| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gemeentewet (Gemw)
BESLUIT
BEGROTING EN VERANTWOORDING PROVINCIES EN
GEMEENTEN
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 17 januari 2003, houdende de voorschriften
voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten, uitvoeringsinformatie
en informatie voor derden van provincies en gemeenten (Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 1 juli 2002, nr. FO2002/U78569;
Gelet op artikel 190 van de Provinciewet en
artikel 186 van de Gemeentewet;
De Raad van State gehoord (advies van 4
december 2002, nr. W04.02.0300/1);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 januari 2003, nr.
FO2002/U100707;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. uitzettingen: alle uitgezette middelen;
b. verbonden partij: een privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke organisatie waarin de provincie
onderscheidenlijk gemeente een bestuurlijk en een financieel
belang heeft;
c. financieel belang: een aan de verbonden partij ter
beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien de
verbonden partij failliet gaat onderscheidenlijk het bedrag
waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien de verbonden partij haar
verplichtingen niet nakomt;
d. bestuurlijk belang: zeggenschap, hetzij uit hoofde van
vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht;
e. deelneming: een participatie in een besloten of naamloze
vennootschap, waarin de provincie onderscheidenlijk gemeente
aandelen heeft;
f. CBS: Centraal bureau voor de statistiek;
g. rentetypische looptijd; als gedefinieerd in de Wet fido,
artikel 1, onder b;
h. vaste schuld; als gedefinieerd in de Wet fido, artikel 1,
onder d;
i. netto-vlottende schuld; als gedefinieerd in de Wet fido,
artikel 1, onder e;
j. EMU-saldo: het vorderingsaldo van de sector overheid op
transactiebasis. Het EMU-saldo wordt berekend overeenkomstig het
Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de
gemeenschap, ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 2223/96 van de
Raad van de Europese Unie van 25 juni 1996 inzake het Europees
systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap.
2. In dit besluit wordt onder verbonden partij mede verstaan een
Europese groepering voor territoriale samenwerking als bedoeld in
artikel 1 van verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende
een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PbEU L
210) waarin de provincie onderscheidenlijk gemeente een bestuurlijk en
een financieel belang heeft.
Artikel 2
1.Voor de begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken, de
productenraming en de productenrealisatie wordt een stelsel van baten
en lasten gehanteerd.
2.De baten en de lasten van het begrotingsjaar worden in de
begroting, de jaarstukken, de productenraming en de
productenrealisatie opgenomen, onverschillig of zij tot inkomsten of
uitgaven in dat jaar leiden, onderscheidenlijk hebben geleid.
3.De baten en lasten worden geraamd dan wel verantwoord tot hun
brutobedrag.
4.Onder de baten en lasten worden ook begrepen de over het eigen
vermogen en de voorzieningen berekende bespaarde rente.
Artikel 3
1.De begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken en de
productenraming en de productenrealisatie geven volgens normen die
voor gemeenten en provincies als aanvaardbaar worden beschouwd een
zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de
financiële positie en over de baten en de lasten. In het bijzonder
provinciale staten en de raad moeten in staat zijn zich een zodanig
oordeel te vormen.
2.De begroting, de meerjarenraming, de productenraming en de
toelichtingen geven duidelijk en stelselmatig de omvang van alle
geraamde baten en lasten, alsmede het saldo ervan weer. De begroting
geeft tevens duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële
positie.
3.De jaarstukken, de productenrealisatie en de toelichtingen geven
getrouw, duidelijk en stelselmatig de baten en lasten van het
begrotingsjaar, alsmede het saldo ervan weer. De jaarrekening geeft
tevens een getrouw, duidelijk en stelselmatig inzicht in de
financiële positie aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 4
1.De indeling van de begroting en de jaarstukken is identiek.
2.Indien de indeling van de begroting, de meerjarenraming, de
jaarstukken, de productenraming en de productenrealisatie afwijkt van
die van het voorafgaande begrotingsjaar worden in de toelichting de
verschillen aangegeven en worden de redenen die tot de afwijking
hebben geleid uiteengezet.
Artikel 5
Verbonden partijen worden niet geconsolideerd in de begroting en
jaarstukken.
Artikel 6
1.De verordening, bedoeld in artikel 87 van de Gemeentewet, kan
bepalen dat deelgemeenten niet worden geïntegreerd in de begroting en
de jaarstukken.
2.Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid:
a. is dit besluit op de begroting, de begrotingswijzigingen, de
meerjarenraming, de jaarstukken, de productenraming en de
productenrealisatie van de deelgemeenten van toepassing;
b. worden de deelgemeenten in de begroting, de
begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarstukken, de
productenraming en de productenrealisatie van de gemeente als
verbonden partijen beschouwd.
Hoofdstuk II. De begroting en de toelichting
Titel 2.1. Algemeen
Artikel 7
1.De begroting bestaat ten minste uit:
a. de beleidsbegroting;
b. de financiële begroting.
2.De beleidsbegroting bestaat ten minste uit:
a. het programmaplan;
b. de paragrafen.
3.De financiële begroting bestaat ten minste uit:
a. het overzicht van baten en lasten en de toelichting;
b. de uiteenzetting van de financiële positie en de
toelichting.
Titel 2.2. Het programmaplan
Artikel 8
1.Het programmaplan bevat de te realiseren programma's, het
overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het bedrag voor onvoorzien.
2.Een programma is een samenhangend geheel van activiteiten.
3.Het programmaplan bevat per programma:
a. de doelstelling, in het bijzonder de beoogde
maatschappelijke effecten;
b. de wijze waarop ernaar gestreefd zal worden die effecten te
bereiken;
c. de raming van baten en lasten.
4.De provincie onderscheidenlijk gemeente kan de baten en lasten
per programma verdelen in de onderdelen baten en lasten voor
prioriteiten en voor overig.
5.Het overzicht algemene dekkingsmiddelen bevat ten minste:
a. lokale heffingen, waarvan de besteding niet gebonden is;
b. algemene uitkeringen;
c. dividend;
d. saldo van de financieringsfunctie;
e. saldo tussen de compensabele BTW en de uitkering uit het
BTW-compensatiefonds;
f. overige algemene dekkingsmiddelen.
6.Het bedrag voor onvoorzien wordt geraamd voor de begroting in
zijn geheel of per programma.
Titel 2.3. De paragrafen
Artikel 9
1.In de begroting worden in afzonderlijke paragrafen de
beleidslijnen vastgelegd met betrekking tot relevante beheersmatige
aspecten, alsmede tot de lokale heffingen.
2.De begroting bevat ten minste de volgende paragrafen, tenzij het
desbetreffende aspect bij de provincie onderscheidenlijk gemeente niet
aan de orde is:
a. lokale heffingen;
b. weerstandsvermogen;
c. onderhoud kapitaalgoederen;
d. financiering;
e. bedrijfsvoering;
f. verbonden partijen;
g. grondbeleid.
Artikel 10
De paragraaf betreffende de lokale heffingen bevat ten minste:
a. de geraamde inkomsten;
b. het beleid ten aanzien van de lokale heffingen;
c. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen;
d. een aanduiding van de lokale lastendruk;
e. een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.
Artikel 11
1.Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:
a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden
waarover de provincie onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan
beschikken om niet begrote kosten te dekken;
b. alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en
die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de
financiële positie.
2.De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen bevat ten minste:
a. een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;
b. een inventarisatie van de risico's;
c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico's.
Artikel 12
1.De paragraaf betreffende het onderhoud van kapitaalgoederen bevat
ten minste de volgende kapitaalgoederen:
a. wegen;
b. riolering;
c. water;
d. groen;
e. gebouwen.
2.Van de kapitaalgoederen, bedoeld in het eerste lid, wordt
aangegeven:
a. het beleidskader;
b. de uit het beleidskader voortvloeiende financiële
consequenties;
c. de vertaling van de financiële consequenties in de
begroting.
Artikel 13
De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de
beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de
financieringsportefeuille.
Artikel 14
De paragraaf betreffende de bedrijfsvoering geeft ten minste inzicht
in de stand van zaken en de beleidsvoornemens ten aanzien van de
bedrijfsvoering.
Artikel 15
De paragraaf betreffende de verbonden partijen bevat ten minste:
a. de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie
van de doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting;
b. de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen.
Artikel 16
De paragraaf betreffende het grondbeleid bevat ten minste:
a. een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van
de doelstellingen van de programma's die zijn opgenomen in de
begroting;
b. een aanduiding van de wijze waarop de provincie
onderscheidenlijk gemeente het grondbeleid uitvoert;
c. een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de
totale grondexploitatie;
d. een onderbouwing van de geraamde winstneming;
e. de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken
in relatie tot de risico's van de grondzaken.
Titel 2.4. Het overzicht van baten en lasten en de toelichting
Artikel 17
Het overzicht van baten en lasten bevat:
a. per programma, of per programmaonderdeel, de raming van de
baten en lasten en het saldo;
b. het overzicht van de geraamde algemene dekkingsmiddelen en het
geraamde bedrag voor onvoorzien;
c. het geraamde resultaat voor bestemming, volgend uit de
onderdelen a en b;
d. de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per
programma;
e. het geraamde resultaat na bestemming, volgend uit de
onderdelen c en d.
Artikel 18
In de besluiten tot wijziging van de begroting wordt per programma
en, indien aanwezig, per programmaonderdeel, de mutatie en het nieuwe
geraamde bedrag vastgesteld.
Artikel 19
De toelichting op het overzicht van baten en lasten bevat ten minste:
a. het gerealiseerde bedrag van het voorvorig begrotingsjaar, het
geraamde bedrag van het vorig begrotingsjaar na wijziging en het
geraamde bedrag van het begrotingsjaar;
b. de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en, in geval van
aanmerkelijk verschil met de raming, respectievelijk de realisatie,
van het vorig, respectievelijk voorvorig, begrotingsjaar de oorzaken
van het verschil;
c. een overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten;
d. de berekening van het aandeel van de gemeente, de provincie of
de gemeenschappelijke regeling in het EMU-saldo, over het vorig
begrotingsjaar, de berekening van het geraamde bedrag over het
begrotingsjaar en de berekening van het geraamde bedrag over het
jaar volgend op het begrotingsjaar.
Titel 2.5. De uiteenzetting van de financiële positie en de
toelichting
Artikel 20
1.De uiteenzetting van de financiële positie bevat een raming voor
het begrotingsjaar van de financiële gevolgen van het bestaande en
het nieuwe beleid dat in de programma's is opgenomen.
2.Afzonderlijke aandacht wordt ten minste besteed aan:
a. de jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde
verplichtingen van vergelijkbaar volume;
b. de investeringen; onderscheiden in investeringen met een
economisch nut en investeringen in de openbare ruimte met een
maatschappelijk nut;
c. de financiering;
d. de stand en het verloop van de reserves;
e. de stand en het verloop van de voorzieningen.
Artikel 21
De toelichting op de uiteenzetting van de financiële positie bevat
ten minste de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en een
toelichting op belangrijke ontwikkelingen ten opzichte van de
uiteenzetting van de financiële positie van het vorig begrotingsjaar.
Hoofdstuk III. De meerjarenraming en de toelichting
Artikel 22
1.De meerjarenraming bevat een raming van de financiële gevolgen
voor de drie jaren volgend op het begrotingsjaar, waaronder de baten
en de lasten van het bestaande en het nieuwe beleid dat in de
programma's is opgenomen.
2.Artikel 20, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
De toelichting op de meerjarenraming bevat ten minste de gronden
waarop de ramingen zijn gebaseerd en een toelichting op belangrijke
ontwikkelingen ten opzichte van de meerjarenraming van het vorig
begrotingsjaar.
Hoofdstuk IV. De jaarstukken en de toelichting
Titel 4.1. Algemeen
Artikel 24
1.De jaarstukken bestaan ten minste uit:
a. het jaarverslag;
b. de jaarrekening.
2.Het jaarverslag bestaat ten minste uit:
a. de programmaverantwoording;
b. de paragrafen.
3.De jaarrekening bestaat uit:
a. de programmarekening en de toelichting;
b. de balans en de toelichting;
c. de bijlage met de verantwoordingsinformatie over specifieke
uitkeringen.
Titel 4.2. De programmaverantwoording
Artikel 25
1.De programmaverantwoording bestaat ten minste uit de
verantwoording over de realisatie van de programma's en het overzicht
van algemene dekkingsmiddelen. Daarnaast wordt inzicht gegeven in het
gebruik van het geraamde bedrag voor onvoorzien.
2.De programmaverantwoording biedt per programma inzicht in:
a. de mate waarin de doelstellingen zijn gerealiseerd;
b. de wijze waarop getracht is de beoogde maatschappelijke
effecten te bereiken;
c. de gerealiseerde baten en lasten.
Titel 4.3. De paragrafen
Artikel 26
Het jaarverslag bevat de paragrafen die ingevolge artikel 9 in de
begroting zijn opgenomen. Ze bevatten de verantwoording van hetgeen in
de overeenkomstige paragrafen in de begroting is opgenomen.
Titel 4.4. De programmarekening en de toelichting
Artikel 27
1.De programmarekening bevat:
a. de gerealiseerde baten en lasten per programma;
b. het overzicht van de gerealiseerde algemene
dekkingsmiddelen;
c. het gerealiseerde resultaat voor bestemming, volgend uit de
onderdelen a en b;
d. de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves;
e. het gerealiseerde resultaat na bestemming, volgend uit de
onderdelen c en d.
2.De programmarekening bevat van de onderdelen genoemd in het
eerste lid ook de ramingen uit de begroting voor en na wijziging.
Artikel 28
De toelichting op de programmarekening bevat ten minste:
a. voor alle onderdelen van artikel 27, eerste lid, een analyse
van de afwijkingen tussen de begroting na wijziging en de
programmarekening;
b. een overzicht van de aanwending van het bedrag voor
onvoorzien;
c. een overzicht van de incidentele baten en lasten;
d. de informatie, bedoeld in de artikelen 4.1, eerste en tweede
lid, en 4.2, eerste, tweede en derde lid, van de Wet normering
bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
Artikel 29
De programmarekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen
omtrent de financiële positie op de balansdatum is gebleken tussen het
moment van opmaken van de programmarekening en het tijdstip van
vaststelling daarvan, voor zover deze aanvullende informatie
onontbeerlijk is voor het in artikel 3 bedoelde inzicht.
Titel 4.5. De balans en de toelichting
Paragraaf 4.5.1. Algemeen
Artikel 30
In de balans worden naast de cijfers per balansdatum tevens de
cijfers van de balans van het vorige begrotingsjaar opgenomen.
Paragraaf 4.5.2. Hoofdindeling van de balans
Artikel 31
Op de balans worden de activa onderscheiden in vaste en vlottende
activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de
werkzaamheid van de provincie onderscheidenlijk gemeente al dan niet
duurzaam te dienen.
Artikel 32
Op de balans worden de passiva onderscheiden in vaste en vlottende
passiva.
Paragraaf 4.5.3. Vaste activa
Artikel 33
Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële,
de materiële en de financiële vaste activa.
Artikel 34
In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk
opgenomen:
a. kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo
van agio en disagio;
b. kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.
Artikel 35
1.In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk
opgenomen:
a. investeringen met een economisch nut;
b. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk
nut.
2.Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht
zijn uitgegeven.
Artikel 36
In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk
opgenomen:
a. kapitaalverstrekkingen aan:
1. deelnemingen;
2. gemeenschappelijke regelingen;
3. overige verbonden partijen;
b. leningen aan:
1. woningbouwcorporaties;
2. deelnemingen;
3. overige verbonden partijen;
c. overige langlopende leningen;
d. overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één
jaar of langer;
e. bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Paragraaf 4.5.4. Vlottende activa
Artikel 37
Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden,
de uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar, de
liquide middelen en de overlopende activa.
Artikel 38
In de balans worden onder de voorraden afzonderlijk opgenomen:
a. grond- en hulpstoffen gespecificeerd naar:
1. niet in exploitatie genomen bouwgronden;
2. overige grond- en hulpstoffen;
b. onderhanden werk, waaronder bouwgronden in exploitatie;
c. gereed product en handelsgoederen;
d. vooruitbetalingen.
Artikel 39
In de balans worden onder de uitzettingen met een rentetypische
looptijd korter dan één jaar afzonderlijk opgenomen:
a. vorderingen op openbare lichamen;
b. verstrekte kasgeldleningen;
c. rekening-courantverhoudingen met niet-financiële
instellingen;
d. overige vorderingen;
e. overige uitzettingen.
Artikel 40
In de balans worden onder de liquide middelen de kas-, bank- en
girosaldi opgenomen.
Artikel 40a
In de balans worden onder de overlopende activa afzonderlijk
opgenomen:
a. de van Europese en Nederlandse overheidslichamen nog te
ontvangen voorschotbedragen die ontstaan door voorfinanciering op
uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel;
b. overige nog te ontvangen bedragen en de vooruitbetaalde
bedragen die ten laste van volgende begrotingsjaren komen.
Paragraaf 4.5.5. Vaste Passiva
Artikel 41
Onder de vaste passiva worden afzonderlijk opgenomen het eigen
vermogen, de voorzieningen en de vaste schulden, met een rentetypische
looptijd van één jaar of langer.
Artikel 42
1.Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het resultaat na
bestemming volgend uit de programmarekening.
2.Het in het eerste lid bedoelde resultaat wordt afzonderlijk
opgenomen als onderdeel van het eigen vermogen.
Artikel 43
1.In de balans worden de reserves onderscheiden naar:
a. de algemene reserve;
b. de bestemmingsreserves.
2.Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan provinciale staten
respectievelijk de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven.
Artikel 44
1.Voorzieningen worden gevormd wegens:
a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de
balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;
b. op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde
te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang
redelijkerwijs is te schatten;
c. kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden
gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt
in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de
voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een
aantal begrotingsjaren.
2.Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen
middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de
voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b.
3.Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende
arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
Artikel 45
Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan.
Artikel 46
In de balans worden onder de vaste schulden afzonderlijk opgenomen:
a. obligatieleningen;
b. onderhandse leningen van:
1. binnenlandse pensioenfondsen en verzekeringsinstellingen;
2. binnenlandse banken en overige financiële instellingen;
3. binnenlandse bedrijven;
4. overige binnenlandse sectoren;
5. buitenlandse instellingen, fondsen, banken, bedrijven en
overige sectoren;
c. door derden belegde gelden;
d. waarborgsommen.
Paragraaf 4.5.6. Vlottende passiva
Artikel 47
Onder de vlottende passiva worden afzonderlijk opgenomen de
netto-vlottende schulden, met een rentetypische looptijd korter dan
één jaar en de overlopende passiva.
Artikel 48
In de balans worden onder de netto-vlottende schulden afzonderlijk
opgenomen:
a. kasgeldleningen;
b. bank- en girosaldi;
c. overige schulden.
Artikel 49
In de balans worden onder de overlopende passiva afzonderlijk
opgenomen:
a. verplichtingen die in het begrotingsjaar zijn opgebouwd en die
in een volgend begrotingsjaar tot betaling komen, met uitzondering
van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen
van vergelijkbaar volume;
b. de van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen
voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel
die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren;
c. overige vooruit ontvangen bedragen die ten bate van volgende
begrotingsjaren komen.
Artikel 50
Aan de passiefzijde van de balans wordt buiten de balanstelling
opgenomen het bedrag waartoe aan natuurlijke en rechtspersonen
borgstellingen of garantstellingen zijn verstrekt.
Paragraaf 4.5.7. Toelichting op de balans
Artikel 51
In de toelichting op de balans wordt aangegeven volgens welke
methoden de afschrijvingen worden berekend. Ook wordt aangegeven welke
investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut worden
geactiveerd, welke afschrijvingstermijn hiervoor wordt voorzien en welke
reserves hiervoor naar verwachting beschikbaar zullen zijn.
Artikel 52
1.In de toelichting op de balans worden onder de materiële vaste
activa afzonderlijk opgenomen:
a. gronden en terreinen;
b. woonruimten;
c. bedrijfsgebouwen;
d. grond-, weg- en waterbouwkundige werken;
e. vervoermiddelen;
f. machines, apparaten en installaties;
g. overige materiële vaste activa.
2.In de toelichting op de balans wordt het verloop van de activa,
als bedoeld in het eerste lid, gedurende het begrotingsjaar, in een
sluitend overzicht weergegeven. Daaruit blijken, voor zover van
toepassing:
a. de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de investeringen of desinvesteringen;
c. de afschrijvingen;
d. bijdragen van derden direct gerelateerd aan een actief;
e. afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen;
f. de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 52a
1.In de toelichting op de balans wordt per uitkering met een
specifiek bestedingsdoel het verloop gedurende het jaar van de
ontvangen voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b, in
een overzicht weergegeven. Daaruit blijken:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de toevoegingen;
c. de vrijgevallen bedragen;
d. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
2.In de toelichting op de balans wordt per uitkering met een
specifiek bestedingsdoel het verloop gedurende het jaar van de nog te
ontvangen voorschotbedragen, bedoeld in artikel 40a, onderdeel a, in
een overzicht weergegeven. Daaruit blijken:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de toevoegingen;
c. de ontvangen bedragen;
d. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 52b
De aard en omvang van de aangebrachte dan wel geraamde
waardeverminderingen van de leningen en vorderingen, bedoeld in artikel
63, achtste lid, van de vaste activa, bedoeld in artikel 65, eerste lid,
en van de deelnemingen en voorraden, bedoeld in artikel 65, tweede lid,
worden in de toelichting op de balans opgenomen.
Artikel 53
In de toelichting op de balans worden de niet in de balans opgenomen
belangrijke financiële verplichtingen vermeld waaraan de provincie of
de gemeente voor toekomstige jaren is verbonden.
Artikel 54
1.In de toelichting op de balans worden de aard en reden van elke
reserve en de toevoegingen en onttrekkingen daaraan toegelicht.
2.Per reserve wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht
weergegeven. Daaruit blijken:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de toevoegingen of onttrekkingen via de resultaatbestemming
bij de programmarekening;
c. de toevoegingen of onttrekkingen uit hoofde van de
bestemming van het resultaat van het voorgaande boekjaar;
d. de verminderingen in verband met afschrijvingen op activa
waarvoor een specifieke bestemmingsreserve is gevormd;
e. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 55
1.In de toelichting op de balans worden de aard en reden van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 44 en de wijzigingen daarin
toegelicht.
2.Per voorziening wordt het verloop gedurende het jaar in een
overzicht weergegeven. Daaruit blijken:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de toevoegingen;
c. ten gunste van de rekening van baten en lasten vrijgevallen
bedragen;
d. de aanwendingen;
e. saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 56
In de toelichting op de balans wordt de rentelast voor het
begrotingsjaar vermeld van alle vaste schulden, genoemd in artikel 46.
Artikel 57
1.In de toelichting op de balans worden de borgstellingen, bedoeld
in artikel 50, gespecificeerd naar de aard van de geldleningen.
2.Per specificatie wordt vermeld:
a. het oorspronkelijk bedrag van de gewaarborgde geldlening;
b. het percentage van het leningbedrag waarvoor borgstelling is
verleend;
c. het restantbedrag van de lening bij aanvang van het
begrotingsjaar;
d. het restantbedrag van de lening aan het eind van het
begrotingsjaar.
3.In de toelichting op de balans wordt een specificatie opgenomen
van de garantstellingen als bedoeld in artikel 50.
4.In de toelichting wordt ook opgenomen het totaalbedrag van de
betalingen die inzake de borg- en garantstelling zijn gedaan tot en
met het eind van het begrotingsjaar.
Artikel 58
Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing op de balans.
Titel 4.6. De bijlage met de verantwoordingsinformatie over
specifieke uitkeringen.
Artikel 58a
1.Bij de jaarrekening is een bijlage gevoegd waarin
verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen wordt verstrekt
op basis van indicatoren.
2.Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister wie het
aangaat, bij ministeriële regeling een model vast voor de in het
eerste lid bedoelde bijlage en bepaalt daarbij over welke specifieke
uitkeringen daarin verantwoordingsinformatie wordt opgenomen en welke
indicatoren worden gebruikt.
Hoofdstuk V. Waardering, activeren en afschrijven
Artikel 59
1.Alle investeringen met een economisch nut worden geactiveerd.
2.Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar
zijn en/of indien ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen.
3.In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een
cultuur-historische waarde niet geactiveerd.
4.Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut
kunnen worden geactiveerd.
Artikel 60
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen
worden geactiveerd indien:
a. het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
b. de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien
vaststaat;
c. het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut
zal genereren en;
d. de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar
kunnen worden vastgesteld.
Artikel 61
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden
geactiveerd, indien:
a. er sprake is van een investering door een derde;
b. de investering bijdraagt aan de publieke taak;
c. de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk
investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en;
d. de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in
gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders
recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de
investering.
Artikel 62
1.Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering
geactiveerd.
2.In afwijking van het eerste lid mogen bijdragen van derden die in
directe relatie staan met een actief op de waardering daarvan in
mindering worden gebracht.
3.In afwijking van het eerste lid mogen reserves in mindering
worden gebracht op investeringen, als bedoeld in artikel 59, het
vierde lid.
Artikel 63
1.Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of
vervaardigingsprijs.
2.De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende
kosten.
3.De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de
gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke
rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de
vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel
van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de
vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval
vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd.
4.Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van
eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende
erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.
5.Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele
waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans
opgenomen.
6.In afwijking van het eerste lid is waardering tegen actuele
waarde toegestaan voor de activa van de Nazorgfondsen bedoeld in
artikel 15.47 van de Wet milieubeheer.
7.Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met
uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn
gewaardeerd.
8.Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de
boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend.
Artikel 64
1.De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van
het boekjaar.
2.Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op
andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar
zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op
de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis
voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand
van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het
voorafgaande begrotingsjaar.
3.Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur, waaronder begrepen
de financiële vaste activa, bedoeld in artikel 36, onderdeel e, wordt
jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de
verwachte toekomstige gebruiksduur.
4.In afwijking van het eerste en het derde lid kan er op de activa,
bedoeld in artikel 59, vierde lid, extra worden afgeschreven.
5.In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de
immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal
gelijk aan de looptijd van de lening.
6.In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de
immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste
vijf jaar.
Artikel 65
1.Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa
worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking
genomen.
2.Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd
indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of
vervaardigingsprijs.
3.Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd
op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is
dan de boekwaarde.
Hoofdstuk VI. Uitvoeringsinformatie
Artikel 66
1.De uitvoeringsinformatie bestaat uit:
a. de productenraming en toelichting ten tijde van de
begroting;
b. de productenrealisatie en toelichting ten tijde van de
jaarstukken.
2.De productenraming respectievelijk productenrealisatie bevat:
a. de uitwerking van de programma's in producten;
b. de geraamde respectievelijk gerealiseerde baten, lasten en
het saldo per product;
c. het verdelingsprincipe waarmee de producten over de
programma's zijn verdeeld.
3.De productenraming respectievelijk productenrealisatie is
integraal en omvat dezelfde totaalbedragen als de begroting
respectievelijk de jaarstukken.
4.Producten zijn eenheden waarin de programma's zijn onderverdeeld.
5.De indeling van en de verdelingsprincipes behorende bij de
productenrealisatie zijn identiek aan die van de productenraming.
Artikel 67
1.De toelichting op de productenraming bestaat ten minste uit een
overzicht van kapitaallasten.
2.De toelichting op de productenrealisatie bestaat ten minste uit:
a. een overzicht van kapitaallasten;
b. een lijst van verbonden partijen;
c. de toelichting op onderhanden werk inzake grondexploitatie,
bedoeld in artikel 38, onder a, onder 1 en onder b.
Artikel 68
In het overzicht van de kapitaallasten wordt de volgende informatie
gegeven:
a. de afschrijvingen;
b. de toegerekende rente.
Artikel 69
In de lijst van verbonden partijen wordt ten minste de volgende
informatie verstrekt over verbonden partijen:
a. de naam en de vestigingsplaats;
b. het openbaar belang dat op deze wijze behartigd wordt;
c. de veranderingen die zich hebben voorgedaan gedurende het
begrotingsjaar in het belang dat de gemeente onderscheidenlijk
provincie in de verbonden partij heeft;
d. het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden
partij aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar;
e. het resultaat van de verbonden partij.
Artikel 70
1.In de toelichting op het onderhanden werk inzake grondexploitatie
wordt voor het totaal van de in exploitatie zijnde complexen
aangegeven:
a. de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de vermeerderingen in het begrotingsjaar;
c. de verminderingen in het begrotingsjaar;
d. de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar;
e. de geraamde nog te maken kosten en een onderbouwing hiervan;
f. de geraamde opbrengsten en een onderbouwing hiervan;
g. het geraamde eindresultaat;
h. een uiteenzetting van de wijze waarop eventuele nadelige
resultaten worden opgevangen.
2.Van de nog niet in exploitatie genomen gronden wordt de
gemiddelde boekwaarde per m2 vermeld.
Hoofdstuk VII. Informatie voor derden
Artikel 71
1.Uit de productenraming wordt de volgende informatie voor derden
gegenereerd:
a. een conversietabel producten – programma's waarin wordt
aangegeven:
1. welke producten onder welk programma vallen, inclusief
de verdeelsleutel;
2. wat de baten, de lasten en het saldo per product zijn;
b. een conversietabel producten – functies, waarin wordt
aangegeven:
1. de baten en lasten volgens de functionele indeling;
2. per functie de producten die er aan zijn toegerekend;
3. het verdelingsprincipe waarmee de producten over de
functies zijn verdeeld;
2.De functionele indeling wordt bij ministeriële regeling
vastgesteld.
3.De informatie bedoeld in het eerste lid wordt voor 15 november
van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, aan Onze Minister
onderscheidenlijk gedeputeerde staten en het CBS gezonden.
Artikel 72
1.Uit de productenrealisatie wordt de volgende informatie voor
derden gegenereerd:
a. een conversietabel producten – programma's waarin wordt
aangegeven:
1. welke producten onder welk programma vallen, inclusief
de verdeelsleutel;
2. wat de baten, de lasten en het saldo per product zijn;
b. verdelingsinformatie bestaande uit:
1. de baten en lasten, kostenplaatsen en balansmutaties
volgens de verdelingsmatrix;
2. per functie de producten die er aan zijn toegerekend;
3. het verdelingsprincipe waarmee de producten over de
functies zijn verdeeld.
2.De verdelingsmatrix wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
3.De informatie bedoeld in het eerste lid wordt voor 15 juli van
het jaar, volgend op het begrotingsjaar, ondertekend door gedeputeerde
staten onderscheidenlijk het college aan Onze Minister
onderscheidenlijk gedeputeerde staten en het CBS gezonden.
4.Het CBS toetst de informatie bedoeld in het eerste lid, onder b,
onder 1, op plausibiliteit en stuurt de resultaten daarvan op naar
gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college.
5.Bij de informatie bedoeld in het eerste lid betreffende het
begrotingsjaar 2004 wordt een accountantsverklaring gevraagd. Bij
belangrijke wijzigingen in de administratie kan Onze Minister
onderscheidenlijk gedeputeerde staten een accountantsverklaring aan
gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college vragen.
Artikel 73
Indien de informatie voor derden niet voldoende inzicht biedt kan
Onze Minister een deelverantwoording over een afzonderlijk deel van de
provincie onderscheidenlijk gemeente vragen.
Artikel 74
1.Ieder kwartaal wordt de volgende informatie voor derden
verstrekt:
a. de baten en lasten, kostenplaatsen en balansmutaties volgens
de verdelingsmatrix, als bedoeld in artikel 72, tweede lid;
b. de stand van zaken betreffende de volgende activa:
1. de financiële vaste activa, als bedoeld in artikel 36,
onder a tot en met d;
2. de uitzettingen, als bedoeld in artikel 39;
3. de liquide middelen, als bedoeld in artikel 40;
4. de overlopende activa;
c. de stand van zaken betreffende de volgende passiva:
1. de vaste schulden, als bedoeld en onderverdeeld in
artikel 46;
2. de netto-vlottende schulden, als bedoeld en
onderverdeeld in artikel 48;
3. de overlopende passiva.
2.De informatie genoemd in het eerste lid wordt, ondertekend door
gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college, binnen één maand
na afloop van het kwartaal gezonden aan het CBS.
3.Het CBS toetst de informatie bedoeld in het eerste lid op
plausibiliteit en stuurt de resultaten daarvan op naar gedeputeerde
staten onderscheidenlijk het college.
Hoofdstuk VIII. Commissie besluit begroting en verantwoording
Artikel 75
1.Er is een commissie voor het Besluit begroting en verantwoording
provincies en gemeenten.
2.De commissie draagt zorg voor een eenduidige uitvoering en
toepassing van dit besluit. De commissie draagt daartoe ten minste
zorg voor:
a. een document dat de eenduidige interpretatie bevordert;
b. de beantwoording van vragen.
3.De commissie bestaat uit:
a. één onafhankelijk voorzitter;
b. één secretaris;
c. drie leden werkzaam als financieel ambtenaar bij gemeenten;
d. één lid werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten;
e. twee leden werkzaam bij een provincie;
f. één lid werkzaam bij het Ministerie van Financiën;
g. één lid werkzaam bij het CBS;
h. één lid werkzaam in de provinciale of gemeentelijke
accountancy;
i. één lid werkzaam als gemeentesecretaris;
j. één lid werkzaam als raadsgriffier of statengriffier;
k. één lid werkzaam als inspecteur bij de Inspectie
Financiën Lokale en provinciale Overheden.
4.De leden van de commissie hebben op persoonlijke titel zitting in
de commissie en nemen deel aan de vergaderingen zonder last.
5.Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter, bedoeld in het
derde lid, onder a, wijst een secretaris aan uit een van zijn
ambtenaren en voorziet in het secretariaat.
6.De voorzitter benoemt de leden, bedoeld in het derde lid, onder c
tot en met k. De benoeming geschiedt op voordracht van:
a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor twee van de
leden, bedoeld in het derde lid onder c en voor het lid, bedoeld
in het derde lid onder d;
b. de Vereniging Federatie van Algemene Middelenmanagers bij de
Overheid voor één van de leden, bedoeld in het derde lid onder
c;
c. het Interprovinciaal Overleg voor de leden, bedoeld, in het
derde lid onder e;
d. de Minister van Financiën voor het lid, bedoeld in het
derde lid onder f;
e. het CBS voor het lid, bedoeld in het derde lid onder g;
f. de Vereniging van Gemeentesecretarissen voor het lid,
bedoeld in het derde lid onder i;
g. de Vereniging van Griffiers voor het lid, bedoeld in het
derde lid, onderdeel j;
h. Onze Minister voor het lid, bedoeld in het derde lid onder
k.
7.Het lidmaatschap van de commissie vervalt zodra een lid niet
langer werkzaam is op het terrein, aangegeven in het derde lid, dan
wel een instanties als genoemd in het zesde lid onder a tot en met g,
een andere persoon voordraagt als lid aan de voorzitter van de
commissie.
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 76
1.In afwijking van artikel 63, eerste lid, worden activa, die op 31
december 1994 tegen actuele waarde zijn gewaardeerd, volgens de op dat
moment aanwezige boekwaarde voor de rest van de periode afgeschreven.
2.In afwijking van artikel 62, eerste lid, worden alle activa waar
voor 31 december 2003 reserves op in mindering zijn gebracht op de
waarde volgens de op 31 december 2003 aanwezige boekwaarde voor de
rest van de periode afgeschreven.
Artikel 76a
1. De artikelen 40a, 52a en 52b zijn niet van toepassing op de
begrotingswijzigingen, de jaarstukken, de uitvoeringsinformatie en de
informatie voor derden en de daarbij behorende toelichtingen voor het
begrotingsjaar 2007.
2. Op de begrotingswijzigingen, de jaarstukken, de
uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij
behorende toelichtingen voor het begrotingsjaar 2007, zijn de
artikelen 2, vierde lid, 19, 43, 44, tweede lid, 49, 55, eerste lid,
63, achtste lid, 64, derde lid, van toepassing zoals deze golden op 9
juli 2007.
3. Gemeenten die meerjarige specifieke uitkeringen ontvangen,
waarvan de meerjarige uitkeringsperiode vóór 1-1-2007 aanving,
kunnen hierover verantwoording afleggen op grond van de artikelen 44,
tweede lid, 49 en 55, eerste lid zoals deze golden op 9 juli 2007.
Artikel 77
Het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 wordt ingetrokken, met
dien verstande dat het voor de begrotingswijzigingen, de jaarrekening en
het jaarverslag over het jaar 2003 nog van kracht blijft.
Artikel 78
Dit besluit treedt in werking per 1 februari 2003, met dien verstande
dat de begroting, meerjarenraming, de jaarstukken, de
uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij
behorende toelichtingen met ingang van de begroting voor het
begrotingsjaar 2004 voldoen aan de bepalingen van dit besluit.
Artikel 79
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit begroting en verantwoording
provincies en gemeenten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 januari 2003
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
Uitgegeven de drieëntwintigste januari 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|