|
BESLUIT van 22 november 1990, houdende nadere regels ter uitvoering
van de artikelen 283a en 283b van de Gemeentewet
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, van
12 juli 1990, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. IBI 88/33/U55;
Overwegende, dat het gewenst is nadere regels te stellen omtrent de
naheffingsaanslag, het aanbrengen en verwijderen van de wielklem alsmede
omtrent het wegslepen en in bewaring stellen van een voertuig met
betrekking tot de gemeentelijke parkeerbelastingen;
Gelet op de artikelen 283a, zevende lid, en 283b,
dertiende en vijftiende lid, van de Gemeentewet;
Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën (advies van
27 april 1990, nr. 63948 RGF 1/187);
De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1990, nr.
W04.90.0361);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken van 14 november 1990, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr.
IBI 88/33/U 61;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Gemeentewet;
b. wielklem: het in artikel 235, eerste lid, van de wet
bedoelde mechanisch hulpmiddel waardoor wordt verhinderd dat het
voertuig wordt weggereden;
c. bewaringsregister: het in artikel 235, zesde lid, van de wet
bedoelde register;
d. bewaarder: de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van
de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar.
Artikel 1a
1.De voorschriften van het college van burgemeester en wethouders
bedoeld in artikel 234, tweede lid, onder a, van de wet kunnen
inhouden dat het in werking stellen van een parkeermeter of een
parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden.
Het college gaat daartoe slechts over indien de belastingplichtigen
voldoende praktische middelen voor de voldoening op aangifte ten
dienste staan.
2.In de situatie, bedoeld in het eerste lid, zal de
belastingplichtige voor de voldoening op aangifte tenminste moeten
kunnen kiezen tussen een rekening-gebonden chipkaart en een
niet-rekening gebonden chipkaart met landelijke dekking. Voorts
dienen in de lokale situatie voldoende oplaad- en verkooppunten
beschikbaar te zijn.
Artikel 2
1.De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een
naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vierde lid, van de wet
kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover
deze rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde
parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, welke ten hoogste 50% van de
personeelskosten mogen bedragen.
2.Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze
kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse
aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag
waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven
aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de
belastingschuldige in rekening wordt gebracht.
Artikel 3
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, bedraagt met
ingang van 1 januari 1999 ten hoogste € 41 [Red: per 1 januari
2012: € 54] .
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
past jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, aan
overeenkomstig de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex
over de maand april van het lopende kalenderjaar heeft ondergaan ten
opzichte van dit prijsindexcijfer over de maand april van het
daaraan voorafgaande jaar. De uitkomst van die berekening wordt naar
boven afgerond op hele euro’s. Het aldus berekende bedrag wordt
door Onze voornoemde Minister voor 1 september in de Staatscourant
bekend gemaakt en geldt voor het daarop volgende kalenderjaar.
3. Onder de consumentenprijsindex wordt verstaan de
consumentenprijsindexcijfer reeks: Alle Huishoudens, totaal, op
meest recente tijdsbasis, zoals dat wordt berekend door het Centraal
Bureau voor de Statistiek en gepubliceerd in het Statistisch
bulletin van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Artikel 4
Het college van burgemeester en wethouders geeft met inachtneming
van dit besluit regels omtrent de wijze waarop het aanbrengen en
verwijderen van een wielklem ingevolge artikel 235, eerste lid, van de
wet en de overbrenging en bewaring van voertuigen ingevolge artikel
235, vijfde lid, van de wet in de gemeente geschiedt alsmede omtrent
hetgeen verder voor de uitvoering van dat artikel noodzakelijk is.
Artikel 5
1.De gemeentelijke kosten ter zake van het aanbrengen en
verwijderen van een wielklem aan een voertuig kunnen ten hoogste
bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze rechtstreeks
voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeergelden:
a. kosten van afschrijving, huur en onderhoud;
b. personele en materiële kosten;
c. overheadkosten, welke ten hoogste 50% van de
personeelskosten mogen bedragen;
d. kosten van interest;
e. kosten van verzekering ter dekking van de
aansprakelijkheid voor schade als bedoeld in artikel 235,
zestiende lid, van de wet.
2.Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze
kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse
aantal aangebrachte wielklemmen, het bedrag vast dat per aanbrenging
en verwijdering aan de belastingschuldige in rekening wordt
gebracht.
3.Voor zover het aanbrengen en verwijderen van een wielklem aan
een voertuig geschiedt op andere wijze dan in eigen beheer, bedragen
de gemeentelijke kosten daar voor ten hoogste de door degene die het
aanbrengen c.q. verwijderen van een wielklem in opdracht van de in
artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
gemeenteambtenaar verricht ter zake daarvan in rekening gebrachte
kosten.
Artikel 6
Bij het in bewaring stellen van een voertuig wordt aan degene die
met de feitelijke bewaring is belast een proces-verbaal als bedoeld in
artikel 235, vijfde lid, van de wet afgegeven van de ambtenaar die tot
het overbrengen en in bewaring stellen van dat voertuig is overgegaan.
Dit proces-verbaal bevat:
a. een summiere omschrijving van het in bewaring te stellen
voertuig; indien het een kentekenplichtig motorrijtuig betreft,
houdt deze omschrijving in ieder geval in de vermelding van het
merk, de type-aanduiding en het kenteken van dat motorrijtuig;
b. een opgave van de plaats vanwaar het voertuig is verwijderd
en de datum en het tijdstip waarop de verwijdering heeft
plaatsgevonden;
c. een nauwkeurige beschrijving van de staat waarin het
voertuig zich bevond voordat tot verwijdering werd overgegaan
alsmede een summiere opsomming van de zich eventueel in het
voertuig bevindende losse voorwerpen.
Artikel 7
1.In het bewaringsregister worden zo spoedig mogelijk na het in
bewaring stellen ten minste opgenomen:
a. het proces-verbaal, bedoeld in artikel 235, vijfde lid,
van de wet;
b. een nauwkeurige omschrijving van de staat van het in
bewaring gestelde voertuig;
c. de datum en het tijdstip van het in bewaring stellen.
2.Indien de bewaring niet door de gemeente in eigen beheer
geschiedt, doet degene die met de feitelijke bewaring is belast de
in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden na het in bewaring
stellen onverwijld aan de bewaarder toekomen ter opneming in het
bewaringsregister.
Artikel 8
Zodra zulks na het in bewaring stellen van het voertuig mogelijk
is, worden in het bewaringsregister tevens opgenomen:
a. ingeval het een kentekenplichtig motorrijtuig betreft de
tenaamstelling van het kenteken;
b. ingeval het andere voertuigen betreft de naam van de
eigenaar of houder indien deze bekend is.
Artikel 9
Indien het voertuig overeenkomstig artikel 235, achtste lid, van de
wet wordt teruggegeven aan de rechthebbende, worden in het
bewaringsregister tevens opgenomen:
a. de datum en het tijdstip waarop het voertuig is afgehaald;
b. de naam en het adres van degene die het voertuig heeft
afgehaald alsmede gegevens waaruit blijkt dat deze tot het afhalen
van het voertuig gerechtigd was;
c. de bedragen van de naheffingsaanslag, van de voor het
aanbrengen en verwijderen van de wielklem verschuldigde kosten en
van de voor het overbrengen en bewaren van het voertuig
verschuldigde kosten die bij het afhalen van het voertuig zijn
voldaan.
Artikel 10
Indien het voertuig binnen 48 uren na het in bewaring stellen niet
is afgehaald, worden behalve de in de artikelen 7 en 8 van dit besluit
bedoelde gegevens, in het bewaringsregister tevens opgenomen de datum
waarop de kennisgeving, bedoeld in artikel 235, negende lid, van de
wet, is uitgegaan en de naam en het adres van degene aan wie die
kennisgeving is verzonden.
Artikel 11
Ingeval van toepassing van artikel 235, elfde lid, van de wet
worden in het bewaringsregister tevens opgenomen:
a. de datum en het tijdstip van de verkoop, de
eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging;
b. ingeval van verkoop de opbrengst van die verkoop, de naam en
het adres van de koper, het eventuele batige saldo van die
verkoop, bedoeld in artikel 235, twaalfde lid, van de wet, de naam
en het adres van degene aan wie het eventuele batige saldo is
uitgekeerd alsmede gegevens waaruit blijkt dat deze tot het in
ontvangst nemen van dat eventuele batige saldo gerechtigd was;
c. ingeval van eigendomsoverdracht om niet de naam en het adres
van degene aan wie het voertuig om niet in eigendom is
overgedragen;
d. ingeval van vernietiging de waarde van het voertuig, bedoeld
in artikel 17 van dit besluit.
Artikel 12
De in het bewaringsregister opgenomen gegevens blijven daarin
bewaard gedurende vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar
waarin het voertuig overeenkomstig artikel 235, achtste lid, van de
wet door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de
Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan de rechthebbende is
teruggegeven, dan wel overeenkomstig artikel 235, elfde lid, van de
wet door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de
Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar is verkocht, om niet aan een
derde in eigendom overgedragen of vernietigd.
Artikel 13
De bewaarder verstrekt aan de betrokken autoriteiten en aan
belanghebbenden desgevraagd de benodigde inlichtingen uit het
bewaringsregister.
Artikel 14
1.De gemeentelijke kosten van overbrenging en bewaring van een
voertuig kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten,
voor zover deze rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet
betaalde parkeerbelastingen:
a. kosten van afschrijving, huur en onderhoud;
b. personele en materiële kosten;
c. overheadkosten, welke ten hoogste 50% van de
personeelskosten mogen bedragen;
d. kosten van interest;
e. kosten van verzekering ter dekking van de
aansprakelijkheid voor schade als bedoeld in artikel 235,
zestiende lid, van de wet;
f. ingeval van toepassing van artikel 235, negende lid, van
de wet de personele en materiële kosten, verbonden aan het doen
uitgaan van de kennisgeving, waaronder begrepen de kosten van
opsporing van degene aan wie de kennisgeving dient te worden
verzonden;
g. ingeval van toepassing van artikel 235, elfde lid, van de
wet de personele en materiële kosten van verkoop,
eigendomsoverdracht om niet of vernietiging, waaronder begrepen
de kosten van taxatie van het voertuig.
2.Voor zover de overbrenging en bewaring op andere wijze dan in
eigen beheer geschieden, bedragen de gemeentelijke kosten daar voor
ten hoogste de door degene die de overbrenging c.q. bewaring in
opdracht van de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de
Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar verricht, ter zake daarvan in
rekening gebrachte kosten.
Artikel 15
1.Indien de overbrenging door de gemeente in eigen beheer
geschiedt, wordt voor de vaststelling van de voor het overbrengen
verschuldigde vergoeding uitgegaan van een door de raad vastgesteld
basistarief per overbrenging, waarvan de hoogte is gerelateerd aan
de dag van de week en het tijdstip van de dag waarop de overbrenging
plaatsvindt, de tijdsduur van de overbrenging en het in het kader
van de overbrenging gereden aantal kilometers.
2.Indien de bewaring door de gemeente in eigen beheer geschiedt,
wordt voor de vaststelling van de voor het bewaren verschuldigde
vergoeding uitgegaan van een door de raad vastgesteld tarief per
etmaal. Indien de bewaringsperiode een gedeelte van een etmaal
bedraagt, dan wel indien de bewaringsperiode mede een gedeelte van
een etmaal omvat, wordt voor dat gedeelte van een etmaal het tarief
naar evenredigheid verminderd.
Artikel 16
Ingeval van toepassing van de in artikel 235, elfde lid, van de wet
vervatte bevoegdheid tot verkoop van een in bewaring gesteld voertuig
wordt van de voor verkoop in aanmerking komende voertuigen een
verkooplijst gemaakt. De verkoop geschiedt bij wege van inschrijving.
Artikel 17
Indien de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de
Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar overeenkomstig artikel 235,
elfde lid, van de wet besluit dat een in bewaring gesteld voertuig zal
worden vernietigd, vindt de vernietiging niet plaats dan nadat door
een beëdigd taxateur een taxatierapport met betrekking tot de waarde
van dat voertuig is opgemaakt.
Artikel 18
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 19
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit gemeentelijke
parkeerbelastingen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
’s-Gravenhage, 22 november 1990
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
Uitgegeven de elfde december 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|