| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Binnenvaartwet
BINNENVAARTREGELING
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de Herziene Rijnvaartakte met
bijbehorende protocollen, alsmede op Verordening (EEG) nr. 1017/68 van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 juli 1968 houdende de
toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per
spoor, over de weg en over de binnenwateren (PbEG L 175); Richtlijn
nr. 76/135/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 januari
1976 inzake wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen
(PbEG L 021); Verordening (EEG ) nr. 2919/85 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de
voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor
het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de
vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280); Richtlijn
nr. 87/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november
1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal
en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de
onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s,
certificaten en andere titels (PbEG L 322); Verordening (EEG) nr.
3921/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991
tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden
toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de
binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG
L 373); Richtlijn nr. 91/672/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake wederzijdse erkenning van de
nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en
personenvervoer over de binnenwateren (PbEG L 373); Verordening
(EEG) nr. 3912/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17
december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de
binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of
tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 395); Verordening
(EEG) nr. 1356/96 van de Raad van de Europese Unie van 8 juli 1996 tot
vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor het vervoer van
goederen of personen over de binnenwateren, tussen Lid-Staten, om voor
dit vervoer het vrij verrichten van diensten te verzekeren (PbEU
L 175); Richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23
juli 1996 betreffende de harmonisatie van voorwaarden voor de afgifte
van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen-
en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEU L
235); Richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties (PbEU L 255); Verordening (EG) nr. 1365/2006
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6
september 2006 betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de
binnenwateren en houdende intrekking van Richtlijn nr. 80/1119/EEG van
de Raad van de Europese Unie (PbEU L 264); Richtlijn nr.
2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften
voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn nr. 82/714/EEG van de
Raad (PbEU L 389); Verordening (EG) nr. 425/2007 van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 19 april 2007 tot uitvoering van
verordening (EG) nr. 1365/2006 van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie betreffende de statistiek van het goederenvervoer over
de binnenwateren (PbEU L 103);
alsmede gelet op de artikelen 1, eerste lid, 2,
6, tweede, derde en vijfde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, tweede lid,
13, eerste lid, 14 eerste en tweede lid, 19, eerste lid, 21, tweede lid,
22, eerste en vierde lid, 24, derde lid, 29, tweede lid, onderdeel c,
31, eerste lid, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste lid, 40, tweede
lid, 43, eerste lid, en 48, vierde lid, van de Binnenvaartwet en 33,
eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties;
alsmede gelet op de artikelen 2, tweede lid,
onderdeel c, 3, eerste lid, 5, 7, onderdeel c, onder 3º,
11, eerste en tweede lid, 12, tweede lid, onderdeel e, 17, tweede
en derde lid, 18, eerste lid, 19, 20, eerste en vijfde lid, onderdeel b,
23, derde lid, 24, 25, tweede lid, 26, zesde lid, 29, eerste en tweede
lid, 30, tweede lid, 31, 32 en 33, eerste lid, van het
Binnenvaartbesluit;
In overeenstemming met de colleges van
gedeputeerde staten van Fryslân, Groningen en Overijssel voor artikel
10.4, eerste lid;
alsmede in overeenstemming met de colleges van
burgemeester en wethouders van Aalsmeer en Amsterdam voor artikel 10.4,
tweede lid;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
bevoegde autoriteit: autoriteit bedoeld in artikel 9, tweede
lid, van de richtlijn 2006/87/EG of in de in artikelen 1.6, 1.9 en
1.13 bedoelde reglementen.
besluit: Binnenvaartbesluit;
CBR: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk (Z-H);
duwbak: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen,
geschikt om te worden geduwd en dat:
1°. niet is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk
2°. is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over
kleine afstanden geschikt zijn;
duwstel: hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één
is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor
het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide schepen
met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het
samenstel. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is
samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de
koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
gekoppeld samenstel: samenstelling van langszijde van elkaar
vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het
schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het
samenstel;
hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel;
minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;
open rondvaartboot: passagiersschip met een lengte op de
waterlijn van minder dan 20 meter en dat:
a. is ingericht en bestemd uitsluitend voor rondvaarten met
een niet-onderbroken vaarduur van ten hoogste twee uren,
b. geen gesloten opbouw heeft,
c. geen doorlopend dek heeft, en
d. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3
of 4;
patrouillevaartuig: schip voor zover ingezet voor de
uitoefening van een publiekrechtelijke taak;
richtlijn 87/540/EEG:richtlijn nr. 87/540/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de
toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en
internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de
onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s,
certificaten en andere titels (PbEG L 322);
richtlijn 96/50/EG:richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de
Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de
voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor
binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de
Gemeenschap gebruikt worden (PbEU L 235);
richtlijn 2006/87/EG:richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006,
tot vaststelling van de technische voorschriften voor
binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714/EEG van
de Raad van de Europese Unie (PbEU L 389);
rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype: passagiersschip
met een lengte op de waterlijn van minder dan 25 meter, zoals
ontwikkeld voor de rondvaarten in Amsterdam, en dat:
a. één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken
tot beneden het gangboord,
b. is voorzien van een grotendeels doorgaande opbouw met
grote ramen,
c. een tot beneden het gangboord verzonken open kuip kan
hebben van ten hoogste 25% van de lengte op de waterlijn,
d. een stuurstand heeft aan de voorzijde van de
passagiersaccommodatie, en
e. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3
of 4;
RosR 1995: bij resolutie van 18 mei 1994 (protocol 1994-I-23)
van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde Reglement
onderzoek schepen op de Rijn 1995;
Rsp: bij resolutie van 2 juni 2010 (protocol 2010-I-8) van de
Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgesteld Reglement
betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn;
verordening (EEG) 2919/85:verordening (EEG) nr. 2919/85 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende
vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in
aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene
Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de
Rijnvaart behoren (PbEG L 280).
2. Waar in deze regeling de aanduiding ‘jaar’ wordt gebruikt in
relatie tot vaartijd, wordt hieronder verstaan 180 effectieve
vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode 365 opeenvolgende
dagen worden maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend. 250
Vaardagen in de zee- of kustvaart dan wel de visserij gelden als één
jaar vaartijd.
§ 2. Binnenwateren
Artikel 1.2
Binnenwateren zijn de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen de
langs de Nederlandse kust gaande lijn, die loopt van:
– het snijpunt van de breedtecirkel 53°26'.5 N met de Duitse
kust ter plaatse van Upleward,
– vandaar naar het punt met de coördinaten 53°26'.5 N en
006°55'.9 E,
– vandaar naar een punt gelegen 25 meter westelijk van de kop
van de strekdam van Borkum,
– vandaar via de noordelijkste punten van Rottumeroog,
Rottumerplaat en de zandplaat Simonszand, naar het oostelijkste punt
van Schiermonnikoog, en voorts langs de noordelijke kust naar het
westelijkste punt van Schiermonnikoog,
– vandaar naar het noordelijkste punt van de zandplaat Het Rif,
– vandaar naar het oostelijkste punt van Ameland en voorts
langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland,
– vandaar naar het oostelijkste punt van Terschelling en voorts
langs de noordelijke kustlijn naar het westelijkste punt van dit
eiland,
– vandaar naar het noordelijkste punt van Vlieland en voorts
langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland,
– vandaar naar het noordelijkste punt van Texel en voorts langs
de westelijke kust tot het snijpunt van de kustlijn en de lijn
tussen het Loodsmansduin te Texel, met de coördinaten 53°01'.3 N
en 004°43'.7 E, en het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en
004°39'.4 E op het eiland Noorderhaaks,
– vandaar naar het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en
004°39'.4 E,
– vandaar naar de Noord-Hollandse kust ter hoogte van de
vuurtoren Kijkduin bij Den Helder en voorts langs de kust van Noord-
en Zuid-Holland, waarbinnen zijn begrepen de hoofden van IJmuiden,
Scheveningen en Hoek van Holland, tot aan de Haringvlietdam,
– vandaar langs de zeezijde van deze dam en de zeezijde van de
buitenhaven van Stellendam, naar Goeree en voorts langs de
westelijke kust hiervan naar de Brouwersdam,
– vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Schouwen en
voorts langs de westelijke kust hiervan naar de afsluiting in de
Oosterschelde,
– vandaar langs de zeezijde van deze afsluiting, over de
havenhoofden van de vluchthaven Neeltje Jans en de Noordland
Buitenhaven (Roompotsluis), naar Noord-Beveland en voorts langs de
kustlijn hiervan naar de Veersedam,
– vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Walcheren en
voorts langs de westelijke kust hiervan naar de lichtopstand de
Nolle, met de coördinaten 51°26'.9 N en 003°33'.1 E, bij
Vlissingen,
– vandaar naar de lichtopstand Nieuwe Sluis, met de
coördinaten 51°24'.4 N en 003°31'.3 E, in Zeeuws-Vlaanderen en
voorts langs de noordwestelijke kust hiervan naar het punt van
grensovergang tussen Nederland en België.
Artikel 1.3
De zones, bedoeld in artikel 2 van de wet zijn:
a. de zones 2, 3 en 4 genoemd in bijlage I van richtlijn
2006/87/EG;
b. de zone R, die de binnenwateren omvat, bedoeld in onderdeel a,
waarvoor een certificaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 22
van de Herziene Rijnvaartakte, volgens de bewoordingen van dat
artikel bij het in werking treden van de wet.
§ 3. Algemene bepalingen met betrekking tot documenten
Artikel 1.4
1. Onverminderd het bepaalde in het Rsp ten aanzien van het
aanvragen van Rijnpatenten en Radarpatenten wordt voor het aanvragen
van een krachtens de wet vereist document de wijze van aanvragen
toegepast die de afgevende instantie voorschrijft.
2. De afgevende instantie, bedoeld in het eerste lid, kan voor een
verloren geraakt of door slijtage ongeldig geworden document een
gewaarmerkt afschrift verstrekken, dat in de plaats treedt van het
oorspronkelijke document.
Artikel 1.5
1. De verplichting tot het aan boord hebben van documenten,
afgegeven ingevolge of krachtens de wet, geldt niet voor de volgende
vaartuigen:
a. bokken;
b. kranen;
c. baggermolens;
d. hopperzuigers;
e. elevatoren;
f. schepen zonder verblijven, zoals duwbakken, dekschuiten,
pontons;
g. open rondvaartboten, behalve ten aanzien van de verplichting
met betrekking tot het vaarbewijs en mits het certificaat van
onderzoek ter plaatse waar de rondvaarten beginnen, aanwezig is;
h. binnenschepen waarvoor ingevolge artikel 785, tweede lid,
van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geen verplichting tot
teboekstelling bestaat, behalve motorboten als bedoeld in artikel
16, onderdeel d, van het besluit ten aanzien van de verplichting
met betrekking tot het vaarbewijs.
2. De vrijstelling voor de in het eerste lid, onderdeel f, genoemde
schepen geldt alleen indien:
a. op het schip een metalen plaat is aangebracht waarop staan
vermeld het certificaatnummer, de zone, onderscheidenlijk zones
waarvoor het certificaat van onderzoek geldig is en de datum tot
welke het certificaat geldig is;
b. de vermeldingen, bedoeld in onderdeel a, in goed leesbare
letters en cijfers met een diepte van ten minste 6 mm zijn
ingehakt en de metalen plaat, bedoeld in onderdeel a, een hoogte
van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm heeft en
op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare
plaats is bevestigd;
c. de overeenstemming tussen de vermeldingen op de plaat en de
aantekeningen in het certificaat is bevestigd door een ambtenaar
van de Inspectie Verkeer en Waterstaat door middel van het
aanbrengen van een stempel op de plaat;
d. bij gebruik van het schip op de in Nederland gelegen
binnenwateren het certificaat bij de eigenaar van het schip in
bewaring is; en
e. bij grensoverschrijding het certificaat aan boord is van het
schip dat het duwstel, gekoppeld samenstel of de sleep
voortbeweegt.
§ 4. Voorschriften voor de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek
Artikel 1.6
1. Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is
van kracht het RosR 1995 met de daarbij behorende bijlagen, dat is
opgenomen in bijlage 1.1 bij deze regeling en wordt aangehaald als:
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.
2. Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid handelt de
commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 1.19, overeenkomstig de
dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart
betreffende de toepassing van het RosR 1995.
3. De minister maakt de dienstinstructies, bedoeld in het tweede
lid, bekend in de Staatscourant.
4. Onverminderd het eerste lid zijn op de Rijn in Nederland, met
inbegrip van de Waal en de Lek, mits tijdens de vaart de
Duits-Nederlandse grens in de ene of de andere richting niet wordt
overschreden, van toepassing:
a. de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 2.9;
b. de omschrijving van zeeschepen in artikel 5.10;
c. de vrijstellingen, bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 5.
Artikel 1.7
1. De gezagvoerder van een schip dat de Rijn bevaart is
verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.03 tot en met
1.05, van de hoofdstukken 3 tot en met 22, met uitzondering van de
artikelen 8.07, derde lid, 9.07, derde lid, 12.01, derde en vierde
lid, 14.15, tweede en derde lid, 15.05, eerste lid, en 16.06, eerste
lid, van het RosR 1995 en van de artikelen 2.02, eerste lid, tweede
lid, derde alinea, en derde lid, 3.01, 3.02, 3.03, 3.04, 3.06, tweede,
derde en zesde lid, 3.05, eerste lid, onderdeel a, 3.10, 3.11, eerste,
tweede en derde lid, 3.12 en 3.13, eerste, derde, vierde en vijfde
lid, van het Rsp.
2. De eigenaar van een schip dat de Rijn bevaart is
verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.03 tot en met
1.05, 2.08, eerste lid, 2.09, eerste lid, van de hoofdstukken 3 tot en
met 22, met uitzondering van de artikelen 8.07, derde lid, 9.07, derde
lid, 12.01, derde en vierde lid, 14.15, tweede en derde lid, 15.05,
eerste lid, en 16.06, eerste lid, van het RosR 1995 en van artikel
3.14, eerste lid, van het Rsp.
3. De werkgever van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart
is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 2.02, eerste
lid, tweede lid, derde alinea, en derde lid, 3.01, 3.02, 3.03, 3.04,
3.06, tweede, derde en zesde lid, 3.05, eerste lid, onderdeel a, 3.10,
3.11, eerste lid, 3.12 en 3.13, eerste, derde, vierde en vijfde lid,
van het Rsp.
4. Een lid van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart, niet
zijnde de gezagvoerder, is verantwoordelijk voor de naleving van de
artikelen 3.04, 3.05, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid en 3.06,
tweede, derde en vierde lid, van het Rsp.
5. Het in het eerste tot en met vierde lid bepaalde is van
overeenkomstige toepassing op de krachtens artikel 1.06 van het RosR
1995 of artikel 1.02 van het Rsp aangebrachte tijdelijke afwijkingen.
Artikel 1.8
Op de goedkeuring en installatie van een tachograaf als bedoeld in
artikel 3.10, derde lid, van het Rsp is bijlage A3 van het Rsp, houdende
eisen betreffende tachografen en voorschriften voor de inbouw van
tachografen aan boord, alsmede bijlage H van het RosR 1995 van
toepassing.
Artikel 1.9
1. Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is
van kracht het Rsp, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen,
dat is opgenomen in bijlage 1.9.
2. Onverminderd het eerste lid is op de Rijn in Nederland, met
inbegrip van de Waal en de Lek, van toepassing: hoofdstuk 7,
paragrafen 1 en2.
Artikel 1.10
In plaats van een patent als bedoeld in artikel 6.02, derde lid,
onderdeel b, van het in bijlage 1.9 opgenomen Rsp, volstaat voor de
vaart op de Rijn benedenstrooms van het Spijksche Veer, met inbegrip van
de Waal en de Lek:
a. een klein vaarbewijs;
b. een ingevolge artikel 7.11 erkend bewijs van vaarbekwaamheid;
of
c. een Militair vaarbewijs, geldig voor het besturen van een
klein legervaartuig op rivieren, kanalen en meren, afgegeven door
het Genie opleidingscentrum.
Artikel 1.11
1. Met het radarpatent, bedoeld in artikel 6.04, tweede lid, van
het Rsp wordt gelijkgesteld:
a. het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het
Besluit reglement radarpatenten zoals dit gold tot de
inwerkingtreding van het Besluit Patentreglement Rijn;
b. het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het
koninklijk besluit van 29 december 1965, houdende het van kracht
zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement betreffende het
verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met
behulp van radar op de Rijn (Stb. 660), zoals dit gold tot de
inwerkingtreding van het Besluit Reglement radarpatenten;
c. het radardiploma binnenvaart, afgegeven krachtens de
Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de
inwerkingtreding van de Regeling radarpatent binnenvaart;
d. het radardiploma Rijn- en binnenvaart, bedoeld in artikel
17, onderdeel b, van de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals
deze gold tot de inwerkingtreding van de Regeling radarpatent
binnenvaart;
e. het radarbrevet, afgegeven krachtens het koninklijk besluit
tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het
koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van
schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de
baggervaart van 15 oktober 1993 (Belgisch Staatsblad, 2757).
2. Met het radarpatent, bedoeld in artikel 6.04, tweede lid, van
het Rsp, worden, voor de vaart op de scheepvaartwegen, bedoeld in
artikel 4.06, derde en vierde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement, gelijkgesteld:
a. de stuurliedendiploma’s, afgegeven krachtens de Wet op de
zeevaartdiploma’s, met uitzondering van het diploma stuurman
kustsleepvaart en het diploma stuurman beperkte kleine
handelsvaart;
b. het bewijs van bevoegdheid van radarwaarnemer en het bewijs
van bevoegdheid van radarnavigator, ter verkrijging van het
diploma, bedoeld in onderdeel a;
c. het bewijs van bevoegdheid, afgegeven krachtens annex II/2,
II/3 en II/4 van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen
Verdrag inzake de normen voor zeevarenden inzake opleiding,
diplomering en wachtdienst (Trb. 1981, 144);
d. het radardiploma ruime wateren, afgegeven door de Stichting
Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart.
3. Als gelijkwaardig examenbewijs, als bedoeld in artikel 8.04,
derde lid, van het Rsp, worden erkend de volgende diploma’s met de
codering van het Centraal Register Beroepsopleidingen, bedoeld in
artikel 6.4.1, eerste lid, van de Wet educatie beroepsonderwijs:
a. het diploma stuurman/schipper, met coderingen 10650 of
93110, dan wel het bewijsstuk dat het onderdeel radar van deze
opleiding met succes is afgesloten;
b. het diploma kapitein, met coderingen 10651 of 91900, dan wel
het bewijsstuk dat het onderdeel radar van deze opleiding met
succes is afgesloten.
Artikel 1.12
De examens ter verkrijging van een radarpatent worden afgenomen met
inachtneming van een examenreglement en een examenprogramma die zijn
goedgekeurd door de minister.
Artikel 1.13 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 1.14
1. Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek
voldoen de kleur, de sterkte van de lichten, alsmede de goedkeuring
van de navigatielantaarns aan de eisen van richtlijn 2006/87/EG.
2. Navigatielantaarns die zijn goedgekeurd met inachtneming van de
in artikel 5, eerste lid, van het Besluit Rijnvaartpolitiereglement
1983 (Stb. 389), bedoelde voorschriften worden geacht te zijn
goedgekeurd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel
bedoelde voorschriften.
Artikel 1.15
Typen van radarapparatuur die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met
inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de
Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1
januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring
geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze
radarapparatuur tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan
indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan
aanwezig is.
Artikel 1.16
Typen van bochtaanwijzers die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met
inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de
Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1
januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring
geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze
bochtaanwijzers tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan
indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan
aanwezig is.
Artikel 1.17
1. De inbouw of vervanging, alsmede de reparatie en het onderhoud
van radarinstallaties en bochtaanwijzers mogen slechts worden
uitgevoerd door bedrijven, die door de bevoegde autoriteit zijn
erkend.
2. De erkenning kan aan een door de bevoegde autoriteit te bepalen
termijn worden verbonden en kan door deze worden ingetrokken indien de
keuringsvoorwaarden bedoeld in bijlage M, delen I en II, van het RosR
1995 niet langer vervuld zijn.
3. De bevoegde autoriteit deelt per omgaande aan de Centrale
Commissie voor de Rijnvaart mee welke bedrijven zijn erkend.
Artikel 1.18
1. De bevoegde autoriteit in de zin van de in de artikelen 1.6,
1.9en1.14 bedoelde reglementen is de minister.
2. In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit in het
RosR 1995:
a. de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken in
artikel 2.18;
b. de voorzitter van de commissie van deskundigen in de
artikelen 2.11, eerste lid, 2.12, tweede lid, 2.19, tweede lid,
8a.01, 8a.02, achtste lid, 8a.03, eerste en tweede lid, 8a.04,
eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 8a.05, eerste, tweede en
derde lid, 8a.06, derde lid, 8a.08, eerste, derde en vierde lid,
8a.09, 8a.10, eerste, tweede en derde lid, 8a.11, eerste lid,
8a.12, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 15.09, derde lid, 20.01,
vijfde lid, onder h, en 22a.04, derde lid;
c. de hoofdingenieurs-directeuren van het directoraat-generaal
Rijkswaterstaat Oost-Nederland en Zuid-Holland, ieder voor zover
het zijn ambtsgebied betreft, in de artikelen 2.11, eerste lid,
5.03, eerste lid, 18.01;
d. de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat in de artikelen 23.03, vierde lid, 23.04, eerste en
tweede lid, 23.08, tweede en vierde lid;
e. de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering in de artikelen 2.11, eerste lid en 23.03, vierde
lid;
f. de Dienst Wegverkeer in artikel 23.05 en in bijlage H,
onderdeel B, 1.
3. In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit in het
Rsp:
a. de inspecteur-generaal van Verkeer en Waterstaat in de
artikelen 3.06, eerste lid, 5.02, onderdeel a, 5.03, aanhef, 5.04,
eerste lid, en 5.08, eerste tot en met derde lid;
b. de in artikel 10.2 aangewezen ambtenaren alsmede de
ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de
Politiewet 2012 in artikel 2.26, eerste lid;
c. de voorzitter van de commissie van deskundigen in artikel
3.13, tweede en vierde lid.
4. De in het eerste en derde lid bedoelde bevoegde autoriteiten
voeren het Rsp uit overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale
Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van dat
reglement.
5. De minister maakt de in het vierde lid bedoelde
dienstinstructies bekend in de Staatscourant.
§ 5. De commissie van deskundigen en de technische commissie
Artikel 1.19
1.Er is een commissie van deskundigen.
2.Van deze commissie maken deel uit:
a. als deskundigen: de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat die zijn belast met het onderzoek van schepen en de
afgifte van certificaten van onderzoek, alsmede de
hoofdingenieur-directeur van de directie Oost-Nederland van het
directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
b. als deskundige, uitsluitend belast met de afgifte van
vaartijdenboeken voor de Rijnvaart en de daarbij behorende
verklaringen: de hoofdinspecteur Toezichtseenheid Binnenvaart van
de Inspectie Verkeer en Waterstaat;
c. als voorzitter: de inspecteur-generaal van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat;
d. als plaatsvervangend voorzitter: de plaatsvervangend
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
3.Een besluit genomen door de voorzitter of een deskundige van de
commissie wordt gelijkgesteld met een besluit genomen door de
commissie van deskundigen.
Artikel 1.20
1. Er is voor de duur van vijf jaar een technische commissie.
2. Van deze commissie maken als lid deel uit:
a. vertegenwoordigers van de classificatiebureau’s die als
zodanig door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de
Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn erkend;
b. vertegenwoordigers van de overige keuringsinstanties die in
opdracht van de minister onderzoek van schepen verrichten;
c. een vertegenwoordiger van het Deelorgaan Binnenvaart van de
Overlegorganen Verkeer en Waterstaat.
3. Deze commissie staat onder voorzitterschap van de
Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
4. De werkwijze van deze Commissie is nader geregeld in een door de
minister goedgekeurd reglement van orde.
§ 6. Rijnvaartverklaring
Artikel 1.21
Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen en personen tussen twee punten
gelegen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
Herziene Rijnvaartakte, bevindt de Rijnvaartverklaring, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van het besluit of een gewaarmerkt afschrift
daarvan, als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, zich aan boord van het
schip waarvoor het is afgegeven.
§ 7. Doorwerking toekomstige wijzigingen van Europese richtlijnen
Artikel 1.22
Een wijziging van richtlijn 2006/87/EG gaat voor de toepassing van
deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven of wanneer een
wijziging als bedoeld in bijlage II, artikel 1.06 van de richtlijn van
kracht wordt, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Hoofdstuk 2. Eisen aan ondernemers en bemanningsleden
§ 1. Bewijs vakbekwaamheid voor ondernemers in de binnenvaart
Artikel 2.1
Artikel 6, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:
a. vervoer met binnenschepen waarvan het laadvermogen niet meer
dan 200 metrieke ton bedraagt;
b. vervoer van:
1°. bagage van reizigers met binnenschepen die worden
gebruikt voor het beroepsvervoer van personen;
2°. goederen, behorende tot de uitrusting of inrichting van
het binnenschip, waarmede zij worden vervoerd; of
3°. aan de vervoerder toebehorende goederen, mits het totale
gewicht van die goederen 25 000 kg niet te boven gaat en de
goederen voor eigen gebruik bestemd zijn.
Artikel 2.2
De vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet,
wordt aangetoond door middel van:
a. de volgende diploma’s:
1°. het vakdiploma Ondernemer in de binnenvaart van het CBR,
2°. het diploma MBO Rijn- en Binnenvaart,
3°. het diploma Kapitein binnenvaart niveau 3 of niveau 4,
zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen met
de codes 10650, 93110 of 95640;
b. een op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet vervoer
binnenvaart afgegeven vergunning voor het beroepsvervoer van
goederen; of
c. het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid.
Artikel 2.3
Voor de examens ter verkrijging van een diploma als bedoeld in
artikel 2.2, onderdeel a, is een door de minister goedgekeurd
examenreglement van toepassing.
Artikel 2.4
1. Natuurlijke personen die bewijzen dat zij voor het tijdstip,
bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 87/540/EEG, in een lidstaat of een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte het beroep van ondernemer van nationaal of
internationaal goederenvervoer over de binnenwateren wettelijk hebben
uitgeoefend, voldoen aan de eis van vakbekwaamheid en ontvangen van de
minister op aanvraag een desbetreffend bewijsstuk.
2. Als bewijsstuk van vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid,
wordt vastgesteld het document overeenkomstig het model opgenomen in
bijlage 2.1 bij deze regeling.
Artikel 2.5
1. Aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, van de wet, behoeft gedurende een jaar niet te worden voldaan
door:
a. de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn,
gezamenlijke erfgenamen van de overleden houder van een bewijs van
vakbekwaamheid;
b. een, door of namens de houder van een bewijs van
vakbekwaamheid, gemachtigde in geval van lichamelijke
ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de houder van een
bewijs van vakbekwaamheid.
2. De termijn, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, gaat in op
de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in het
eerste lid, onder a of b. De minister kan op aanvraag in bijzondere
gevallen deze termijn met ten hoogste 26 weken verlengen.
Artikel 2.6
De minister kan op aanvraag een ontheffing als bedoeld in artikel 6,
vijfde lid, van de wet, verlenen aan een persoon die aantoonbaar
beschikt over een praktijkervaring van ten minste drie jaar in het
dagelijks beheer van de betrokken onderneming, indien sprake is van een
bijzonder geval als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn
87/540/EEG.
Artikel 2.7
De houder van een bewijs van vakbekwaamheid draagt er zorg voor dat
dit bewijs op één van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd:
a. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van het
binnenschip; of
b. aan de hand van de gegevens uit het handelsregister bedoeld in
artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007.
Artikel 2.8
Een wijziging van richtlijn 87/540/EEG gaat voor de toepassing van de
artikelen 2.4 en 2.6 gelden met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
§ 2. Bekwaamheidseisen voor bemanningsleden
Artikel 2.9
1. Dit artikel is van toepassing op de bemanningsleden van schepen
als bedoeld in artikel 12 van het besluit, niet zijnde veerboten,
varend op de inartikel 1.2 bedoelde binnenwateren, mits tijdens de
vaart de Duits-Nederlandse grens op de Rijn bij het Spijksche Veer
niet in de ene of de andere richting wordt overschreden.
2. Een schipper is:
a. in het bezit van een groot patent als bedoeld in het Rsp of
een krachtens artikel 9.02, eerste lid, van dat reglement geldig
Rijnschipperspatent;
b. in het bezit van een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25,
eerste lid, van de wet;
c. in het bezit van een document als bedoeld in artikel 25,
derde lid, van de wet; of
d. krachtens artikel 31 van de wet vrijgesteld of ontheven van
de verplichting in het bezit te zijn van een groot vaarbewijs als
bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, mits de aan de
vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen
door hem worden nageleefd.
3. Een stuurman:
a. is in het bezit van een beperkt groot vaarbewijs of voldoet
aan de vereisten van matroos, en
b. heeft een beroepservaring van ten minste twee jaar vaartijd
als matroos in de binnenvaart.
4. Een machinist is:
a. ten minste 18 jaar en in het bezit van een maritiem diploma
zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen onder
de nummers 91943, 91941, 91931 of 91932, dan wel in het bezit van
een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties; of
b. ten minste 19 jaar en voldoet aan de vereisten van
matroos-motordrijver en heeft een beroepservaring van ten minste
twee jaar vaartijd als matroos-motordrijver op een schip met
mechanische voortstuwingsmiddelen.
5. Een volmatroos voldoet aan de vereisten van matroos en heeft een
beroepservaring van ten minste één jaar vaartijd als matroos in de
binnenvaart.
6. Een matroos-motordrijver voldoet:
a. aan de vereisten van matroos en is in het bezit van:
1°. het diploma motordrijver van het Koninklijk
OnderwijsFonds voor de Scheepvaart,
2°. het diploma kapitein, stuurman-schipper of bootman,
zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen
onder de respectieve nummers 10650, 93110, 95640, 10651,
91900, 95630, 10653 en 93030,
3°. een maritiem diploma zoals opgenomen in het Centraal
Register Beroepsopleidingen onder de nummers 91943, 91941,
91931 of 91932, dan wel
4°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties; of
b. aan de vereisten van matroos en heeft een beroepservaring
van ten minste één jaar vaartijd als matroos op een schip met
mechanische voortstuwingsmiddelen, en bezit een aantoonbare
elementaire kennis op het gebied van motoren.
7. Een matroos is:
a. ten minste 17 jaar en in het bezit van:
1°. het diploma matroos binnenvaart, zoals opgenomen in
het Centraal Register Beroepsopleidingen met codes 10652,
91880 tot en met 91882 en 95620,
2°. het diploma kapitein, stuurman-schipper of bootman,
zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen
onder de respectieve nummers 10650, 93110, 95640, 10651,
91900, 95630, 10653 en 93030,
3°. Het diploma VMBO Rijn-, binnen- en kustvaart van het
Scheepvaart en Transport College te Rotterdam, het Maritiem
College Velsen te IJmuiden, de Maritieme Academie Harlingen te
Harlingen of het Mondial College te Nijmegen, dan wel
4°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties; of
b. ten minste 19 jaar en:
1°. heeft een beroepservaring van ten minste drie jaar
vaartijd als lid van een dekbemanning, waarvan ten minste
één jaar in de binnenvaart en twee jaar in hetzij de
binnenvaart, de zeevaart, de kustvaart of de visserij;
2°. is in het bezit van de verklaring praktijkexamen
matroos, ten bewijze dat het praktijkexamen matroos
binnenvaart van het CBR met goed gevolg is afgelegd; of
3°. is in het bezit van:
a. het diploma aspirant schipper afgegeven door het CBR;
b. een verklaring van het CBR dat Praktijktoets 1 van het
praktijkexamen schipper binnenvaart, bedoeld in artikel 7.19a,
met goed gevolg is afgelegd; en
c. een bewijsstuk dat er minimaal 60 dagen vaartijd zijn
opgebouwd.
8. Een lichtmatroos is:
a. ten minste 15 jaar en
b. in het bezit van een leerovereenkomst die voorziet in het
schriftelijk of mondeling volgen van de cursus aspirant schipper
van het Scheepvaart en Transport College te Rotterdam, het
Noorderpoortcollege te Groningen of het ROC NOVA college te
Haarlem, dan wel een door een bevoegde autoriteit in het
buitenland erkende cursus die opleidt tot een gelijkwaardig
diploma.
9. Een deksman is ten minste 16 jaar.
Artikel 2.10
1. Op de bemanningsleden van veerboten is dit artikel van
toepassing.
2. Een schipper:
a. is ten minste 21 jaar,
b. voldoet aan de vereisten die op grond van artikel 2.9,
tweede lid, onderdeel a tot en met c, worden gesteld aan een
schipper, en
c. is in het bezit van:
1°. een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed
gevolg de korte opleiding schipper-machinist met beperkt
werkgebied of een andere door de minister erkende opleiding
alsmede de opleiding Zoute Veren, nautische Module heeft
gevolgd,
2°. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift
waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft
gevolgd, of
3°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
3. Een stuurman:
a. is ten minste 21 jaar,
b. voldoet aan de vereisten die op grond van artikel 2.9,
tweede lid, onderdeel a tot en met c, worden gesteld aan een
schipper, en
c. is in het bezit van een door de minister erkend:
1°. getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg
een E.H.B.O.-opleiding heeft gevolgd, of
2°. buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een
gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd.
4. Een eerste machinist is ten minste 21 jaar en is in het bezit
van:
a. een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg
heeft gevolgd:
1°. de opleiding MTS-Werktuigbouw alsmede de opleiding
Zoute Veren, technische Module,
2°. de opleiding Machinist Binnenvaart B aangevuld met de
opleiding Zoute Veren, technische Module, of
3°. een andere door de minister erkende opleiding;
b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift
waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd;
of
c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
5. Een tweede machinist is ten minste 19 jaar en is in het bezit
van:
a. een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de
opleiding machinist binnenvaart B heeft gevolgd, hetzij een andere
door de minister erkende opleiding;
b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift
waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd;
of
c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
6. Een matroos is ten minste 19 jaar en is in het bezit van:
a. een door de minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat
hij met goed gevolg een opleiding brandbestrijding heeft gevolgd;
b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift
waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd;
of
c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
7. Een lichtmatroos is ten minste 18 jaar en is in het bezit van
een door de minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met
goed gevolg een opleiding brandbestrijding heeft gevolgd, dan wel van
een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt
dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd.
8. Voor de examens ter verkrijging van de diploma’s Zoute Veren
Nautische Module of Technische Module, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel c, onder 1°, en het vierde lid, onderdeel a, onder 1° en
2°, is een door de minister goedgekeurd examenreglement en
examenprogramma van toepassing.
Artikel 2.11
De bekwaamheid voor een functie aan boord kan te allen tijde worden
aangetoond:
a. door de schipper door middel van het vaarbewijs; of
b. door de overige leden van de bemanning door middel van het
dienstboekje bedoeld in artikel 5.11.
Artikel 2.12
1. Als document ter beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen
van erkenning van beroepskwalificaties van een migrerende
beroepsbeoefenaar voor de beroepen stuurman binnenvaart, machinist
binnenvaart, matroos, volmatroos en matroos-motordrijver wordt
vastgesteld het dienstboekje, bedoeld in artikel 5.11.
2. Op een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties die het beroep matroos,
matroos-motordrijver, volmatroos of stuurman binnenvaart wenst uit te
oefenen in Nederland, is het eerste lid van toepassing.
Hoofdstuk 3. Technische voorschriften
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 3.1
In dit hoofdstuk en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan
onder:
Amsterdamse dekschuit: sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt
is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een
slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld
meegevoerd te worden, en dat:
a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is
afgesloten,
b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en
c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of
ketelruimen;
niet-vrijvarende veerpont: veerpont die tijdens de vaart door
kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is
gebonden;
skûtsje: zeilend passagiersschip:
a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten
hoogste 4 m,
b. dat is gebouwd voor 1950, en
c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip
heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan
55 ton.
§ 2. Technische eisen voor schepen op de zones 2, 3 en 4
Artikel 3.2
1. Binnenschepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit die
worden gebruikt op de zones 2, 3 en 4, voldoen aan de technische
voorschriften van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG.
2. Bij de toepassing van dit artikel handelt de minister
overeenkomstig de administratieve aanwijzingen die op basis van
bijlage II, artikel 1.07 van richtlijn 2006/87/EG zijn vastgesteld.
Artikel 3.3
Onverminderd artikel 3.2, eerste lid, voldoen passagiersschepen op de
zone 2 aan de technische voorschriften, genoemd in bijlage 3.1.
Artikel 3.4
1. In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, bedraagt voor
duwstellen met een lengte van ten hoogste 86 meter de minimaal te
behalen snelheid ten opzichte van het water ten minste:
a. 11 km/h op zone 3-wateren;
b. 10 km/h op zone 4-wateren, tenzij daar een maximumsnelheid
van minder dan 10 km/h geldt. In dat geval stelt de minister voor
het betreffende duwstel een andere minimaal te behalen snelheid
vast.
2. In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, is het toegestaan om
een duwstel, met een lengte van ten hoogste 86 meter en van een
duwsteven voorzien, op de zones drie en vier zonder hekankers te
gebruiken en te volstaan met de in artikel 10.01, eerste lid, van
richtlijn 2006/87/EG bedoelde boegankers.
3. Artikel 3.2 is niet van toepassing op:
a. Amsterdamse dekschuiten, mits zij voldoen aan de technische
voorschriften van bijlage 3.2;
b. rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, mits zij
voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.3;
c. open rondvaartboten, mits zij voldoen aan de technische
voorschriften van bijlage 3.4;
d. skûtsjes, mits zij voldoen aan de technische voorschriften
van bijlage 3.5;
e. veerponten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften
van bijlage 3.6;
f. veerboten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften
van bijlage 3.7;
g. bunkerstations, mits zij voldoen aan de technische
voorschriften van bijlage 3.8;
h. patrouillevaartuigen, mits zij voldoen aan de technische
voorschriften van bijlage 3.9.
§ 3. Technische eisen voor schepen op de zone R
Artikel 3.5
1. Onverminderd artikel 1.6, eerste lid, kunnen binnenschepen op de
zone R eveneens voldoen aan de technische voorschriften, bedoeld in
bijlage II van richtlijn 2006/87/EG, voor zover het een na 30 december
2008 afgegeven of verlengd communautair binnenvaartcertificaat betreft
ten bewijze van de volledige conformiteit van het binnenschip,
onverminderd de overgangsbepalingen van hoofdstuk 24 van bijlage II
van richtlijn 2006/87/EG, met de technische voorschriften van
diezelfde bijlage II, waarvoor de gelijkwaardigheid met de bij of
krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde technische voorschriften
volgens de toepasselijke voorschriften en procedures is vastgesteld.
2. Bij de toepassing van het eerste lid is paragraaf 2 van dit
hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Certificaten en uniek Europees scheepsidentificatienummer
Artikel 3.6
1. Voor binnenschepen waarvan de kiel op 30 december 2008 of later
is gelegd, verstrekt de minister het certificaat van onderzoek, indien
hem na technisch onderzoek voor de ingebruikneming van het binnenschip
is gebleken dat het voldoet aan de voorschriften van bijlage II van de
richtlijn 2006/87/EG.
2. Voor binnenschepen waarvan de kiel voor 30 december 2008 is
gelegd, wordt het certificaat van onderzoek door de minister afgegeven
als het voldoet aan de voorschriften van bijlage II van de richtlijn
2006/87/EG, met inachtneming van de voor het binnenschip geldende
overgangsbepalingen.
3. Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde technisch onderzoek
of bij een in opdracht van de eigenaar uitgevoerd technisch onderzoek
wordt in voorkomend geval nagegaan of het binnenschip voldoet aan
artikel 3.4.
4. Indien uit een door een erkend classificatiebureau afgegeven
verklaring blijkt, dat een binnenschip geheel of ten dele voldoet aan
de voorschriften, opgenomen in bijlage II van richtlijn 2006/87/EG of
in de bij deze regeling behorende bijlagen, kan de minister van een
onderzoek geheel of gedeeltelijk afzien.
Artikel 3.7
Voor de binnenschepen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a tot en met
d, g en j, van het besluit wordt het certificaat van onderzoek afgegeven
als communautair binnenvaartcertificaat.
Artikel 3.8
1. De aanvraag van een certificaat van onderzoek wordt ingediend
door de eigenaar van het binnenschip.
2. Bij de aanvraag worden de tekeningen van bouw en inrichting van
het binnenschip alsmede, indien hiertoe naar het oordeel van de
minister bijzondere redenen bestaan, het rekenkundig bewijs van de
sterkte van de romp overgelegd.
3. Indien het binnenschip is onderzocht door of is gebouwd onder
toezicht van een op basis van artikel 14 van de wet aangewezen
classificatiebureau, wordt ook de verklaring van dat bureau inzake het
onderzoek of de bouw overgelegd.
4. Indien ingevolge de artikelen 3.14 of 3.15 een hellingproef is
vereist, worden de uitkomsten van die proef overgelegd alsmede de
gegevens over de stabiliteit van het binnenschip bij verschillende
beladingstoestanden.
Artikel 3.9
1. Het certificaat van onderzoek, het voorlopig certificaat van
onderzoek, het communautaire binnenvaartcertificaat, het voorlopig
communautair binnenvaartcertificaat, alsmede het communautaire
aanvullende binnenvaartcertificaat in samenhang met een certificaat
van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte zijn geldig
voor de bestemming en voor de zones waarvoor het schip blijkens het
certificaat geschikt is bevonden.
2. Het communautaire binnenvaartcertificaat, bedoeld in artikel 8
van het besluit, wordt door de minister afgegeven volgens het model
van bijlage V, deel I, van richtlijn 2006/87/EG.
3. Het communautaire aanvullende binnenvaartcertificaat, bedoeld in
artikel 9 van het besluit wordt door de minister afgegeven volgens het
model van bijlage V, deel II, van richtlijn 2006/87/EG.
4. Het voorlopig certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 10
van het besluit, wordt door de minister afgegeven volgens het model
van bijlage V, deel III, van richtlijn 2006/87/EG.
5. Het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet,
wordt, voor de schepen bedoeld in artikel 3.4, door de minister
afgegeven volgens het model van bijlage V, deel I, van richtlijn
2006/87/EG.
6. Het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet,
wordt voor bunkerstations door de minister afgegeven volgens het
model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.10.
7. Het certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene
Rijnvaartakte, wordt door de minister afgegeven volgens het model van
bijlage B bij het RosR 1995.
Artikel 3.10
Het voorlopig communautair binnenvaartcertificaat bedoeld in artikel
10 van het besluit, wordt afgegeven wanneer de deugdelijkheid van het
binnenschip, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de
vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht.
Artikel 3.11
1.De geldigheidsduur van het communautaire binnenvaartcertificaat,
het aanvullend communautaire binnenvaartcertificaat en het certificaat
van onderzoek bedraagt voor nieuwe schepen:
a. vijf jaar voor passagiersschepen;
b. tien jaar voor andere binnenschepen.
2.De geldigheidsduur wordt in het certificaat aangetekend.
3.Voor binnenschepen die reeds vóór het onderzoek in bedrijf
waren, stelt minister de geldigheidsduur van het certificaat voor elk
geval afzonderlijk vast, afhankelijk van de uitkomsten van het
onderzoek, doch niet langer dan in het eerste lid bepaald.
Artikel 3.12
De minister houdt overeenkomstig bijlage VI van richtlijn 2006/87/EG
een register bij van alle door hem op grond van deze paragraaf afgegeven
certificaten van onderzoek.
Artikel 3.13
1.Het certificaat van onderzoek vermeldt het uniek Europees
scheepsidentificatienummer dat is toegekend door de bevoegde
autoriteit van de lidstaat waarin de plaats van teboekstelling of de
thuishaven van het binnenschip is gelegen.
2.Aan binnenschepen die niet uit een der lidstaten van de Europese
Unie afkomstig zijn, kent de minister het uniek Europees
scheepsidentificatienummer toe.
3.De eigenaar van het binnenschip brengt het in het certificaat van
onderzoek vermelde scheepsidentificatienummer op het binnenschip aan
en verwijdert dit zodra het ongeldig is geworden.
4.Dit artikel is niet van toepassing op pleziervaartuigen.
§ 5. Het onderzoek van schepen voor het certificaat van onderzoek
Artikel 3.14
1. Een te onderzoeken binnenschip wordt onbeladen, gereinigd en
voorzien van de voorgeschreven uitrusting aangeboden.
2. De commissie van deskundigen bezichtigt het binnenschip bij een
eerste onderzoek op het droge. Dit kan achterwege blijven indien een
verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw
voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd,
of indien een certificaat wordt overgelegd waaruit blijkt dat de
minister al voor andere doeleinden een bezichtiging op het droge heeft
verricht. Bij periodieke onderzoeken of onderzoeken overeenkomstig
artikel 3.16 kan de commissie van deskundigen een bezichtiging op het
droge verlangen.
3. Bij het eerste onderzoek van motorschepen en samenstellen
alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie
of de stuurinrichting, doet de commissie van deskundigen een
proefvaart plaatsvinden.
4. De commissie van deskundigen kan, eveneens tijdens de bouw,
extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere
bewijzen verlangen.
5. De eigenaar van het binnenschip verleent verdere medewerking aan
het onderzoek, onder meer door de toegang te vergemakkelijken tot de
delen van de romp en tot de installaties, die niet of moeilijk
toegankelijk of zichtbaar zijn, door personeel beschikbaar te stellen
of door proefvaarten te houden.
Artikel 3.15
1. Voor de beoordeling van de stabiliteit van een passagiersschip,
een veerboot of een zeilend passagiersschip wordt het schip, indien
het een eerste onderzoek betreft, aan een hellingproef onderworpen.
2. Indien de uitkomsten van de hellingproef van een zusterschip van
een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip
beschikbaar zijn en daaraan voldoende stabiliteitsgegevens kunnen
worden ontleend, kan de minister toestaan dat een hellingproef
achterwege blijft.
3. Voor de beoordeling van de stabiliteit van andere schepen dan in
het eerste lid genoemd, kan de minister bepalen dat een hellingproef
wordt gehouden indien de inrichting of de bijzondere bestemming van
het schip daartoe aanleiding geeft.
4. De hellingproef wordt, behalve bij schepen met een lengte op de
waterlijn van ten hoogste 25 meter, door of namens de eigenaar
gehouden in aanwezigheid van de commissie van deskundigen.
5. Bij passagiersschepen met een lengte op de waterlijn van ten
hoogste 25 meter kan voldoende stabiliteit worden aangetoond door het
uitvoeren van een stabiliteitsproef met het gewicht van de helft van
het toegestane aantal personen, bij de ongunstigste vullingsgraad van
de brandstof- en drinkwatertanks.
6. Bij de in het vijfde lid bedoeld stabiliteitsproef wordt het
gewicht van de helft van het toegestane aantal personen zodanig op het
voor passagiers bestemde gedeelte van het dek naar de zijde van het
schip verplaatst, dat aldaar een dichtheid van 3,75 personen per
vierkante meter, overeenkomend met 285 kg per vierkante meter, wordt
verkregen.
7. Bij de in het zesde lid bedoelde gewichtsverplaatsing mag de
slagzij na het verplaatsen niet meer dan 7 graden bedragen. Het
resterende vrijboord en de resterende veiligheidsafstand mogen niet
kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 maal de breedte op de waterlijn
plus 0,20 meter en 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,10
meter.
Artikel 3.16
1. Indien naar aanleiding van omstandigheden als in bedoeld in
artikel 15, eerste lid, van de wet een onderzoek plaatsvindt als
bedoeld in dat artikel omvat dit een onderzoek van de constructie, de
werktuigen en uitrusting van het binnenschip, voor zover deze
betrokken zijn bij de schade, de herstelling, de verbouwing, de
wijziging of de gebreken. Tevens kan de stabiliteit worden beoordeeld.
2. Indien het een onderzoek van een passagiersschip, een veerboot
of een zeilend passagiersschip betreft kan de minister bepalen dat een
hellingproef wordt gehouden.
3. Indien het onderzoek andere schepen dan de in het tweede lid
genoemde betreft is artikel 3.15, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
4. Indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, het
binnenschip aan de bij of krachtens artikel 8 van de wet gestelde
voorschriften voldoet, geeft de minister een nieuw certificaat van
onderzoek af of verlengt de geldigheidsduur van het certificaat.
Artikel 3.17
Indien een certificaat van onderzoek door de minister is afgegeven,
deelt de eigenaar elke verandering van naam, overgang van de eigendom,
iedere hermeting van een binnenschip alsmede elke wijziging van het
uniek Europees scheepsidentificatienummer, van de teboekstelling of van
de thuishaven aan de minister mee. Hij legt daarbij het certificaat van
onderzoek ter wijziging voor.
Artikel 3.18
1.Voor afloop van de geldigheidsduur van het certificaat van
onderzoek kan een binnenschip aan een periodiek onderzoek worden
onderworpen.
2.Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het
eerste lid, wordt de nieuwe geldigheidsduur van het certificaat van
onderzoek vastgesteld. De geldigheidsduur wordt aangetekend in het
certificaat en wordt ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit
die het heeft afgegeven.
3.Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur, als
bedoeld in het tweede lid, het certificaat van onderzoek door een
nieuw wordt vervangen, wordt het oude certificaat teruggezonden aan de
bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven.
4.In uitzonderingsgevallen kan de minister op een met redenen
omkleed verzoek besluiten de geldigheidsduur van het door hem
afgegeven certificaat van onderzoek zonder onderzoek met ten hoogste
zes maanden te verlengen. Deze verlenging wordt in het certificaat
vermeld.
Artikel 3.19
1. De minister onderzoekt ook schepen die niet onder de reikwijdte
van richtlijn 2006/87/EG of van het RosR 1995 vallen, indien zij ter
onderzoek worden aangeboden.
2. Als uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat het
schip voldoet aan richtlijn 2006/87/EG of aan het RosR 1995, geeft de
minister een certificaat van onderzoek af.
Artikel 3.20
1.Als bijlage II van richtlijn 2006/87/EG bepaalt dat op een
binnenschip bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken
moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde
bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde
opstellingen moeten worden aangehouden, kan de minister de toepassing
of de aanwezigheid aan boord van dit binnenschip van andere
materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel
toestaan dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat
andere opstellingen worden aangehouden, mits deze volgens de procedure
van artikel 19, tweede lid, van de richtlijn als gelijkwaardig zijn
erkend.
2.Zolang het comité, bedoeld in artikel 19, eerste lid van
richtlijn 2006/87/EG, in het kader van de procedure van artikel 19,
tweede lid, van die richtlijn nog geen aanbeveling inzake
gelijkwaardigheid overeenkomstig het eerste lid heeft gedaan, kan de
minister een voorlopig communautair binnenvaartcertificaat afgeven.
3.Binnen een maand na afgifte van het voorlopig communautair
binnenvaartcertificaat overeenkomstig artikel 2.05, eerste lid, onder
g, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG, stelt de minister, volgens
de procedure van artikel 19, tweede lid, van die richtlijn, met opgave
van de naam en het uniek europees scheepsidentificatienummer van het
binnenschip, het comité bedoeld in het tweede lid in kennis van de
aard van de afwijking en van het land waar het binnenschip is
teboekgesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen.
4.Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan de
minister op grond van een aanbeveling van het comité bedoeld in het
tweede lid volgens de procedure van artikel 19, tweede lid, van
richtlijn 2006/87/EG voor een binnenschip met nieuwe technische
voorzieningen die afwijken van de bepalingen van bijlage II een
communautair binnenvaartcertificaat afgeven, voor zover deze nieuwe
voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid bieden.
§ 6. Erkenning van documenten van deugdelijkheid
Artikel 3.21
1. Voor passagiersschepen en zeilende passagiersschepen voor de in
Nederland gelegen zone 2, erkent de minister voor de toepassing van
artikel 7, onderdeel c, van het besluit, scheepsattesten afgegeven op
grond van richtlijn nr. 76/135/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 20 januari 1976 inzake de wederzijdse erkenning van
scheepsattesten voor binnenschepen (PbEG L 21), indien het schip
tevens voldoet aan de desbetreffende regels voor zone 2.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op veerboten,
met dien verstande dat de erkenning voor zone 2 slechts geldt indien
de veerboot tevens voldoet aan de voorschriften van bijlage 3.7.
Artikel 3.22
1. De minister kan voor de toepassing van artikel 7, onderdeel c,
van het besluit, een document erkennen dat door een bevoegde
autoriteit van een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de
Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is afgegeven
ten bewijze van de deugdelijkheid van een aldaar teboekstaand schip.
2. Erkenning van het in het eerste lid bedoelde document van
deugdelijkheid vindt plaats indien het naar het oordeel van de
minister voldoende waarborg biedt voor de deugdelijkheid van het
schip.
3. Het document van deugdelijkheid wordt erkend voor de in
Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4 indien het
document naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt
voor de veiligheid van de vaart op die wateren.
4. De erkenning kan betrekking hebben op een enkel document van
deugdelijkheid of op een groep gelijke documenten.
Artikel 3.23
Met het certificaat voor passagiersschepen, veerboten,
patrouillevaartuigen, zeilende passagiersschepen of bunkerstations wordt
gelijkgesteld een document van deugdelijkheid afgegeven door een
onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat in de Europese
Unie dan wel in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte, welk document is afgegeven op basis van
onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen.
§ 7. Erkenning keuringsinstanties
Artikel 3.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
keuringsinstantie: krachtens artikel 14, eerste lid, van de
Binnenvaartwet voor het verrichten van onderzoek aangewezen
rechtspersoon;
NEN-EN-ISO/IEC 17020 (2004): de met de desbetreffende aanduiding
overeenkomende norm, uitgegeven door het Nederlands
Normalisatie-instituut te Delft;
onderzoek: onderzoek ten behoeve van de certificering van
binnenschepen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de
Binnenvaartwet.
Artikel 3.25
1. De minister wijst als keuringsinstantie aan rechtspersonen, die:
a. naar zijn oordeel in staat zijn het onderzoek, waar dan ook
in Nederland, te verrichten;
b. zijn ingeschreven in het handelsregister bij een Kamer van
Koophandel en Fabrieken;
c. beschikken over een vestiging of vertegenwoordiging in
Nederland; en
d. beschikken over een accreditatieverklaring, afgegeven door
de Raad voor Accreditatie of een andere accreditatie-instelling
die erkend is in een lidstaat van de Europese Unie, waaruit blijkt
dat de werkzaamheden bedoeld in artikel 3.27, conform NEN-EN-ISO/IEC
17020 (2004) worden uitgevoerd.
2. Rechtspersonen die nog niet aan het eerste lid, onderdeel d,
voldoen, kunnen voorlopig worden aangewezen, indien zij de aanvraag
voor accreditatie hebben ingediend bij de Raad voor Accreditatie en
blijkens een verklaring van de Raad redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat de desbetreffende rechtspersoon zal voldoen aan de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Een voorlopige
aanwijzing is ten hoogste een jaar geldig.
Artikel 3.26
Een keuringsinstantie wordt aangewezen voor het onderzoek van een of
meer in de bijlage 3.11 opgenomen pakketten van scheepstypen.
Artikel 3.27
De aangewezen keuringsinstantie is belast met het volledige
onderzoek, onverminderd haar bevoegdheid om met inachtneming van de
voorwaarden voor accreditatie, onderdelen van het onderzoek uit te
besteden aan derden.
Artikel 3.28
De aangewezen keuringsinstantie voert het onderzoek uit met
inachtneming van de voorschriften ingevolge de Binnenvaartwet en, indien
van toepassing, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, alsmede de
beleidsregels, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet.
Artikel 3.29
De aangewezen keuringsinstantie meldt ernstige mankementen die aan
een schip worden geconstateerd onverwijld aan de minister, indien de
eigenaar niet bereid is deze onverwijld te herstellen.
Artikel 3.30
1. De aangewezen keuringsinstantie neemt deel in de commissie,
bedoeld inartikel 1.20.
2. De keuringsinstantie verstrekt de minister onvoorwaardelijk en
kosteloos informatie, benodigd voor het uitoefenen van toezicht. Deze
omvat in ieder geval de door de accrediterende instelling opgestelde
auditrapporten.
3. De keuringsinstantie verleent de minister onvoorwaardelijk
medewerking aan audits en steekproeven.
4. De keuringsinstantie verstrekt de minister jaarlijks voor 1
maart een schriftelijke rapportage, overeenkomstig de daarvoor door de
minister te stellen voorschriften of aanwijzingen, over de in het
voorgaande kalenderjaar verrichtte onderzoeken.
Artikel 3.31
1. De aangewezen keuringsinstantie stelt de minister tenminste
dertien weken voor de voorgenomen datum van beëindiging van haar
werkzaamheden van dit voornemen in kennis.
2. De keuringsinstantie stelt de minister onverwijld in kennis van:
a. wijzigingen van het ter zake van de keuringsinstantie in het
handelsregister ingeschrevene met betrekking tot haar naam en
adresgegevens;
b. wijziging, voornemen tot schorsing, schorsing of
beëindiging van haar accreditatie.
Artikel 3.32
De minister kan de aanwijzing van een keuringsinstantie intrekken,
indien:
a. de betrokken keuringsinstantie niet meer voldoet aan de
artikelen 3.25 of3.30;
b. de betrokken keuringsinstantie in strijd handelt met deze
regeling; of
c. de betrokken keuringsinstantie door handelen of nalaten te
handelen naar het oordeel van de minister gevaar voor de veiligheid
of het milieu veroorzaakt.
Hoofdstuk 4. Meetbrief
§ 1. Algemeen
Artikel 4.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
belanghebbende: eigenaar van het binnenschip of degene die namens
de eigenaar optreedt;
ligger: register waarin de minister elke meetbrief inschrijft die
hij uitreikt, alsmede de datum van de uitreiking, de naam en het
Europese scheepidentificatienummer van het binnenschip of andere
gegevens waardoor een binnenschip kan worden geïdentificeerd;
maximum toelaatbare waterverplaatsing: in kubieke meters
uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tot het vlak van
de grootste toegelaten diepgang;
meetbrief: meetbrief, afgegeven door de minister overeenkomstig
de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel afgegeven door de bevoegde
autoriteit van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst;
Overeenkomst: op 15 februari 1966 te Genève ondertekende en op
14 september 1967 goedgekeurde Overeenkomst nopens de meting van
binnenvaartuigen, met Bijlage en Protocol van Ondertekening (Trb.
1967, 43);
verplaatsing: in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van
een binnenschip tussen het vlak van inzinking van het lege
binnenschip in zoet water en het vlak van de grootste toegelaten
diepgang.
Artikel 4.2
De meting van binnenschepen heeft tot doel:
a. de verplaatsing vast te stellen, evenals, indien nodig, een
deel van de verplaatsing in samenhang met de inzinking;
b. indien het binnenschip bestemd is of gebruikt wordt voor het
vervoer van goederen: het mogelijk te maken het gewicht van de
lading volgens de inzinking te bepalen;
c. indien het binnenschip niet bestemd is of gebruikt wordt voor
het vervoer van goederen: de maximum toelaatbare waterverplaatsing
en de waterverplaatsing in lege toestand te bepalen.
Artikel 4.3
1. De minister onderhoudt een ligger tot inschrijving van de
gemeten binnenschepen.
2. De minister houdt van de afgifte, de verlenging en de intrekking
van de meetbrief en van de hermeting aantekening in de ligger.
3. De minister maakt van de aantekeningen als bedoeld in artikelen
4.19, eerste lid, en 4.20, eerste lid, melding in de ligger.
§ 2. Aanvraag van de meting en de voorwaarden waaronder de meting
plaatsheeft
Artikel 4.4
1.De meting, hermeting of controle-meting wordt uitgevoerd op
aanvraag van de belanghebbende door de minister of de daartoe door de
minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen.
2.Degene die de meting heeft aangevraagd, volgt gedurende de meting
alle voorschriften op van de minister met betrekking tot de ligging
van het vaartuig op het vlak van inzinking van het lege vaartuig en de
eventuele verplaatsing van losse voorwerpen en verschaft de nodige
hulp bij de meting en bij het aanbrengen van de ijkmerken of de
ijkplaten en stelt daartoe een deugdelijke roeiboot met ten minste
twee personen beschikbaar.
Artikel 4.5
1. De ligplaats van het te meten binnenschip of van het binnenschip
waarvan de meting gecontroleerd wordt, is in stil, bij voorkeur zoet
water en zodanig, dat het vaartuig van alle zijden toegankelijk is.
2. Indien in brak of zout water wordt gemeten, wordt de lege
diepgang gecorrigeerd.
3. Het water in stoomketels van schepen zonder
voortstuwingswerktuig behoort tot de uitrusting van het vaartuig.
4. Zaken die niet behoren tot die, welke volgens het derde lid en
volgens artikel 4.7 aanwezig zijn, bevinden zich niet aan boord.
5. Is de uitrusting niet volledig, dan wordt zij voor de meting
aangevuld.
6. Het schip is voor de meting behoorlijk schoon; op de bodem is
geen water aanwezig.
7. Het vaartuig ligt gedurende de meting zoveel mogelijk
dwarsscheeps horizontaal en stil.
8. Zolang niet aan de dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan,
wordt de meting niet verricht.
§ 3. Meting
Artikel 4.6
1.Voor de meting van een binnenschip worden de maten aan het
vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het binnenschip is het
deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste toegelaten
diepgang en het vlak van inzinking van het lege vaartuig.
2.Bij het meten van lengten en breedten worden de onderdelen van
centimeters rekenkundig afgerond.
3.Bij het meten van hoogten worden de onderdelen van centimeters
tot op millimeters in aanmerking genomen.
4.Bij de berekening worden breuken van duizendste delen,
rekenkundig afgerond tot duizendsten.
5.Bij de eindberekening van de verplaatsing worden onderdelen van
een kubieke decimeter verwaarloosd.
Artikel 4.7
1.Het vlak van inzinking van het lege vaartuig, is het vlak
overeenkomende met het wateroppervlak, indien:
a. het binnenschip geen brandstof of verplaatsbare ballast aan
boord heeft maar slechts de uitrusting, de proviand en de
bemanning die normaal aan boord zijn als het vaartuig vaart;
alsmede water dat niet door gebruikelijke middelen uit het ruim
kan worden verwijderd en de drinkwatervoorraad, die 0,5% van de
grootste verplaatsing van het vaartuig niet aanzienlijk mag
overschrijden;
b. de werktuigen, ketels, pijpleidingen en installaties, nodig
voor de voortstuwing, voor de noodzakelijke hulpwerktuigen, of
voor verwarming of koeling, water, olie of andere vloeistoffen
bevatten waarvan zij in gewone omstandigheden worden voorzien om
dienst te kunnen doen;
c. het binnenschip zich in zoet water bevindt met een
soortelijk gewicht gelijk aan 1.
2.Indien het binnenschip zich bij de meting niet in de toestand,
bedoeld in het eerste lid bevindt, of niet in omstandigheden die
leiden tot dezelfde inzinking en ongeveer dezelfde trimligging, worden
het verschil in belasting en het verschil in soortelijk gewicht van
het water in aanmerking genomen bij het maken van de berekeningen.
3.De gewichten aan boord die behoren bij de lege inzinking worden
in de meetbrief vermeld.
Artikel 4.8
1.Het vlak van de grootste toegelaten diepgang wordt vastgesteld
overeenkomstig de voor dat binnenschip geldende regels van artikel
4.06, tweede lid, van richtlijn 2006/87/EG.
2.Voor binnenschepen die bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer
van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de
grootste toegelaten diepgang ten hoogste tien procent van de
gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld dan in het eerste lid
bepaald.
3.In bijzondere gevallen kan op verzoek van de belanghebbende het
vlak van de grootste toegelaten diepgang meer dan tien procent van de
gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld, mits aan de minister wordt
aangetoond dat de grootste diepgang waarop het schip zal kunnen varen
geringer is dan de diepgang, bepaald volgens het tweede lid.
4.Voor binnenschepen die niet zijn bestemd of gebruikt voor het
vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van
de grootste toegelaten diepgang lager worden gesteld dan
overeenkomstig het eerste lid bepaald.
Artikel 4.9
Op de meting is bijlage 4.1 van toepassing.
§ 4. Hermeting
Artikel 4.10
1.De belanghebbende kan binnen zesentwintig weken na de afgifte van
de meetbrief bij de minister hermeting verzoeken. De hermeting is
beslissend.
2.De hermeting en zonodig de vernieuwing van de ijkmerken of de
ijkplaten geschieden kosteloos, indien het verschil met de eerste
meting meer bedraagt dan:
a. 1 procent voor de verplaatsingscijfers van maximaal 500
kubieke meter;
b. 5 kubieke meter voor de verplaatsingscijfers van meer dan
500 kubieke meter tot maximaal 2000 kubieke meter;
c. 0,25 procent voor de verplaatsingscijfers van meer dan 2000
kubieke meter.
Het verschil wordt bepaald over een zelfde laadhoogte.
3.De minister geeft in de in het tweede lid genoemde gevallen een
nieuwe meetbrief af, waarin de onderscheidingstekenen en het
volgnummer van inschrijving in de ligger van de eerste meetbrief
worden overgenomen.
4.Is het verschil met de eerste meting gelijk aan of minder dan de
percentages of het aantal kubieke meters, vermeld in het tweede lid,
dan wordt de eerste meting als juist aangemerkt en is de
belanghebbende voor de hermeting de voor de meting gestelde vergoeding
verschuldigd.
Artikel 4.11
1.De belanghebbende geeft bij hermeting de bij de vorige meting
behorende meetbrief aan de minister af.
2.Indien het een meetbrief betreft die in het buitenland is
afgegeven, geeft de minister de bevoegde autoriteit in de andere staat
hiervan kennis onder bijvoeging van de ingetrokken meetbrief.
Artikel 4.12
Op de hermeting is bijlage 4.1 van toepassing.
§ 5. Meetbrief
Artikel 4.13
1. De minister verstrekt de meetbrief uiterlijk zeven werkdagen na
de meting.
2. De meetbrief wordt vastgesteld overeenkomstig het model in de
Overeenkomst.
3. Op de meetbrief worden de zones als bedoeld in artikel 1.3,
waarin het binnenschip bestemd is te varen, vermeld.
Artikel 4.14
1.De geldigheidsduur van een meetbrief is ten hoogste vijftien
jaar, te rekenen van de datum van afgifte.
2.De vervaldatum wordt op de meetbrief vermeld.
Artikel 4.15
1.De geldigheidsduur van een meetbrief wordt op verzoek van de
belanghebbende verlengd, indien bij een controlemeting blijkt dat de
gegevens van de meetbrief nog juist zijn. Daartoe worden de volgende
afmetingen van het binnenschip gecontroleerd:
a. de lengte en de breedte, alsmede de inzinking van het lege
vaartuig ter plaatse van elk ijkmerk;
b. ingeval het vaartuig blijvende vervormingen heeft: enkele
breedten aan de hand van de laatste meting, om na te gaan of de
vervormingen vóór of na de laatste meting zijn ontstaan.
2.De geldigheidsduur van de meetbrief kan overeenkomstig het eerste
lid worden verlengd:
a. indien het een binnenschip betreft dat bestemd of gebruikt
is voor het vervoer van goederen: voor een periode van ten hoogste
tien jaar;
b. indien het een ander binnenschip betreft dan bedoeld in
onderdeel a: voor een periode van ten hoogste vijftien jaar.
3.Van de uitkomst van de controle en van de datum waarop de
geldigheidsduur van de meetbrief is verlengd, houdt de minister
aantekening in de ligger.
4.Tenzij de betreffende bij de Overeenkomst aangesloten staat zulks
niet toestaat, kan de geldigheidsduur van een door een van zijn
bureaus van meting afgegeven meetbrief voor een vaartuig, bestemd of
gebruikt voor het vervoer van goederen, worden verlengd,
overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.
5.Van de uitkomst van de controle van een in het buitenland gemeten
binnenschip alsmede van de datum waarop de geldigheidsduur van een
dergelijke meetbrief is verlengd, wordt kennis gegeven aan de
minister. Laatstgenoemde geeft daarna aan zijn ambtgenoot in het
andere land hiervan kennis.
Artikel 4.16
1.De meetbrief vervalt:
a. door het verstrijken van de geldigheidsduur;
b. wanneer het binnenschip een verbouwing ondergaat die van
invloed is op de ligging van het vlak van inzinking van het lege
vaartuig, op de verplaatsing dan wel op de in de meetbrief
vermelde afmetingen;
c. wanneer het binnenschip, een andere bestemming krijgt of
anders gebruikt wordt dan waarvoor de meetbrief is afgegeven;
d. wanneer de meetbrief is gewijzigd door daartoe niet bevoegde
personen;
e. wanneer aan het binnenschip andere veranderingen dan wel
blijvende beschadigingen zijn aangebracht, waardoor de
omschrijving in de meetbrief niet meer juist is;
f. wanneer de meetbrief niet meer volledig is.
2.Als een verbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt
onder meer aangemerkt: het verlengen van het schip, het verhogen van
het gangboord, het wijzigen van de positie van een of meer lichtranden
of patrijspoorten onmiddellijk boven de lastlijn, alle in- en
uitwendige verbouwingen aan de romp, laadhoofden en de bovenbouw van
het schip en het plaatsen, verwijderen of veranderen van machines,
ketels of de inventaris, voor zover daardoor het vlak van inzinking
van het lege vaartuig of het vlak van de grootste toegelaten diepgang
is verplaatst.
3.Indien een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en
e, zich voordoet, wordt de afgegeven meetbrief voor zover nodig
vervangen of gewijzigd.
Artikel 4.17
1. Indien de minister constateert, dat zich ten aanzien van een in
Nederland geregistreerd binnenschip één der gevallen, genoemd in
artikel 4.16, eerste lid, voordoet trekt hij de meetbrief in.
2. Indien één der gevallen, genoemd in artikel 4.16, eerste lid,
zich voordoet ten aanzien van een in het buitenland geregistreerd
binnenschip, informeert de minister de bevoegde autoriteit in het land
waar het binnenschip is geregistreerd. In de meetbrief van het
desbetreffende binnenschip wordt een verklaring gehecht als
vastgesteld door de minister.
Artikel 4.18
Een meetbrief, afgegeven door een bureau van meting van een andere
staat, aangesloten bij de Overeenkomst, wordt gelijkgesteld aan een
meetbrief afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van
dit hoofdstuk.
Artikel 4.19
1.In geval van wijziging van de naam van een binnenschip wordt op
verzoek van de belanghebbende de nieuwe naam op de meetbrief
aangetekend.
2.De minister maakt van deze aantekening melding in de ligger.
3.Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is
gemeten, geeft de minister aan de bevoegde autoriteit van de andere
staat van deze aantekening kennis.
4.De in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening wordt
door de minister geautoriseerd.
Artikel 4.20
1. Onverminderd het in artikel 4.16, eerste lid, bepaalde, kunnen
veranderingen ten aanzien van het vaartuig anders dan bedoeld in
artikel 4.17, op de meetbrief worden aangetekend. De aantekening
geschiedt op aanvraag van de belanghebbende door de minister.
2. Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is
gemeten, is een schriftelijke machtiging van de bevoegde autoriteit
die de meetbrief heeft afgegeven nodig voor het aanbrengen van een
zodanige aantekening.
3. Zonder de in het tweede lid bedoelde schriftelijke machtiging is
een aantekening in de meetbrief ook mogelijk met een geldigheid van
niet meer dan drie maanden.
4. Een aantekening als bedoeld in het tweede of derde lid wordt in
de daarvoor bestemde rubriek in de meetbrief gewaarmerkt, waarbij
tevens de duur van de voorlopige geldigheid wordt vermeld.
5. De minister geeft de bevoegde autoriteit van de andere staat van
de aantekening kennis.
Artikel 4.21
1.Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgegeven omdat het
origineel niet meer aanwezig is, bevat dit afschrift aan het hoofd de
volgende zin: Dit afschrift treedt in plaats van het origineel, dat is
verloren geraakt.
2.De Minister kan een afschrift van de meetbrief verstrekken,
indien dat moet worden gedeponeerd op een buitenlands hypotheekkantoor
waar het schip is of zal worden ingeschreven. Dit wordt voor
eensluidend afschrift ondertekend en bevat aan het hoofd de volgende
zin: ‘Afschrift, bestemd voor nederlegging ten hypotheekkantore te
.....’.
3.De minister kan uittreksels van meetbrieven verstrekken.
Artikel 4.22
De belanghebbende levert bij verloren gaan, slopen of blijvend
ongeschikt worden voor de vaart van een gemeten binnenschip de meetbrief
in bij de minister.
§ 6. Ijkschalen, ijkplaten en ijkmerken
Artikel 4.23
Binnenschepen, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen,
kunnen bij meting of hermeting van ijkschalen worden voorzien, indien de
belanghebbende dit verzoekt.
Artikel 4.24
1.De ijkmerken of de ijkplaten worden door de belanghebbende
zodanig onderhouden, dat zij steeds duidelijk zichtbaar zijn. De
ijkmerken worden in lichte kleur op donkere achtergrond of in donkere
kleur op lichte achtergrond aangebracht.
2.Zijn één of meer ijkmerken of ijkplaten verloren geraakt,
versleten of onzichtbaar geworden, dan worden deze, mits de meetbrief
nog geldig is, op verzoek van belanghebbende door de minister door
nieuwe vervangen.
Hoofdstuk 5. Vaartijden en bemanningssterkte
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 5.1
Behoudensparagraaf 5 is dit hoofdstuk van toepassing op de in artikel
1.2 bedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de
Waal en de Lek.
Artikel 5.2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
bilgeboot: schip dat langszij andere schepen gaat in havens of
gedurende de vaart, met als doel scheepsbedrijfsafval, als bedoeld
in artikel 15.01, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement
1995, van deze schepen in te nemen;
bunkerschip: schip dat langszij andere schepen gaat in havens of
gedurende de vaart, met als doel deze schepen te bevoorraden;
exploitatiewijze A1: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een
schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende
aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede
lid, ten hoogste 14 uur dan wel overeenkomstig artikel 5.4, eerste
lid, 16 uur bedraagt;
exploitatiewijze A2: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een
schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende
aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede
lid, ten hoogste 18 uur bedraagt;
exploitatiewijze B: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een
schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende
aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede
lid, meer dan 18 uur bedraagt;
hotelschip: passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor
overnachting van passagiers;
motorschip: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en
gebouwd om door middel van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen
zelfstandig te varen;
pompoverslagboot: schip dat langszij andere schepen of
installaties gaat, met als doel droge bulkgoederen uit die schepen
of installaties te zuigen;
rusttijd: de tijd waarin een bemanningslid geen taak verricht
noch daartoe verplicht is. De bewaking en het toezicht op een
stilliggend schip worden niet beschouwd als taak in de zin van deze
definitie;
sleepschip: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen,
gebouwd om te worden gesleept en dat:
1°. niet is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk
2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen
die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt
zijn;
S1 en S2: standaarden S1 en S2 met betrekking tot
uitrustingsvoorschriften voor schepen die met een minimumbemanning
worden geëxploiteerd als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van
het Rsp;
tachograaf: een registratieapparaat ter controle van de naleving
van bij of krachtens de wet gegeven voorschriften met betrekking tot
de vaartijden van het schip, van een door de minister goedgekeurd
model.
§ 2. Vaartijden en rusttijden
Artikel 5.3
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met
de rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uur,
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de
binnenwateren, bedoeld in artikel 1.2 is binnengevaren.
2. Een schip dat de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren
binnenvaart is voorzien van een vaartijdenboek als bedoeld in artikel
3.13 van het Rsp of een ander document, waaruit blijkt op welke wijze
de rusttijden van elk der bemanningsleden alsmede de vaartijden van
het schip gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn
vervuld.
Artikel 5.4
1. Bij de exploitatiewijzen A1 en A2 is artikel 3.10, tweede en
derde lid, en artikel 3.13, vijfde lid, van het Rsp van
overeenkomstige toepassing.
2. Ten aanzien van een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, en
een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een
schip of meer andere schepen wordt verzorgd, is artikel 3.10, tweede
en derde lid, van het Rsp van overeenkomstige toepassing, indien het
eerste lid in acht wordt genomen op het schip of de schepen die zorg
dragen voor de voortstuwing van het hecht samenstel of het sleepschip.
Artikel 5.5
Bij wisseling en herhaling van exploitatiewijzen is artikel 3.12 van
het Rsp van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Bemanningssterkte
Artikel 5.6
1. De minimumbemanning van de navolgende categorieën van schepen
wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 3.15 van het Rsp, met dien
verstande dat de stuurman in voetnoot 2 de bekwaamheid van schipper
bezit bedoeld in artikel 2.9, tweede lid:
a. motorschepen;
b. duwboten;
c. passagiersschepen, niet zijnde stoomschepen, die zonder
passagiers aan boord varen;
d. drijvende werktuigen die zelfvarend zijn tijdens transport;
e. bunkerschepen;
f. bilgeboten;
g. pompoverslagboten.
2. In afwijking van het eerste lid mag de minimumbemanning van
bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten die volgens
exploitatiewijze A2 varen worden vervangen door de bemanning die is
voorgeschreven voor exploitatiewijze A1, mits voldaan wordt aan de
volgende voorschriften voor:
a. de rusttijd van een bemanningslid bedraagt ten minste 12
uur, waarvan ten minste 6 uur ononderbroken in elke periode van 24
uur, te rekenen vanaf het einde van de voorafgaande ononderbroken
rusttijd van 6 uur. De volgende periode dient uiterlijk om 00.00
uur aan te vangen;
b. de resterende rusttijd wordt opgenomen in ononderbroken
blokken van tenminste 1 uur;
c. de rusttijd is buiten de vaartijd gelegen;
d. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die
voortdurend in werking is gesteld.
3. Voor bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een
lengte van minder dan 35 meter die zijn ingezet op Nederlandse
binnenwateren met uitzondering van de Westerschelde, geldt tevens dat
de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1 kan worden
vervangen door:
a. hetzij een schipper mits wordt voldaan aan de volgende
voorschriften:
1°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per
dag en 50 uur per week;
2°. het schip is uitgerust met een goed werkende
tachograaf die voortdurend in werking is gesteld;
3°. het vervoer van gevaarlijke stoffen, waarvoor op grond
van artikel 3.14 van het BPR en RPR een teken moet worden
gevoerd is niet toegestaan;
4°. het bepaalde in artikel 6.30 en 6.32 van het
Binnenvaartpolitiereglement respectievelijk het
Rijnvaartpolitiereglement blijft onverkort van kracht;
5°. De afstand tot de plaats van waaruit
bunkeractiviteiten wordt bedreven bedraagt niet meer dan 30
km, gemeten over de vaarweg. De plaats van waaruit de
bunkeractiviteiten wordt bedreven staat vermeld op het
certificaat van onderzoek.
b. hetzij een schipper en een lichtmatroos mits de
voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder ten derde, in acht
worden genomen.
4. De minimumbemanning van hechte samenstellen, schepen voor
dagtochten, stoomschepen voor dagtochten, hotelschepen, veerboten en
sleepschepen wordt onderscheidenlijk vastgesteld overeenkomstig de bij
deze regeling behorende bijlagen 5.1 tot en met 5.6.
5. De minimumbemanning van sleepboten en sleepboten die
havendiensten verrichten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze
regeling behorende bijlage 5.7.
6. De minimumbemanning van snelle veerponten wordt vastgesteld
overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 5.8. De schipper
is in het bezit van een radarpatent.
Artikel 5.7
1. Op motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen,
indien zij met een minimumbemanning worden geëxploiteerd, is artikel
3.14 onderscheidenlijk artikel 3.18 van het Rsp van overeenkomstige
toepassing.
2. Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften bedoeld in het
eerste lid wordt door de minister in een verklaring vastgelegd.
3. De verklaring, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, van het Rsp
wordt met de in het tweede lid bedoelde verklaring gelijkgesteld.
Artikel 5.8
Voor de toepassing van deze paragraaf is artikel 2.02, eerste en
tweede lid, met uitzondering van de derde alinea, van het Rsp van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.9
Een vrouw, die krachtens arbeidsovereenkomst dan wel
publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht, maakt geen deel uit van
de minimumbemanning gedurende ten minste 14 weken rondom de
vermoedelijke datum van haar bevalling, waarvan ten minste 6 weken
vóór deze datum en ten minste 7 weken na de datum van de bevalling
liggen.
Artikel 5.10
Ten aanzien van zeeschepen die voldoen aan de bepalingen van
Resolutie A. 890 (21) van de Internationale Maritieme Organisatie van 25
november 1999 en het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag
betreffende de normen van zeevarenden inzake opleiding, diplomering en
wachtdienst, met bijlage, (Trb. 1981, 144 en 1992, 109) is artikel 3.20
van het Rsp van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder
een persoon die houder is van het Rijnschipperspatent een persoon wordt
verstaan die in het bezit is van een document als bedoeld in artikel
2.9, tweede lid.
§ 4. Controlemiddelen
Artikel 5.11
1. Ten aanzien van het dienstboekje zijn de artikelen 3.05 en 3.06
van het Rsp, alsmede de terzake op grond van artikel 1.03 van dat
reglement vastgestelde dienstinstructies van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat:
a. als plaatselijk bevoegde autoriteit, bedoeld in het tweede
lid van dat artikel, de inspecteur-generaal van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat wordt aangewezen;
b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan.
2. Een vervangend exemplaar treedt in de plaats van een eerder
afgegeven dienstboekje en wordt niet eerder afgegeven dan nadat het
geheel of ten dele onleesbaar geworden exemplaar, waarvoor het wordt
afgegeven, is ingeleverd bij de minister.
3. In het geval dat een dienstboekje verloren is geraakt of teniet
is gegaan, wordt aan de minister een bewijs overgelegd dat daarvan
aangifte is gedaan bij een ambtenaar van politie als bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012. Op bladzijde 1 van het
vervangende exemplaar van het dienstboekje wordt aangetekend dat het
hiervoor bedoelde bewijs is overgelegd.
Artikel 5.12
1. Ten aanzien van het vaartijdenboek is artikel 5.11, tweede en
derde lid, alsmede artikel 3.13 van het Rsp van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat:
a. als autoriteit de voorzitter van de commissie van
deskundigen wordt aangewezen;
b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan; en
c. de uitzondering voor sleep- en duwboten die slechts in
havens verkeren niet van toepassing is.
2. Wanneer bij de overdracht van een schip de overdragende partij
het bij het schip behorende vaartijdenboek niet levert, kan dit bewijs
van aangifte worden vervangen door een door de koper en de minister te
ondertekenen verklaring.
3. Indien het volgnummer, bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, van
het Rsp, van het te vervangen vaartijdenboek onbekend is bij de
Inspectie Verkeer en Waterstaat wordt het nieuwe vaartijdenboek
voorzien van het volgnummer 1.
Artikel 5.13
1.Het vaartijdenboek is niet vereist met betrekking tot veerboten
en veerponten.
2.De gezagvoerder van een veerboot of een veerpont draagt er zorg
voor dat aan boord een scheepsjournaal aanwezig is, waarin de volgende
gegevens worden vermeld:
a. de naam van het schip;
b. het begin en einde van de veerdienst van het schip;
c. het merk van de teboekstelling of het officiële
scheepsnummer;
d. de leden van de bemanning bij het begin van de dagelijkse
veerdienst van het schip met vermelding van naam en functie, en
vervolgens telkens wanneer deze van samenstelling verandert.
Artikel 5.14
1. Bij uitvoering van exploitatiewijze A1 of A2 met een tachograaf
zijn bijlage 1.4 bij deze regeling en de bijlage H bij het RosR 1995
van overeenkomstige toepassing.
2. Indien gebruik wordt gemaakt van een tachograaf bewaart de
gezagvoerder de registraties van de tachograaf gedurende ten minste
zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische
volgorde aan boord.
§ 5. Vrijstellingen
Artikel 5.15
1. Motorschepen met een lengte van minder dan 55 meter zijn
vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voorgeschreven
minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
a. hetzij:
1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper;
2°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per
dag en 50 uur per kalenderweek;
3°. de minimale dagelijkse ononderbroken rusttijd van de
schipper bedraagt ten minste 12 uur in elke periode van 24
uur, te rekenen vanaf het einde van iedere rustperiode van ten
minste 12 uur;
4°. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode
van 12 uur waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is
gelegen;
5°. er is een vanuit het stuurhuis bedienbaar
reserve-toplicht aanwezig;
6°. het schip is uitgerust met een goed functionerende
tachograaf die in werking is gesteld vanaf het begin van de
voorafgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende
onderbreking van de vaart en waarvan de gegevens gedurende ten
minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in
chronologische volgorde aan boord worden bewaard;
7°. vervoer van stoffen waarvoor op grond van het ADNR een
certificaat van goedkeuring als bedoeld in bijlage 1 bij de
Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen
is vereist, is niet toegestaan;
8°. er wordt niet gevaren op de Westerschelde;
9°. het schip voldoet aan artikel 5.7, en
10°. voor zover het motorschip een lengte heeft van meer
dan 33 meter, is actieve boegbesturing bedienbaar vanuit het
stuurhuis aanwezig;
b. hetzij:
1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een
lichtmatroos of deksman;
2°. er wordt slechts tussen 22.00 en 06.00 gevaren indien
de onder 1° bedoelde lichtmatroos of deksman 18 jaar of ouder
is; en
3°. de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder 7°
tot en met 10°, worden in acht genomen.
2. Een wisseling van de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling
onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, naar de
exploitatiewijze A1, A2 of B, is slechts toegestaan indien:
a. de schipper is afgelost, of
b. bij controle kan worden aangetoond dat het voor de
exploitatiewijze A1, A2 of B bestemde bemanningslid dat niet is
afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd
van 8 uur buiten de vaartijd in acht heeft genomen, en de voor
deze exploitatiewijzen voorgeschreven minimumbemanning zich aan
boord bevindt.
3. Van de exploitatiewijze A1, A2 of B mag slechts naar de vaart
met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het
eerste lid, onderdeel a, worden overgegaan, indien de voor de vaart
onder de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstelling
voorgeschreven schipper onmiddellijk voor de wisseling geen deel heeft
uitgemaakt van de bemanning van het schip, dan wel bij controle kan
worden aangetoond dat de schipper, indien deze niet is afgelost,
onmiddellijk voor de wisseling een rusttijd van 12 uur buiten de
vaartijd van het schip in acht heeft genomen.
4. Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de vaart met
gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het
eerste lid, onderdeel a, voor een identieke vaart worden ingezet
indien de schipper wordt vervangen door een andere schipper.
5. Het aantonen van de rusttijd, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, onder 3°, derde en vierde lid, geschiedt door middel van
het vaartijdenboek van het schip.
Artikel 5.16
Patrouillevaartuigen zijn vrijgesteld van artikel 5.4 en paragraaf 4.
Artikel 5.17
1. Passagiersschepen die in de exploitatiewijze A1 varen, zijn
vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven
minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit:
1°. voor de passagiersschepen uit groep 4 die ten hoogste
600 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep
3 voor de exploitatiewijze A1;
2°. voor de passagiersschepen uit groep 3 die ten hoogste
250 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep
2 voor de exploitatiewijze A1;
3°. voor de passagiersschepen uit groep 2 die ten hoogste
75 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep
1 voor de exploitatiewijze A1; en
b. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking
van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de
schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.
2. Passagiersschepen uit groep 1, met een lengte van maximaal 45
meter, die ten hoogste 40 personen aan boord hebben en in de
exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel
5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt
aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een
lichtmatroos of een deksman van ten minste 18 jaar;
b. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van ten
minste 16 uur, waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is
gelegen: en
c. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking
van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de
schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.
3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde passagierschepen
is in geval van vaart zonder passagiers artikel 5.15, eerste lid,
onderdeel a, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, onder
voorwaarde dat het schip beschikt over vrij toegankelijke gangboorden
die voldoen aan de in bijlage II, artikel 11.02, van richtlijn
2006/87/EG gestelde eisen.
Artikel 5.18
1. Rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype zijn, voor zover
zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge
artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits de
minimumbemanning bestaat uit een schipper.
2. Open rondvaartboten zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze
A1 varen, vrijgesteld van de ingevolgeartikel 5.6, vierde lid,
voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit
een schipper.
Artikel 5.19
Schepen, bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer
dan 12 personen buiten de bemanning en ingericht om hoofdzakelijk door
middel van zeilen te worden voortbewogen, voor zover zij in
exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van artikel 5.4 en van de
ingevolge artikel 5.6, vierde lid, in bijlage 5.2 onderscheidenlijk
bijlage 5.4 voorgeschreven minimumbemanning, mits de bemanning bestaat
uit:
a. een schipper, en
b. een lichtmatroos of deksman, die ten minste 18 jaar is.
Artikel 5.20
Van de artikelen 5.6, vierde lid, en 5.7, eerste lid, zijn
vrijgesteld schepen die:
a. een minimumbemanning hebben van één schipper;
b. zijn bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van
meer dan 12 personen buiten de bemanning;
c. zijn bestemd of gebruikt voor de sportvisserij en varen op,
dan wel op weg zijn van of naar, de binnenwateren ingedeeld in zone
2 en varen in exploitatiewijze A1.
Artikel 5.21
1. Onverminderdartikel 5.15 wordt ten aanzien van motorschepen die
in exploitatiewijze A2 varen, vrijstelling verleend van de
ingevolgeartikel 5.6, eerste lid, voor groep 1 voorgeschreven
minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een
stuurman;
b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te
kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement;
c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens
de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben
op het laad-of losklaar maken van het schip; en
d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister
aan de eisen van de Standaard S2.
2. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen,
wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid,
voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan
de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos;
b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te
kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement;
c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens
de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben
op het laad-of losklaar maken van het schip; en
d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister
aan de eisen van de Standaard S2.
3. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen,
wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid,
voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan
de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman
en een lichtmatroos; en
b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister
aan de eisen van de Standaard S2.
4. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen,
wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid,
voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan
de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een
stuurman;
b. het schip onderbreekt de vaart gedurende de periode tussen
22.00 uur en 06.00 uur;
c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens
de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben
op het laad- of losklaar maken van het schip;
d. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te
kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement;
e. het schip is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het
varen op radar en voldoet aan de daarop betrekking hebbende
artikelen in hoofdstuk 7 van het RosR 1995 dan wel bijlage II,
artikel 7.13, van richtlijn 2006/87/EG; en
f. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister
aan de eisen van de Standaard S2.
5. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen,
wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid,
voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan
de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en één
matroos; en
b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid onder e en f.
6. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6,
vierde lid, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan
wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een
stuurman;
b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te
kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement;
c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens
de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben
op het laad-of losklaar maken van het schip; en
d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister
aan de eisen van de Standaard S2.
7. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6,
vierde lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan
wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos;
b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te
kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement;
c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens
de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben
op het laad-of losklaar maken van het schip; en
d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister
aan de eisen van de Standaard S2.
8. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6,
vierde lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan
wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman
en een lichtmatroos; en
b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister
aan de eisen van de Standaard S2.
9. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6,
vierde lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan
wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een
stuurman;
b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder b tot en
met e; en
c. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister
aan de eisen van de Standaard S2.
10. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6,
vierde lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan
wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en een
matroos; en
b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f.
11. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6,
vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan
wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman
en een matroos; en
b. de voorschriften, bedoeld in het het vierde lid, onder e en
f.
12. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6,
vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits wordt
voldaan aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en twee
matrozen; en
b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f.
Hoofdstuk 6. Geneeskundig onderzoek
Artikel 6.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
aanvrager: degene die in aanmerking wenst te komen voor de
afgifte van:
a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van
de wet of een Rijnpatent als bedoeld in artikel 6.04, eerste lid
van het Rsp,
b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel
5.11, eerste lid, of de artikelen 3.03 en 3.04 van het Rsp;
c. een vrijstellingsbewijs schipper rondvaartboot van het
Amsterdamse grachtentype als bedoeld in artikel 7.6; of
d. een zeilbewijs als bedoeld in artikel 7.9;
arts: deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet
en de artikelen 7.01, derde lid, onderdeel a, 7.02, derde lid,
onderdeel a, 7.03, tweede lid, onderdeel a, en 7.04, eerste lid,
onderdeel c, van het Rsp;
scheidsrechter: deskundige, bedoeld in artikel 28, derde lid, van
de Wet;
medisch adviseur scheepvaart: medisch adviseur scheepvaart van de
Minister, of diens plaatsvervanger;
geneeskundig onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel 6.4, ter
verkrijging van:
a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van
de wet of een Rijnpatent als bedoeld in artikel 6.04, eerste
lid, van het Rsp,
b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel
5.11, eerste lid, alsmede de artikelen 3.03 en 3.04 van het Rsp;
eigen verklaring: verklaring, bedoeld in artikel 26, eerste lid,
van het besluit.
Artikel 6.2
1. Een arts is de geneeskundige die bij beschikking op grond van
artikel 40, eerste lid, van de Zeevaartbemanningswet is aangewezen.
2. Een scheidsrechter is de geneeskundigen die bij beschikking op
grond van artikel 42, eerste lid, van de Zeevaartbemanningswet is
aangewezen. De scheidsrechter is niet degene door wie het eerste
onderzoek is verricht.
Artikel 6.3
1.De aanvrager wendt zich voor een geneeskundig onderzoek tot een
arts, niet zijnde de behandelend arts van de aanvrager.
2.De arts gaat niet tot een geneeskundig onderzoek over dan nadat
de aanvrager zich heeft gelegitimeerd en de arts in het register
Shipexam van de Inspectie Verkeer en Waterstaat heeft kunnen
vaststellen dat hij gezien de eerdere uitslagen of aantekeningen
gerechtigd is de keuring te verrichten.
Artikel 6.4
1. De arts verricht het geneeskundig onderzoek op basis van de
keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1.
2. Indien ingevolge bijlage 6.I een medisch rapport is
voorgeschreven, dan wel bij twijfel of de aanvrager voldoet aan de
keuringseisen, vraagt de arts de benodigde geneeskundige informatie op
bij de behandelend arts. Bij het ontbreken van voldoende informatie
verwijst de arts de aanvrager voor een deelonderzoek door naar een
specialist.
3. Het geneeskundig onderzoek wordt door de arts afgerond na
ontvangst van de informatie van de behandelend arts of de uitslag van
het specialistisch deelonderzoek.
4. De arts maakt uitsluitend gebruik van het keuringsformulier en
de formulieren voor de geneeskundige verklaring en het bericht van
afkeuring die hem door de medisch adviseur scheepvaart kosteloos
worden verstrekt.
5. De arts bewaart het keuringsformulier en eventuele andere
stukken betrekking hebbende op het onderzoek, gedurende vijftien jaar.
Artikel 6.5
1. De aanvrager is geschikt als hij voldoet aan de keuringseisen,
opgenomen in bijlage 6.1. De arts vermeldt bij geschiktheid van de
aanvrager de uitslag van het geneeskundig onderzoek op de
geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model,
opgenomen in bijlage 6.2 en verstrekt de geneeskundige verklaring aan
de aanvrager.
2. Bij tijdelijke geschiktheid van de aanvrager verstrekt de arts
de aanvrager een geneeskundige verklaring van tijdelijke geschiktheid.
3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, vindt een volgende
keuring plaats door dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt
heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch
adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts.
Artikel 6.6
1. De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de
keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. De arts die na het volledige
geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager ongeschikt is,
deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een
verklaring van medische ongeschiktheid, dat is vastgesteld volgens het
model, opgenomen in bijlage 6.3. De arts deelt de aanvrager tevens mee
dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij een scheidsrechter.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, verzendt de arts nog
dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de
reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld, aan de medisch adviseur
scheepvaart. De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de
afkeuring aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de
afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen,
vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes.
3. De aanvrager die een heronderzoek wenst, richt zich daarvoor tot
een scheidsrechter onder toezending van de verklaring van medische
ongeschiktheid.
4. Ten aanzien van het heronderzoek zijn de artikelen 6.3, tweede
lid, en 6.4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
reeds door de arts in orde bevonden onderdelen van de keuring niet
behoeven te worden herhaald, tenzij over de uitslag twijfel bestaat
bij de scheidsrechter. Het heronderzoek kan bestaan uit het
uitsluitend beoordelen van de reeds ter beschikking staande gegevens.
5. Indien de scheidsrechter na het heronderzoek van oordeel is dat
de aanvrager medisch ongeschikt is, doet de medisch adviseur
scheepvaart na ontvangst van de verklaring van medische ongeschiktheid
hiervan mededeling aan de instanties die belast zijn met
onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten,
vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes.
Artikel 6.7
De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is
dat de aanvrager tijdelijk ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De
arts overhandigt de aanvrager een verklaring van tijdelijke
ongeschiktheid. In afwijking van artikel 6.6, eerste lid, deelt de arts
de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij
dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan
wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart
instemt met keuring door een andere arts.
Artikel 6.8
Indien nog geen heronderzoek heeft plaatsgevonden, is een
geneeskundige verklaring, waarop is aangegeven dat de aanvrager geschikt
is en die is afgegeven nadat hij door een andere arts ongeschikt is
bevonden, ongeldig.
Artikel 6.9
De aanvrager die met toepassing van artikel 26, eerste lid, van het
besluit, een eigen verklaring overlegt aan de instantie die het
vaarbewijs afgeeft, maakt daartoe gebruik van het formulier dat is
opgenomen in bijlage 6.4.
Artikel 6.10
1. Indien alle vragen van de eigen verklaring met ‘nee’ zijn
beantwoord, stuurt de aanvrager de ingevulde en ondertekende eigen
verklaring samen met de aanvraag voor het vaardocument naar de
instantie die belast is met de afgifte van het vaarbewijs dat hij
aanvraagt.
2. Indien ten minste een van de vragen van de eigen verklaring met
‘ja’ is beantwoord wordt deze voorzien van een aantekening van een
arts naar eigen keuze waaruit de aard en de ernst van de afwijking
blijkt.
3. De aanvrager zendt de eigen verklaring, indien het tweede lid
van toepassing is, ter beoordeling aan:
a. de medisch adviseur scheepvaart indien de eigen verklaring
betrekking heeft op het klein vaarbewijs, dan wel het groot
vaarbewijs; of
b. de keuringsartsen voor het klein vaarbewijs indien de eigen
verklaring betrekking heeft op dat vaarbewijs.
Artikel 6.11
1. In het geval, bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, verklaart de
beoordelaar de aanvrager geschikt of ongeschikt op basis van de
keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1. In
geval van twijfel kan de beoordelaar de aanvrager oproepen voor een
nader onderzoek. Indien nodig kan de beoordelaar de aanvrager
doorverwijzen voor een deelonderzoek naar een specialist.
2. De aanvrager is geschikt als hij naar het oordeel van de
beoordelaar voldoet aan de keuringseisen en keuringsaanwijzingen,
opgenomen in bijlage 6.1. In dat geval verstrekt de beoordelaar de
aanvrager een geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het
model, opgenomen in bijlage 6.2.
3. De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de
keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. In het geval, dat de
beoordelaar de aanvrager ongeschikt verklaart, zendt de beoordelaar de
aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, onder mededeling
van de mogelijkheid van heronderzoek.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, zendt de beoordelaar de
medisch adviseur scheepvaart nog dezelfde dag de verklaring van
medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn
vermeld.
5. De aanvrager die ongeschikt is verklaard en een heronderzoek
wenst, wendt zich tot een scheidsrechter die niet reeds bij de
beoordeling van de eigen verklaring was betrokken. Ten aanzien van het
heronderzoek zijn de artikelen 6.3, tweede lid, en 6.4 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat het heronderzoek
kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de ter beschikking
staande gegevens.
6. De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring
aan de instanties die belast zijn met de afgifte van onderscheidenlijk
vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of
dienstboekjes.
7. De keuringsartsen voor het klein vaarbewijs doen melding van de
afkeuring aan de instantie belast met de afgifte van klein
vaarbewijzen.
Artikel 6.12
De resultaten van het geneeskundig onderzoek worden door de arts,
volgens de instructies van de medisch adviseur scheepvaart binnen de
door deze vast te stellen termijn, aangetekend in het digitale register
Shipexam van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
Artikel 6.13
De Minister kan aanwijzingen geven ter uitvoering van de in dit
hoofdstuk opgenomen bepalingen.
Hoofdstuk 7. Vaarbewijzen, radarpatenten en ICC’s
§ 1. Vaarbewijzen en vrijstellingen
Artikel 7.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
klein vaarbewijs I: klein vaarbewijs voor de vaart op rivieren,
kanalen en meren;
klein vaarbewijs II: klein vaarbewijs voor de vaart op alle
binnenwateren;
beperkt groot of groot vaarbewijs A: beperkt groot of groot
vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;
beperkt groot of groot vaarbewijs B: beperkt groot of groot
vaarbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren;
groot pleziervaartbewijs I: groot pleziervaartbewijs voor de
vaart op rivieren, kanalen en meren;
groot pleziervaartbewijs II: groot pleziervaartbewijs voor de
vaart op alle binnenwateren;
ICC: internationaal certificaat van competentie als bedoeld in
resolutie 40, nr. TRANS/SC.3/147, van de Working Party on Inland
Transport van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde
Naties, van 16 oktober 1998, overeenkomstig bijlage 7.5 bij deze
regeling.
Artikel 7.2
Behoudens de paragrafen 1 en 2 is dit hoofdstuk van toepassing op de
in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip
van de Waal en de Lek.
Artikel 7.3
Het klein, beperkt groot en groot vaarbewijs worden vastgesteld
volgens de modellen opgenomen in bijlage 7.3.
Artikel 7.4
1. Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft
schepen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit, voor
schepen gebezigd ten behoeve van reiniging van grachten en
soortgelijke wateren.
2. Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft
schepen als bedoeld in artikel 16, onderdelen c en d, van het besluit,
voor Belgische redeboten op de Westerschelde en in de daarmee in open
verbinding staande havens en voorhavens.
3. Een vaarbewijs is niet vereist voor schepen als bedoeld in
artikel 16, onderdelen b en d, van het besluit, die deelnemen aan
wedstrijden op binnenwateren die voor het openbaar scheepvaartverkeer
niet toegankelijk zijn.
Artikel 7.5
Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft
schepen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit, voor
open rondvaartboten als bedoeld in artikel 1.1, bestemd of gebezigd voor
het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de
bemanning, met een lengte gemeten op het vlak van de grootste inzinking
van minder dan 20 meter, voor zover de schipper in het bezit is van een
klein vaarbewijs en indien het schip vaart op de binnenwateren van zone
4, dan wel op de Beulakerwiede of de Belterwiede;
Artikel 7.6
1. Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het besluit,
is niet van toepassing voor rondvaartboten van het Amsterdams
grachtentype, als bedoeld in artikel 1.1 voor zover varend op de
binnenwateren van zone 3 of zone 4, en voor zover de schipper in het
bezit is van:
a. het vrijstellingsbewijs schipper rondvaartboot van het
Amsterdamse grachtentype overeenkomstig het model opgenomen in
bijlage 7.4; en
b. een verklaring van de vaarwegbeheerder houdende de
vermelding voor welke wateren, behorende tot zone 3, het
vrijstellingsbewijs geldt alsmede de voorwaarden waaronder op deze
wateren mag worden gevaren.
2. Het in het eerste lid bedoelde vrijstellingsbewijs wordt door de
minister afgegeven na overlegging van:
a. het diploma Schipper rondvaartboot beperkt vaargebied, zoals
opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen met de code
95050;
b. een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28,
eerste lid, van de wet, niet ouder dan dertien weken; en
c. een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.4.1, waaruit
blijkt dat de aanvrager een vaartijd van ten minste een jaar als
lichtmatroos heeft doorlopen.
3. Op de aanvraag van het in het eerste lid bedoelde
vrijstellingsbewijs is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.
4. Op het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
vrijstellingsbewijs zijn artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de
wet van overeenkomstige toepassing.
5. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en
geestelijke geschiktheid zijn op de houder van het in het eerste lid
bedoelde vrijstellingsbewijs artikel 27, tweede lid, en artikel 28 van
het besluit van overeenkomstige toepassing.
6. Het in het eerste lid bedoelde vrijstellingsbewijs is aan boord
van het schip.
Artikel 7.7
1. De artikelen 14, eerste lid, en 15, eerste lid, van het besluit,
zijn niet van toepassing op gierponten, kabelponten en andere
niet-vrijvarende veerponten op de rivieren, kanalen en meren indien de
schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs, en:
a. de veerpont is uitgerust met een marifooninstallatie en de
schipper in het bezit is van een bedieningscertificaat; of
b. de veerpont is uitgerust met een radarinstallatie en de
schipper in het bezit is van het certificaat Radaropleiding voor
objectenpersoneel van de vakopleiding Transport en Logistiek, van
de Maritieme academie, van het Scheepvaart- en Transportcollege
STC of een getuigschrift van een andere door de Minister
aangewezen of erkende opleiding.
2. De artikelen 14, eerste lid, en 15, eerste lid, van het besluit
zijn niet van toepassing op schepen die in het kader van hulpverlening
op zee of op de binnenwateren, dan wel in het kader van het oefenen
voor die hulpverlening:
a. worden bestuurd door medewerkers van een
reddingmaatschappij; of
b. dienen als sleepduwboot voor schepen met een lengte van meer
dan 20 meter.
Artikel 7.8
1. Artikel 15, eerste lid, van het besluit is niet van toepassing
op pleziervaartuigen met een lengte van 25 tot 40 meter, indien de
schipper in het bezit is van:
a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het
model opgenomen in bijlage 7.4; of
b. een vaarbewijs als bedoeld inbijlage 7.1, onderdelen 1.3 of
1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.
2. Artikel 15, eerste lid, en artikel 14, eerste lid, onderdeel a,
van het besluit zijn niet van toepassing voor pleziervaartuigen met
een lengte van ten minste 25 meter, indien de schipper in het bezit is
van:
a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het
model opgenomen in bijlage 7.4, voorzien van de aantekening ‘40
meter plus’;of
b. een vaarbewijs als bedoeld inbijlage 7.1, onderdelen 1.3 of
1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.
3. Het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt,
na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister
afgegeven aan:
a. degene die geslaagd is voor het examen CWO groot motorschip
van de Stichting VAMEX;
b. de houder van een ander hiertoe door de minister erkend
diploma;
c. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de
wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van 25 tot
40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs,
onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die op het
tijdstip van inwerkingtreding van de Binnenvaartwet in het bezit
waren van een klein vaarbewijs; of
d. degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit
was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de
organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van 25 tot
40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van
de wet mocht varen met dat vaartuig.
4. Het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt,
na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister
afgegeven aan:
a. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de
wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van meer
dan 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs,
onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die bij het in
werking treden van de wet in het bezit waren van een klein
vaarbewijs; of
b. aan degene die bij het in werking treden van de wet in het
bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van
de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van meer
dan 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden
van de wet mocht varen met dat vaartuig.
5. In afwijking van het derde lid wordt:
a. het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs I
afgegeven aan de houder van de volgende ongeldig geworden
documenten, indien het betreffende document zijn geldigheid op
geen andere wijze verloren heeft dan door het verstrijken van de
geldigheidsduur en uit een eigen verklaring van de aanvrager
blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is
voor het voeren van een binnenschip:
1° een groot vaarbewijs B;
2° een beperkt groot vaarbewijs B.
b. het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs II
afgegeven aan de houder van de volgende ongeldig geworden
documenten, indien het betreffende document zijn geldigheid op
geen andere wijze verloren heeft dan door het verstrijken van de
geldigheidsduur en uit een eigen verklaring van de aanvrager
blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is
voor het voeren van een binnenschip:
1° een groot vaarbewijs A;
2° een beperkt groot vaarbewijs A;
3° een zeilbewijs;
4° een groot patent;
5° een klein patent.
6. In afwijking van het vierde lid wordt:
a. het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs I
afgegeven aan de houder van de volgende ongeldig geworden
documenten, indien het betreffende document zijn geldigheid op
geen andere wijze verloren heeft dan door het verstrijken van de
geldigheidsduur en uit een eigen verklaring van de aanvrager
blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is
voor het voeren van een binnenschip:
1° een groot vaarbewijs B;
2° een beperkt groot vaarbewijs B.
b. het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs II
afgegeven aan de houder van de volgende ongeldig geworden
documenten, indien het betreffende document zijn geldigheid op
geen andere wijze verloren heeft dan door het verstrijken van de
geldigheidsduur en uit een eigen verklaring van de aanvrager
blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is
voor het voeren van een binnenschip:
1° een groot vaarbewijs A;
2° een beperkt groot vaarbewijs A;
3° een zeilbewijs;
4° een groot patent;
5° een klein patent.
7. In afwijking van het derde tot en met zesde lid wordt:
a. het in het eerste en tweede lid bedoelde groot
pleziervaartbewijs I afgegeven aan de houder van:
1° een geldig groot vaarbewijs B;
2° een geldig beperkt groot vaarbewijs B.
b. het in het eerste en tweede lid bedoelde groot
pleziervaartbewijs II afgegeven aan de houder van:
1° een geldig groot vaarbewijs A;
2° een geldig beperkt groot vaarbewijs A;
3° een geldig zeilbewijs;
4° een geldig groot patent;
5° een geldig klein patent.
8. De in het eerste en tweede lid bedoelde groot
pleziervaartbewijzen worden afgegeven voor rivieren, kanalen en meren
aan de aanvrager die op het tijdstip van inwerkingtreding van de
Binnenvaartwet houder is van een klein vaarbewijs I, onderscheidenlijk
voor alle binnenwateren aan de aanvrager die op dat tijdstip houder is
van een klein vaarbewijs II.
9. De houder van een groot pleziervaartbewijs I die tevens in het
bezit is van een klein vaarbewijs II komt in aanmerking voor het groot
pleziervaartbewijs II.
10. De in het derde lid, onderdelen a en b, bedoelde diploma’s
worden verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd
examen.
11. De in het derde lid, onderdelen c en d, of de in het vierde lid
bedoelde personen kunnen tot 1 juli 2011 een aanvraag ter verkrijging
van een groot pleziervaartbewijs indienen.
12. Op het groot pleziervaartbewijs zijn artikel 30 van de wet
alsmede artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.
13. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en
geestelijke geschiktheid zijn op de houder van het groot
pleziervaartbewijs artikel 22, vierde en vijfde lid, en artikel 26 van
het besluit van overeenkomstige toepassing.
14. Het groot pleziervaartbewijs is tijdens de vaart aan boord van
het schip.
Artikel 7.9
1. De artikelen 14, eerste lid, onderdelen a, b en c, onder 1°, en
15, eerste lid, alsmede 16 van het besluit, zijn niet van toepassing
op schepen, bestemd of gebruikt voor bedrijfsmatig vervoer van
personen en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te
worden voortbewogen, indien de schipper in het bezit is van een
zeilbewijs overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4.
2. Van artikel 16 van het besluit zijn vrijgesteld de gezagvoerders
van schepen, voor zover zij zijn voorzien van het in het eerste lid
bedoelde zeilbewijs.
3. Het zeilbewijs wordt door de minister afgegeven na overlegging
van:
a. het diploma Schipper zeilvaart van het CBR of de Stichting
OnderwijsFonds voor de Scheepvaart, dan wel het diploma Stuurman
Kleine Zeilvaart van de Enkhuizer zeevaartschool;
b. een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28,
eerste lid, van de wet, niet ouder dan dertien weken; en
c. een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.11, waaruit blijkt
dat de aanvrager een vaartijd van twee jaar als lid van de
dekbemanning aan boord van zeilschepen heeft doorlopen.
4. Het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde diploma wordt
verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.
5. Op de aanvraag van het zeilbewijs is artikel 1.4 van
overeenkomstige toepassing.
6. Op het zeilbewijs zijn artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van
de wet van overeenkomstige toepassing.
7. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en
geestelijke geschiktheid zijn op de houder van het zeilbewijs artikel
27, tweede lid, en artikel 28 van het besluit van overeenkomstige
toepassing.
8. Het eerste, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige
toepassing op zeilbewijzen afgegeven door de Stichting Koninklijk
OnderwijsFonds voor de Scheepvaart.
9. Het zeilbewijs is aan boord van het schip.
Artikel 7.9a
1. De in artikel 22, tweede en derde lid, van het besluit bedoelde
geneeskundige verklaring die naast het vaarbewijs wordt getoond, is
een verklaring afgegeven overeenkomstig het model in bijlage 6.2 en
gewaarmerkt door de instantie die het vaarbewijs afgeeft.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 22, tweede lid, van het
besluit kan ook worden volstaan met een op 50-jarige, 55-jarige en
60-jarige leeftijd verkregen vaarbewijs. De geneeskundige verklaring
hoeft in dat geval niet naast het vaarbewijs te worden getoond.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 22, derde lid, van het
besluit kan ook worden volstaan met een na het bereiken van de
65-jarige leeftijd jaarlijks verkregen vaarbewijs. De geneeskundige
verklaring hoeft in dat geval niet naast het vaarbewijs te worden
getoond.
Artikel 7.9b
1. Als vaarbewijs als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, onderdeel
b, van de Scheepvaartverkeerswet, worden aangewezen het groot
vaarbewijs A, het groot vaarbewijs B, het beperkt groot vaarbewijs A,
het beperkt groot vaarbewijs B, het klein vaarbewijs I, het klein
vaarbewijs II, het vrijstellingsbewijs, bedoeld in artikel 7.6, eerste
lid, het zeilbewijs, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, alsmede een
erkend buitenlands bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel
7.11.
2. Als categorieën vaarbewijzen, bedoeld in de artikelen 48,
vijfde lid, en 49, tweede lid, van de wet, worden aangewezen het klein
vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, alsmede erkende buitenlandse
bewijzen van vaarbekwaamheid als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen
1.3 en 1.4.
§ 2. Erkenningen
Artikel 7.10
1. De minister kan een bewijs van vaarbekwaamheid erkennen voor de
vaart op rivieren, kanalen en meren of voor de vaart op alle
binnenwateren, voor zover het bewijs naar zijn oordeel voldoende
waarborg biedt voor het veilig voeren van een schip op de betrokken
wateren.
2. De in artikel 17, tweede lid, van het besluit bedoelde,
krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven, bewijzen van
vaarbekwaamheid zijn:
a. het groot patent als gelijkwaardig aan het groot vaarbewijs,
het beperkt groot vaarbewijs en het klein vaarbewijs;
b. het klein patent als gelijkwaardig aan het beperkt groot
vaarbewijs en het klein vaarbewijs;
c. het sportpatent als gelijkwaardig aan het klein vaarbewijs.
Artikel 7.11
De in bijlage 7.1 genoemde buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid
worden erkend als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onderdeel a, van
het besluit.
Artikel 7.12
De in bijlage 7.2 genoemde bewijzen van vaarbekwaamheid
onderscheidenlijk getuigschriften worden erkend voor gehele
respectievelijk gedeeltelijke vrijstelling van het onderzoek naar de
kennis en bekwaamheid om een schip te voeren, bedoeld in artikel 20,
eerste lid, onderdeel b, van het besluit.
§ 3. Radarpatenten
Artikel 7.13
Onverminderd het gestelde in artikel 1.9 zijn de bepalingen met
betrekking tot de radarpatenten van het Rsp en de artikelen 1.11 en 1.12
van overeenkomstige toepassing op de andere binnenwateren dan de Rijn,
met inbegrip van de Waal en de Lek.
§ 4. Examens
Artikel 7.14
In deze paragraaf wordt onder examinator verstaan de instellingen of
personen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet.
Artikel 7.15
1.Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs I heeft
betrekking op de volgende onderwerpen:
a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn
voor de veiligheid van de vaart op rivieren, kanalen en meren;
b. de behandeling van de voortstuwingswerktuigen;
c. de veiligheidsmaatregelen;
d. de waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater en
elementaire meteorologie;
e. het varen, manoeuvreren en de onder bijzondere
omstandigheden te nemen maatregelen.
2.Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs II heeft
betrekking op de in het eerste lid genoemde onderwerpen alsmede op:
a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn
voor de veiligheid van de vaart op de Westerschelde, de Eems en de
Dollard;
b. het gebruik van nautische bescheiden;
c. de koers- en plaatsbepaling;
d. meteorologie.
Artikel 7.16
1.Het examen ter verkrijging van het beperkt groot vaarbewijs A en
het groot vaarbewijs A heeft betrekking op de onderwerpen, genoemd in
deel 1 van hoofdstuk A en hoofdstuk C van bijlage II van richtlijn nr.
96/50/EG.
2.Het examen ter verkrijging van het beperkt groot vaarbewijs B en
het groot vaarbewijs B, heeft betrekking op de onderwerpen, genoemd in
deel 2 van hoofdstuk A en hoofdstuk C van bijlage II van richtlijn nr.
96/50/EG.
3.Een wijziging van bijlage II van richtlijn nr. 96/50/EG gaat voor
de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan
de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 7.17
1. Nadat het examen ter verkrijging van het vaarbewijs met gunstig
gevolg is afgelegd, wordt de verklaring, bedoeld in artikel 26, eerste
lid, van de wet, afgegeven.
2. De verklaring vermeldt voor welk van de in artikel 13 van het
besluit bedoelde vaarbewijzen het examen is afgelegd.
Artikel 7.18
1. Om voor de afgifte van een beperkt groot vaarbewijs dan wel een
groot vaarbewijs in aanmerking te komen beschikt de aanvrager over de
verklaring, bedoeld in artikel 7.17, en toont hij daarnaast aan, dat
hij een vaartijd heeft doorlopen van ten minste drie onderscheidenlijk
vier jaren.
2. Als vaartijd, bedoeld in het eerste lid, komt in aanmerking de
ervaring die de aanvrager na het bereiken van de 16-jarige leeftijd
heeft opgedaan als lid van:
a. de dekbemanning van een binnenschip, bestemd voor de
bedrijfsmatige vaart; of
b. de dekbemanning van een binnenschip met een lengte van 15
meter of meer, bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart, op de
binnenwateren van de Europese Unie of op binnenwateren die de
buitengrens van de Unie overschrijden.
3. Als vaartijd als bedoeld in het eerste lid komt voor degene die
dienst doet of heeft gedaan als registerloods tevens in aanmerking het
in een periode van 48 maanden op binnenwateren ten minste gedurende 64
dagreizen besturen van een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige
vaart.
4. De beoordeling van de vaartijd geschiedt door de minister.
Artikel 7.19
1. Indien de aanvrager aantoont ervaring te hebben opgedaan als lid
van de dekbemanning van een schip, bestemd voor de bedrijfsmatige
vaart ter zee, of van een schip met een lengte van 15 meter of meer,
bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart ter zee, wordt voor elk jaar
van deze ervaring de periode, bedoeld in artikel 7.18, eerste lid,
verminderd met een jaar, doch met ten hoogste een vaartijd van twee
jaren, waarbij 250 zeedagen als een jaar vaartijd als bedoeld in
artikel 7.18, eerste lid, gelden.
2. Indien de aanvrager houder is van een diploma van een opleiding
voor de binnenvaart, waarvan praktijkstages deel uitmaken, wordt de
periode, bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, verminderd met de duur
van deze opleiding, doch met ten hoogste een vaartijd van drie jaren.
3. Indien de aanvrager die dienst doet of heeft gedaan als
registerloods aantoont ervaring te hebben opgedaan als lid van de
dekbemanning van een schip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart ter
zee, wordt voor elk geheel jaar van deze ervaring de periode, bedoeld
in artikel 7.18, derde lid, verminderd met negen maanden en wordt het
vereiste aantal dagreizen waarop een binnenschip, bestemd voor de
bedrijfsmatige vaart, bestuurd wordt, verminderd met twaalf dagreizen,
doch tot niet minder dan een vaartijd van twaalf maanden waarin
tenminste gedurende zestien dagreizen een binnenschip, bestemd voor de
bedrijfsmatige vaart, is bestuurd.
Artikel 7.19a
De vaartijd bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, wordt verminderd met
drie jaar voor de aanvrager die:
a. houder is van de verklaring praktijkexamen vaartijd, ten
bewijze dat hij met goed gevolg het praktijkexamen schipper
binnenvaart van het CBR heeft afgelegd; of
b. met goed gevolg een praktijkexamen, dat bij internationale
regeling of door een bevoegde autoriteit in het buitenland en door
de minister is erkend, heeft afgelegd.
Artikel 7.20
1.De examinator biedt ten minste eenmaal per jaar de mogelijkheid
examens af te leggen. Hij maakt tijdig bekend voor welk tijdstip en
bij wie aanmelding voor een examen dient te geschieden. Hij vermeldt
tevens welke vergoeding voor het afleggen van het examen verschuldigd
is, alsmede de wijze van betaling.
2.De examinator zorgt dat de examens worden afgenomen in daartoe
geschikte locaties. Hij zorgt voor toezicht en een goede gang van
zaken bij het examen. Onder meer worden maatregelen getroffen om
bedrog te voorkomen.
3.Indien zich tijdens het examen onregelmatigheden hebben
voorgedaan stelt de examinator zo spoedig mogelijk een verslag op
omtrent het voorgevallene.
4.De examinator bewaart het verslag en de examenbescheiden
gedurende een jaar na afloop van het examen.
Artikel 7.21
1. De examens ter verkrijging van een klein vaarbewijs, een beperkt
groot vaarbewijs, een groot vaarbewijs, een verklaring praktijkexamen
vaartijd en een verklaring praktijkexamen matroos worden afgenomen met
inachtneming van een examenreglement en een examenprogramma die zijn
goedgekeurd door de minister.
2. De minister keurt het examenreglement en het examenprogramma
slechts goed indien deze naar zijn oordeel voldoende waarborgen
bevatten dat de vereiste kennis en bekwaamheid van de kandidaat naar
behoren worden onderzocht.
§ 5. Vervanging en afgifte van duplicaten van vaarbewijzen
Artikel 7.22
1. Een aanvraag tot afgifte van een duplicaat wordt door de houder
van het vaarbewijs ingediend bij de instantie die door de minister is
belast met de afgifte van het vaarbewijs, onder vermelding van de
reden.
2. Indien het vaarbewijs verloren is geraakt, wordt een bewijs van
aangifte bij de politie tegelijk met de aanvraag overgelegd.
3. Voor zover het vaarbewijs nog aanwezig is, wordt dit tegelijk
met de aanvraag overgelegd.
4. Indien de houder van een verloren geraakt vaarbewijs dit weer
tot zijn beschikking heeft gekregen, levert hij dit vaarbewijs
onverwijld in bij de instantie die door de minister is belast met de
afgifte van het vaarbewijs.
Artikel 7.23
1.Bij naamswijziging van de houder van het vaarbewijs, en indien de
geldigheidsduur van het vaarbewijs niet langer dan een jaar verstreken
is, kan onder handhaving van de oorspronkelijke geldigheidsduur een
vaarbewijs voorzien van de gewijzigde gegevens worden afgegeven.
2.Een aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs als bedoeld in het
eerste lid wordt door de houder van het vaarbewijs ingediend bij de
instantie die door de minister is belast met de afgifte van het
vaarbewijs, onder vermelding van de reden.
3.Bij de aanvraag wordt het te vervangen vaarbewijs ingeleverd.
§ 6. Gegevensverstrekking
Artikel 7.24
1. De instanties die belast zijn met de afgifte van vaarbewijzen
stellen de Landelijke eenheid alsmede de dienst Zeehavenpolitie van de
regionale eenheid Rotterdam onverwijld schriftelijk in kennis van:
a. de ongeldigverklaring voor de gehele of gedeeltelijke
geldigheidsduur van een vaarbewijs;
b. de ongeldigverklaring van een groot pleziervaartbewijs als
bedoeld in artikel 7.8;
c. de ongeldigverklaring van een zeilbewijs als bedoeld in
artikel 7.9;
d. de ongeldigverklaring van een vrijstellingsbewijs als
bedoeld in artikel 7.6.
2. Van de in het eerste lid bedoelde in kennis stelling wordt
gelijktijdig mededeling gedaan aan de houder van het vaarbewijs.
§ 7. ICC’s
Artikel 7.25
De instantie die het klein vaarbewijs afgeeft verstrekt op aanvraag,
namens de minister, aan de houder van onderscheidenlijk een geldig klein
vaarbewijs I of II, een geldig groot pleziervaartbewijs I of II of een
certificaat Theoretische Kustnavigatie van het Koninklijk Nederlands
Watersportverbond, onderscheidenlijk:
a. het gecombineerde klein Vaarbewijs I / ICC inland;
b. het gecombineerde klein vaarbewijs II / ICC inland+coastal;
c. het gecombineerde groot pleziervaartbewijs I / ICC inland;
d. het gecombineerde groot pleziervaartbewijs II/ ICC inland+coastal;
e. het ICC coastal.
Hoofdstuk 8. Overige documenten
Artikel 8.1
De Minister verstrekt een Rijnvaartverklaring, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel a van het besluit, indien wordt voldaan aan het
bepaalde in de artikelen 3 tot en met 5 van de bijlage bij verordening (EEG)
2919/85.
Artikel 8.2
1. De Rijnvaartverklaring wordt vastgesteld overeenkomstig het
model opgenomen in bijlage 8.1 bij deze regeling.
2. De verklaring bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de bijlage
bij verordening (EEG) 2919/85 wordt vastgesteld overeenkomstig het
model opgenomen in bijlage 8.2 bij deze regeling.
Artikel 8.3
1. De Minister verstrekt een bewijs van toelating, bedoeld in
artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, indien wordt
voldaan aan het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de herziene
Rijnvaartakte.
2. Het bewijs van toelating wordt vastgesteld overeenkomstig het
model opgenomen in bijlage 8.3 bij deze regeling.
Artikel 8.4
Als geëigend document, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel
c, van het besluit, zijn aangewezen de attesten, bedoeld in artikel 2,
derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden
waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands
goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lid-Staat waar
zij niet gevestigd zijn (PbEG L 373).
Artikel 8.5
De houder van een document van toelating draagt er zorg voor dat dit
document op een van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd:
a. aan boord van het binnenschip, waarvoor het document is
afgegeven; of
b. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van dat
binnenschip.
Hoofdstuk 9. Registratie en statistiek
Artikel 9.1
Het registratienummer, bedoeld in artikel 30 van het besluit, wordt
op het binnenschip aangebracht op de plaats en wijze, bedoeld in artikel
2.01, eerste lid, onder a, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 met
inachtneming van het bepaalde in artikel 2.01, derde lid, van dat
reglement.
Artikel 9.2
Degene die daadwerkelijk en bij voortduring leiding geeft aan de
vervoersactiviteit van een onderneming bestaande uit het bedrijfsmatig
vervoer van goederen, anders dan bestemd voor of afkomstig van de eigen
onderneming, met vaartuigen met een laadvermogen van 50 ton of meer,
alsmede de personen bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, zijn verstrekken
periodiek over één of meer door het Centraal Bureau voor de Statistiek
nader vast te stellen tijdvakken en uiterlijk binnen veertien dagen na
afloop daarvan aan het Centraal Bureau voor de Statistiek een opgave
van:
a. de datum van het vervoer;
b. de soorten van vervoer;
c. de scheepsgegevens;
d. het land, de regio of het gebied en de plaats van lading en
lossing, respectievelijk het land, de regio of het gebied en plaats
van vertrek en aankomst bij leegvaart;
e. de afstand tussen de plaats of plaatsen van lading en de
plaats of plaatsen van lossing, respectievelijk de afstand tussen de
plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart;
f. het gewicht, uitgedrukt in tonnen, van de vervoerde goederen;
g. de aard van de vervoerde goederen;
h. het aantal beladen en lege containers naar grootte;
i. het identificatienummer, klasse en cijfer van de vervoerde
stof in geval van vervoer van gevaarlijke stoffen.
Hoofdstuk 10. Toezicht en handhaving
Artikel 10.1
Als ambtenaren in de zin van artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van
de wet worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat die belast zijn met toezicht en opsporing.
Artikel 10.2
Als ambtenaren in de zin van artikel 40, tweede lid, van de wet
worden aangewezen de ambtenaren van:
a. Haven Amsterdam;
b. het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het ministerie
van Verkeer en Waterstaat;
c. het Havenbedrijf NV, Divisie Havenmeester, te Rotterdam;
d. de Arbeidsinspectie.
Artikel 10.3
1. Als ambtenaren in de zin van artikel 40, tweede lid, van de wet
worden aangewezen de ambtenaren van de in artikel 10.4 genoemde
provincies, gemeenten onderscheidenlijk waterschappen die daartoe door
het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en
wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur als zodanig zijn
aangesteld.
2. Het college van gedeputeerde staten, het college van
burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur
stelt slechts ambtenaren aan die naar zijn oordeel voldoende bekwaam
zijn ter zake van de wet en van toezicht of opsporing.
Artikel 10.4
1. De in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde provincies zijn:
Fryslân, Groningen en Overijssel.
2. De in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde gemeenten zijn:
Aalsmeer en Amsterdam.
3. Het in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde waterschap is:
Rivierenland.
Hoofdstuk 11. Bestuurlijke boete
Artikel 11.1
1. De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als
bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid en zesde lid, 7,
eerste lid, 8, derde lid, 10, tweede lid, 11, 12, 13, vierde lid, 21,
eerste lid, 22, negende lid, 23, eerste lid, 25, vierde lid en vijfde
lid, 31, vierde lid, 33, tweede lid, 36, vierde lid, 37, tweede lid,
38, zevende lid, 43, tweede lid, en 46, tweede lid, van de wet zijn
opgenomen in tabel 1 in bijlage 11.1 bij deze regeling.
2. De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als
bedoeld in de artikelen 39c, derde lid, en 39e, van de wet zijn
opgenomen in tabel 2 in bijlage 11.1 bij deze regeling.
Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen en wijzigingen in andere regelingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 12.1
1. Op binnenschepen die niet onder het toepassingsbereik van
richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 4 oktober 1982 tot het vaststellen van de technische voorschriften
voor binnenschepen (PbEG L 301) vielen, maar wel onder het
toepassingsbereik van de richtlijn vallen, is artikel 8, tweede, derde
en vierde lid, van richtlijn 2006/87/EG van toepassing.
2. Als tekortkomingen die geen klaarblijkelijk gevaar opleveren als
bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede alinea, van richtlijn
2006/87/EG worden in ieder geval de tekortkomingen gerekend die voor
binnenschepen als bedoeld in het eerste lid voortvloeien uit de tot
het in werking treden van de wet toegepaste overgangsbepalingen van
het Binnenschepenbesluit zoals dat op dat moment luidde.
3. In aanvulling op het tweede lid geldt voor bestaande zeilende
passagiersschepen dat de tekortkomingen die voortvloeien uit de
overgangsbepalingen met betrekking tot de artikelen 9.01 en 9.02 van
bijlage VII en de artikelen 9.01 en 9.06 van bijlage III van het
Binnenschepenbesluit, zoals dat luidde bij het in werking treden van
de wet, tot uiterlijk tien jaar vanaf de datum van het eerste
onderzoek na 27 september 2000 zijn toegestaan.
Artikel 12.2
Ten aanzien van een binnenschip waarvan het vlak van de grootste
toegelaten diepgang bij de laatste meting is vastgesteld volgens artikel
5 van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978, zoals dit luidde voor de
inwerkingtreding van het besluit van 23 maart 1998, houdende wijziging
van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978, kan bij hermeting het vlak
van de grootste toegelaten diepgang op verzoek van de belanghebbende
worden vastgesteld met toepassing van dat artikel, mits het vaartuig
sinds de laatste meting geen verbouwing heeft ondergaan die van invloed
kan zijn op de vaststelling van dat vlak.
Artikel 12.3
1. Vaarbewijzen, afgegeven overeenkomstig de Regeling vaststelling
model klein vaarbewijs onderscheidenlijk de Regeling vaststelling
model groot vaarbewijs, blijven geldig met inachtneming van die
regelingen, totdat hun geldigheid is verstreken.
2. Klein vaarbewijzen en groot pleziervaartbewijzen, afgegeven
krachtens deze regeling vóór 1 januari 2010 blijven geldig totdat
hun geldigheid is verstreken.
3. Dienstboekjes, vaartijdenboeken, Rijnpatenten, attesten en
andere documenten, afgegeven vóór 1 juli 2011 op grond van hoofdstuk
23 van het RosR 1995, het Patentreglement Rijn of het Reglement
betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen,
blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken.
Artikel 12.4
Ambtenaren die op het moment voor inwerkingtreding van de wet
krachtens aanwijzing door de Minister bevoegd waren tot toezicht op de
naleving of tot opsporing van het bepaalde bij of krachtens de
Binnenschepenwet, de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, de
Wet vervoer binnenvaart of de Herziene Rijnvaartakte, behouden die
bevoegdheid tot 31 december 2009 of zoveel eerder als zij ingevolge
hoofdstuk 10 worden aangewezen onderscheidenlijk van hun bevoegdheid tot
toezicht of opsporing worden ontheven.
Artikel 12.5
1. De tot 1 juli 2009 door de Stichting Commissie Watersport
Opleidingen te Nieuwegein afgegeven diploma’s CWO groot motorschip
alsook het door Scouting Nederland afgegeven diploma Machtiging voor
bootleiding (MBL) M3 gelden als het in artikel 7.8, derde lid,
onderdeel a, bedoelde door de Stichting VAMEX afgegeven diploma.
2. Gedurende twee jaar na inwerkingtreding van de wet geldt een
krachtens de Binnenschepenwet afgegeven klein vaarbewijs als het in
artikel 7.8 bedoelde groot pleziervaartbewijs.
§ 2. Wijzigingen in andere regelingen
Artikel 12.6
[Wijzigt de Regeling bemanning zeegaande zeilschepen]
Artikel 12.7
[Wijzigt de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en
bemiddelaars van afvalstoffen]
Artikel 12.8
[Wijzigt de Subsidieregeling dieselmotoren voor binnenvaartschepen]
Artikel 12.9
[Wijzigt de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer]
Artikel 12.10
[Wijzigt de Regeling aanwijzing wetgeving ex art. 4:2, tweede lid,
Besluit politiegegevens]
Artikel 12.11
[Wijzigt de Regeling tarieven scheepvaart 2005]
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Artikel 13.1
Deze regeling treedt gelijktijdig in werking met de Binnenvaartwet.
Artikel 13.2
Deze regeling wordt aangehaald als: Binnenvaartregeling.
Deze regeling zal in een bijlage bij de Staatscourant
worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|