| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Binnenvaartwet
BINNENVAARTBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 18 maart 2009, houdende nadere regels voor de binnenvaart
(Binnenvaartbesluit)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van
Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2008, nr. CEND/HDJZ/2008-459, sector
SCH Hoofddirectie Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 5, tweede lid, 7, tweede
lid, 14, vijfde lid, 22, eerste lid, 23, tweede lid, 25, eerste, tweede
en derde lid, 26, eerste lid, 28, vijfde en zesde lid, 29, derde lid,
30, derde lid, 34, 35, 36, derde lid, 37, eerste lid, 38, en 39, vierde
lid, van de Binnenvaartwet, artikel 2 van de Wet geluidhinder, de
artikelen 4, eerste lid, onder a, en derde lid, 9, 10, tweede lid,
onderdeel b, en 18 van de Scheepvaartverkeerswet, de artikelen 8.40,
eerste lid, 8.41, derde lid, 8.42, eerste en tweede lid, 8.45, 10.45,
tweede lid, 10.46 en 10.48, eerste lid van de Wet milieubeheer, artikel
74c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2:1, eerste
lid, 2:7, eerste lid, 4:3, tweede en vierde lid, en artikel 5:12, eerste
en tweede lid, van de Arbeidstijdenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 18 juli
2008 nr. W09.08.0185/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 13 maart 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/102
sector SCH, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij
anders is bepaald, verstaan onder:
breedte: de grootste breedte van de scheepsromp in meters,
gemeten op de buitenkant van de huidbeplating;
diepgang: de verticale afstand in meters tussen het laagste punt
van de scheepsromp, zonder de kiel of andere uitstekende delen, en
het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp in meters;
duwboot: schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het duwen
van schepen en niet bestemd is voor het zelfstandig vervoeren van
goederen;
geneeskundig onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel 28, eerste
lid, van de wet;
lengte: grootste lengte van de scheepsromp in meters, het roer en
de boegspriet niet inbegrepen;
openbaar vervoersdienst: voor ieder openstaand personenvervoer;
passagiersschip: binnenschip, niet zijnde een veerpont of een
veerboot, dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig
vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanningsleden;
pleziervaartuig: schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor
sportbeoefening of vrijetijdsbesteding;
Rijnvaartverklaring: verklaring, bedoeld in artikel 2, derde lid,
van de Herziene Rijnvaartakte;
sleepboot: schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het slepen
van schepen en niet is bestemd voor het zelfstandig vervoeren van
goederen;
sleepduwboot: schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het
slepen of duwen van schepen en niet is bestemd voor het zelfstandig
vervoeren van goederen;
veerboot: schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het
bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de
bemanningsleden alsook van voertuigen op meer dan twee wielen en dat
een openbaar vervoersdienst onderhoudt tussen plaatsen gelegen aan
de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de verbindingen
met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding daarvan;
veerpont: schip, niet zijnde een veerboot, dat is bestemd of
wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van een of meer
personen buiten de bemanningsleden en dat een openbaar
vervoersdienst onderhoudt;
wet: Binnenvaartwet.
Hoofdstuk 2. Toegang tot de markt
Artikel 2
1.Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen tussen twee
plaatsen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
de Herziene Rijnvaartakte, is het schip voorzien van een
Rijnvaartverklaring.
2.Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen dat niet
plaatsvindt tussen twee plaatsen als bedoeld in het eerste lid, is het
schip voorzien van:
a. een Rijnvaartverklaring;
b. een bewijs van toelating; of
c. een door Onze Minister aangewezen geëigend document van de
bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese
Gemeenschappen of van een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
3.Het tweede lid is van toepassing op:
a. een schip met een lengte van ten minste 20 meter; of
b. een schip waarvoor het product van lengte, breedte en
diepgang in meters ten minste 100 m3 bedraagt.
Artikel 3
1.Onze Minister verstrekt voor een schip een Rijnvaartverklaring,
indien de eigenaar voldoet aan bij regeling van Onze Minister te
stellen regels:
a. in geval van een natuurlijke persoon: met betrekking tot de
nationaliteit en de woon- en verblijfplaats; of
b. in geval van een rechtspersoon of een vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid: met betrekking tot de oprichting, de zetel,
het centrum van de handelsactiviteit, de plaats van waaruit de
exploitatie wordt geleid, het bestuur en het beheer.
2.De houder van een Rijnvaartverklaring doet aan Onze Minister
binnen twee weken schriftelijk mededeling van iedere wijziging in de
omstandigheden op grond waarvan de Rijnvaartverklaring is verstrekt.
3.Onze Minister trekt de verklaring in, indien niet langer aan de
in het eerste lid bedoelde regels wordt voldaan en kan de verklaring
intrekken als de houder niet voldoet aan de verplichting genoemd in
het tweede lid.
4.Onze Minister kan in het geval dat een Rijnvaartverklaring wordt
aangevraagd in verband met het verrichten van vervoer als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, uitzonderingen toestaan wat betreft de eis van
meerderheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, onder cc,
alsmede artikel 3, tweede lid, van de bijlage bij Verordening (EEG)
nr. 2919/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober
1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden
voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene
Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de
Rijnvaart behoren (PbEG L 280), op voorwaarde dat het doel van
Aanvullend Protocol nr. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte niet in gevaar
wordt gebracht en hij tevens de door de Centrale Commissie voor de
Rijnvaart vastgestelde algemene voorwaarden, bedoeld in artikel 3,
vierde lid, van de bijlage bij bovengenoemde verordening
overeenkomstig toepast.
Artikel 4
1.Onze Minister kan voor een schip dat niet in aanmerking komt voor
een Rijnvaartverklaring of een geëigend document als bedoeld
inartikel 2, tweede lid, op aanvraag van de eigenaar van het schip een
bewijs van toelating als bedoeld in dat artikellid verstrekken, indien
dat schip is voorzien van een door Onze Minister aangewezen document
dat door een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie, door
een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of door Zwitserland wordt verstrekt in het
kader van een door Nederland met de betrokken staat gesloten
overeenkomst.
2.Onze Minister kan als niet wordt voldaan aan de voorwaarden,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Herziene Rijnvaartakte:
a. de afgifte van een bewijs van toelating weigeren of een
dergelijk bewijs intrekken; of
b. aan een bewijs van toelating voorschriften verbinden of
zodanige voorschriften wijzigen of intrekken.
3.Artikel 3, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 5
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de vorm, de inhoud en de verstrekking van de
Rijnvaartverklaring en van het bewijs van toelating;
b. de voorschriften waaraan moet zijn voldaan en de gegevens die
worden verstrekt bij een aanvraag om afgifte of intrekking van de
Rijnvaartverklaring en het bewijs van toelating;
c. de wijze waarop een aanvraag om afgifte of intrekking van een
Rijnvaartverklaring en een bewijs van toelating wordt ingediend;
d. de controleerbaarheid van de Rijnvaartverklaring, van het
bewijs van toelating en van het geëigend document.
Hoofdstuk 3. Regels aan boord
§ 1. Certificaat van onderzoek
Artikel 6
Voor de volgende categorieën van binnenschepen is een certificaat
van onderzoek vereist:
a. binnenschepen met een lengte van ten minste 20 meter;
b. binnenschepen waarvoor het product van lengte, breedte en
diepgang ten minste 100 m3 bedraagt;
c. sleepboten, duwboten of sleepduwboten, tenzij:
1°. ze niet onder de criteria genoemd in de onderdelen a of
b vallen,
2°. ze blijkens een verklaring van Onze Minister uitsluitend
worden gebruikt als pleziervaartuig, en
3°. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die
verklaring worden gebruikt;
d. passagiersschepen;
e. veerponten die zijn bestemd of worden gebruikt voor het
bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de
bemanningsleden;
f. veerboten;
g. drijvende werktuigen;
h. binnenschepen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Wet
vervoer gevaarlijke stoffen vervoeren;
i. binnenschepen die krachtens het Binnenvaartpolitiereglement of
het Rijnvaartpolitiereglement 1995 zijn toegelaten tot het ligplaats
nemen langszijde van een binnenschip als bedoeld in onderdeel h; of
j. samenstellen van hecht aan elkaar verbonden schepen met een
gezamenlijke afmeting als bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 7
Het certificaat van onderzoek is niet vereist voor:
a. binnenschepen voorzien van een geldig certificaat van
onderzoek als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte:
1°. met inachtneming van artikel 9 van dit besluit, en
2°. mits voldaan wordt aan de technische eisen op grond
waarvan dat certificaat is verleend;
b. zeeschepen voorzien van een geldig certificaat of document,
afgegeven door of namens de bevoegde autoriteiten van de staat wiens
vlag het schip gerechtigd is te voeren, op grond waarvan de vaart op
zee mag worden ondernomen, mits voldaan wordt aan de technische
eisen op grond waarvan die certificaten zijn verleend;
c. binnenschepen voorzien van een ander geldig document dan in
onderdeel a bedoeld, dat door de bevoegde autoriteiten in het
buitenland ten bewijze van de deugdelijkheid van het binnenschip is
afgegeven, mits voldaan wordt aan de technische eisen op grond
waarvan dat document is afgegeven en voor zover:
1°. afgegeven ter uitvoering van bindende besluiten van
organen van de Europese Unie,
2°. anderszins afgegeven ter uitvoering van verdragen of
bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, of
3°. door Onze Minister erkend in bij regeling van Onze
Minister vast te stellen gevallen;
d. binnenschepen die uitsluitend door spierkracht worden
voortbewogen;
e. drijvende werktuigen die zich in een grind- of zandgat
bevinden;
f. binnenschepen die in aanbouw zijn of waarmee een proefvaart
wordt ondernomen;
g. binnenschepen met permanente ligplaats, uitsluitend gebruikt
voor bewoning en zonder eigen aandrijving dan wel anderszins niet
voor de vaart geschikt, ook gedurende de tijd van verslepen.
Artikel 8
Een communautair binnenvaartcertificaat voor binnenschepen
overeenkomstigrichtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees parlement en de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2006 tot
vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot
intrekking vanrichtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEG L 389) wordt
gelijkgesteld met een certificaat van onderzoek.
Artikel 9
1.Voor binnenschepen waarop aanvullende regels als bedoeld in
artikel 8, tweede lid, van de wet, van toepassing zijn en die zijn
voorzien van een certificaat van onderzoek, verstrekt Onze Minister op
aanvraag van de eigenaar van het binnenschip een communautair
aanvullend binnenvaartcertificaat van onderzoek overeenkomstig
richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees parlement en de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 12 december 2006 tot vaststelling van de
technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking
vanrichtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEG L389).
2.Onze Minister verstrekt op aanvraag voor zeeschepen ten behoeve
van de vaart op de binnenwateren een communautair aanvullend
binnenvaartcertificaat van onderzoek.
3.Op het communautair aanvullend binnenvaartcertificaat van
onderzoek zijn hoofdstuk 3, paragraaf 1, van de wet en deze paragraaf
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1.Onze Minister kan een voorlopig certificaat van onderzoek afgeven
voor binnenschepen, behorende tot de categorieën, bedoeld in artikel
6, voor:
a. binnenschepen, die teneinde een certificaat van onderzoek te
verkrijgen, met toestemming van Onze Minister naar een bepaalde
plaats worden gevaren;
b. binnenschepen die, wegens een van de in artikel 2.07 van
bijlage II van richtlijn nr. 2006/87/EG of de in artikelen 12 en
16 van die richtlijn bedoelde gevallen, tijdelijk niet van hun
communautair binnenvaartcertificaat zijn voorzien;
c. binnenschepen waarvan de aanvraag voor het certificaat van
onderzoek na het onderzoek nog in behandeling is;
d. binnenschepen die niet aan alle voorwaarden voor de afgifte
van een communautair binnenvaartcertificaat overeenkomstig bijlage
V, deel I, van richtlijn nr. 2006/87/EGvoldoen;
e. binnenschepen die een zodanige schade hebben geleden dat de
staat waarin zij verkeren, niet meer met het in het certificaat
van onderzoek gestelde overeenstemt;
f. drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, wanneer de
voor bijzonder transport bevoegde autoriteiten, overeenkomstig het
Rijnvaartpolitiereglement 1995 of het Binnenvaartpolitiereglement,
de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van
het hebben van een dergelijk voorlopig communautair
binnenvaartcertificaat;
g. binnenschepen die volgens artikel 2.19, tweede lid, van
richtlijn nr. 2006/87/EG van de bepalingen van Deel II van bijlage
II van die richtlijn afwijken.
2.Het voorlopig certificaat is geldig:
a. in de in het eerste lid, onderdelen a en d tot en met f,
bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een
redelijke termijn die ten hoogste één maand is;
b. in de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde
gevallen gedurende een redelijke termijn;
c. in de in het eerste lid, onderdeel g, genoemde gevallen
gedurende zes maanden, hetgeen elke zes maanden kan worden
verlengd, zolang het comité als bedoeld in artikel 2.19, tweede
lid, van richtlijn nr. 2006/87/EGnog geen beslissing heeft
genomen.
3.Het voorlopig certificaat van onderzoek kan voorschriften
bevatten die door Onze Minister in het belang van de veiligheid van
het binnenschip of de opvarenden nodig worden geacht. De eigenaar
draagt zorg voor de naleving van deze voorschriften.
Artikel 11
1.Bij regeling van Onze Minister worden vastgesteld:
a. de modellen voor de certificaten van onderzoek;
b. de procedure waarbij natuurlijke personen of rechtspersonen
als bedoeld in artikel 14 van de wet worden aangewezen.
2.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels vastgesteld
met betrekking tot:
a. de afgifte van de certificaten van onderzoek;
b. het onderzoek, bedoeld in artikel 14 van de wet;
c. de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 6,
onderdeel c, onder 2°.
§ 2. Bemanning
Artikel 12
1. De categorieën schepen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van
de wet, zijn:
a. schepen met een lengte van ten minste 20 meter;
b. sleepboten, duwboten of sleepduwboten, tenzij:
1°. ze blijkens een verklaring van Onze Minister
uitsluitend worden gebruikt als pleziervaartuig, en
2°. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die
verklaring worden gebruikt;
c. passagiersschepen;
d. veerponten;
e. veerboten;
f. drijvende werktuigen;
g. binnenschepen die voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
als bedoeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn toegelaten;
h. schepen die krachtens het Binnenvaartpolitiereglement en het
Rijnvaartpolitiereglement 1995 zijn toegelaten tot het ligplaats
nemen langszijde van een schip als bedoeld in onderdeel g; of
i. samenstellen van hecht aan elkaar verbonden schepen met een
gezamenlijke afmeting als bedoeld in onderdeel a.
2. Tot de in het eerste lid genoemde categorieën behoren niet:
a. pleziervaartuigen en reddingsboten;
b. bunkerstations;
c. zeeschepen die uitsluitend worden gebruikt voor het vangen
van vis op zee als bedoeld in de Visserijwet 1963;
d. zeeschepen, niet zijnde een sleepboot:
1°. die gebruik dienen te maken van een loods en zich
bevinden op de scheepvaartwegen, bedoeld in de artikelen 10,
eerste lid, en 11, van de Scheepvaartverkeerswet;
2°. die van de loodsplicht zijn vrijgesteld op grond van
artikel 10, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet of
waarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 10, derde
lid, van die wet, en zich bevinden op de scheepvaartwegen,
bedoeld onder 1°; of
3°. die zich bevinden in de haven van Scheveningen;
e. zeeschepen die voldoen aan bij regeling van Onze Minister
overeenkomstig bindende besluiten van organen van de Europese Unie
dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende
besluiten van volkenrechtelijke organisaties gestelde regels.
§ 3. Vaarbewijs
Artikel 13
1.Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren is de gezagvoerder
voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor
rivieren, kanalen en meren.
2.Voor de vaart op de overige binnenwateren is de gezagvoerder
voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor
alle binnenwateren.
3.Voor de toepassing van het eerste lid worden onder rivieren,
kanalen en meren verstaan de binnenwateren met uitzondering van de
Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard,
het IJsselmeer, het IJmeer en het Markermeer met uitzondering van de
Gouwzee.
Artikel 14
1.Een groot vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
a. schepen met een lengte van ten minste 20 meter;
b. passagiersschepen;
c. veerponten die:
1°. zijn bestemd of worden gebruikt voor het bedrijfsmatig
vervoer van meer dan twaalf personen buiten de
bemanningsleden, of
2°. Door middel van de eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen een snelheid van 30 kilometer per uur of
meer ten opzichte van het water kunnen bereiken;
d. veerboten, of
e. sleepboten, duwboten of sleepduwboten.
2.Een groot vaarbewijs is geldig voor het voeren van schepen
waarvoor een beperkt groot vaarbewijs of een klein vaarbewijs vereist
is.
3.In afwijking van het eerste lid, onder a, is een groot vaarbewijs
niet vereist voor schepen die een lengte hebben van ten minste 20
meter en minder dan 40 meter en die niet behoren tot de in het eerste
lid, onderdelen b tot en met e, genoemde categorieën als de
gezagvoerder op grond van het bepaalde in artikel 15 in het bezit is
van een geldig beperkt groot vaarbewijs.
4.Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op
sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van minder dan 15
meter, indien:
a. ze blijkens een verklaring van Onze Minister uitsluitend
worden gebruikt als pleziervaartuig; en
b. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die verklaring
worden gebruikt.
Artikel 15
1.Een beperkt groot vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
a. schepen met een lengte van ten minste 20 meter en minder dan
40 meter, met uitzondering van:
1°. pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25
meter, en
2°. schepen die behoren tot de in artikel 14, eerste lid,
onderdelen b, c, d en e, genoemde categorieën, of
b. sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van ten
minste 25 meter en minder dan 40 meter, indien:
1°. ze blijkens een verklaring van Onze Minister
uitsluitend worden gebruikt als pleziervaartuig, en
2°. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die
verklaring worden gebruikt.
2.Een beperkt groot vaarbewijs is geldig voor het voeren van een
schip waarvoor een klein vaarbewijs vereist is.
Artikel 16
Een klein vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
a. schepen met een lengte van ten minste 15 en minder dan 20
meter die niet behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen
b, c, en d, bedoelde categorieën;
b. pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 15 meter en
minder dan 25 meter;
c. sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van ten
minste 15 meter en minder dan 25 meter, indien:
1°. ze blijkens een verklaring van Onze Minister uitsluitend
worden gebruikt als pleziervaartuig, en
2°. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die
verklaring worden gebruikt, of
d. schepen met een lengte van minder dan 15 meter die door middel
van de eigen mechanische voortstuwingsmiddelen een snelheid van meer
dan 20 kilometer per uur ten opzichte van het water kunnen bereiken,
en niet behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b, c, d
en e, genoemde schepen.
Artikel 17
1.Het bezit van een vaarbewijs is niet vereist voor het voeren van:
a. schepen die uitsluitend door spierkracht worden
voortbewogen;
b. drijvende werktuigen die zich bevinden in een grind- of
zandgat;
c. bunkerstations.
2.Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de
gezagvoerder die in het bezit is van een bij regeling van Onze
Minister aangewezen krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven
geldig gelijkwaardig vaarbewijs of van een geldig gelijkwaardig
vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet.
3.Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de
gezagvoerder van een zeeschip:
a. indien zich een persoon aan boord bevindt die in het bezit
is van een geldig groot vaarbewijs, van een bij regeling van Onze
Minister aangewezen krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven
daaraan gelijkwaardig geldig vaarbewijs of van een daaraan
gelijkwaardig geldig vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, derde
lid, van de wet; of
b. niet zijnde een sleepboot:
1°. die gebruik dient te maken van een loods en zich
bevindt op de scheepvaartwegen, bedoeld in de artikelen 10,
eerste lid, en 11, van de Scheepvaartverkeerswet;
2°. die van de loodsplicht is vrijgesteld op grond van
artikel 10, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet of
waarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 10, derde
lid, van die wet, en zich bevindt op de scheepvaartwegen,
bedoeld onder 1°; of
3°. die zich bevindt in de haven van Scheveningen.
4.Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de
gezagvoerder, indien:
a. de gezagvoerder is voorzien van een door Onze Minister
aangewezen bewijs van bekwaamheid dat is erkend ingevolge artikel
25, derde lid, van de wet, of
b. de gezagvoerder of een ander lid van de dekbemanning is
voorzien van een door Onze Minister aangewezen aanvullend bewijs
van bekwaamheid voor de binnenvaart dat is afgegeven door een
daartoe bevoegde autoriteit in het buitenland.
Artikel 18
1.Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
houdende vrijstelling van de vaarbewijsplicht, indien naar het oordeel
van Onze Minister de veilige vaart voldoende gewaarborgd is.
2.De in het eerste lid genoemde regels betreffen in elk geval de
voorschriften voor afgifte en intrekking van vrijstellingsbewijzen.
Artikel 19
Bij regeling van Onze Minister worden vorm en inhoud van de
vaarbewijzen vastgesteld.
Artikel 20
1.Bij de aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs worden overgelegd:
a. de geneeskundige verklaring, niet ouder dan dertien weken,
of een eigen verklaring als bedoeld in artikel 26, eerste lid;
b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor
het verlangde vaarbewijs onderscheidenlijk een bewijs van
bekwaamheid voor de binnenvaart dat door Onze Minister is erkend;
c. overige, bij regeling van Onze Minister nader te regelen,
bescheiden.
2.Onverminderd het eerste lid toont de aanvrager bij de aanvraag
tot afgifte van een beperkt groot vaarbewijs of een groot vaarbewijs
op bij regeling van Onze Minister te bepalen wijze aan dat hij een
vaartijd heeft doorlopen van drie jaren respectievelijk vier jaren.
3.Een jaar vaartijd als bedoeld in het tweede lid bestaat uit 180
effectieve vaardagen. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen
kunnen maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend.
4.In het geval van ongeldigverklaring van het vaarbewijs mag bij
een nieuwe aanvraag tot afgifte geen gebruik worden gemaakt van een
eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van bekwaamheid voor
de binnenvaart.
5.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gegeven
omtrent de toelating van de aanvrager tot het onderzoek en de wijze
van onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b, van
de wet.
Artikel 21
In plaats van een document als bedoeld in artikel 20, eerste lid,
onderdeel b, kan worden overgelegd:
a. een ten minste gelijkwaardig geldig vaarbewijs, of
b. een ten minste gelijkwaardig vaarbewijs dat zijn geldigheid
heeft verloren uitsluitend door het verstrijken van de
geldigheidsduur.
Artikel 22
1.Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs, afgegeven
voor de 50-jarige leeftijd van de houder, zijn geldig tot de dag
waarop hij de leeftijd van 50 jaar en dertien weken heeft bereikt.
2.Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs, afgegeven
aan de houder na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, zijn geldig
tot de dag waarop de houder de leeftijd van 65 jaar en dertien weken
heeft bereikt in bij regeling genoemde gevallen, mits zij samen met de
geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 28 van de wet, worden
getoond.
3.Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs zijn na de
dag waarop de houder de leeftijd van 65 jaar en dertien weken heeft
bereikt slechts geldig in bij regeling genoemde gevallen, mits zij
samen met de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 28 van de
wet, worden getoond.
4.Een klein vaarbewijs, afgegeven voor de 65-jarige leeftijd van de
houder, is geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 70 jaar
heeft bereikt.
5.Een klein vaarbewijs, afgegeven nadat de houder de 65-jarige
leeftijd heeft bereikt, is vijf jaar geldig.
Artikel 23
1.Het vaarbewijs wordt binnen twee weken na ongeldigverklaring als
bedoeld in artikel 30 van de wet bij Onze Minister ingeleverd.
2.Onze Minister kan degene wiens vaarbewijs ongeldig is verklaard
geheel of gedeeltelijk ontheffing van het examen verlenen.
3.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het in dit artikel bepaalde.
Artikel 24
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de
verstrekking van gegevens betreffende afgegeven en ongeldige
vaarbewijzen, bedoeld in artikel 35 van de wet. Die regels betreffen:
a. de gegevens die verstrekt worden;
b. de aanwijzing van degenen die namens Onze Minister gegevens
verstrekken;
c. de wijze waarop de gegevens verstrekt worden; en
d. de wijze waarop de houder van het ongeldige vaarbewijs in
kennis wordt gesteld van de verstrekking van zijn gegevens.
Artikel 24a
De geldigheid van het vaardocument, bedoeld inartikel 33a, is van
rechtswege geschorst gedurende de periode dat het ingevolge de artikelen
35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet onderscheidenlijk 42,
eerste lid, van de wet, is ingevorderd maar nog niet overhandigd.
§ 4. Geneeskundig onderzoek
Artikel 25
1.Het geneeskundig onderzoek ter afgifte van de geneeskundige
verklaringen, bedoeld in de artikelen 23 en 28 van de wet, heeft
betrekking op de lichamelijke en geestelijke toestand van de aanvrager
in het algemeen en in het bijzonder op:
a. de gezichtsscherpte en het kleuronderscheidingsvermogen;
b. de gehoorscherpte;
c. de toestand van het hart, de longen en de bloeddruk;
d. het functioneren van armen en benen;
e. de neurologische en psychische gesteldheid; en
f. overige afwijkingen die het veilig varen nadelig kunnen
beïnvloeden.
2.Het geneeskundig onderzoek en de afgifte van de geneeskundige
verklaring geschieden met inachtneming van de bij regeling van Onze
Minister te stellen regels.
Artikel 26
1.Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het
vaarbewijs blijft achterwege, indien uit een eigen verklaring van de
aanvrager blijkt, dat hij lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt
is voor het voeren van een binnenschip en indien hij:
a. een klein vaarbewijs wenst te verkrijgen; of
b. niet langer dan dertien weken tevoren een overeenkomstig
geneeskundig onderzoek met gunstig gevolg heeft ondergaan.
2.De eigen verklaring heeft betrekking op de onderwerpen, bedoeld
in artikel 25, eerste lid.
3.De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, onder b, legt bescheiden
over ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de aldaar gestelde
vereisten.
4.De eigen verklaring mag niet ouder zijn dan zesentwintig weken.
5.Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst kan een
deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, een
geneeskundige verklaring afgeven, indien hij van oordeel is dat de
afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.
6.Het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring geschiedt
met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister te stellen
regels.
Artikel 27
1.Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het
vaarbewijs blijft achterwege indien de aanvrager van een groot of
beperkt groot vaarbewijs reeds een geldig groot of beperkt groot
vaarbewijs bezit en de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en
niet is gebleken dat hij sinds de afgifte van dat vaarbewijs medisch
ongeschikt is geworden.
2.De houder van het beperkt groot vaarbewijs of van het groot
vaarbewijs toont zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid opnieuw
aan bij Onze Minister door het overleggen van een geneeskundige
verklaring als bedoeld in artikel 28 van de wet, die niet ouder dan
dertien weken is:
a. iedere vijf jaren vanaf het bereiken van de leeftijd van 50
jaar tot de leeftijd van 65 jaar;
b. ieder jaar vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
Artikel 28
1. Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de
wet, afgegeven vóór de 50-jarige leeftijd van een bemanningslid, is
geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 50-jarige leeftijd
bereikt.
2. Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de
wet, afgegeven vóór de 55-jarige leeftijd van een bemanningslid, is
geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 55-jarige leeftijd
bereikt.
3. Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de
wet, afgegeven vóór de 60-jarige leeftijd van een bemanningslid, is
geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 60-jarige leeftijd
bereikt.
4. Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de
wet, afgegeven vóór de 65-jarige leeftijd van een bemanningslid, is
geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd
bereikt.
5. Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de
wet afgegeven nadat een bemanningslid de 65-jarige leeftijd heeft
bereikt, is geldig gedurende een jaar.
6. Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de
wet is niet vereist voor de gezagvoerder die in het bezit is van een
groot patent als bedoeld in het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn.
Artikel 29
1.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent de aanwijzing van instellingen of personen die het
geneeskundig onderzoek verrichten alsmede over de procedure die
instellingen of personen bij het geneeskundig onderzoek volgen.
2.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid om het binnenschip
te voeren als bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van de wet.
Deze regels betreffen:
a. de toelating van de aanvrager tot het onderzoek;
b. de wijze van onderzoek; en
c. de vaartijd.
Hoofdstuk 4. Scheepsnummer en gegevensverstrekking
Artikel 30
1.Onze Minister houdt de afgifte van scheepsnummers, bedoeld in
artikel 36, eerste lid, van de wet, bij in een register.
2.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent:
a. de plaats en wijze waarop het scheepsnummer op het
binnenschip wordt aangebracht;
b. de te registreren gegevens;
c. de wijze waarop van een wijziging van de geregistreerde
gegevens kennis wordt gegeven;
d. de bescherming van de geregistreerde gegevens;
e. de wijze waarop de geregistreerde personen kennis kunnen
nemen en verbetering kunnen laten aanbrengen van de over hen en
hun binnenschepen opgenomen gegevens.
Artikel 31
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld betreffende de
middelen waarmee de gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving
van de voorschriften betreffende de vaartijden, de rusttijden en de
bemanningssterkte worden geregistreerd.
Artikel 32
Bij regeling van Onze Minister kunnen in het belang van de statistiek
regels worden gesteld omtrent de verstrekking van gegevens betreffende
het vervoer.
Artikel 33
1.Onze Minister wijst de bevoegde autoriteit onderscheidenlijk de
bevoegde autoriteiten aan, bedoeld in de reglementen ter uitvoering
van de Herziene Rijnvaartakte.
2.De bevoegde autoriteit, bedoeld in het eerste lid, is
verantwoordelijk voor verwerking van de persoonsgegevens als bedoeld
in artikel 39, vierde lid, van de wet.
Hoofdstuk 4a. Registratie van ontzegde vaarbevoegdheden en van
ingevorderde en ongeldig verklaarde vaardocumenten
§ 1. Het register
Artikel 33a
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
ongeldigverklaring van een vaardocument: ongeldigverklaring als
bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
ontzegging van de vaarbevoegdheid: ontzegging als bedoeld in
artikel 35b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet;
register: register als bedoeld in artikel 35a van de Wet;
vaardocument: document ten bewijze van de bevoegdheid om op de
Nederlandse binnenwateren een schip te voeren, waaronder begrepen
een daarmee vergelijkbaar document dat is afgegeven door een
buitenlandse autoriteit.
Artikel 33b
In het register worden per betrokkene in samenhang en voor zover van
toepassing, de volgende gegevens opgenomen:
a. naam, adres, woonplaats, zoals luidend ten tijde van het
opnemen;
b. geboortedatum en burgerservicenummer;
c. de datum van invordering van het vaardocument, bedoeld in de
artikelen 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet
onderscheidenlijk 42, eerste lid, van de wet;
d. de ingangsdatum van intrekking van de ontheffing, bedoeld in
artikel 22, zesde lid, van de wet;
e. de ingangsdatum van ontzegging van de vaarbevoegdheid;
f. de ingangsdatum van ongeldigverklaring van het vaardocument,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
g. de datum waarop de ontzegging van de vaarbevoegdheid zal
eindigen;
h. de datum waarop de ongeldigverklaring van het vaardocument zal
eindigen.
Artikel 33c
Onze Minister past de volgende maatregelen toe ten aanzien van het
register:
a. de waarborg dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen
niet onevenredig wordt geschaad;
b. het voorkomen van onnodig verzamelen en verder verwerken van
persoonsgegevens;
c. passende technische en organisatorische maatregelen om
persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van
onrechtmatige verwerking als bedoeld in artikel 13 van de Wet
bescherming persoonsgegevens; en
d. waarborgen ten aanzien van de technische en organisatorische
beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de te verrichten
verwerkingen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
§ 2. Informatieverstrekking aan en uit het register
Artikel 33d
1. De officier van justitie, bedoeld in artikel 35a, tweede lid,
van de Scheepvaartverkeerswet, meldt onverwijld aan Onze Minister, ter
opneming in het register:
a. de invordering van een vaardocument, bedoeld in artikel 35a,
eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, tenzij het vaardocument
inmiddels is teruggegeven;
b. de teruggave van een vaardocument, bedoeld in artikel 35a,
derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, waarvan de datum van
invordering in het register is opgenomen.
2. Onze Minister registreert onverwijld de ongeldigverklaring van
een vaardocument.
Artikel 33e
1. Onze Minister meldt onverwijld aan de instanties die zijn belast
met de afgifte van vaardocumenten de opneming, wijziging of
verwijdering van gegevens.
2. Onze Minister geeft uitsluitend informatie door die de
instanties behoeven om afgifte van een vaardocument te weigeren
onderscheidenlijk niet langer te weigeren.
Artikel 33f
Onze Minister meldt onverwijld aan Onze Minister van Veiligheid en
Justitie een wijziging in het register.
Artikel 33g
1. Onze Minister kan informatie uit het register verstrekken aan
een ambtenaar die is aangewezen voor opsporing of toezicht als bedoeld
in de artikelen 40 of 45 van de wet onderscheidenlijk 32 of 34 van de
Scheepvaartverkeerswet, mits hij zich van de handhavingsbevoegdheid
van die ambtenaar heeft vergewist.
2. Onze Minister geeft uitsluitend informatie door die een
ambtenaar als bedoeld in het eerste lid nodig heeft voor de handhaving
op dat moment.
Artikel 33h
1. Onze Minister verstrekt informatie uit het register aan
autoriteiten buiten de Europese Economische Ruimte die belast zijn met
de handhaving van de vaarbewijsplicht of met de afgifte van
vaardocumenten, indien zij schriftelijk hebben verklaard de verkregen
informatie uitsluitend te gebruiken in het belang van de handhaving
van de vaarbewijsplicht of van de afgifte van vaardocumenten.
2. Op de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, zijn de
artikelen 33e, tweede lid, en 33g, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 33i
Informatieverstrekking uit het register of informatieverstrekking aan
het register als in dit besluit bedoeld, anders dan desgevraagd of
incidenteel, kan geschieden met behulp van elektronische koppeling van
bestanden, mits niet méér informatie wordt verstrekt of verkregen dan
nodig is voor het doel van de verstrekking of verkrijging.
§ 3. Aanpassing van de opgeslagen informatie
Artikel 33j
Onze Minister verwijdert onverwijld de gegevens van een betrokkene
uit het register:
a. zodra betrokkene na ongeldigverklaring van zijn vaardocument
opnieuw over een vaardocument beschikt;
b. zodra betrokkene zijn ingevorderde vaardocument terugontvangt;
c. op de datum waarop de ontzegging van de vaarbevoegdheid
eindigt;
d. op de datum waarop de ongeldigverklaring van het vaardocument
eindigt;
e. na diens overlijden, na kennisneming daarvan.
Artikel 33k
Onze Minister kan op verzoek van een instantie die vaardocumenten
afgeeft of van het openbaar ministerie gegevens in het register
aanvullen, verbeteren of uit het register verwijderen.
§ 4. Nadere regeling
Artikel 33l
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter
uitwerking van dit hoofdstuk.
Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen
Artikel 34
Een geldige geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 19,
eerste lid, van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart,
geldt als een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de
Binnenvaartwet.
Artikel 35
Een geldige eigen verklaring als bedoeld in artikel 7 van het Besluit
vaarbewijzen binnenvaart, geldt als een eigen verklaring als bedoeld in
artikel 26 van dit besluit.
Artikel 36
Een geldig groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 16, eerste lid,
van de Binnenschepenwet, geldt als een groot vaarbewijs als bedoeld in
artikel 14 van dit besluit.
Artikel 37
Een geldig klein vaarbewijs als bedoeld in artikel 16, tweede lid,
van de Binnenschepenwet, geldt als een klein vaarbewijs als bedoeld in
artikel 16 van dit besluit.
Artikel 38
Een geldige Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een Rijnvaartverklaring als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van dit besluit.
Artikel 39
Een geldig bewijs van toelating als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een bewijs van toelating als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van dit besluit.
Artikel 40
Een geldig geëigend document als bedoeld in artikel 7, onderdeel b,
van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een geëigend document als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van dit besluit.
Hoofdstuk 6 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 49
Dit besluit wordt aangehaald als: Binnenvaartbesluit.
Artikel 50
Dit besluit, de Binnenvaartwet, met uitzondering van hoofdstuk 5,
paragraaf 2 (de artikelen 48 tot en met 50c), en de Invoeringswet
Binnenvaartwet, met uitzondering van de artikelen 24a en 27, tweede lid,
treden in werking met ingang van 1 juli 2009.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 maart 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de zevende april 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|