BESLUIT van 16 maart 1993, houdende regels inzake het beschikbaar
stellen van bijdragen uit 's Rijks kas met het oog op de kosten die in
een politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de Wet tijdelijke
voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van
Justitie van 24 september 1992, directoraat-generaal voor Openbare Orde
en Veiligheid, nr. PRP 92/U710, en directoraat-generaal Wetgeving, nr.
W.311163/93/6;
Gelet op artikel 11 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie
politiebestel (Stb. 1991, 674) en artikel 237b van de Gemeentewet (Stb. 1931, 89);
Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën (advies van
30 september 1991, nr. 108910 Rgf 27/80);
Gehoord de Commissie voor de gemeentelijke
comptabiliteitsvoorschriften (advies van 17 februari 1992, nr. GCV/YA/92/4);
De Raad van State gehoord (advies van 22 december 1992, nr.
W04.92.0457);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
1 maart 1993, nr. E93/U480, uitgebracht mede namens Onze Minister van
Justitie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. de burgemeester: de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de
Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel;
c. de hoofdofficier: de hoofdofficier van justitie, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Wet tijdelijke voorzieningen
reorganisatie politiebestel;
d. de politieregio: de politieregio, bedoeld in artikel 2 van de
Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel;
e. de gemeente: de gemeente waarvan de burgemeester is belast met
de taak, bedoeld in artikel 4 van de Wet tijdelijke voorzieningen
reorganisatie politiebestel;
f. het regionaal overlegorgaan: het regionaal overlegorgaan
bedoeld in artikel 12 van de Wet tijdelijke voorzieningen
reorganisatie politiebestel;
g. de rijksbijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 11 van de
Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel;
h. de feitelijke integratie: de feitelijke integratie van de
binnen de politieregio aanwezige korpsen van gemeentepolitie en
districten van het Korps Rijkspolitie of onderdelen daarvan;
i. het regionaal projectplan: het regionaal projectplan, bedoeld
in artikel 3.
Artikel 2
1. De rijksbijdrage is bestemd voor de bestrijding van de
kosten die in de periode 1991 tot en met 1996 in de politieregio
worden gemaakt ter bevordering van de feitelijke integratie van de
politie op de wijze zoals aangegeven in het regionale projectplan.
2. De rijksbijdrage bestaat uit het totaal van de jaarlijkse
uitkeringen die ingevolge dit besluit in de periode 1991 tot en met 1996
uit 's Rijks kas aan de gemeente worden verstrekt.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, de periode, bedoeld in het eerste en tweede lid, met ten
hoogste twee jaar verlengen, indien de voortgang van de reorganisatie
van het politiebestel daartoe noopt.
Artikel 3
1. Het regionaal overlegorgaan stelt een regionaal projectplan
vast ten behoeve van de feitelijke integratie van de politie.
2. Het regionaal projectplan bevat in elk geval een duidelijke
beschrijving van
a. de projectorganisatie,
b. de activiteiten die met het oog op de feitelijke integratie van
de politie in de regio worden of zullen worden ondernomen,
c. het beoogde eindresultaat van de feitelijke integratie van de
politie, alsmede
d. een meerjarenraming van alle op het moment van vaststelling
voorzienbare kosten in verband met de hiervoor genoemde onderwerpen.
3. De burgemeester legt het regionaal projectplan ter goedkeuring
voor aan Onze Minister en Onze Minister van Justitie. Indien Onze
Minister en Onze Minister van Justitie het regionaal projectplan
goedkeuren, deelt Onze Minister dit het regionaal overlegorgaan door
tussenkomst van de burgemeester zo spoedig mogelijk, doch in elk geval
binnen drie maanden na ontvangst van het regionaal projectplan, mede.
4. Onze Minister en Onze Minister van Justitie onthouden hun
goedkeuring, indien naar hun oordeel
a. niet is voldaan aan het tweede lid,
b. er geen evenwicht bestaat tussen de meerjarenraming van de
kosten, bedoeld in het tweede lid onder d, en de raming van de
rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4, eerste lid, of
c. het beoogde resultaat, bedoeld in het tweede lid, onder c,
niet in overeenstemming is met de in artikel 2, eerste lid bedoelde
bestemming van de rijksbijdrage.
5. Indien Onze Minister en Onze Minister van Justitie hun
goedkeuring onthouden, deelt Onze Minister het regionaal overlegorgaan
door tussenkomst van de burgemeester zo spoedig mogelijk, doch in elk
geval binnen drie maanden na ontvangst van het regionale projectplan,
de, grond van onthouding mede.
6. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, regels stellen over de indieningstermijn van het regionale
projectplan en nadere regels stellen over de inrichting van het
regionale projectplan.
§ 2. De raming van de rijksbijdrage
Artikel 4
1. De rijksbijdrage wordt geraamd op het bedrag als vermeld in
de bijlage bij dit besluit.
2. Onze Minister kan de raming van de rijksbijdrage bijstellen
a. in verband met loon- en prijsmutaties die tot wijzigingen in de
desbetreffende post uit Hoofdstuk VII van de rijksbegroting en de
daarbij behorende meerjarenraming hebben geleid;
b. in verband met overige wijzigingen in de desbetreffende post uit
Hoofdstuk VII van de rijksbegroting en de daarbij behorende
meerjarenraming.
3. Een bijstelling als bedoeld in het tweede lid, onder b,
vindt plaats in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, de raming van de rijksbijdrage bijstellen indien naar zijn
oordeel uit het regionale projectplan, dan wel uit het financieel
verantwoordingsverslag of de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel
10, eerste onderscheidenlijk tweede lid, blijkt dat
a. in de regio kosten worden gemaakt die in andere regio's niet of
nauwelijks worden gemaakt, voorzover desbetreffende kosten naar het
oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Justitie noodzakelijk
zijn voor de feitelijke integratie van de politie, of
b. de in het regionale projectplan omschreven activiteiten of het
beoogde eindresultaat niet of onvoldoende worden gerealiseerd, dan wel
eerder worden gerealiseerd dan in het regionale projectplan is
aangegeven.
Artikel 5
1. Zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit
stelt Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie
voor de jaren 1991 tot en met 1996 een meerjarenraming vast van de
uitkeringen aan de gemeente, waarin per kalenderjaar wordt aangegeven
het deel van de geraamde rijksbijdrage dat in het desbetreffende
kalenderjaar aan de gemeente zal worden verstrekt.
2. Bij het vaststellen van de meerjarenraming van de uitkeringen
aan de gemeente wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de
meerjarenraming van de kosten in het goedgekeurde regionale projectplan.
3. Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Justitie,
de meerjarenraming van de uitkeringen aan de gemeente binnen de grenzen
van de raming van de rijksbijdrage bijstellen, indien naar het oordeel
van Onze Minister uit het financieel verantwoordingsverslag, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, of de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel
10, tweede lid, dan wel uit een verzoek van de burgemeester tot
bijstelling van de meerjarenraming, blijkt dat zich bij de kosten voor
de feitelijke integratie van de politie ontwikkelingen voordoen die
daartoe aanleiding geven.
4. Onze Minister stelt, na overleg met Onze Minister van
Justitie, de meerjarenraming bij voor zover bijstelling op grond van
artikel 4 daartoe aanleiding geeft.
Artikel 6
Onze Minister stelt de burgemeester zo spoedig mogelijk op de hoogte
van een besluit tot bijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede en
vierde lid, en artikel 5, derde of vierde lid.
Daarbij geeft Onze Minister aan welke wijzigingen als gevolg van het
besluit tot bijstelling zijn aangebracht in de meerjarenraming van de
uitkeringen aan de gemeente, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
§ 3. De jaarlijkse uitkering
Artikel 7
1. Onder voorbehoud van goedkeuring van de desbetreffende post
van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting door de Staten-Generaal, stelt
Onze Minister voor 1 oktober de jaarlijkse uitkering per regio die aan
een gemeente in het volgend kalenderjaar wordt verstrekt, voorlopig
vast.
2. De hoogte van de jaarlijkse uitkering, bedoeld in het eerste
lid, wordt bepaald door het deel van de geraamde rijksbijdrage dat
ingevolge de meerjarenraming van de uitkeringen aan de gemeente, zonodig
bijgesteld door toepassing van artikel 5, derde of vierde lid, in het
desbetreffende kalenderjaar wordt verstrekt.
3. Onze Minister wijzigt de voorlopig vastgestelde jaarlijkse
uitkering indien na de voorlopige vaststelling, bedoeld in het eerste
lid, een bijstelling als bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid,
plaatsvindt, een en ander voor zover deze bijstelling betrekking heeft
op het lopende kalenderjaar.
4. Onze Minister stelt de jaarlijkse uitkering over het
voorafgaande kalenderjaar definitief vast na ontvangst van het
financieel verantwoordingsverslag, bedoeld in artikel 10, eerste lid.
Artikel 8
1. De jaarlijkse uitkering wordt in vier termijnen betaalbaar
gesteld op onderscheidenlijk 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1
november.
2. Onze Minister kan de betaling van een of meer termijnen geheel
of gedeeltelijk opschorten, indien niet is voldaan aan artikel 10,
eerste lid.
3. Verrekeningen met de jaarlijkse uitkering in verband met
wijzigingen, bedoeld in artikel 7, derde lid, vinden voor het gehele
jaar waarvoor de jaarlijkse uitkering wordt toegekend, voor zover
mogelijk plaats met de termijnbetaling van 1 november.
Artikel 9
De burgemeester beschikt over de jaarlijkse bijdrage voor de
uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 4 van de Wet tijdelijke
voorzieningen reorganisatie politiebestel, met inachtneming van het
regionale projectplan.
Artikel 10
1. Vóór 1 april zendt de burgemeester aan Onze Minister een
financieel verantwoordingsverslag over de besteding van de jaarlijkse
uitkering over het voorafgaande kalenderjaar, voorzien van een door
een registeraccountant afgegeven verklaring.
2. De burgemeester verstrekt Onze Minister informatie over de
voortgang van de feitelijke integratie van de politie en de realisatie
van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b .
3. De burgemeester verstrekt de in het tweede lid bedoelde
informatie vóór 1 april over het tweede halfjaar van het voorafgaande
kalenderjaar en vóór 1 oktober over het eerste halfjaar van het
lopende kalenderjaar.
4. Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van de
informatie en de verantwoording, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk
tweede lid. Regels over de informatie, bedoeld in het tweede lid, stelt
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
5. Aan ambtenaren van de accountantsdienst van het Ministerie van
Binnenlandse Zaken wordt op verzoek alle informatie verstrekt die zij
noodzakelijk achten. Deze ambtenaren kunnen op eigen initiatief
informatie inwinnen bij de registeraccountant die met de controle is
belast.
§ 4. De inrichting van de administratie
Artikel 11
De gemeente plaatst de inkomsten en de uitgaven die betrekking hebben
op de rijksbijdrage op een aparte post van de begroting van de inkomsten
en de begroting van de uitgaven.
Artikel 12
Indien een deel van de jaarlijkse uitkering niet tot besteding is
gekomen, wordt dit deel door de gemeente gereserveerd.
§ 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 13
Uitkeringen die op grond van artikel 237b van de Gemeentewet
voor de inwerkingtreding van dit besluit aan de gemeente zijn verstrekt
met het oog op de feitelijke integratie van de politie, maken deel uit
van de rijksbijdrage.
Artikel 14
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
2. Dit besluit vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 15
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vergoeding
reorganisatiekosten politie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene
Rekenkamer.
's-Gravenhage, 16 maart 1993
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de tweeëntwintigste april 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin