|
De
Staatssecretaris van Financiën, de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 1:3, eerste lid,
onderdeel c, 1:19, tweede lid, 1:28, zesde lid, 1:35, 1:37, derde
lid, 2:1, aanhef en onder a tot en met h, j, k
en m, 6:1, eerste lid, 6:2, 6:3, 7:1, aanhef en onder b,
7:6, vierde lid, 7:9, aanhef en onder a tot en met c, 9:5,
10:11, 11:13, eerste lid, en artikel 11:14, eerste lid, van de Algemene
douanewet en de artikelen 1:5, vijfde lid, 2:1, eerste lid, 2:2, eerste
en tweede lid, 3:2, derde lid, 3:3, aanhef en onder c, 3:4,
eerste lid, en 5:1, tweede en vierde lid, van het Algemeen
douanebesluit;
Besluiten:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1.1. Basisdefinities en overige inleidende bepalingen
Artikel 1:1
Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 1:3, eerste lid,
onderdeel c, 1:19, tweede lid, 1:28, zesde lid, 1:35, 1:37, derde lid,
2:1, aanhef en onder a tot en met h, j, k en m, 6:1, eerste lid, 6:2,
6:3, 7:1, aanhef en onder b, 7:6, vierde lid, 7:9, aanhef en onder a tot
en met c, 9:5, 10:11, 11:13, eerste lid, artikel 11:14, eerste lid, en
artikel 11:15 van de Algemene douanewet, de artikelen 1:5, vijfde lid,
2:1, eerste lid, 2:2, eerste en tweede lid, 3:2, derde lid, 3:3, aanhef
en onder c, 3:4, eerste lid, en 5:1, tweede en vierde lid, van het
Algemeen douanebesluit, de artikelen 2, eerste lid, onderdeel i, 3,
vierde lid, en artikel 5, tweede lid, van de Invorderingswet 1990,
artikel 21 van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 63, eerste
lid, en 69 van de Wet op de accijns en aan de artikelen 27, eerste lid,
en 31 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en
van enkele andere produkten.
Artikel 1:2
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Algemene douanewet;
b. besluit: Algemeen douanebesluit;
c. binnenkomend schip: schip waarvoor de in artikel 40 van het
Communautair douanewetboek bedoelde formaliteiten moeten worden
vervuld;
d. binnenkomend luchtvaartuig: luchtvaartuig waarvoor de in
artikel 40 van het Communautair douanewetboek bedoelde formaliteiten
moeten worden vervuld;
e. Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken;
f. productschap: productschap of hoofdproductschap dat in kolom 2
van bijlage VII is genoemd als bevoegd productschap ten aanzien van
het goed, genoemd in kolom 1 van bijlage VII;
g. Verordening 1186/2009: Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de
Raad van de Europese Unie van 16 november 2009 betreffende de
instelling van een communautaire regeling inzake
douanevrijstellingen (PbEG L 324);
h. verordening 376/2008: Verordening (EG) nr. 376/2008 van de
Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke
uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en
voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PbEU 2008, L 114);
i. verordening 612/2009: Verordening (EG) nr. 612/2009 van de
Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke
uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer
voor landbouwproducten (PbEU L 186);
j. de Post: het postvervoersbedrijf dat belast is met de
universele postdienst als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
Postwet 2009;
k. brieven en postzendingen: brieven en poststukken als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Postwet 2009,
voor zover zij vallen onder de verplichting, bedoeld in artikel 18
van die wet;
l. bier: bier als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de accijns;
m. minerale oliën: minerale oliën als bedoeld in de artikelen
25 en 26 van de Wet op de accijns;
n. tabaksproducten: tabaksproducten als bedoeld in artikel 29 van
de Wet op de accijns;
o. sigaretten: sigaretten als bedoeld in artikel 31 van de Wet op
de accijns;
p. sigaren: sigaren als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de
accijns;
q. cigarillo’s: sigaren met een maximumgewicht van 3 gram per
stuk;
r. rooktabak: rooktabak als bedoeld in artikel 32 van de Wet op
de accijns;
s. kanselarijbenodigdheden: officiële emblemen en documenten
alsmede kantoormeubilair en kantoorbenodigdheden bestemd voor een
kanselarij.
Artikel 1:3
Douanekantoren zijn gevestigd in de plaatsen genoemd in bijlage I.
Afdeling 1.2. Aanwijzing inspecteur en ontvanger
Artikel 1:4
1. De algemeen directeur en de directeuren, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, zijn
inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid,
onderdeel c, van de wet.
2. De directeur-generaal Belastingdienst is inspecteur en ontvanger
als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet, voor
zover het de belastingaangelegenheden betreft die verband houden met
het Koninklijk Huis.
Artikel 1:5
1. De algemeen directeur Douane, bedoeld in artikel 4, derde lid,
van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 en de directeuren,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling
belastingdienst 2003, zijn ambtenaar als bedoeld in artikel 11:7 van
de wet.
2. Als functionarissen als bedoeld in artikel 10:15 van de wet
worden aangewezen de ambtenaren van de Belastingdienst
(contactambtenaren) die door de in het eerste lid aangewezen
ambtenaren zijn aangewezen om namens hen de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11:7 van de wet, uit te oefenen.
3. De algemeen directeur Douane, bedoeld in artikel 4, derde lid,
van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, is op grond van
artikel 1:28, zesde lid, van de wet bevoegd tot het geven van
toestemming voor het vorderen van gehele ontkleding dan wel het
onderzoek van het onderlichaam van degene die aan lijfsvisitatie wordt
onderworpen.
Artikel 1:6
De verplichtingen die ingevolge artikel 1:32 van de wet bestaan
jegens de inspecteur en de ontvanger, gelden mede jegens de directeur
van de FIOD alsmede jegens de door deze directeur aangewezen ambtenaren
van de Belastingdienst.
Artikel 1:7
1.De voorzitter van het productschap is inspecteur als bedoeld in
artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet.
2.De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor de
toepassing van artikel 78, tweede lid, van het Communautair
douanewetboek.
3.De voorzitter, bedoeld in het eerste lid, kan bij het uitoefenen
van de hem bij dat lid opgedragen taken alleen de bevoegdheden,
bedoeld in de artikelen 1:23, 1:24, 1:25, 1:27, 1:31 tot en met 1:34
van de wet, toepassen.
Artikel 1:8
1. De inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit is inspecteur als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid,
onderdeel c, van de wet.
2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor de
bij of krachtens in het derde lid bedoelde wettelijke voorschriften
vastgestelde taken. Hierbij kunnen de bevoegdheden, bedoeld in de
artikelen 1:23, 1:24, 1:25, 1:27, 1:31 tot en met 1:34 van de wet,
worden toegepast.
3. De in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften zijn de
in de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de wet, onder A,
bedoelde voorschriften voor zover het voorschriften aangaande
onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de volgende
wettelijke voorschriften en deze wettelijke voorschriften zelf, voor
zover deze betrekking hebben op goederen en goederenverkeer:
– Wet op de gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
– Landbouwwet;
– Warenwet;
– Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige
levensmiddelen;
– hoofdstuk 3 van het besluit.
Artikel 1:9
De voorzitter van het productschap is ontvanger in de zin van artikel
1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet en artikel 3, eerste lid, van
de Invorderingswet 1990, voor zover het betreft restituties, subsidies
dan wel waarborgsommen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het besluit.
Artikel 1:10
1. De algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de
Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003 is de bevoegde
douaneadministratie, bedoeld in artikel 10 van de Overeenkomst
opgesteld op grond van artikel K3 van het Verdrag betreffende de
Europese Unie inzake het gebruik van informatica op douanegebied (Trb.
1995, 225).
2. De in het eerste lid bedoelde douaneadministratie is gehouden
uitvoering te geven aan onherroepelijke beslissingen van een rechtbank
of een andere bevoegde autoriteit met betrekking tot kennisneming,
verwijdering of verbetering van persoonsgegevens, als bedoeld in
artikel 15, vierde lid, onder I, II en III, van de in het eerste lid
genoemde overeenkomst.
Artikel 1:10a
Artikel 27 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 is van
overeenkomstige toepassing op de aanwijzingen in deze afdeling.
Afdeling 1.3. Elektronisch berichtenverkeer
Artikel 1:11
1. Voor het elektronisch verzenden van aangiften en berichten is
een vergunning van de inspecteur vereist. De technische specificaties
van de aangiften en berichten worden vastgesteld door de inspecteur.
2. Aan de verplichting een bescheid te overleggen wordt voldaan
door in een elektronische aangifte voor plaatsing van goederen onder
een douaneregeling te vermelden dat deze in het bezit zijn van het
subject van de regeling. De inspecteur kan nadere bepalingen
vaststellen voor de wijze van toezending van de bescheiden of voor de
wijze van archivering daarvan.
Afdeling 1.4. Kosten ambtelijke werkzaamheden
Artikel 1:12
Het tarief van de kosten die op grond van artikel 1:19, eerste lid,
van de wet, door de belanghebbende aan het Rijk verschuldigd zijn, is:
a. indien het ambtelijke verrichtingen betreft: € 24 per half
uur;
b. het bedrag, dat door derden aan de inspecteur in rekening is
gebracht.
Afdeling 1.5. Oorsprong van goederen
Artikel 1:13
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. certificaat van oorsprong: bewijsstuk inzake de
niet-preferentiële oorsprong van goederen;
b. certificaat inzake goederenverkeer: certificaat EUR.1 of
EUR-MED ten bewijze van de preferentiële oorsprong van goederen;
c. handelsregister: handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de
Handelsregisterwet 2007;
d. kamer: kamer van koophandel en fabrieken als bedoeld in
artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de kamers van koophandel en
fabrieken 1997;
e. leveranciersverklaring: verklaring als bedoeld in Verordening
(EG) nr. 1207/2001 van de Raad van 11 juni 2001 betreffende
procedures ter vergemakkelijking van de afgifte van certificaten
inzake goederenverkeer EUR.1, de opstelling van factuurverklaringen
en formulieren EUR.2 en de afgifte van bepaalde vergunningen ‘toegelaten
exporteur’ in het kader van de bepalingen die voor het
preferentiële handelsverkeer tussen de Europese Gemeenschap en
sommige landen gelden en tot intrekking van Verordening (EEG) nr.
3351/83 (PbEG L 165);
f. oorsprongsverklaring: verklaring inzake de preferentiële
oorsprong van goederen, in gevallen dat de toepasselijke autonome
preferentiële regeling of een handels- of associatieovereenkomst
daarin voorziet;
g. commissie: adviescommissie voor de oorsprong;
h. NAK: Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor
zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;
i. Naktuinbouw: Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst
Tuinbouw.
Artikel 1:14
1. Een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong wordt
ingediend:
a. bij de kamer waarbij de onderneming of rechtspersoon met
toepassing van artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007 in het
handelsregister is ingeschreven; of
b. bij de kamer in het gebied waar de aanvrager woont, dan wel
is gevestigd indien onderdeel a niet van toepassing is; of
c. bij de kamer in het gebied in Nederland waar de goederen
zich bevinden in geval van een onderneming die in een andere
lidstaat van de Europese Unie is gevestigd en waarvan de goederen
via Nederland uitgaan.
2. De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de
oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden
vastgesteld.
3. Op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist door de
kamer waarbij de aanvraag is ingediend. Het certificaat van oorsprong
wordt door deze kamer voorzien van haar stempel en van de handtekening
van de secretaris van de kamer.
4. Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:
a. aan de kamer, bedoeld in het eerste lid, bij een aanvraag
tot afgifte van een certificaat van oorsprong; of
b. aan een ander ten behoeve van een aanvraag tot afgifte van
een certificaat van oorsprong door de kamer, als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 1:15
1. Indien de aanvraag, bedoeld in artikel 1:14, eerste lid,
betrekking heeft op teeltmateriaal als bedoeld in artikel 1, aanhef,
onderdeel f, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, wordt bij de
aanvraag als bewijsstuk als bedoeld in artikel 1:14, tweede lid,
overlegd:
a. een officiële verklaring van de NAK, voor wat betreft
teeltmateriaal van landbouwgewassen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, aanhef, onderdeel p, van het Besluit verhandeling
teeltmateriaal;
b. een officiële verklaring van de Naktuinbouw, voor wat
betreft teeltmateriaal van bosbouwgewassen en tuinbouwgewassen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef, respectievelijk
onderdelen n en o, van het Besluit verhandeling teeltmateriaal, of
c. enig ander bewijsstuk dat kan dienen om de oorsprong van de
in de aanvraag vermelde producten vast te stellen, dat door de
Plantenziektekundige Dienst van het Ministerie van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie voor het desbetreffende
teeltmateriaal is afgegeven.
2. Indien de aanvraag, bedoeld in artikel 1:14, eerste lid,
betrekking heeft op groente en fruit als bedoeld in artikel 1 van het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, wordt bij de aanvraag overlegd als
bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, een gewaarmerkt
afschrift van het controlebewijs, bedoeld in artikel 13, onderdeel b,
van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.
3. Indien de producten, vermeld in de aanvraag, tegelijkertijd
kunnen worden aangemerkt als teeltmateriaal als bedoeld in het eerste
lid, en als groente en fruit als bedoeld in het tweede lid, wordt het
eerste of het tweede lid toegepast afhankelijk van de bestemming die
aan die producten wordt gegeven.
Artikel 1:16
1. Een aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake
goederenverkeer wordt ingediend:
a. bij de kamer waarbij de onderneming of rechtspersoon met
toepassing van artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007 in het
handelsregister is ingeschreven; of
b. bij de kamer in het gebied waar de aanvrager woont, dan wel
is gevestigd indien onderdeel a niet van toepassing is; of
c. bij de kamer in het gebied in Nederland waar de goederen
zich bevinden in geval van een onderneming die in een andere
lidstaat van de Europese Unie is gevestigd en waarvan de goederen
via Nederland uitgaan.
2. De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de
oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden
vastgesteld.
3. De kamer voorziet de aanvraag van haar bevindingen en maakt deze
bekend aan de inspecteur.
4. Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:
a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of
b. aan een ander ten behoeve van de aanvraag, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 1:17
1. De commissie adviseert de Ministers van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie en van Financiën, en de gezamenlijke kamers
over preferentiële en niet-preferentiële oorsprongsvraagstukken.
2. De commissie stelt haar eigen werkwijze en samenstelling
schriftelijk vast.
3. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wijst
de voorzitter van de commissie aan.
Afdeling 1.6. Lijfsvisitatie
Artikel 1:18
De instellingen van apparatuur waarmee door kleding van personen
wordt gekeken, zijn zodanig, dat de persoon, die aan lijfsvisitatie
wordt onderworpen, niet herkenbaar is op de beelden die door de
apparatuur worden gegenereerd.
Afdeling 1.7. Douanewaarde
Artikel 1:19
Ingeval de gegevens voor de vaststelling van de douanewaarde zijn
uitgedrukt in een munteenheid waarvoor de Europese Centrale Bank
referentiekoersen publiceert, worden die referentiekoersen voor de
vaststelling van die douanewaarde aangemerkt als de genoteerde koers,
bedoeld in artikel 168, aanhef en onderdeel a, tweede gedachtestreepje,
van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.
Artikel 1:20
1.Ingeval de gegevens voor de vaststelling van de douanewaarde zijn
uitgedrukt in een munteenheid waarvoor de Europese Centrale Bank geen
referentiekoersen publiceert, wordt voor de vaststelling van de
douanewaarde gebruik gemaakt van de wisselkoers van die munteenheid
ten opzichte van de euro zoals die wordt gepubliceerd op de
voorlaatste maandag van de maand in de Financial Times Guide to World
Currencies.
2.De wisselkoers, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende de
kalendermaand die volgt op de in het eerste lid bedoelde publicatie in
de Financial Times Guide to World Currencies.
3.Indien geen publicatie plaatsvindt op het tijdstip, bedoeld in
het eerste lid, wordt de voor de betrokken munteenheid laatst in de
Financial Times Guide to World Currencies gepubliceerde wisselkoers
van die munteenheid ten opzichte van de euro geacht de op de
voorlaatste maandag van de maand gepubliceerde wisselkoers te zijn.
4.Indien een munteenheid als bedoeld in het eerste lid revalueert
of devalueert, waardoor de in de Financial Times Guide to World
Currencies gepubliceerde wisselkoers vijf percent of meer afwijkt van
de in het eerste lid bedoelde wisselkoers, wordt de gerevalueerde dan
wel gedevalueerde wisselkoers als nieuwe wisselkoers gebruikt.
5.In het in artikel 172, eerste volzin, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoeld geval, wordt
één enkele wisselkoers toegepast, die geldt op de eerste dag van de
periode waarop de aangifte betrekking heeft.
Artikel 1:21
1.De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in
artikel 178, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek, kan achterwege blijven indien de douanewaarde van de
ingevoerde goederen wordt vastgesteld op een andere wijze dan met
toepassing van artikel 29 van het Communautair douanewetboek.
2.Ingeval de in het eerste lid bedoelde aangifte achterwege blijft,
verstrekt de aangever afzonderlijk de gegevens met behulp waarvan de
aangegeven douanewaarde is berekend. Deze gegevens omvatten ten
minste:
– de methode van de vaststelling van de douanewaarde, aan te
duiden door vermelding van het desbetreffende artikel van het
Communautair douanewetboek;
– een verwijzing naar een door de douane genomen beslissing
voor zover de douanewaarde overeenkomstig een dergelijke
beslissing is aangegeven; en
– een gedetailleerde opgave van de wijze van berekening.
3.Het tweede lid is niet van toepassing indien de aangegeven
douanewaarde rechtstreeks uit de factuur is afgeleid.
Artikel 1:22
De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, die in een formulier
D.V.1 als bedoeld in artikel 178, eerste lid, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek zijn opgenomen, wordt
afzonderlijk opgenomen in de elektronische aangifte tot plaatsing van
goederen onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen.
Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de
Gemeenschap binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze een
douanebestemming hebben gekregen
Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot het binnenbrengen van
goederen in het douanegebied van de Gemeenschap
Artikel 2:0
1. Van binnenkomende schepen en binnenkomende luchtvaartuigen
wordt, minimaal 2 uur voor de verwachte aankomsttijd bij de haven
ressorterend onder het douanekantoor waar ze zullen worden
aangebracht, het desbetreffende douanekantoor elektronisch kennis
gegeven van de verwachte aankomsttijd.
2. Bij luchtvaartuigen kan de inspecteur toestaan dat wordt
afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 2:0a
De summiere aangifte bij binnenkomst, bedoeld in artikel 183 van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek, wordt gesteld in de
Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.
Artikel 2:1
1.Binnenkomende schepen en de daarmee vervoerde goederen worden
langs in bijlage II opgenomen vaarwaters overgebracht naar een haven
ressorterende onder een in bijlage III opgenomen douanekantoor alwaar
zij worden aangebracht.
2.Binnenkomende luchtvaartuigen en de daarmee vervoerde goederen
worden zonder tussenlanding overgebracht naar een internationale
luchthaven ressorterende onder een in bijlage IV opgenomen
douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.
3.Een binnengekomen schip dan wel een binnengekomen luchtvaartuig
vertrekt van de haven onderscheidenlijk de internationale luchthaven,
bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, niet zonder
toestemming van de inspecteur.
4.In bijlage V zijn plaatsen opgenomen waar binnenkomende schepen
en de daarmee vervoerde goederen eveneens kunnen worden aangebracht.
5.Op plaatsen, bedoeld in het vierde lid, vinden geen andere
activiteiten plaats dan:
a. het innemen van provisie en scheepsbehoeften ten behoeve van
de bemanning van het schip; of
b. het innemen van brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor
de aandrijving of smering van het schip; of
c. het aan boord nemen van goederen voor reparatie of
vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of
vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis voort te kunnen
laten zetten alsmede de daadwerkelijke reparatie of vervanging van
deze onderdelen.
Artikel 2:2
1. Het aanbrengen, bedoeld in artikel 40 van het Communautair
douanewetboek, vindt op elektronische wijze plaats.
2. In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van artikel
2:1, vierde lid, een binnenkomend schip aangebracht door het doen van
een mededeling aan de inspecteur van de aankomst op een in artikel
2:1, vierde lid, bedoelde plaats.
Artikel 2:3
1. De artikelen 2:0, 2:0a, 2:1, 2:2 en 2:5 zijn niet van toepassing
op de volgende schepen en luchtvaartuigen:
a. oorlogsschepen en militaire luchtvaartuigen;
b. pleziervaartuigen;
c. vissersschepen welke van de visvangst komen en zijn voorzien
van een aanduiding omtrent de haven waar zij thuishoren;
d. sleepboten;
e. vaartuigen voor het verrichten van loodsdiensten;
f. reddingsboten;
g. schepen en luchtvaartuigen van de Nederlandse Kustwacht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. de laatste haven van vertrek van het schip dan wel
luchtvaartuig gelegen is buiten het douanegebied van de
Gemeenschap;
b. voor het schip, het luchtvaartuig of voor de aan boord
aanwezige goederen bij het in het vrije verkeer brengen rechten
bij invoer, accijns of omzetbelasting is verschuldigd;
c. op het schip, het luchtvaartuig of op de aan boord aanwezige
goederen verboden of beperkingen van toepassing zijn of zouden
zijn als bedoeld in artikel 1:1, vijfde lid, van de wet;
d. voor het verkrijgen van vrijstelling van rechten bij invoer
of voor het plaatsen onder de desbetreffende douaneregeling voor
het schip, het luchtvaartuig of voor de aan boord aanwezige
goederen ingevolge wettelijke bepalingen de vervulling van
bepaalde formaliteiten is vereist;
e. het schip dan wel luchtvaartuig niet in de Gemeenschap
thuishoort; of
f. het schip dan wel luchtvaartuig niet overeenkomstig haar
bestemming wordt gebezigd.
3. De inspecteur kan toestaan dat, voor zover het de verplichting,
bedoeld inartikel 2:0, betreft, wordt afgeweken van het bepaalde in
het tweede lid.
Artikel 2:4
1.Degene die aan de kust goederen heeft opgevist of gered, dan wel
aldaar aangespoelde of gestrande goederen heeft geborgen, geeft
daarvan onverwijld kennis aan de inspecteur. Voor de toepassing van de
vorige volzin wordt onder kust mede verstaan de wateren, stranden en
oevers welke op grond van artikel 21 van de Wet op de strandvonderij
worden beschouwd te behoren tot de zee en het zeestrand.
2.De goederen worden zonder toestemming van de inspecteur niet
verder landinwaarts gebracht dan tot de eerste plaats waar zij tegen
beschadiging door het zeewater zijn beveiligd.
3.Na de kennisgeving worden de goederen aangemerkt als
binnengebrachte goederen in de zin van artikel 37, eerste lid, van het
Communautair douanewetboek.
Afdeling 2.2. Summiere aangifte
Artikel 2:5
1. De summiere aangifte voor tijdelijke opslag, bedoeld in artikel
186 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, wordt op
elektronische wijze ingediend.
2. De summiere aangifte voor tijdelijke opslag wordt gesteld in de
Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.
3. De summiere aangifte voor tijdelijke opslag bevat de in bijlage
30bis van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek
genoemde vereiste gegevens.
4. In afwijking van het derde lid bevat de summiere aangifte voor
tijdelijke opslag, voor de in een schip aanwezige provisie, de
gegevens, bedoeld in de scheepsvoorradenaangifte (IMO/FAL 3). Het
overzicht van in een schip aanwezige persoonlijke bezittingen van
bemanningsleden wordt desgevraagd door de gezagvoerder van het schip
onverwijld ter beschikking gesteld aan de inspecteur.
5. Indien de summiere aangifte voor tijdelijke opslag betrekking
heeft op een of meerdere goederen, genoemd in bijlage V, deel B, van
richtlijn nr. 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de
beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in
de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten
schadelijke organismen (PbEG L 1169), wordt dit, gelijktijdig met het
indienen van de summiere aangifte voor tijdelijke opslag en door de
indiener van die aangifte, expliciet medegedeeld aan de douane.
Afdeling 2.3. Tijdelijke opslag
Artikel 2:6
De goedkeuring van een ruimte voor tijdelijke opslag, bedoeld in
artikel 185, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek, is gebonden aan een vergunning tot beheer van de
desbetreffende ruimte.
Artikel 2:7
1.Een wijziging in de inrichting van een ruimte voor tijdelijke
opslag wordt niet aangebracht dan na goedkeuring van de inspecteur.
2.De inspecteur kan de vergunning tot beheer van een ruimte voor
tijdelijke opslag in ieder geval intrekken of wijzigen:
a. op verzoek van de houder van de desbetreffende vergunning;
b. indien de ruimte niet of niet meer in die mate gebruikt
wordt dat handhaving van de vergunning gerechtvaardigd is.
Artikel 2:8 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 2.4. Douaneaangifte
Artikel 2:8a
In voorkomend geval kan de inspecteur, rekening houdend met de aard
van de goederen of met de douanebestemming die de goederen hebben
gekregen dan wel zullen krijgen, andere plaatsen dan douanekantoren
aanmerken als plaatsen waar goederen kunnen worden aangebracht.
Artikel 2:9
De termijn, bedoeld in artikel 201, tweede lid, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek, is zeven dagen na
indiening van de aangifte. De plaats waar de goederen worden aangebracht
wordt aan het douanekantoor schriftelijk of elektronisch gemeld.
Artikel 2:10
1.Een aangifte tot plaatsing van goederen onder een douaneregeling
wordt gedaan in de Nederlandse taal.
2.In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende aangiften
eveneens worden gedaan in de Franse, Duitse of Engelse taal:
a. een aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling
douanevervoer;
b. een aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling met
gebruikmaking van een handels- of administratief bescheid;
c. een aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling uitvoer.
Artikel 2:11
1.De formulieren enig document worden ingevuld overeenkomstig het
bepaalde in de Toelichting enig document, zoals opgenomen in bijlage
VI.
2.De bij de invulling van de formulieren enig document te gebruiken
codes zijn de codes opgenomen in het codeboek Sagitta en beschikbaar
via internetadres www.douane.nl.
Artikel 2:12
1.In de gevallen waarin op grond van wettelijke bepalingen in een
aangifte de goederencode van de desbetreffende goederen moet worden
vermeld, is dat de code die voor die goederen is vastgesteld in het
gebruikstarief.
2.Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is de lijst van
goederenomschrijvingen met bijbehorende codes en aanduiding van de
voor de desbetreffende goederen van toepassing zijnde maatregelen bij
in- of uitvoer, zoals die geldt ingevolge Verordeningen van de Raad
van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
3.Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is beschikbaar via
internetadres www.douane.nl.
Artikel 2:13
Indien door de inspecteur een vergunning wordt afgegeven voor het
gebruik van de regeling douane-entrepots wordt in de vergunning bepaald
dat, afhankelijk van de aard van de goederen die onder de regeling
douane-entrepots worden geplaatst, de vergunninghouder en het Centraal
Bureau voor de Statistiek overeenstemming bereiken over de afzonderlijke
aanlevering van gegevens ten behoeve van de entrepotstatistiek.
Afdeling 2.5. Onderzoek van de goederen, bevindingen van het
douanekantoor en andere door het douanekantoor te nemen maatregelen
Artikel 2:14
1.Monsterneming vindt in tweevoud plaats, tenzij de wijze en/of
aard van het onderzoek ertoe noopt meerdere monsters te nemen, en de
monsters worden ter plaatse verpakt en verzegeld.
2.Indien mogelijk wordt op verzoek van belanghebbende een extra
monster genomen, dat ter plaatse wordt verpakt en verzegeld en in het
bezit van belanghebbende blijft.
Artikel 2:15
1.De speling, bedoeld in artikel 1:35 van de wet, is, indien het
een verschil betreft tussen de waarde of de hoeveelheid zoals in de
aangifte is aangegeven, en de waarde of de hoeveelheid van hetgeen
aanwezig is: een percent van de waarde of de hoeveelheid van hetgeen
aanwezig is.
2.De speling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing:
a. indien het bevonden verschil niet is ontstaan ten gevolge
van dwaling, onwillekeurig verzuim of natuurlijke verliezen;
b. indien het bevonden verschil van invloed is op de berekening
van de douaneschuld;
c. op aantallen colli of losse voorwerpen.
Hoofdstuk 3. Landbouw- en houtproducten
Afdeling 3.1. Certificaten; algemene bepalingen
Artikel 3:1
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften, genoemd
in de artikelen 7, eerste tot en met derde lid, 8, eerste en tweede lid,
21, derde lid, 24, vierde lid, 25, eerste lid, 26, eerste lid, 34,
tweede lid, vijfde alinea, 35, tiende lid, 38, tweede lid, 45, derde
lid, 47, derde lid, tweede alinea, en vijfde lid, van verordening
376/2008.
Artikel 3:2
1.De bevoegdheid, bedoeld in art 3:2, tweede lid, van het besluit
wordt overgedragen aan het productschap.
2.Het productschap wordt aangewezen als:
a. de instantie van afgifte, bedoeld in de artikelen 8, tweede
lid, tweede alinea, en derde lid, 20, 21, 32, derde lid, 34, derde
lid, 38, eerste lid, 40, vierde lid, 45, derde lid, 47, derde lid,
tweede alinea, vijfde, achtste en negende lid, onder b, van
verordening 376/2008;
b. de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 12, eerste
lid, 14, tweede lid, 39, eerste lid, 40, eerste, tweede en vierde
lid, 41, van verordening 376/2008, en
c. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 12, tweede
lid, 34, achtste lid, 35, tweede lid, tweede alinea, 36, tweede
lid, 42, tweede lid, onder b, 46, tweede lid, 47, negende lid,
onder b en c, van verordening 376/2008.
Artikel 3:3
Het Productschap Zuivel wordt aangewezen als de bevoegde autoriteit,
bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2535/2001 van de Commissie
van 14 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG)
nr. 1255/1999 van de Raad voor de invoerregeling voor melk en
zuivelproducten en houdende opening van tariefcontingenten (PbEU 2001,
L341).
Artikel 3:4
Het productschap is bevoegd de voorschriften, bedoeld in artikel 17,
tweede lid, tweede alinea, verordening 376/2008, vast te stellen.
Artikel 3:5
1.Het productschap is bevoegd een ontheffing te verlenen als
bedoeld in artikel 4, derde lid, van verordening 376/2008.
2.Indien het productschap gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld
in het eerste lid, is het productschap tevens de bevoegde autoriteit,
bedoeld in artikel 4, derde lid, onder c, van verordening 376/2008.
Artikel 3:6
Het productschap is bevoegd de toestemming te verlenen, bedoeld in
artikel 40, vijfde lid, van verordening 376/2008.
Artikel 3:7
De zekerheid, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van verordening
376/2008 wordt gesteld bij het productschap.
Artikel 3:8
1.Het productschap is bevoegd op verzoek van belanghebbende
certificaten onder zich te houden, onderscheidenlijk in bewaring te
nemen ten behoeve van de toepassing van artikel 24 van verordening
376/2008 op dat certificaat.
2.Indien het productschap gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld
in het eerste lid, wordt het productschap aangemerkt als de bevoegde
autoriteit, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van verordening
376/2008.
Artikel 3:9
De certificaten, bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, van het besluit,
zijn in het Nederlands gesteld.
Artikel 3:10
1.Het productschap is bevoegd bepalingen vast te stellen omtrent
het afgeven en het gebruik van elektronische certificaten, bedoeld in
artikel 18, eerste lid, van verordening 376/2008.
2.Indien het productschap toestaat dat aanvragen voor de
certificaten, bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, van het besluit,
worden ingediend met behulp van systemen voor automatische
gegevensverstrekking, stelt het productschap de regels vast, bedoeld
in artikel 12, tweede lid, derde alinea, van verordening 376/2008.
Artikel 3:11
Het productschap is bevoegd een aanvullende termijn als bedoeld in
artikel 34, negende lid, van verordening 376/2008 te verlenen.
Artikel 3:12
Het productschap wordt aangewezen als bevoegde autoriteit, bedoeld in
artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31
augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer
van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde
invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PbEU 2006, L 238).
Afdeling 3.2. Certificaten; bijzondere bepalingen
Artikel 3:13
1. Het productschap geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel
3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor ruwe hennep
van post 53 02 10 00 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af
indien deze voldoet aan de voorwaarden van artikel 39 van Verordening
(EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van
gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse
steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor
landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG)
nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 (PbEG 2009, L 30);
2. Het productschap geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel
3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor zaaizaad
bestemd voor de inzaai van henneprassen van post 1207 99 15 van de
gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze vergezeld gaat van
het bewijs dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan
het gehalte, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van Verordening (EG)
nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van
gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse
steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor
landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG)
nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 (PbEG 2009, L 30);
3. Het productschap geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel
3:1, onder d, van het besluit, en uittreksels daarvan voor niet voor
inzaai bestemd hennepzaad van de post 1207 99 91 van de gecombineerde
nomenclatuur slechts af indien:
a. de importeur door het productschap is erkend;
b. de importeur zich ertoe verbindt zorg te dragen voor de
verstrekking aan het productschap van de verklaringen, bedoeld in
artikel 17 van Verordening (EG) nr. 507/2008 van de Commissie van
6 juni 2008 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor
Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad houdende een
gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en
–hennep (PbEU 2008, L 149), binnen de aldaar gestelde termijn en
onder de door het productschap gestelde voorwaarden;
c. de administratie van de importeur voldoet aan de door het
productschap gestelde eisen;
d. de importeur toelaat dat wordt overgegaan tot controle op de
naleving van hetgeen is bepaald bij of krachtens Verordening
1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een
gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke
bepalingen voor een aantal landbouwproducten (PbEU 2007, L 299),
en
e. de importeur zodanige maatregelen treft dat ook zijn
afnemers aan het onder c en d gestelde voldoen.
Artikel 3:14
1.Van het verbod op het invoeren van landbouwproducten, bedoeld in
artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor
pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.
2.Van het verbod op het uitvoeren van landbouwproducten, bedoeld in
artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor
pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.
3.Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is de voorwaarde
verbonden dat de betrokken partij is voorzien van een etiket en een
bewijsstuk als bedoeld in artikel 13 van Richtlijn nr. 2002/56/EG van
de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van
pootaardappelen (PbEU 2002, L 193).
4.Het etiket en het bewijsstuk, bedoeld in het derde lid, worden
afgegeven door de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor
zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen.
Artikel 3:15
Het bewijs, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Verordening (EEG)
nr. 2342/92 van de Commissie van 7 augustus 1992 betreffende de invoer
van raszuivere fokrunderen uit derde landen en de toekenning van
uitvoerrestituties voor deze dieren en tot intrekking van Verordening (EEG)
nr. 1544/79 (PbEG 1992, L 227) wordt geleverd door middel van een
verklaring van het productschap.
Artikel 3:16
1.Indien ingevolge het bepaalde bij of krachtens Verordening (EG)
nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een
gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke
bepalingen voor een aantal landbouwproducten (PbEU 2007, L 299) het
bedrag van de aldaar bedoelde heffing voor jonge mannelijke runderen
met een levend gewicht van ten hoogste 300 kg en voor
landbouwproducten, vallend onder de posten 0202 2030 of 0202 30 van de
gecombineerde nomenclatuur, afhankelijk is van de vervulling of
nakoming van voorwaarden of bepalingen die ten aanzien van het
betreffende goed in genoemde verordening of haar
uitvoeringsvoorschriften zijn voorgeschreven, is de importeur van dat
goed gehouden tot het naleven van de door het productschap met
inachtneming van het bepaalde in die verordening en haar
uitvoeringsvoorschriften, ter verzekering van die heffing gestelde
regelen.
2.De in het vorige lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op
het trekken van monsters, het voeren van een administratie en het
verstrekken van gegevens, nodig voor de oplegging van de heffing.
3.Het productschap stelt regelen volgens welke het vrijstelling
verleent aan landbouwheffingen bij invoer, ten belopen van het
jaarlijks door de Raad toegekende en aan Nederland toevallende aandeel
in het in het kader van de Wereldhandelsorganisatie geopende
tariefcontingent voor de invoer uit landen of gebieden die geen deel
uitmaken van de Gemeenschap van bevroren rundvlees van post 0202 van
de gecombineerde nomenclatuur.
4.Het productschap kan regels stellen op grond waarvan het
vrijstelling verleent van de landbouwheffingen bij invoer in het kader
van Verordening (EG) nr. 659/2007 van de Commissie van 14 juni 2007
betreffende de opening en de wijze van beheer van
invoertariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd
voor de slacht, van bepaalde bergrassen.
Afdeling 3.3. Restitutie
Artikel 3:17
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften, genoemd
in de artikelen 16, 19, eerste lid, en 49, eerste lid, van verordening
612/2009.
Artikel 3:18
1. De bevoegdheden, bedoeld in artikel 3:3 van het besluit worden
overgedragen aan het productschap.
2. Het productschap wordt aangewezen als:
a. de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 7, vierde
lid, 39, eerste lid, en 46, eerste lid, onder b, van verordening
612/2009;
b. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 27, vierde
lid, en 32, eerste en tweede lid, van verordening 612/2009.
3. Als bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, zevende lid,
onder b, en 7, derde lid, tweede alinea, van verordening 612/2009
wordt aangewezen het douanekantoor, waar de aangifte ten uitvoer wordt
ingediend.
Artikel 3:19
1. De toekenning van restitutie, bedoeld in verordening 612/2009,
vindt plaats door het productschap.
2. Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid, is het
productschap bevoegd:
a. bewijzen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b,
tweede gedachtestreepje, van verordening 612/2009, te ontvangen;
b. aanvullende bewijzen als bedoeld in artikel 27, eerste lid,
derde alinea, van verordening 612/2009, te vorderen;
c. verzoeken als bedoeld in artikel 28, eerste lid, vierde
alinea, van verordening 612/2009 te doen.
3. In de gevallen waarin het stellen van zekerheid op grond van een
communautaire verplichting een voorwaarde is voor de toekenning van
restitutie, wordt de zekerheid gesteld bij het productschap.
4. Het opleggen van administratieve sancties als bedoeld in artikel
48 van verordening 612/2009, vindt plaats door het productschap.
5. Het opleggen van maatregelen als bedoeld in artikel 3, eerste
lid, van Verordening (EG) nr. 1469/95 van de Raad van de Europese Unie
van 22 juni 1995 betreffende de maatregelen die moeten worden genomen
ten aanzien van bepaalde begunstigden van uit het EOFGL, afdeling
Garantie, gefinancierde verrichtingen (PbEU 1995, L 145) vindt plaats
door het productschap.
Artikel 3:20
Het productschap is bevoegd te beslissen op een verzoek als bedoeld
in artikel 24, eerste lid, van verordening 612/2009.
Artikel 3:21
1. Het productschap is bevoegd het ontslag te verlenen, bedoeld in
artikel 24 van verordening 612/2009.
2. Een verzoek als bedoeld in artikel 24, derde lid, van
verordening 612/2009 wordt ingediend bij het productschap.
3. Het productschap is bevoegd de beslissingen, bedoeld in artikel
24, vierde lid, van verordening 612/2009 te nemen.
Artikel 3:22
1. De voorzitter van het Hoofdproductschap Akkerbouw verleent de
erkenning, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening
612/2009.
2. De voorzitter van het Hoofdproductschap Akkerbouw kan een
erkenning als bedoeld in het eerste lid schorsen of intrekken in de
gevallen, bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, en 21, eerste en
derde lid, van verordening 612/2009.
Afdeling 3.4. Proviandering
Artikel 3:23
1. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot verlening van de
toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening
612/2009.
2. Een belanghebbende dient een schriftelijke aanvraag om de
toestemming, bedoeld in het eerste lid, in bij het Hoofdproductschap
Akkerbouw.
3. De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt verleend indien
de belanghebbende:
a. gespecialiseerd is in scheepsproviandering;
b. een administratie voert die inzichtelijk maakt dat de
landbouwproducten de bestemming hebben bereikt, en
c. een controleregister bijhoudt als bedoeld in artikel 34,
vierde lid, eerste en tweede alinea, van verordening 612/2009, of
de bij iedere leverantie gebruikte documenten overlegt waarop de
douaneautoriteiten de datum hebben vermeld waarop de producten aan
boord zijn gebracht.
4. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot intrekking van de
toestemming indien de belanghebbende niet langer voldoet aan de in het
derde lid bedoelde eisen of aan de eisen, bedoeld in artikel 34 van
verordening 612/2009.
5. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit gaat, voorafgaand aan
de verlening van de toestemming, bedoeld in het eerste lid, na of aan
de in het derde lid bedoelde vereisten is voldaan en doet van zijn
bevindingen verslag aan het Hoofdproductschap Akkerbouw.
Artikel 3:24
1.Een belanghebbende aan wie de toestemming, bedoeld in artikel
3:23, eerste lid, is verleend, geeft overeenkomstig een bij het
productschap op te vragen maandstaat, uiterlijk vóór het eind van de
kalendermaand volgend op de maand waarin de landbouwproducten ten
uitvoer zijn aangegeven, alle in laatstbedoelde maand aangegeven
landbouwproducten op bij het productschap.
2.De in het eerste lid bedoelde opgave van landbouwproducten zijn
gespecificeerd naar GN-code en, indien van toepassing, de
restitutiecode.
Artikel 3:25
1. Het productschap is bevoegd tot betaling van de restitutie,
bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 612/2009.
2. De aanvraag om betaling van restitutie wordt ingediend bij het
productschap.
3. In geval van levering van landbouwproducten in een andere
lidstaat legt de belanghebbende tevens het terugontvangen
controle-exemplaar T5 over.
4. In geval van levering van landbouwproducten aan boor- en
productieplatforms en marine- en hulpschepen legt de belanghebbende
tevens het leverantiebewijs over.
Artikel 3:26
1. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot verlening van een
erkenning van de houder van onder douanetoezicht staande
bevoorradingsruimten, als bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, en
40, tweede lid, tweede alinea, van verordening 612/2009.
2. Een belanghebbende dient een aanvraag om erkenning als bedoeld
in het eerste lid, in bij het Hoofdproductschap Akkerbouw.
3. De erkenning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend indien
is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van
verordening 612/2009.
4. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot intrekking van de
erkenning indien uit onderzoek van de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit is gebleken dat de erkenninghouder niet langer voldoet
aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid.
Artikel 3:27
1. Het productschap is bevoegd een voorschot op de restitutie te
verlenen, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 37
van verordening 612/2009.
2. Een belanghebbende dient een aanvraag om het voorschot, bedoeld
in het eerste lid, in bij het productschap.
Artikel 3:28
De verlening van restitutie voor proviandering van zeeschepen,
waaronder ook begrepen al dan niet zelf aangedreven werkschepen, kan in
het kader van deze paragraaf alleen plaatsvinden indien het schip binnen
tien dagen na proviandering de haven verlaat met een bestemming die niet
dichterbij is gelegen dat het gebied, bedoeld in artikel 41, eerste lid,
onder a, van verordening 612/2009.
Artikel 3:29
1. Als bevoegde instantie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van
verordening 612/2009, wordt aangewezen de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit.
2. Als bevoegde instantie, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van
verordening 612/2009, wordt aangewezen het Productschap Zuivel. Een
belanghebbende kan een aanvraag om landbouwproducten over te brengen
naar een tweede bevoorradingsdepot indienen bij dat productschap.
Artikel 3:30
1. Levering aan boor- en productieplatforms geschiedt uitsluitend
door een door het Hoofdproductschap Akkerbouw erkende exploitant van
een bevoorradingsschip of bevoorradingshelikopter.
2. Een belanghebbende dient een aanvraag om erkenning als bedoeld
in het eerste lid, schriftelijk in bij het Hoofdproductschap
Akkerbouw.
3. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit toetst de aanvraag
aan de criteria, bedoeld in artikel 41, tweede lid, onder b, tweede
streepje, van verordening 612/2009, en doet hiervan verslag aan het
Hoofdproductschap Akkerbouw.
4. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot intrekking van
een erkenning indien de belanghebbende niet langer voldoet aan de
criteria, bedoeld in het derde lid.
Artikel 3:31
1. De bewijsstukken als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van
verordening 612/2009 worden door de betrokken deelnemer in zijn
administratie bewaard ten behoeve van de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit. Het bewijs als bedoeld in artikel 36, derde lid,
eerste alinea, van verordening 612/2009 wordt ingediend bij de
productschappen. Het bewijs als bedoeld in de artikelen 40, vierde en
vijfde lid, en 42, tweede lid, van verordening 612/2009 wordt
ingediend bij het Productschap Zuivel.
2. Het bewijs, bedoeld in de artikelen 38, tweede lid, eerste
alinea, en 40, derde lid, eerste alinea, van verordening 612/2009,
wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de
aangifte ten uitvoer is gedaan.
3. Op verzoek van een belanghebbende kan het productschap ermee
instemmen dat het bewijs, bedoeld in artikel 42, derde lid, onder a of
b, tweede streepje, van verordening 612/2009, wordt geleverd met een
door de scheepskapitein of een andere scheepsofficier van dienst
ondertekend certificaat van ontvangst dat van het scheepsstempel is
voorzien.
4. In voorkomend geval kan het productschap op verzoek van een
belanghebbende ermee instemmen dat het bewijs, bedoeld in artikel 42,
derde lid, onder b, tweede streepje, van verordening 612/2009, wordt
geleverd met een door een beambte van de luchtvaartmaatschappij
ondertekend certificaat van ontvangst dat van het stempel van de
maatschappij is voorzien.
Afdeling 3.5. Regels ter uitvoering van overige Europese
verordeningen
Artikel 3:32
1. Het productschap is bevoegd een toestemming als bedoeld in
artikel 76 van het Communautair douanewetboek in samenhang met artikel
282 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek te
verlenen.
2. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan slechts
betrekking hebben op het achterwege laten bij de aangifte ten uitvoer
van de vermelding van gehalte, samenstelling of hoedanigheid van uit
te voeren landbouwproducten.
3. Het productschap kan de toestemming, bedoeld in het eerste lid,
onder voorwaarden en beperkingen verlenen.
4. Het productschap verleent een toestemming in overeenstemming met
de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
5. Het productschap kan een toestemming intrekken, wanneer blijkt
dat de voorwaarden en de beperkingen waaronder de toestemming is
verleend, niet zijn nageleefd.
6. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit houdt toezicht op de
naleving van de voorwaarden en beperkingen, bedoeld in het derde lid.
Afdeling 3.6. FLEGT-vergunningenstelsel voor de invoer van hout
Artikel 3:33
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is de bevoegde autoriteit,
bedoeld in:
a. artikel 2, onder 8), van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de
Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een
FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese
Gemeenschap (PbEU 2005, L 347), en
b. artikel 2, onder 4, van verordening (EG) nr. 1024/2008 van de
Commissie van 17 oktober 2008 tot vaststelling van gedetailleerde
maatregelen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de
Raad inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de
invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2008, L 277).
Artikel 3:34
1. De vergunning, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
verordening, genoemd in artikel 3:33, onderdeel a, wordt ingediend bij
de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend
ten minste één werkdag voorafgaand aan het moment dat de aangifte
voor het in het vrije verkeer brengen bij de douane wordt ingediend.
Hoofdstuk 4. De douanebestemmingen
Afdeling 4.1. In het vrije verkeer brengen – bijzondere bestemming
Artikel 4:1
Voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, zoals
vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli
1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het
gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256), worden verstaan onder:
a. fokpaarden van zuiver ras: de geregistreerde paarden, zoals
gedefinieerd in artikel 2, onder b en c, van Richtlijn 90/427/EEG
van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en
genealogische voorschriften voor het intracommunautaire
handelsverkeer in paardachtigen (PbEG L 224), met uitzondering van
ruinen;
b. fokvarkens van zuiver ras: de ingeschreven of geregistreerde
varkens, zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 88/661/EEG
van de Raad van 19 december 1988 betreffende de zoötechnische
normen die gelden voor fokvarkens (PbEG L 382).
Artikel 4:2
De in artikel 4:1, aanhef en onder a, bedoelde dieren mogen alleen
als fokpaarden van zuiver ras in het vrije verkeer worden gebracht
indien:
a. zij vergezeld gaan van een stamboek- en fokkerijcertificaat
zoals vastgesteld bij Beschikking 93/623/EEG van de Commissie van 20
oktober 1993 tot vaststelling van het identificatiedocument
(paspoort) dat geregistreerde paardachtigen moet vergezellen (PbEG L
298);
b. zij vergezeld gaan van een document volgens het in bijlage
VIII opgenomen model, waaruit blijkt dat zij in een stamboek of
register van de Gemeenschap zullen worden ingeschreven of
geregistreerd.
Artikel 4:3
De in artikel 4:1, aanhef en onder b, bedoelde dieren mogen alleen
worden ingevoerd indien:
a. zij vergezeld gaan van een stamboek- en fokkerijcertificaat,
voor zover dit certificaat is ondertekend door een erkende instantie
zoals vastgesteld bij beschikking 2006/139/EG van de Commissie van 7
februari 2006 ter uitvoering van Richtlijn 94/28/EG wat betreft een
lijst van erkende instanties in derde landen voor het bijhouden van
een stamboek of register voor bepaalde dieren (PbEG L 54);
b. zij vergezeld gaan van een document volgens het in bijlage
VIII opgenomen model, waaruit blijkt dat zij in een stamboek of
register van de Gemeenschap zullen worden ingeschreven of
geregistreerd.
Artikel 4:4
Wanneer goederen tussen twee in de Benelux gevestigde
vergunninghouders worden overgedragen, kunnen de bevoegde autoriteiten
in de lidstaat van de overdragende vergunninghouder toestaan dat dit
geschiedt zonder dat van het controle-exemplaar T5 gebruik wordt
gemaakt. In dat geval zijn het vijfde en het zesde lid van artikel 296
van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek van toepassing.
Artikel 4:5
Het is verboden:
a. onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken of te doen
verstrekken waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat ten onrechte een
gunstige tariefregeling wordt toegepast;
b. een handeling te verrichten of medewerking te weigeren in
strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen
van de Raad of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
inzake de toepassing van een gunstige tariefregeling in verband met
de bijzondere bestemming, aard of eigenschappen van in het vrije
verkeer te brengen goederen.
Afdeling 4.2. De economische douaneregelingen
Artikel 4:6
Aan accijns onderworpen communautaire goederen kunnen slechts in de
ruimten van een douane-entrepot worden opgeslagen voor zover de Wet op
de accijns in deze opslag voorziet en onder de bij of krachtens de Wet
op de accijns gestelde voorwaarden en beperkingen.
Artikel 4:7
Als waarborg voor de betaling van de douaneschuld die kan ontstaan
ten aanzien van goederen die onder het stelsel van douane-entrepots zijn
geplaatst, wordt zekerheid gesteld als bedoeld in artikel 88 van het
Communautair douanewetboek.
Artikel 4:8
1.De regeling tijdelijke invoer wordt toegestaan voor
vervoermiddelen waarvoor hier te lande een kentekenbewijs wordt
afgegeven dat is voorzien van de letters CD, CDJ dan wel de letters BN
of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers.
2.De in het eerste lid bedoelde vervoermiddelen kunnen onder de
regeling worden geplaatst zonder schriftelijke aanvraag of vergunning.
Artikel 4:9
1.Met inachtneming van artikel van 561, eerste lid, onderdeel a,
onderscheidenlijk onderdeel b, van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek, wordt toegestaan dat vervoermiddelen welke
worden betrokken uit een douane-entrepot of een ruimte voor tijdelijke
opslag onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst.
2.Voor vervoermiddelen die in overeenstemming met het eerste lid
onder de regeling zijn geplaatst, wordt een kentekenbewijs afgegeven
dat is voorzien van de letters BN of GN in combinatie met twee
cijfergroepen van elk twee cijfers en een verticale rode balk met
daarin de vermelding van het jaar waarin de vrijstelling eindigt en
waarop voorkomt de aanduiding: ’Vrijstelling van rechten bij invoer
en/of omzetbelasting en belasting van personenauto’s en
motorrijwielen onder voorwaarde van wederuitvoer’.
3.Het kentekenbewijs heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes
maanden in de gevallen als bedoeld in artikel van 561, eerste lid,
onderdeel a, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.
Afdeling 4.3. Vrije zones en entrepots
Artikel 4:10
Als vrije zones controletype II is aangewezen het volgende
geografische gebied:
Schiphol, waartoe wordt aangewezen het gebied dat beginnend aan de
zuidzijde en gaande via de oost- en noordzijde naar de westzijde als
volgt wordt begrensd: door de N207-Leimuiderweg vandaar in noordelijke
richting naar Van Heuven Goedhartlaan, aan oostelijke zijde begrensd
door het spoor en Spoorlaan en in westelijke zijde begrensd door de
Hoofdweg. Vanaf Van Heuven Goedhartlaan in oostelijk richting naar de
N201, Weg om Noord die overgaat in de Kruisweg (N201) tot aan de A4,
vandaar in zuidelijke richting tot aan de Geniedijk. Vanaf de Geniedijk
in oostelijke richting naar de Aalsmeerderdijk. Van de Aalsmeerderdijk
in noordelijke richting die ter hoogte van de gemeente Oude Meer
overgaat in de Schipholdijk tot aan de kruising met de A-9, vandaar in
westelijke richting het gedeelte van de A-9 tot aan de A-4, vandaar in
zuidelijke richting het gedeelte van de A-4 tot aan de kruising met de
Schipholweg, vandaar in westelijke richting de Schipholweg tot aan de
kruising met de Amsterdamse Baan, vandaar in noordelijke richting de
Amsterdamse Baan overgaand in de Ookmeerweg tot aan de Etnastraat. Via
de Etnastraat (noordzijde) in westelijke richting kruisend met de
Maroastraat, de Fogostraat, de Lutkemeerweg, de Colimastraat en de
Bromostraat terug in oostelijke richting via de Etnastraat (zuidzijde)
richting de Ookmeerweg. Vandaar in zuidelijke richting naar de
Amsterdamse Baan tot aan de kruising bij de Hoofdweg bij gemaal Lijnden,
vandaar in zuidelijke richting de Hoofdweg Oostzijde tot aan de Weg om
de Noord, vandaar oostwaarts de Weg om de Noord die overgaat in de
Kruisweg (N-201).
Artikel 4:11
1.Als plaatsen waar een vrij entrepot kan worden gevestigd, worden
aangewezen de plaatsen, genoemd in bijlage I.
2.De inspecteur kan, rekening houdend met de economische behoefte
aan de mogelijkheid een vrij entrepot te vestigen, andere plaatsen dan
de plaatsen, bedoeld in het eerste lid, aanmerken als plaatsen waar
een vrij entrepot kan worden gevestigd.
Artikel 4:12 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 4:13
1.Bij zijn aanvraag tot verlening van een vergunning voor gebruik
van een vrije zone of een vrij entrepot vraagt de belanghebbende,
bedoeld in bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek, goedkeuring aan de
inspecteur voor:
a. de door hem gevoerde administratie;
b. de inrichting van het gebouw dat voor werkzaamheden gebruikt
gaat worden.
2.De in het eerste lid bedoelde belanghebbende onderwerpt een
voorgenomen wijziging in de door hem gevoerde administratie, of de
inrichting van het gebouw dat voor werkzaamheden gebruikt gaat worden,
aan de goedkeuring van de inspecteur, indien door deze wijziging de
wijze waarop toezicht kan worden uitgeoefend, wordt beïnvloed.
3.Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, wordt niet
aangebracht dan nadat van de inspecteur goedkeuring is verkregen en de
beheerder van die goedkeuring op de hoogte is.
Artikel 4:14
1. De beheerder van een vrije zone controletype II, bedoeld in
artikel 5:1, derde lid, van het Algemeen douanebesluit, zorgt ervoor
dat:
a. goederen tijdens hun verblijf in de vrije zone controletype
II niet aan het douanetoezicht worden onttrokken;
b. wordt voldaan aan de bijzondere voorwaarden die in de
vergunning zijn vastgesteld.
2. De belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek, die werkzaam is in
de vrije zone controletype II, is verantwoordelijk voor het nakomen
van de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de
goederen in de vrije zone controletype II.
3. In afwijking van het eerste lid kan in de vergunning tot beheer
van een vrije zone controletype II worden bepaald dat de
verplichtingen, bedoeld in onderdeel a van dat lid, uitsluitend
berusten bij de belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c,
van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, die werkzaam
is in de vrije zone controletype II.
4. De inspecteur kan van de beheerder of van de belanghebbende,
bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek, die werkzaam is in de vrije zone
controletype II, verlangen dat zekerheid wordt gesteld met betrekking
tot de door hen na te komen verplichtingen.
Artikel 4:15
1.Vrije zones controletype I en vrije entrepots worden, wanneer
daar niet wordt gewerkt, ambtelijk gesloten.
2.Buiten de kantooruren van de inspecteur mag in de vrije zones
controletype I en vrije entrepots alleen worden gewerkt met
toestemming van de inspecteur.
Artikel 4:16
Aan accijns onderworpen goederen kunnen slechts in een vrij entrepot
worden opgeslagen, voor zover de Wet op de accijns in deze opslag
voorziet en onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.
Artikel 4:17
1.Voor de plaatsing in een vrij entrepot worden per goederensoort
de volgende minimumhoeveelheden vastgesteld:
a. bier op fust: 5 hectoliter;
b. bier in flessen of in andere verpakkingen: 3 hectoliter;
c. de minerale oliën lichte olie en gasolie: 250 liter;
d. de minerale olie halfzware olie: 500 liter;
e. de minerale olie zware stookolie en andere minerale oliën:
2000 kilogram.
2.Voor de uitslag uit een vrij entrepot worden per goederensoort de
volgende minimumhoeveelheden vastgesteld:
a. aan accijns onderworpen goederen: 500 kilogram nettogewicht;
b. voor tabaksproducten: 4 kilogram nettogewicht;
c. de minerale oliën lichte olie en gasolie: 250 liter;
d. de minerale olie halfzware olie: 500 liter;
e. de minerale olie zware stookolie en andere minerale oliën:
2000 kilogram.
3.In afwijking van het tweede lid geldt geen minimumhoeveelheid bij
de uitslag van tabaksproducten uit een vrij entrepot bij het brengen
in het vrije verkeer met betaling van de verschuldigde rechten bij
invoer.
4.In afwijking van het tweede lid worden voor de uitslag uit een
vrij entrepot per goederensoort in de volgende situaties de volgende
minimumhoeveelheden vastgesteld:
a. voor alcoholhoudende extracten, essences, tincturen,
parfumerieën, toiletartikelen en cosmetische producten, welke ten
uitvoer worden uitgeslagen, indien het betreft:
1°. vloeistoffen: 5 liter;
2°. andere producten: 5 kilogram nettogewicht;
b. voor overige alcoholhoudende producten ter aflevering als
provisie aan boord van uitgaande schepen en luchtvaartuigen of aan
diplomaten, indien het betreft:
1°. vloeistoffen: 5 liter;
2°. andere producten: 5 kilogram nettogewicht;
c. voor tabaksproducten ter aflevering als provisie aan boord
van uitgaande schepen en luchtvaartuigen of aan diplomaten: 1
kilogram nettogewicht.
5.De inspecteur is bevoegd toe te staan dat kleinere hoeveelheden
dan de minimumhoeveelheden genoemd in de voorgaande leden in een vrij
entrepot worden geplaatst of worden uitgeslagen.
Afdeling 4.4. Wederuitvoer, vernietiging en afstand van goederen
Artikel 4:18
Het in kennis stellen van de inspecteur voorafgaand aan de
wederuitvoer vindt plaats door inlevering van de generale verklaring (IMO/FAL
1 bij vertrek).
Afdeling 4.5. Uitvoer
Artikel 4:19
Voor goederen, die vallen onder bijlage VII, kolom 4, waarvoor
aanspraak op restitutie wordt gemaakt, worden, in de aangifte tot
plaatsing onder de douaneregeling uitvoer, de volgende gegevens vermeld:
a. aanvraag restitutie ja/nee;
b. aanvraag voorschot ja/nee.
Hoofdstuk 5. Verboden en beperkingen
Afdeling 5.1. Liquide middelen
Artikel 5.1
1.Het aangifteformulier, bedoeld in artikel 3:2, derde lid,
onderdeel a, van de wet, wordt vastgesteld overeenkomstig het model in
bijlage IX.
2.Met betrekking tot de in aanmerking te nemen wisselkoers, bedoeld
in artikel 3:2, derde lid, onderdeel b, onder 1°, van de wet, zijn de
artikelen 1:19 en 1:20 van overeenkomstige toepassing.
3.De in aanmerking te nemen waarde van verhandelbare instrumenten
aan toonder, bedoeld in artikel 3:2, derde lid, onderdeel b, onder
2°, van de wet, is de waarde die het desbetreffende instrument heeft
op de meest gerede financiële markt waarop het verhandeld wordt of
bij het ontbreken daarvan, de intrinsieke waarde.
Afdeling 5.2. Non-tarifaire handelspolitieke maatregelen
Artikel 5:2
1. Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten
als bedoeld in bijlage 1 van Verordening (EG) nr.76/2002 van de
Commissie van 17 januari 2002 tot instelling van voorafgaand
communautair toezicht op de invoer van bepaalde onder het EGKS-Verdrag
en het EG-Verdrag vallende ijzer- en staalproducten, van oorsprong uit
bepaalde derde landen, (PbEG L 16) zonder toezichtdocument van de
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is verboden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor het in het vrije
verkeer brengen van ijzer- en staalproducten:
a. waarvoor een geldige toezichtdocument, afgegeven door een
daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de
Europese Unie wordt overgelegd,
b. die zijn onderworpen aan een tussen een derde land en de EG
gesloten overeenkomst inzake toezicht door middel van dubbele
controle, waarop de voorwaarden van die overeenkomst van
toepassing zijn, of
c. op de invoer van producten waarvan het nettogewicht niet
meer bedraagt dan 2.500 kilogram.
Artikel 5:3
1. Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten,
van oorsprong uit de Russische Federatie, genoemd in bijlage 1 van
Verordening (EG) nr.1342/2007 van de Raad van 22 oktober 2007
betreffende het beheer van bepaalde beperkingen op de invoer van
bepaalde ijzer- en staalproducten uit de Russische Federatie (PbEG L
300), zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken is
verboden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor het in het vrije
verkeer brengen van ijzer- en staalproducten waarvoor een geldige
invoervergunning, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van
een andere lidstaat van de Europese Unie wordt overgelegd.
3. Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten
als bedoeld in het eerste lid, zonder een certificaat van oorsprong is
verboden.
Artikel 5:4
1
Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten, van
oorsprong uit de Republiek Kazachstan, genoemd in bijlage 1 van
Verordening (EG) nr. 1340/2008 van de Raad van 8 december 2008
betreffende de handel in bepaalde ijzer- en staalproducten tussen de
Europese Gemeenschap en de Republiek Kazachstan (PbEG L 348), zonder
vergunning van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
is verboden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor het in het vrije
verkeer brengen van ijzer- en staalproducten waarvoor een geldige
invoervergunning, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van
een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt overgelegd.
3. Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten
als bedoeld in het eerste lid zonder een certificaat van oorsprong
is verboden.
Artikel 5:5
1. Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en
kledingproducten, van oorsprong uit Noord-Korea en Belarus, genoemd in
bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad van 7 maart
1994 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van
textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder
bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch
onder een andere, bijzondere, communautaire regeling, (PbEG L 67),
zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie is verboden.
2. Het eerste lid geldt niet indien bij het in het vrije verkeer
brengen een geldige invoervergunning wordt overgelegd, afgegeven door
een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de
Europese Unie.
Artikel 5:6 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 5:7 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 5:8
1.Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en
kledingproducten, genoemd in bijlage 1 van Verordening (EG) nr.
3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een
gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde
textielproducten uit derde landen, zonder een certificaat van
oorsprong is verboden.
2.De in het vorige lid bedoeld bewijsstukken inzake de oorsprong
worden aanvaard met inachtneming van de voorwaarden, gesteld in
Verordening (EG) nr.1541/98 van de Raad van 13 juli 1998 betreffende
de bewijsstukken inzake de oorsprong van bepaalde, in de Gemeenschap
in het vrije verkeer gebrachte textielproducten van afdeling XI van de
gecombineerde nomenclatuur en betreffende de voorwaarden waaronder die
bewijsstukken kunnen worden aanvaard (PbEG L 202).
Artikel 5:9
1.Het is verboden om de goederen die vermeld staan in bijlage II
van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van de Europese Unie
van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die
gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere
wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PbEU L
200), in- en uit te voeren.
2.Het is verboden om in de gevallen waar op grond van artikel 5 van
de verordening, genoemd in het eerste lid, voor de uitvoer een
vergunning is vereist, uit te voeren zonder vergunning.
Artikel 5:10
1.Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 van
Verordening (EG) nr. 953/2003 ter voorkoming van verlegging van het
handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese
Unie (PbEU L 135).
2.De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 8 en 9 van de
verordening, genoemd in het eerste lid, is de Minister van Economische
Zaken.
Hoofdstuk 6. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap
verlaten
Artikel 6:1
1.Als douanekantoor van uitgang voor goederen die over zee het
douanegebied van de Gemeenschap verlaten, worden aangewezen de
douanekantoren, opgenomen in bijlage III.
2.Als douanekantoor van uitgang voor goederen die door de lucht het
douanegebied van de Gemeenschap verlaten, worden aangewezen de
douanekantoren, opgenomen in bijlage IV.
Artikel 6:1a
1. Het aanbrengen bij het douanekantoor van uitgang, bedoeld in
artikel 793, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek, vindt op elektronische wijze plaats met een
aankomstmelding. In de aankomstmelding worden de gegevens opgenomen
volgens de in bijlage IXaopgenomen specificaties.
2. De inspecteur kan toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde
in het eerste lid.
Artikel 6:2
1. Van een schip of luchtvaartuig dat het douanegebied van de
Gemeenschap over zee of door de lucht zal verlaten, wordt aangifte ten
uitklaring gedaan.
2. Van alle goederen geladen in een Nederlandse haven of luchthaven
aan boord van het in het eerste lid bedoelde schip of luchtvaartuig,
wordt eveneens aangifte ten uitklaring gedaan.
3. De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt
gedaan door het op elektronische wijze inzenden van de generale
verklaring (IMO / FAL 1 bij vertrek), zoals voorzien in de bijlage bij
de IMO Facilitatie Conventie 1965 van de Internationale Maritieme
Organisatie (Trb. 1966, 62), respectievelijk de generale verklaring
luchtvaart, zoals is voorzien in bijlage 9 bij het op 7 december 1944
te Chicago tot stand gekomen ICAO verdrag inzake de internationale
burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165) van de Internationale organisatie
voor de burgerluchtvaart.
4. De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt
gedaan door het op elektronische wijze inzenden van het douanemanifest
bij uitgang. In het douanemanifest bij uitgang worden de gegevens
opgenomen volgens de in bijlage IXa opgenomen specificaties.
5. De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt
gedaan voor vertrek van het schip of luchtvaartuig. De aangifte ten
uitklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan binnen 3
kalenderdagen na vertrek van het schip of luchtvaartuig.
6. De inspecteur kan toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde
in het vijfde lid.
Artikel 6:3
1.Als vaarwaters waarlangs schepen en de daarin of daarop aanwezige
goederen het douanegebied van de Gemeenschap rechtstreeks verlaten,
worden aangewezen de vaarwaters, opgenomen in bijlage II.
2.In afwijking van het eerste lid wordt toegestaan dat goederen die
over zee het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, worden
overgeladen in een schip dat het douanegebied van de Gemeenschap zal
verlaten.
3.De toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts verleend
voor het overladen van:
a. provisie of scheepsbehoeften ten behoeve van de bemanning
van het schip;
b. brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of
smering van het schip;
c. goederen welke nodig zijn voor reparatie of vervanging van
onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging
noodzakelijk is om het schip zijn reis te kunnen laten
voortzetten.
4.Voor het overladen, bedoeld in het tweede lid, is een vergunning
van de inspecteur vereist.
Artikel 6:4
1.De in artikel 2:3 bedoelde schepen en luchtvaartuigen, alsmede
schepen die over zee van de ene in Nederland gelegen haven naar de
andere gaan, hoeven bij het verlaten van het douanegebied van de
Gemeenschap niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van
uitgang.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op schepen en
luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 2:3 indien ter zake van de
uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van
kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer aan het
douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld.
Artikel 6:4a
De summiere aangifte, bedoeld in artikel 182quater van het
Communautair douanewetboek, wordt gesteld in de Nederlandse, Franse,
Duitse of Engelse taal.
Artikel 6:5
Een schip dan wel een luchtvaartuig dat het douanegebied van de
Gemeenschap zal verlaten, vertrekt van de haven onderscheidenlijk de
internationale luchthaven, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk
tweede lid, van artikel 2:1, niet zonder toestemming van de inspecteur.
Hoofdstuk 7. Bijzondere regelingen
Afdeling 7.1. Preferentiële oorsprong
Artikel 7:1
In afwijking van het forfaitair douanerecht dat wordt toegepast op
grond van bijlage I, Eerste Deel, Titel II, punt D.1 bij Verordening (EEG)
nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief-
en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L
256) (de gecombineerde nomenclatuur) worden zonder heffing van rechten
bij invoer toegelaten goederen, die in kleine zendingen of door
reizigers als bagage worden vervoerd, van oorsprong uit:
– Andorra, voor zover de goederen vallen onder de hoofdstukken
1 tot en met 24 van de gecombineerde nomenclatuur;
– de ACS-staten, die vallen onder Verordening (EG) Nr.
1528/2007 van de Raad tot toepassing van de regelingen voor goederen
van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten
in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn
opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot
instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst van 20
december 2007 (PbEU 2007, L 348);
– Albanië, Algerije, Gebieden onder Palestijnse autoriteit, de
begunstigde landen in het kader van het Algemeen Preferentieel
Systeem (APS), Bosnië-Herzegovina, Ceuta, Chili, de Europese
Economische Ruimte, Egypte, Faeröer, Israël, Jordanië, Kosovo,
Kroatië, de Landen en Gebieden Overzee, Libanon, de voormalige
Joegoslavische Republiek Macedonië, Marokko, Melilla, Mexico,
Moldavië, Montenegro, Servië, Syrië, Tunesië, Zuid-Afrika of
Zwitserland;
– Turkije, voor zover de goederen vallen onder Protocol nr. 1
bij het Besluit van de Commissie over de sluiting van een
overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en
Turkije betreffende de handel in producten waarop het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van
toepassing is van 29 februari 1996 (PbEG 1996, L 227) en Protocol
nr. 3 bij het Besluit 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije
betreffende de handelsregeling voor landbouwproducten van 25
februari 1998 (PbEG van 20 maart 1998, L 86).
Afdeling 7.2. Vrijstellingen
Artikel 7:2
1. Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van
rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 3, 12, eerste lid, 17,
20, 21, 28, 34, 43, 44, 45, 51, 53, 57, 59, 61, 67, 68, 74 en 95 van
Verordening 1186/2009, is een vergunning van de inspecteur vereist met
dien verstande dat voor de vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 67
en 68 van Verordening 1186/2009, een vergunning slechts is vereist
indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een
instelling of organisatie.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de goederen in het
vrije verkeer worden gebracht door een openbare instelling of een
instelling of organisatie, genoemd in artikel 7:4 of in de bijlagen X
tot en met XVI.
Artikel 7:2a
1. Een instelling of organisatie kan op aanvraag worden aangewezen
als instelling of organisatie die een beroep mag doen op een
vrijstelling, genoemd in deze afdeling.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de
inspecteur. Op voordracht van de inspecteur kan de instelling of
organisatie worden opgenomen in een van de bijlagen bij deze regeling.
Artikel 7:3
1. Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de
artikelen 3, 12, 17, 20, 21, 28 en 34 van Verordening 1186/2009 wordt
slechts verleend indien een door belanghebbende ondertekende lijst
wordt overgelegd met een beschrijving van alle goederen waarvoor
aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt.
2. De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 12
van Verordening 1186/2009, wordt voorts slechts verleend indien
belanghebbende aantoont dat zijn huwelijk heeft plaatsgehad of dat de
eerste officiële stappen met het oog op zijn huwelijk zijn gezet.
3. Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de
artikelen 17 en 20 van Verordening 1186/2009 wordt voorts slechts
verleend indien een door een notaris of vergelijkbare functionaris in
het land van uitvoer afgegeven verklaring wordt overgelegd waaruit
blijkt dat de goederen door vererving zijn verkregen.
4. De termijn van twaalf maanden, bedoeld in artikel 33, eerste
lid, van Verordening 1186/2009, wordt niet verlengd.
5. Voor het verlenen van een vrijstelling van rechten bij invoer
als bedoeld in de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009 kan de
inspecteur een medische verklaring vragen aan een natuurlijke persoon
die de goederen voor zijn eigen gebruik in het vrije verkeer brengt.
Artikel 7:4
1. Als instellingen en organisaties als bedoeld in artikel 43,
aanhef en onder b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de
instellingen en organisaties, genoemd in bijlage X.
2. Als instellingen als bedoeld in artikel 44, tweede lid,
onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de
instellingen, genoemd in bijlage XI.
3. Als instellingen met zetel in de Gemeenschap als bedoeld in
artikel 51, tweede lid, onderdeel a, van Verordening 1186/2009 worden
aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XII.
4. Als instellingen als bedoeld in artikel 53, tweede lid,
onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de
instellingen, genoemd inbijlage XIII.
5. Als instelling als bedoeld in artikel 55, aanhef en onder a, van
Verordening 1186/2009 wordt aangewezen: Stichting Sanquin
Bloedvoorziening.
6. Als instellingen als bedoeld in artikel 57 van Verordening
1186/2009 worden aangewezen de ziekenhuizen, gezondheidsinstellingen
en dergelijke instellingen welke zich uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend bezighouden met medisch onderzoek, medische diagnose of
medische behandeling.
7. Als geadresseerden als bedoeld in artikel 59 van Verordening
1186/2009 worden aangewezen de geadresseerden, genoemd in bijlage XIV.
8. Als instellingen met een liefdadig en filantropisch karakter als
bedoeld in de artikelen 61, eerste lid, onderdeel a, en 74, eerste
lid, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen:
– Vereniging het Nederlandse Rode Kruis;
– Stichting Leger des Heils Dienstverlening.
9. Als instellingen en organisaties als bedoeld in de artikelen 67
en 68, eerste lid, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de
instellingen en organisaties, genoemd in bijlage XV.
10. Als organisaties als bedoeld in artikel 112 van Verordening
1186/2009 worden aangewezen de organisaties, genoemd in bijlage XVI.
Artikel 7:5 [Vervallen per 01-12-2008]
Artikel 7:6
Voor de beoordeling van de vraag of monsters en stalen als bedoeld in
artikel 86 van Verordening 1186/2009 een onbeduidende waarde hebben,
wordt de gezamenlijke waarde van alle monsters en stalen die van
eenzelfde zending deel uitmaken, in aanmerking genomen. De waarden van
de zendingen die door dezelfde afzender aan verschillende geadresseerden
zijn verzonden, worden niet samengeteld.
Artikel 7:7
De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 113 van
Verordening 1186/2009, voor zover deze betrekking heeft op lijkkisten of
urnen, wordt slechts verleend indien een laissez passer voor lijken, een
lijkenpas of een overeenkomstige verklaring wordt overgelegd.
Artikel 7:8
1.Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het
brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het
persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder
begrepen – van diplomatieke en consulaire ambtenaren van in bijlage
XVII genoemde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen in
Nederland.
2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing indien de desbetreffende ambtenaar Nederlander is, duurzaam
in Nederland verblijft dan wel honorair consul is.
3.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het
motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per
ambtenaar.
4.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing op internationale ambtenaren van de in lid
1 bedoelde organisaties, indien met de organisaties is overeengekomen
dat aan de internationale ambtenaren de voorrechten worden verleend
die in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer 1961 worden
toegekend aan diplomatieke ambtenaren.
Artikel 7:9
1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het
brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het
persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder
begrepen – van leden van het administratief, technisch en bedienend
personeel van in bijlage XVII genoemde diplomatieke en consulaire
vertegenwoordigingen in Nederland.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing indien het desbetreffende personeelslid Nederlander is,
duurzaam in Nederland verblijft, dan wel dat er op het moment van het
in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in
Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken.
3. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het
motorrijtuigen betreft, beperkt tot maximaal twee personenvoertuigen
per personeelslid.
4. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing op internationale ambtenaren van de aldaar
bedoelde organisaties, indien met de organisaties is overeengekomen
dat aan de internationale ambtenaren de voorrechten worden verleend
die in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer 1961 worden
toegekend aan de in het eerste lid bedoelde personeelsleden.
Artikel 7:10
1.Het verzoek tot het verlenen van een vrijstelling, bedoeld in
artikel 7:8 en artikel 7:9, wordt gedaan door het overleggen van de
aangifte voor het brengen in het vrije verkeer. Deze aangifte wordt
gedaan bij de inspecteur door het overleggen van een door het hoofd
van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ondertekende
aangifte Douane 39.
2.De vrijstelling wordt slechts verleend indien alle
douane-exemplaren van eerder gedane aangiften ten behoeve van
eenzelfde belanghebbende, voorzien van een door hem en het hoofd van
de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging voor gezien getekende
ontvangstbevestiging, binnen drie dagen na het verstrijken van de
geldigheidsduur van de volgens het eerste lid gedane aangifte door de
inspecteur zijn terugontvangen.
3.Voor een motorvoertuig waarvoor vrijstelling van rechten bij
invoer is verleend, wordt een geldig Nederlands kentekenbewijs
afgegeven dat is voorzien van de aanduiding ‘vrijstelling van
rechten bij invoer en/of omzetbelasting en/of belasting van
personenauto’s en motorrijwielen; vervalt bij vervreemding;
kentekenbewijs niet overdraagbaar’. De motorvoertuigen worden zonder
een dergelijke kentekenbewijs niet gebruikt.
4.Het is verboden om de overeenkomstig de artikelen 7:8 en 7:9 met
vrijstelling in het vrije verkeer gebrachte goederen:
– uit te lenen, te verpanden, te verhuren, onder bezwarende
titel of om niet over te dragen, zonder dat daartoe toestemming is
verkregen van de inspecteur die de vrijstelling heeft verleend; en
– te gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de
vrijstelling niet geldt.
Artikel 7:11
1.Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het
brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor
officieel gebruik – bouwen en herstellen daaronder begrepen – van
een diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in Nederland,
genoemd in bijlage XVII.
2.Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat het hoofd van de diplomatieke of
beroepsconsulaire vertegenwoordiging in een schriftelijke verklaring
bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de
vertegenwoordiging bestemd zijn.
Artikel 7:12
1.Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het
brengen in het vrije verkeer van kanselarijbenodigdheden die bestemd
zijn voor het officiële gebruik van een honorair consulaire
vertegenwoordiging in Nederland, genoemd in bijlage XVII.
2.Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat het hoofd van de honorair consulaire
vertegenwoordiging in een schriftelijke verklaring bevestigt dat de
goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd
zijn.
Artikel 7:13
1.Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het
brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het
verrichten van de officiële werkzaamheden door een internationale
organisatie in Nederland, genoemd in bijlage XVIII.
2.Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in
een schriftelijke verklaring bevestigt dat de goederen voor het
officiële gebruik van de internationale organisatie bestemd zijn.
Artikel 7:14
1.Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het
brengen in het vrije verkeer van personenvoertuigen die bestemd zijn
voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden
daaronder begrepen – van personen in dienst bij een internationale
organisatie genoemd in bijlage XIX.
2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing indien het desbetreffende personeelslid Nederlander is,
duurzaam in Nederland verblijft, dan wel dat er op het moment van het
in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in
Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken.
3.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is beperkt tot één
personenvoertuig per persoon in dienst bij de aldaar bedoelde
internationale organisatie.
4.Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in
een schriftelijke verklaring bevestigt dat de persoon die gebruik
wenst te maken van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling in
dienst is bij die internationale organisatie, geen Nederlander is en
niet duurzaam in Nederland verblijft. Voorts vermeldt de verklaring de
normale verblijfplaats van de persoon op het moment van aanwerving en
de datum van tewerkstelling in Nederland.
Artikel 7:15
1.Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het in
het vrije verkeer brengen van gronduitrusting door buiten de Benelux
gevestigde luchtvaartondernemingen om op een douaneluchtvaartterrein
te worden gebruikt voor de inrichting of exploitatie van een
internationale luchtdienst door die onderneming.
2.Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van
rechten bij invoer is een vergunning van de inspecteur vereist.
3.Indien de luchtvaartonderneming tegelijkertijd goederen van twee
of meer soorten in het vrije verkeer brengt, mag worden volstaan met
één aangifte voor het brengen in het vrije verkeer, mits de aangifte
is aangevuld met een lijst waarop de gegevens van de goederen zijn
vermeld.
Artikel 7:16
1.Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het
brengen in het vrije verkeer van:
a. provisie en scheepsbehoeften aan boord van binnenkomende
schepen, geen woonschepen zijnde;
b. provisie aanwezig in luchtvaartuigen in internationaal
verkeer;
c. brandstoffen en smeermiddelen aanwezig in binnenkomende
schepen en luchtvaartuigen en bestemd voor de aandrijving of
smering daarvan.
2.De vrijstelling voor de goederen, bedoeld in het eerste lid,
wordt slechts verleend voor de hoeveelheden, welke redelijkerwijs
noodzakelijk worden geacht voor het verbruik of gebruik aan boord.
3.Het is verboden de goederen uit de vervoermiddelen te
verwijderen.
Afdeling 7.3. Omzetbelasting en accijns
Artikel 7:17
Voor goederen, vermeld in onderstaande
lijst, die in kleine zendingen of door reizigers als bagage worden
vervoerd, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 7:1, een forfaitaire
accijns geheven overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die gelden
voor het douanerecht. De accijns wordt berekend naar de bij die goederen
vermelde tarieven.
|
Omschrijving |
Grondslag |
Tarief |
|
a. overige alcoholhoudende
producten als bedoeld in artikel 12 van de Wet op de accijns: |
liter |
€ 6,06 |
|
b. rooktabak |
kleinhandelsprijs van
soortgelijke producten |
66% |
|
c. sigaretten |
kleinhandelsprijs van
soortgelijke producten |
69,8% |
Artikel 7:18
Op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere producten zijn de artikelen 25
tot en met 27 van Verordening 1186/2009 van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat:
a. de vrijstelling voor alcoholhoudende dranken als bedoeld in
artikel 27, onderdeel b, eerste en tweede gedachtestreepje, van
Verordening 1186/2009, is beperkt tot één fles van het
gebruikelijke type met een maximum van 1 liter;
b. de vrijstelling voor de hierna genoemde goederen is beperkt
tot de volgende hoeveelheden:
1°. koffie: 500 gram;
2°. koffie-extracten en koffie-essences: 200 gram;
3°. thee: 100 gram;
4°. thee-extracten en thee-essences: 40 gram.
Artikel 7:19
Op de omzetbelasting zijn de artikelen 28 tot en met 34 van
Verordening 1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 en 7:3 van
overeenkomstige toepassing voor zover de voor het vrije verkeer
aangegeven goederen niet zijn bestemd voor de uitoefening van een
activiteit die op grond van artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting
1968 is vrijgesteld.
Artikel 7:20 [Vervallen per 01-12-2008]
Artikel 7:21
Op de omzetbelasting is artikel 42 van Verordening 1186/2009 alsmede
artikel 7:2 van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft
goederen, genoemd in bijlage I, onderdeel B, van Verordening 1186/2009.
Artikel 7:22
Op de omzetbelasting is artikel 43 van Verordening 1186/2009 alsmede
de artikelen 7:2 en 7:4, van overeenkomstige toepassing voor zover het
betreft goederen, genoemd in bijlage II, onderdeel B, van Verordening
1186/2009, mits de aan de aangifte voor het vrije verkeer ten grondslag
liggende levering om niet geschiedt, of, indien zij onder bezwarende
titel plaatsheeft, de goederen worden geleverd door een ander dan een
ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Artikel 7:23
Op de accijnzen en de omzetbelasting is artikel 53 van Verordening
1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 en 7:4 van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat voor dieren die voor laboratoriumgebruik zijn
gefokt, de vrijstelling uitsluitend van toepassing is indien die dieren
om niet aan laboratoria worden afgestaan.
Artikel 7:24
Op de omzetbelasting zijn de artikelen 67 en 68 van Verordening
1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 en 7:4 van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat:
a. de vrijstelling kan worden verleend voor alle goederen die
speciaal zijn ontworpen voor onderwijs aan en tewerkstelling of
verbetering van de maatschappelijke positie van geestelijk
gehandicapten, blinden en andere lichamelijk gehandicapten;
b. geen vrijstelling wordt verleend indien de goederen door
geestelijk gehandicapten, blinden en andere lichamelijk
gehandicapten voor hun eigen gebruik worden ingevoerd;
c. geen vrijstelling wordt verleend indien de goederen met enige
commerciële bijbedoeling van de gever of niet om niet aan een in
bijlage XV aangewezen instelling of organisatie worden gezonden.
Artikel 7:25
Op de omzetbelasting is artikel 104 van Verordening 1186/2009 van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat geen vrijstelling
wordt verleend voor belastingzegels als bedoeld in artikel 104,
onderdeel q, van Verordening 1186/2009.
Artikel 7:26
1.Op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere producten zijn de artikelen
185 tot en met 187 van het Communautair douanewetboek, de artikelen
844 tot en met 856 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek alsmede artikel 7:28 van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat de bepalingen inzake het inlichtingenblad INF 3
slechts van toepassing zijn voor zover gelijktijdig aanspraak op
vrijstelling van rechten bij invoer wordt gemaakt.
2.Vrijstelling van omzetbelasting voor terugkerende goederen als
bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt
aangetoond dat op de terugkerende goederen omzetbelasting drukt.
3.Vrijstelling van accijns voor terugkerende goederen als bedoeld
in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt aangetoond dat
de voorafgaande uitvoer van deze goederen niet heeft plaatsgevonden
uit een accijnsgoederenplaats dan wel met teruggaaf van accijns.
4.Vrijstelling van verbruiksbelasting voor terugkerende goederen
als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt
aangetoond dat de voorafgaande uitvoer van deze goederen niet heeft
plaatsgevonden vanuit een inrichting als bedoeld in artikel 2,
onderdeel b, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten dan wel met teruggaaf van
verbruiksbelasting.
Artikel 7:27
1. Op de accijnzen zijn de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59,
74 tot en met 80, 85, 86, 95 tot en met 101 en 107 tot en met 112 van
Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:13, 7:15
en 7:16 van overeenkomstige toepassing.
2. Op de omzetbelasting zijn de artikelen 3 tot en met 20, 21, 24,
54 tot en met 56, 59 tot en met 65, 74 tot en met 103 en 105 tot en
met 113 van Verordening 1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 tot en met
7:16 van overeenkomstige toepassing.
3. Op de omzetbelasting is artikel 23 van Verordening 1186/2009 van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat onder ‘goederen
met een te verwaarlozen waarde’ wordt verstaan goederen waarvan de
intrinsieke waarde niet meer dan € 22 per zending bedraagt.
4. Op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van
enkele andere produkten zijn de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59,
74 tot en met 80, 85, 86, 90 tot en met 101 en 107 tot en met 112 van
Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:13, 7:15
en 7:16 van overeenkomstige toepassing.
5. Op de omzetbelasting is de gehele of gedeeltelijke vrijstelling
van rechten bij invoer bij het in het vrije verkeer brengen van
goederen, die overeenkomstig de douaneregeling passieve veredeling
tijdelijk zijn uitgevoerd, van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 7.4. Terugkerende goederen
Artikel 7:28
1.De documenten, bedoeld in artikel 848, eerste lid, onder a en b,
van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek zijn,
behoudens in de gevallen waarin de goederen in het kader van de
regeling passieve veredeling zijn uitgevoerd, niet vereist indien het
de volgende goederen betreft:
a. motorrijtuigen alsmede kleine aanhangwagens die zijn bestemd
voor het vervoer van reisbenodigdheden, duidelijk sporen van
gebruik vertonen en samen met de motorrijtuigen worden ingevoerd,
indien bij de motorrijtuigen een geldig kentekenbewijs aanwezig is
en zij, alsmede de aanhangwagens, het in dat bewijs vermelde
kenteken voeren, voor zover daaruit blijkt dat zij in het vrije
verkeer zijn;
b. aanhangwagens, andere dan die zijn bedoeld in onderdeel a en
opleggers, voor zover uit de overgelegde bescheiden dan wel op
andere wijze blijkt dat zij in het vrije verkeer zijn;
c. luchtvaartuigen die in één der lidstaten van de Europese
Unie zijn ingeschreven;
d. locomotieven en ander rollend spoorwegmaterieel, die zijn
ingeschreven in het wagenpark van een in één der lidstaten
gevestigde spoorweg- of andere onderneming, indien wordt
aangetoond dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het
douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd;
e. andere vervoermiddelen, indien wordt aangetoond dat zij
tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de
Gemeenschap zijn uitgevoerd;
f. containers, met inbegrip van het normale toebehoren en de
normale uitrusting daarvan, verpakkingsmiddelen en andere
voorwerpen, vervaardigd en ingericht voor het vervoer van
goederen, alsmede dekkleden en stuwmateriaal ten aanzien waarvan
bij wederinvoer, gelet op de aard, de bijzondere kenmerken en de
gebruiksvoorwaarden, aannemelijk is dat zij tevoren uit het vrije
verkeer van het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd;
g. goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van
reizigers en die tevoren uit het vrije verkeer van het
douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd; de inspecteur kan
vorderen dat de herkomst uit het vrije verkeer van het
douanegebied van de Gemeenschap wordt aangetoond door middel van
een schriftelijk bewijsstuk.
2.Wanneer de inspecteur twijfelt of vervoermiddelen voldoen aan de
voorwaarden voor de vrijstelling van rechten bij invoer, kunnen de
vervoermiddelen worden ingevoerd nadat zekerheid is gesteld voor de
rechten bij invoer die voor die vervoermiddelen verschuldigd zijn. De
belanghebbende kan binnen drie maanden bij de inspecteur een verzoek
indienen om voor de goederen alsnog vrijstelling van rechten bij
invoer te verlenen, mits hij daarbij aantoont dat aan de voorwaarden
voor de vrijstelling van rechten bij invoer is voldaan.
3.Het is verboden om aanspraak gemaakt op vrijstelling van rechten
bij invoer voor een motorrijtuig waarvan het chassis- of framenummer
is gewijzigd of verwijderd zonder dat daartoe door de inspecteur
toestemming is verleend.
Afdeling 7.5. Postverkeer
Artikel 7:29
1. Binnengebrachte postzendingen als bedoeld in artikel 237, eerste
lid, onderdeel A, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek, welke niet rechtstreeks naar een plaats buiten
Nederland zullen worden gevoerd, worden gebracht naar een
sorteerplaats van de Post of naar een bergplaats van de Post.
2. Vanaf de sorteerplaats kunnen postzendingen als bedoeld in
artikel 237, derde lid, onderdeel a, van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek zonder verdere formaliteiten ter
beschikking worden gesteld aan de geadresseerde. Andere postzendingen
worden zonder verdere formaliteiten hetzij buiten Nederland gevoerd,
hetzij overgebracht naar een bergplaats van de Post.
3. De plaatsen waar sorteerplaatsen en bergplaatsen voor
binnengebrachte postzendingen zijn gelegen, worden door de Minister
van Financiën in overeenstemming met de Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie vastgesteld.
Artikel 7:30
Indien goederen als postzending als bedoeld in artikel 237, eerste
lid, onderdeel B, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, vindt
de aftekening van de van toepassing zijnde aangifte plaats door de Post
op plaatsen die door de Minister van Financiën in overeenstemming met
de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zijn
vastgesteld.
Hoofdstuk 8. Douaneschuld
Afdeling 8.1. Zekerheidstelling
Artikel 8:1
Een hypotheek wordt als zekerheidstelling aanvaard indien:
a. de waarde van de desbetreffende onroerende zaak voldoende is
om als onderpand dienst te kunnen doen;
b. de onroerende zaak verzekerd is tegen brand en de Staat der
Nederlanden in de verzekeringspolis is aangewezen als begunstigde
van de uitkering;
c. de hypotheekgever een zogenoemde hypothecair-belangverzekering
heeft afgesloten dan wel de hypotheekakte een zogenoemde
Kramer-verklaring bevat;
d. in de akte een huurbeding als bedoeld in artikel 264 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen;
e. in de hypotheekakte een beding als bedoeld in artikel 265 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen;
f. in de hypotheekakte de bedingen, bedoeld in artikel 267 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zijn opgenomen.
Artikel 8:1a
De aanvulling of vervanging van een zekerheid, bedoeld in artikel 198
van het Communautair douanewetboek, wordt binnen een maand na de
mededeling door de ontvanger, dat aanvulling of vervanging van de
zekerheid wordt geëist, gesteld.
Afdeling 8.2. Invordering van het bedrag van de douaneschuld
Artikel 8:2
Het aanslagbiljet bevat in ieder geval de volgende gegevens:
– naam, adres en woonplaats van de schuldenaar of
belanghebbende;
– kenmerk en datum van de beschikking;
– bedrag aan rechten, compensatierente dan wel compenserende
rente, kosten of bestuurlijke boete;
– bezwaarclausule.
Afdeling 8.3. Berekening en afronding
Artikel 8:3
1. Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere
belastingen, heffingen en retributies wordt een bedrag dat dient als
grondslag voor die berekening zodanig afgerond dat een gedeelte van
een euro rekenkundig wordt afgerond op hele euro’s.
2. Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere
belastingen, heffingen en retributies wordt een hoeveelheid die dient
als grondslag voor die berekening, zodanig afgerond dat een gedeelte
van een kilogram, van een liter of van een meter in aanmerking wordt
genomen als een heel kilogram, een hele liter of een hele meter.
3. Indien de eenheid waarover het bedrag aan rechten, andere
belastingen, heffingen en retributies moet worden berekend minder is
dan een kilogram, een liter of een meter, wordt, in afwijking van het
tweede lid, een hoeveelheid die dient als grondslag voor de
berekening, bedoeld in het tweede lid, zodanig afgerond dat een
gedeelte van 100 gram, van een deciliter of van een decimeter in
aanmerking wordt genomen als 100 gram, een hele deciliter of een hele
decimeter.
4. Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere
belastingen, heffingen en retributies wordt een volumepercentage
ethylalcohol die dient als grondslag voor die berekening, naar beneden
afgerond op tiende percent absolute ethylalcohol.
Artikel 8:4
Indien de hoeveelheid van de goederen kleiner is dan de hoeveelheid
waarin het douanetarief is uitgedrukt, wordt het bedrag aan rechten naar
evenredigheid berekend.
Artikel 8:5
1.Het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen,
retributies, renten, interesten of kosten van ambtelijke werkzaamheden
wordt rekenkundig afgerond op eurocenten.
2.Indien de berekening van het bedrag, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt aan de hand van een aangifte, wordt elk onderdeel van de
aangifte overeenkomstig het eerste lid afgerond.
Artikel 8:6
1.De boeking van bedragen aan rechten blijft achterwege indien het
totaal verschuldigde bedrag lager is dan € 10.
2.Indien een aanvullende aangifte als bedoeld in artikel 76, tweede
lid, van het Communautair douanewetboek wordt gedaan, wordt voor de
toepassing van het eerste lid onder totaal verschuldigd bedrag
verstaan het op grond van de aanvullende aangifte getotaliseerde
verschuldigde bedrag.
Hoofdstuk 9. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij
invoer of de rechten bij uitvoer
Artikel 9:1
1.Terugbetaling of kwijtschelding van accijnzen, omzetbelasting en
de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en enkele andere
producten wordt verleend in de gevallen waarin bij of krachtens het
Communautair douanewetboek aanspraak op terugbetaling of
kwijtschelding van rechten bij invoer bestaat of zou bestaan.
2.De door het Comité genomen beschikking, bedoeld in artikel 239,
lid 1, tweede gedachtestreepje, van het Communautair douanewetboek en
de ter uitvoering van dat artikel vastgestelde bepalingen zijn van
overeenkomstige toepassing op het verzoek om terugbetaling of
kwijtschelding voor zover het tevens betrekking heeft op accijnzen,
omzetbelasting en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en
van enkele andere producten.
Hoofdstuk 10. Bestuurlijke boeten
Artikel 10:1
1. Het drukken van formulieren van certificaten inzake
goederenverkeer zonder een vergunning van de Minister van Financiën
en het drukken van certificaten van oorsprong zonder vergunning van de
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie vormen verzuimen
ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden
opgelegd van ten hoogste € 150.
2. Overtreding van het verbod:
a. bedoeld in artikel 1:14, vierde lid; of
b. bedoeld in artikel 1:16, vierde lid;
vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een
bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste€ 150.
Artikel 10:2
Het opstellen van een leveranciersverklaring of een verklaring
omtrent de preferentiële oorsprong op de factuur of op een ander
handelsbescheid op basis van onvolledige of onjuiste gegevens of zonder
dat het bewijs daarvoor in de administratie aanwezig is vormt een
verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan
worden opgelegd van ten hoogste € 150.
Artikel 10:3
Indien wijziging in de inrichting van een ruimte voor tijdelijke
opslag wordt aangebracht zonder goedkeuring van de inspecteur, vormt dit
een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete
kan worden opgelegd van ten hoogste € 150.
Artikel 10:4
Het achterwege laten van:
a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 2:0, eerste lid;
b. de kennisgeving, bedoeld inartikel 2:4, eerste lid; of
c. de mededeling, bedoeld in artikel 2:5, vijfde lid;
vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een
bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste€ 150.
Artikel 10:5
De in de artikelen 10:1, 10:2, 10:3, en 10:4 genoemde bedragen worden
elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015, overeenkomstig artikel
9:6a van de wet, bij ministeriële regeling gewijzigd.
Hoofdstuk 11. Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 11:1
Degene die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, of handelingen
verricht, welke leiden of kunnen leiden tot een onjuiste terugbetaling
van rechten bij invoer, of kwijtschelding van rechten bij invoer, maakt
zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.
Artikel 11:2
Degene die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, waardoor ten
onrechte een vrijstelling wordt genoten of zou kunnen worden genoten,
maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.
Artikel 11:3
Degene die een der in deze regeling omschreven verboden overtreedt,
maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.
Artikel 11:4
Hij die geen bijstand verleent of niet alle nodige bescheiden en
inlichtingen verstrekt binnen de eventueel vastgestelde termijn zoals
bedoeld in artikel 14 CDW maakt zich schuldig aan het plegen van een
strafbaar feit.
Artikel 11:5
Hij die zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste
toestemming:
a. goederen lost, laadt, overlaadt, inslaat of uitslaat;
b. goederen als bedoeld inartikel 2:4 verder landinwaarts brengt
dan tot de eerste plaats waar zij tegen beschadiging door het
zeewater zijn beveiligd; of
c. een binnengekomen schip dan wel een binnengekomen
luchtvaartuig laat vertrekken van de haven of de internationale
luchthaven, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, onderscheidenlijk
tweede lid;
maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.
Artikel 11:6
Hij die in strijd met wettelijke bepalingen verandering brengt in de
staat waarin binnengebrachte goederen of goederen die het douanegebied
zullen verlaten zijn aangebracht maakt zich schuldig aan het plegen van
een strafbaar feit.
Artikel 11:7
Hij die in strijd met de wettelijke bepalingen een aanvullende
aangifte zoals bedoeld in artikel 76, lid 2 CDW achterwege laat of niet
tijdig doet, pleegt een strafbaar feit.
Hoofdstuk 12. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 12:1
1.Van de inbeslagneming van goederen, ter zake van het begaan van
bij wettelijke bepalingen strafbaar gesteld feiten door onbekende
personen, wordt mededeling gedaan in één of meer door de inspecteur
aan te wijzen dag- of nieuwsbladen, met vermelding van een
omschrijving van de goederen en van de voor de goederen gebezigde
verpakking.
2.Indien de goederen een spoedige, aanmerkelijke waardevermindering
onderhevig zijn of indien de bewaring of het onderhoud ervan een
gevaar oplevert dan wel hoge kosten met zich meebrengt, wordt, in
afwijking van het eerste lid, van de inbeslagneming op door inspecteur
te bepalen wijze, naar plaatselijk gebruik, in het openbaar mededeling
gedaan.
3.De vorige leden vinden overeenkomstige toepassing bij de
inbeslagneming op onbekende personen van vervoermiddelen en
voorwerpen, bedoeld in artikel 1:37, eerste lid, van de wet, met dien
verstande dat tevens de gronden tot die inbeslagneming worden vermeld.
Artikel 12:2
Onder de voorwaarden voor het vrijgeven van goederen welke ter zake
van het begaan van bij wettelijke bepalingen strafbaar gestelde feiten
in beslag zijn genomen, wordt ten minste gesteld dat ten kantore van een
door de inspecteur aangewezen ontvanger zekerheid wordt gesteld tot
verzekering van de uitlevering van de goederen of de voldoening van de
waarde daarvan.
Artikel 12:3
1.Bij de inbewaringneming van goederen is, indien de belanghebbende
bij die goederen niet bekend is, Artikel 12:1, eerste en tweede lid,
van overeenkomstige toepassing.
2.De verkoop van de in bewaring genomen goederen vindt niet eerder
plaats dan nadat aan het voornemen daartoe in de een of meerdere, door
de inspecteur aan te wijzen, dag- of nieuwsbladen bekendheid is
gegeven.
3.Indien de goederen een spoedige, aanmerkelijke waardevermindering
onderhevig zijn of indien de bewaring of het onderhoud ervan een
gevaar oplevert dan wel hoge kosten met zich meebrengt, vindt, in
afwijking van het tweede lid, de verkoop plaats nadat van het
voornemen op door de inspecteur te bepalen wijze in het openbaar
kenbaarheid is gegeven.
4.De verkoop van de in bewaring genomen goederen geschiedt in het
openbaar en volgens plaatselijke gebruiken.
5.In afwijking van het bepaalde in de vorige leden, kan de verkoop
met volmacht van de inspecteur onderhands geschieden indien het
vermoeden bestaat dat uit de opbrengst van de goederen de aan een
openbare verkoop verbonden kosten niet kunnen worden bestreden of
indien het de verkoop van in het derde lid bedoelde goederen betreft.
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Artikel 13:1
Deze regeling wordt aangehaald als: Algemene douaneregeling
Artikel 13:2
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene
douanewet in werking treedt.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag,
14 juli 2008.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
F. Heemskerk.
Bijlagen niet opgenomen
|