| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië
BESLUIT
EX ARTIKEL 8 GARANTIEWET BURGERLIJK
OVERHEIDSPERSONEEL INDONESIË
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 26 mei 1953 tot vaststelling van een
nieuwe algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8 van de
Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. K 178)
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken en van Onze Minister
zonder Portefeuille, mr. J.M.A.H. Luns, van 4 Mei 1953, Directie
Overgangszaken Indonesië/WJ, nr. 55136;
Gelet op artikel 8 van de Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië en op artikel 91 van de
Zegelwet 1917;
De Raad van State gehoord (advies van 19 Mei
1953, nr. 22);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Buitenlandse Zaken a.i. en van Onze Minister zonder Portefeuille, mr.
J.M.A.H. Luns, van 22 Mei 1953, DOI/WJ, nr. 65557;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Met
buitenwerkingstelling van Ons Besluit van 22 juni 1950 (Stb. K
262);
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
"Garantiewet": de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel
Indonesië;
"Onze Minister": Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
"overheidsdienaren", "gewezen overheidsdienaren"
en "nagelaten betrekkingen": hetgeen daaronder wordt verstaan
in artikel 1 van de Garantiewet;
"commissie": een commissie als bedoeld in artikel 8 van de
Garantiewet;
Hoofdstuk II. Van de standplaats en de samenstelling der commissie
Artikel 2
Er is een commissie, gevestigd te 's-Gravenhage, welke de naam draagt
van "Garantiewetcommissie".
Artikel 3
1. De commissie is samengesteld uit ten hoogste een voorzitter,
een tweede voorzitter, twee leden en twee plaatsvervangende leden.
2. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris.
3. De secretaris kan worden benoemd tot waarnemend lid of
waarnemend plaatsvervangend lid.
Artikel 4
De voorzitter, de tweede voorzitter, de leden, de plaatsvervangende
leden, de secretaris en hun eventuele waarnemers mogen rechtstreeks noch
zijdelings in dienst zijn van of werkzaam zijn bij de Republiek
Indonesië, dan wel bij een overheidslichaam of overheidsinstelling van
die Republiek.
Hoofdstuk III. Van benoeming, beëdiging en ontslag
Artikel 5
De voorzitter, de tweede voorzitter, de leden en de plaatsvervangende
leden worden benoemd door Onze Minister.
Artikel 6
Eén lid en één plaatsvervangend lid worden niet benoemd dan nadat
elk der besturen van door Onze Minister aan te wijzen vakorganisaties of
centralen van vakorganisaties, welke belangen behartigen van
overheidsdienaren of gewezen overheidsdienaren, op wie de Garantiewet
van toepassing is, in de gelegenheid is gesteld binnen een door Onze
Minister te bepalen termijn een aanbeveling te doen van twee personen
voor elke te vervullen plaats.
Artikel 7
1. Onze Minister benoemt de secretaris na overleg met de
commissie en kan desnodig verder personeel aan de commissie toevoegen.
2. Bij ontstentenis of wettige reden van verhindering van de
secretaris kan de voorzitter een waarnemend secretaris aanwijzen.
Artikel 8 [Vervallen per 08-07-1967]
Artikel 9 [Vervallen per 08-07-1967]
Artikel 10
1. Alvorens hun functie te aanvaarden
leggen de voorzitter, de tweede voorzitter, de leden, de
plaatsvervangende leden en de secretaris de volgende eed (verklaring en
belofte) af:
"Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk noch onmiddellijk onder
welke naam of voorwendsel ook tot het verkrijgen van mijn aanstelling
aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd noch zal geven
of beloven.
Ik zweer (beloof), dat ik nimmer enige giften of geschenken zal
aannemen of ontvangen van enig persoon, welke ik weet of vermoed enige
zaak te hebben of te zullen krijgen, in welke mijn ambtsverrichtingen
zouden kunnen te pas komen; dat ik voorts mijn functie met eerlijkheid,
nauwgezetheid en onzijdigheid zonder aanzien van persoon zal waarnemen;
dat ik geheim zal houden al hetgeen naar de aard der zaken geheim
behoort te blijven."
2. De eed (verklaring en belofte) wordt (worden) door de
voorzitter, de tweede voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden
en de secretaris afgelegd in handen van Onze Minister of van een door
deze daartoe aan te wijzen ambtenaar.
Artikel 11
1. De voorzitter, de tweede voorzitter, de leden, de
plaatsvervangende leden en de secretaris kunnen worden ontslagen:
a. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld;
b. wegens verandering van woonplaats.
2. Anders dan op hun aanvraag worden zij ontslagen:
a. bij gebleken ongeschiktheid ten gevolge van ziekte;
b. wanneer zij in strijd handelen met de verplichtingen, waartoe
zij zich onder ede (verklaring of belofte) hebben verbonden;
c. indien zij rechtstreeks of zijdelings in dienst treden van of
werkzaam worden gesteld bij de Republiek Indonesië of een
overheidslichaam of overheidsinstelling van die Republiek.
3. Ontslag wordt verleend door het tot benoeming bevoegde gezag.
Hoofdstuk IV. Van de werkwijze der commissie
Artikel 12
1. Zaken, tot welker beslissing de commissie bevoegd is, kunnen
aanhangig worden gemaakt door:
a. Onze Minister,
b. vervalt.
c. de betrokken overheidsdienaar,
d. de betrokken gewezen overheidsdienaar,
e. ieder van de betrokken nagelaten betrekkingen,
f. de personen, bedoeld in de op artikel 9 der Garantiewet
steunende Koninklijke besluiten, voor zover belanghebbend.
2. De commissie kan ambtshalve zaken in behandeling nemen, met
inbegrip van zaken, waarbij een groep van overheidsdienaren is
betrokken.
Artikel 13
1. De voorzitter roept de commissie bijeen, zo vaak als hij dit
nodig oordeelt. Hij heeft de leiding van de vergaderingen.
2. De commissie stelt onverwijld een reglement van orde vast,
waarbij rekening wordt gehouden met het bepaalde in de volgende leden.
Het reglement van orde, zomede wijzigingen daarvan, behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
3. Aan de beraadslaging en de beslissing nemen deel de voorzitter
of de tweede voorzitter dan wel de plaatsvervangende voorzitter, bedoeld
in het volgende lid, en twee van de leden of plaatsvervangende leden.
4. Bij ontstentenis of wettige reden van verhindering van de
voorzitter treedt de tweede voorzitter in zijn plaats. Bij ontstentenis
of wettige reden van verhindering van de voorzitter en van de tweede
voorzitter treedt het in leeftijd oudste lid als plaatsvervangend
voorzitter op.
5. De voorzitter draagt zorg, dat aan de beraadslaging en de
beslissing over een zaak niet wordt deelgenomen door een persoon, die
een rechtstreeks of zijdelings persoonlijk belang heeft bij die
beslissing.
6. De commissie streeft naar eenstemmige beslissing. Kan
eenstemmigheid niet worden verkregen, dan wordt een beslissing genomen
bij meerderheid van stemmen.
Artikel 14
1. De commissie is bevoegd personen tot het geven van
inlichtingen te horen en schriftelijk die inlichtingen te vragen,
welke zij in het belang van het onderzoek nodig acht.
2. De commissie kan een onderzoek omtrent bepaalde op te geven
punten opdragen aan de voorzitter, de tweede voorzitter, dan wel aan een
of twee van haar leden of plaatsvervangende leden. Deze opdracht houdt
mede de bevoegdheid in, welke in het vorige lid is omschreven.
Artikel 15
De beslissing wordt ondertekend door al degenen, die in de
eindbeslissing stemgerechtigd zijn geweest. Een door de voorzitter of
secretaris ondertekend afschrift wordt zo spoedig mogelijk toegezonden
aan Onze Minister.
Artikel 16
1. Door Ons dan wel door Onze Minister kunnen aan de commissie
zodanige werkzaamheden, het nemen van beslissingen daarbij inbegrepen,
worden opgedragen als voor een juiste uitvoering van de Garantiewet en
van Onze daarop steunende besluiten nodig worden geacht.
2. De commissie geeft desgevraagd aan Onze Minister advies over
de toepassing van de Garantiewet en van de ter uitvoering van deze wet
vastgestelde regelingen.
3. Alvorens te besluiten tot een gelijkstelling als bedoeld in
artikel 1, sub I, letter c , der Garantiewet of een voordracht te
doen als bedoeld in artikel 8b of in artikel 9 dier wet, wordt de
commissie gehoord.
Hoofdstuk V. Van beroep
Artikel 17
Tegen de beslissingen, genomen door de commissie, kan een
belanghebbende als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder c, d, e
of f , in beroep komen bij Onze Minister.
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 19
Alvorens een beschikking te nemen wint Onze Minister het gevoelen in
van een advies-commissie van drie leden, die door Ons op voordracht van
Onze Minister worden benoemd. De advies-commissie, welke de naam draagt
van "Advies-commissie in Garantiewetzaken", wijst een van haar
leden als voorzitter aan. Het bepaalde in artikel 4 is op de leden van
de advies-commissie van overeenkomstige toepassing. Zij kunnen niet
tevens voorzitter, tweede voorzitter, lid of plaatsvervangend lid zijn
van de commissie.
Hoofdstuk VI. Van vergoedingen
Artikel 20
1. Aan de leden van de Advies-commissie in Garantiewetzaken en
aan de voorzitter, de tweede voorzitter, de leden en de
plaatsvervangende leden van de commissie worden beloningen toegekend
op de voet van Ons besluit van 29 december 1921 (Stb. 1452),
laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 15 februari 1935 (Stb.
53), betreffende een regeling ten aanzien van de toekenning van
vacatiegeld, volgens door Ons, dan wel door Onze Minister, met
medewerking van Onze Minister van Financiën nader vast te stellen
regelen.
2. [Vervallen.]
3. De positie van de secretaris en van de waarnemend secretaris
wordt geregeld door Onze Minister.
Artikel 21
1. Personen, die anders dan op eigen verzoek zijn opgeroepen om
voor de commissie of voor de adviescommissie, bedoeld in artikel 19,
lid 2 te verschijnen, dan wel door haar met een opdracht zijn belast,
ontvangen uit 's Rijks kas vergoeding voor reis- en verblijfkosten:
a. [vervallen;]
b. in het Koninkrijk op de voet van het bepaalde in artikel 31, lid
1, van de Ambtenarenwet 1929.
2. In het geval, bedoeld in artikel 12, lid 6, wordt vergoeding
voor reis- en verblijfkosten slechts toegekend, indien de commissie tot
die toekenning besluit.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 22
Alle stukken en geschriften, opgemaakt in verband met de naleving van
de voorschriften van dit besluit, voor zover niet aan evenredig recht
onderworpen, zijn vrij van zegel.
Artikel 23 [Vervallen per 08-07-1967]
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is
belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 26 Mei 1953
JULIANA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J.W. Beyen
De Minister zonder Portefeuille,
J. Luns
Uitgegeven de acht en twintigste Mei 1953
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
|
|
|