| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gemeentewet (Gemw)
AMBTSINSTRUCTIE
COMMISSARIS VAN DE KONING
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 10 juni 1994, houdende regels inzake de taken die de
commissaris van de Koning op grond van artikel 126 Grondwet als
rijksorgaan vervult
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 24
januari 1994, nr. BK94/226, directoraat-generaal Openbaar Bestuur,
afdeling Kabinetszaken;
Gelet op artikel 182 van de Provinciewet, artikel 61 van de
Gemeentewet, de artikelen 25, 32, 34 en 35 van de Politiewet 1993 en
artikel IV van de Wet tot wijziging van de Wet van 4 april 1892,
houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en van de Wet van 29
september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse
Leeuw, alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden;
De Raad van State gehoord (advies van 5 april 1994, nr. W04.94.0081);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
30 mei 1994, nr. BK94/816;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
De commissaris bevordert de door hem noodzakelijk geachte
samenwerking tussen in zijn provincie werkzame rijksambtenaren en
personen deel uitmakend van de krijgsmacht, en tussen deze
functionarissen en het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen en de
waterschapsbesturen.
Artikel 2
1. De commissaris is bevoegd bij in de provincie werkzame
rijksambtenaren en personen deel uitmakend van de krijgsmacht
inlichtingen in te winnen en met hen overleg te plegen. Deze
functionarissen zijn, behoudens het bepaalde in het tweede lid,
verplicht de gevraagde inlichtingen te verstrekken en aan het overleg
deel te nemen.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde functionarissen weigeren de
op grond van deze ambtsinstructie gevraagde medewerking te verlenen,
brengt de commissaris Onze Ministers wie het aangaat, alsmede Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarvan op de
hoogte.
3. De commissaris geeft, indien een ramp, een crisis of een
ordeverstoring van meer dan plaatselijke betekenis dan wel de ernstige
vrees voor het ontstaan daarvan zulks noodzakelijk maken, de in het
eerste lid bedoelde functionarissen, met uitzondering van de
ambtenaren van het openbaar ministerie, zoveel mogelijk na overleg met
hen, de nodige aanwijzingen met betrekking tot de wijze waarop zij bij
de uitoefening van de hun opgedragen taken met elkaar samenwerken en
met het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen, de besturen van de
veiligheidsregio’s en de waterschapsbesturen. De functionarissen
zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen. Onze Minister wie het
aangaat kan de aanwijzingen ongedaan maken. Het verzoek daartoe heeft
geen schorsende werking. De commissaris kan aan het College van
procureurs-generaal verzoeken de ambtenaren van het openbaar
ministerie de nodige instructies te geven.
Artikel 3
De commissaris brengt met redelijke tussenpozen bezoeken aan de
gemeenten in de provincie. Van bijzondere bevindingen bij zijn bezoek
aan een gemeente brengt hij verslag uit aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en doet hij, voor zover voor
dat college van belang, mededeling aan gedeputeerde staten.
Artikel 4
De commissaris brengt uit eigen beweging, dan wel op verzoek advies
uit aan de regering of aan Onze Ministers over andere onderwerpen dan
die bedoeld in artikel 116, eerste lid, van de Provinciewet.
Artikel 5
De commissaris coördineert de voorbereiding van de civiele
verdediging door de in de provincie werkzame rijksambtenaren en personen
deel uitmakend van de krijgsmacht, het provinciaal bestuur, de
gemeentebesturen en de waterschapsbesturen, met inachtneming van de
aanwijzingen van Onze Minister, belast met de coördinerende
verantwoordelijkheid voor de civiele verdediging.
Artikel 5a
1. De commissaris overlegt met het regionaal beleidsteam, alvorens
een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 41 van de Wet
veiligheidsregio’s.
2. De commissaris stelt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties onverwijld in kennis van een gegeven aanwijzing.
Artikel 5b
De commissaris zendt zijn oordeel over het bestreden besluit, bedoeld
in artikel 40, vijfde lid, van de Wet veiligheidsregio’s, alsmede de
stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid van dat artikel, binnen zes
weken na de ontvangst van het standpunt van de raad over dat besluit aan
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 5c
1. Tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet, geeft de
commissaris geen aanwijzing als bedoeld in artikel 42 van de Wet
veiligheidsregio’s dan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. De commissaris geeft onverwijld uitvoering aan een verzoek van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot het
geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 42 van de Wet
veiligheidsregio’s.
Artikel 5d
1. Indien uit een rapportage van de Inspectie Openbare Orde en
Veiligheid blijkt dat de taakuitvoering in een veiligheidsregio
tekortschiet, ziet de commissaris er op toe dat het bestuur van de
veiligheidsregio passende maatregelen neemt om de tekortkomingen weg
te nemen.
2. De commissaris geeft geen aanwijzing als bedoeld in artikel 59
van de Wet veiligheidsregio’s dan na instemming van Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3. De commissaris geeft uitvoering aan een verzoek van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot het geven
van een aanwijzing als bedoeld in artikel 59 van de Wet
veiligheidsregio’s.
Artikel 6
1.De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure
met betrekking tot de benoeming van een burgemeester.
2.Voordat de vacature van burgemeester in een gemeente wordt
opengesteld overlegt de commissaris met de raad over de eisen die aan
de te benoemen burgemeester worden gesteld met betrekking tot de
vervulling van het ambt. Indien zijn overleg met de raad niet tot
overeenstemming leidt geeft hij aan welke eisen hij in afwijking van
de raad zal hanteren bij zijn oordeel over de geschiktheid van
kandidaten.
3.De commissaris verschaft de vertrouwenscommissie een opgave van
degenen die naar het ambt van burgemeester hebben gesolliciteerd,
vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel
geschikt acht voor benoeming, alsmede vergezeld van afschrift van de
sollicitatiebrieven van laatstgenoemde kandidaten. Hij informeert
desgevraagd de vertrouwenscommissie over de criteria die hij heeft
gehanteerd bij zijn selectie van kandidaten. Een dergelijk oordeel
alsmede afschrift van de sollicitatiebrieven geeft hij op verzoek van
de vertrouwenscommissie ook met betrekking tot andere kandidaten.
4.De commissaris verschaft zich de informatie over de sollicitant
welke hij nodig acht of welke de vertrouwenscommissie door zijn
tussenkomst nodig acht. Het inwinnen van referenties vindt slechts
plaats met toestemming van de kandidaat, die hiervoor de gegevens
aandraagt. De commissaris stelt de door hem verkregen inlichtingen ter
beschikking van de vertrouwenscommissie, tenzij de kandidaat die het
aangaat heeft laten weten dat verstrekking van die gegevens bij hem
bezwaar ontmoet.
5.Zodra de raad zijn aanbeveling heeft vastgesteld rapporteert de
commissaris aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties met betrekking tot de inhoud en het verloop van de
procedure. Daarbij gaat hij in op zijn overleg met de raad.
Artikel 7
1.De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure
met betrekking tot de herbenoeming van een burgemeester.
2.Voordat de raad een aanbeveling inzake de herbenoeming van de
burgemeester opstelt overlegt hij met de commissaris over het
functioneren van de burgemeester.
3.Na de ontvangst van de aanbeveling inzake de herbenoeming van de
burgemeester zendt de commissaris deze door naar Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vergezeld van zijn advies
daarover. Tevens rapporteert de commissaris over zijn bevindingen met
betrekking tot de inhoud en het verloop van de procedure. Daarbij gaat
hij in op zijn overleg met de raad.
Artikel 7a
1.De commissaris ziet toe op een ordelijk verloop van de procedure
met betrekking tot het ontslag van een burgemeester.
2.De commissaris onderzoekt de mogelijkheid of een gerezen conflict
tussen de raad en de burgemeester kan worden opgelost.
3.Ingeval van een mogelijke verstoorde verhouding tussen de
burgemeester en de raad adviseert de commissaris op diens verzoek Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter
voorbereiding van het oordeel als bedoeld in artikel 46a, eerste lid,
onder b, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters.
4.Na de ontvangst van de aanbeveling inzake het ontslag van de
burgemeester zendt de commissaris deze door naar Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vergezeld van zijn advies
daarover. Tevens rapporteert de commissaris over zijn bevindingen met
betrekking tot de inhoud en het verloop van de procedure. Daarbij gaat
hij in op zijn overleg met de raad.
Artikel 8
1.De commissaris zendt een ingekomen voorstel tot verlening van een
onderscheiding met zijn advies en het advies van de burgemeester van
de woonplaats van de te decoreren persoon aan het Kapittel voor de
civiele orden.
2.Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een
burgemeester wordt gedaan door de commissaris. De commissaris zendt
het voorstel met zijn advies aan het Kapittel voor de civiele orden.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 10
Onverminderd artikel 2, eerste lid, kan de commissaris een ieder
belast met bevoegdheden in de openbare dienst in de provincie verzoeken
om bericht en raad, voor zover hij dat nodig acht in verband met de hem
bij deze instructie opgedragen taken. Aan deze verzoeken dient te worden
voldaan.
Artikel 11
De commissaris is belast met de bewaring en de registratie van de
door hem verzonden en aan hem gerichte stukken, verband houdend met deze
instructie.
Artikel 12
Het koninklijk besluit van 12 januari 1966 tot vaststelling van een
nieuwe instructie voor de commissarissen des Konings in de provinciën (Stb.
25), wordt ingetrokken.
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 augustus 1994.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Ambtsinstructie commissaris van de
Koning.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 10 juni 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
Uitgegeven de eenentwintigste juni 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|
|
|