweld kan worden
uitgeoefend;
e. aanwenden van een geweldsmiddel:
het gebruiken van een geweldsmiddel, daaronder begrepen het dreigen
met een geweldsmiddel, waaronder niet wordt begrepen het uit
voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen.
Artikel 1:7
1.Indien een ambtenaar onder leiding
van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, oefent hij geen
geweld uit dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere
geeft daarbij aan welk middel mag worden aangewend.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
in het geval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders
heeft bepaald.
Artikel 1:8
1.De ambtenaar wendt bij de uitoefening
van zijn dienst uitsluitend het geweldsmiddel aan dat door of vanwege
Onze minister wie het aangaat is verstrekt.
2.Het aanwenden van een geweldsmiddel
is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar die in het gebruik van dat
geweldsmiddel is geoefend en is uitgerust met een geweldsmiddel in het
kader van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar.
Artikel 1:9
Het aanwenden van een geweldsmiddel door
de ambtenaar is slechts geoorloofd om een persoon aan de kleding te
onderzoeken ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
hij een wapen bij zich heeft. Het onderzoek aan de kleding moet
noodzakelijk zijn om te voorkomen dat bedoelde persoon gebruik gaat
maken van het wapen.
Artikel 1:10
De ambtenaar mag in verband met zijn
eigen veiligheid of die van anderen slechts een geweldsmiddel ter hand
nemen indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie
ontstaat waarin hij bevoegd is het geweldsmiddel aan te wenden. Zodra
blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het
geweldsmiddel terstond opgeborgen.
Artikel 1:11
1.De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk
voordat hij gericht een geweldsmiddel zal gebruiken, met luide stem of
op andere niet mis te verstane wijze dat het desbetreffende
geweldsmiddel gebruikt zal worden indien niet onverwijld het gegeven
bevel wordt opgevolgd.
2.De waarschuwing, bedoeld in het
eerste lid, die in het geval van een vuurwapen zonodig vervangen kan
worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer
de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
3.Een waarschuwingsschot wordt op
zodanige wijze gegeven dat gevaar voor personen of zaken zoveel
mogelijk wordt vermeden.
Artikel 1:12
1.Pepperspray wordt tegen een persoon
per geval ten hoogste twee maal voor de duur van niet langer dan
ongeveer een seconde gebruikt en op een afstand van ten minste een
meter.
2.Pepperspray wordt niet gebruikt
tegen:
a. personen die zichtbaar jonger
dan 12 jaar of ouder dan 65 jaar zijn;
b. vrouwen die zichtbaar zwanger
zijn;
c. personen voor wie dit gebruik
als gevolg van een voor de ambtenaar zichtbare ademhalings- of
andere gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn; en
d. groepen personen.
Artikel 1:13
1.De ambtenaar die geweld heeft
aangewend, meldt dit aanwenden van het geweld, de redenen die daartoe
hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld aan
zijn meerdere.
2.De melding, bedoeld in het eerste
lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een schriftelijk rapport
indien:
a. de gevolgen van het geweld
daartoe, naar het oordeel van de in het eerste lid bedoelde
meerdere, aanleiding geven;
b. van een vuurwapen gebruik is
gemaakt; of
c. enig geweldsmiddel is aangewend
en lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis dan wel de
dood veroorzaakt is.
3.Het rapport, bedoeld in het tweede
lid, wordt ter kennis gebracht van de officier van justitie van het
arrondissement waarbinnen het geweld dan wel in voorkomend geval het
geweldsmiddel is aangewend.
4.Indien het aanwenden van geweld dan
wel een geweldsmiddel op uitdrukkelijke last van een meerdere heeft
plaatsgevonden, wordt het rapport, bedoeld in tweede lid, door die
meerdere opgemaakt.
5.De meerdere licht de ambtenaar zo
spoedig mogelijk in over de afhandeling van het rapport, bedoeld in
het tweede lid. Desgevraagd worden aan bedoelde ambtenaar tussentijds
inlichtingen verstrekt.
Artikel 1:14
1.Het onderzoek, bedoeld in artikel
1:30, derde lid, van de Algemene douanewet, geschiedt door het aan de
oppervlakte aftasten van de kleding.
2.De ambtenaar die een onderzoek als
bedoeld in artikel 1:30, derde lid, van de Algemene douanewet, heeft
uitgevoerd, meldt dit schriftelijk binnen 48 uur aan zijn meerdere,
onder vermelding van de redenen die tot dat onderzoek hebben geleid en
de uit het onderzoek voortvloeiende gevolgen en resultaten.
Hoofdstuk 2. Non-tarifaire
handelspolitieke maatregelen
Artikel 2:1
1. Bij regeling van Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kunnen ter uitvoering van
bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees
Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen en ter implementatie van dwingende bepalingen uit
overeenkomsten, gesloten door de Europese Gemeenschappen,
non-tarifaire handelspolitieke maatregelen worden gesteld inzake
goederen met betrekking tot:
a. het binnenbrengen in het
douanegebied;
b. het aanbrengen bij de douane;
c. het geven van een
douanebestemming; of
d. het verlaten van het
douanegebied.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op producten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap.
3. Het eerste lid geldt niet voor
verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van de Europese Unie van 22
juni 2000 tot instelling van communautaire regeling voor controle op
de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik (PbEG
L 159).
Artikel 2:2
1. Bij regeling van Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot van in het internationale verkeer te bezigen
verklaringen inzake de oorsprong van goederen.
2. Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie kan bij regeling bestuursorganen aanwijzen die
met het verstrekken van deze verklaringen zijn belast.
Hoofdstuk 3. Landbouw- en houtproducten
Artikel 3:1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
voor de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
b. landbouwproducten: de volgende
goederen:
1°. alle voortbrengselen welke,
al dan niet na be- of verwerking, kunnen dienen als voedsel voor
mens of dier, alsmede de bij be- of verwerking van die
voortbrengselen verkregen derivaten en afvallen;
2°. de niet reeds onder 1°
begrepen voortbrengselen van akkerbouw, weidebouw, veehouderij,
pluimveehouderij en tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en
het kweken van bomen, bloemen en bloembollen, alsmede van de
teelt van griendhout en van elke andere vorm van bodemcultuur,
zoals die hier te lande wordt uitgeoefend, met uitzondering van
bosbouw;
c. communautaire verplichting: een
door de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen vastgestelde verordening of beschikking, houdende
maatregelen voor het handelsverkeer van landbouwgoederen tussen de
Gemeenschap en derde landen of tussen de lidstaten van de
Gemeenschap onderling;
d. invoercertificaat: een document
dat ingevolge een communautaire verplichting bij de invoer van een
in die verplichting omschreven of aangeduid landbouwproduct wordt
overgelegd en dat het recht en de plicht meebrengt tot het invoeren
van het in het document omschreven of aangeduide landbouwproduct
tijdens de geldigheidsduur van dat document;
e. uitvoercertificaat: een document
dat ingevolge een communautaire verplichting bij de uitvoer van een
in die verplichting omschreven of aangeduid landbouwproduct wordt
overgelegd en dat het recht en de plicht meebrengt tot het uitvoeren
van het in het document omschreven of aangeduide landbouwproduct
tijdens de geldigheidsduur van dat document;
f. restitutie: elk bedrag dat
ingevolge een communautaire verplichting als compenserend bedrag,
als subsidie of onder welke benaming ook, ter zake van de uitvoer
van een landbouwproduct wordt verstrekt;
g. subsidie: elk bedrag dat ingevolge
een communautaire verplichting als compenserend bedrag, als
restitutie of onder welke benaming ook, ter zake van de invoer van
een landbouwproduct wordt verstrekt;
h. bedrijfslichaam: bedrijfslichaam
als bedoeld in artikel 66, vierde lid, van de Wet op de
bedrijfsorganisatie;
i. verordening (EG) nr. 2173/2005:
verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005
inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van
hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347);
j. verordening (EG) nr. 1024/2008:
verordening (EG) nr. 1024/2008 van de Commissie van 17 oktober 2008
tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen ter uitvoering van
verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad inzake de opzet van een
FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese
Gemeenschap (PbEU 2008, L 277).
Artikel 3:2
1.Het is verboden landbouwproducten in
te voeren of uit te voeren zonder invoercertificaat onderscheidenlijk
uitvoercertificaat, voor zover een communautaire verplichting de
overlegging van een invoercertificaat of uitvoercertificaat bij de
invoer onderscheidenlijk de uitvoer van landbouwproducten vereist.
2.Onze minister is bevoegd tot
verlening van een invoercertificaat en een uitvoercertificaat.
3.Bij regeling van Onze minister
kunnen, voor zover het voor een goede uitvoering van een communautaire
verplichting nodig is, regels worden gesteld met betrekking tot het
afgeven van een invoercertificaat en een uitvoercertificaat.
Artikel 3:3
Onze minister is bevoegd:
a. op aanvraag restitutie te
verstrekken ter zake van de uitvoer van landbouwproducten dan wel
ter zake van de uitvoer van daaruit of met behulp daarvan verkregen
landbouwproducten;
b. op aanvraag ter zake van de invoer
van een landbouwproduct een subsidie te verstrekken;
c. regelen te stellen met betrekking
tot de aanspraak op restitutie of subsidie, de bij het aanvragen
daarvan te verstrekken gegevens of over te leggen bewijsstukken, de
vaststelling van de grondslagen waarnaar de berekening van de uit te
keren bedragen plaatsvindt en de wijze van verstrekking van de
restituties;
d. sancties op te leggen als bedoeld
in de artikelen 48 en 49 van verordening (EG) nr. 612/2009 van de
Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke
uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer
voor landbouwproducten (PbEU L 186).
Artikel 3:4
1.Onze minister kan bevoegdheden welke
hem ingevolge de artikelen 3:2 en 3:3toekomen, aan het bestuur van een
door hem aan te wijzen bedrijfslichaam overdragen.
2.Wanneer een bestuur van een
bedrijfslichaam ingevolge het eerste lid wordt aangewezen, kan het
desbetreffende bestuur bij verordening, voor zover het voor een goede
uitvoering van een communautaire verplichting nodig is, met betrekking
tot de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3:2 en
3:3, nadere regels stellen. Zodanige verordening behoeft de
goedkeuring van Onze minister.
Artikel 3:5
1. Het is verboden te handelen in
strijd met de voorschriften, genoemd in artikel 4, eerste lid, van
verordening (EG) nr. 2173/2005.
2. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden
gesteld voor een goede uitvoering van verordening (EG) nr. 2173/2005
en verordening (EG) nr. 1024/2008.
Hoofdstuk 4. Administratie
Artikel 4:1
De vergunninghouder aan wie een
vergunning is verleend ingevolge de douanewetgeving, die zodanige
wijziging wenst aan te brengen in de door hem gevoerde administratie dan
wel de administratieve organisatie of de maatregelen van interne
beheersing of controle, dat daardoor de wijze waarop de douanecontrole
op het gebruik van de vergunning wordt uitgeoefend, wordt beïnvloed,
onderwerpt de wijziging vooraf aan de goedkeuring van de inspecteur. De
wijziging wordt niet aangebracht dan na de verkregen goedkeuring.
Hoofdstuk 5. Vrije zones en vrije
entrepots
Artikel 5:1
1.De aanvraag, bedoeld in artikel 800
van de Toepassingsverordening Communautair douanewetboek, wordt
ingediend bij de inspecteur en dient te geschieden door de beoogd
beheerder van de vrije zone of het vrij entrepot.
2.De instelling van een vrije zone of
de plaats waar een vrij entrepot kan worden opgericht, geschiedt bij
ministeriële regeling van Onze minister van Financiën, in voorkomend
geval op voordracht van de inspecteur bij wie de in het eerste lid
bedoelde aanvraag is gedaan.
3.De vergunning tot beheer van een
vrije zone of een vrij entrepot wordt door de inspecteur afgegeven aan
de beheerder, bedoeld in het eerste lid.
4.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ter zake van de werking van de vrije zone
of het vrij entrepot.
5.Om werkzaam te kunnen zijn in een
vrije zone of in een vrij entrepot dient de belanghebbende, bedoeld in
artikel 799, onderdeel c, van de Toepassingsverordening Communautair
douanewetboek, te beschikken over een vergunning voor gebruik die de
inspecteur op aanvraag verstrekt. Deze aanvraag wordt mede ondertekend
door de beheerder, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Bestuurlijke boeten
Artikel 6:1
Indien de belanghebbende, bedoeld in
artikel 799 van de Toepassingsverordening Communautair douanewetboek,
niet de inspecteur vooraf van de uitoefening van de activiteiten,
bedoeld in artikel 172, eerste lid, van het Communautair douanewetboek,
in kennis heeft gesteld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan door de
inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste€
300.
Artikel 6:2
Indien niet aan de bij artikel 4:1
opgelegde verplichting is voldaan, vormt dit een verzuim ter zake
waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd
van ten hoogste€ 300.
Artikel 6:3
Overtreding van het verbod, bedoeld in
artikel 3:2, eerste lid, vormt een verzuim ter zake waarvan door de
inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste
€300.
Artikel 6:4
De in de artikelen 6:1, 6:2 en 6:3
genoemde bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015,
overeenkomstig artikel 9:6a van de wet, bij ministeriële regeling
gewijzigd.
Hoofdstuk 7. Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 7:1
De belanghebbende, bedoeld in artikel 799
van de Toepassingsverordening Communautair douanewetboek, die niet de
inspecteur vooraf van de uitoefening van de activiteiten, bedoeld in
artikel 172, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, in kennis
heeft gesteld, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar
feit.
Artikel 7:2
Degene die de bij artikel 4:1 opgelegde
verplichting schendt, maakt zich schuldig aan het plegen van een
strafbaar feit.
Artikel 7:3
Degene die het verbod, bedoeld in artikel
3:2, eerste lid, of 3:5, eerste lid, overtreedt, maakt zich schuldig aan
het plegen van een strafbaar feit.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 8:1
Dit besluit treedt in werking op het
tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt.
Artikel 8:2
Dit besluit wordt aangehaald als:
Algemeen douanebesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 5 juli 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
F. Heemskerk
Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|