|
De
Staatssecretaris van Financiën;
Gelet op de artikelen 5, 31, 35, vijfde lid,
43, 53, derde lid, en 62, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (Stb.
1990, 221), alsmede artikel 26 van de Invorderingswet 1990 j° artikel
300 van de Gemeentewet (Stb. 1931, 89), artikel 29 van de
Bevoegdhedenwet waterschappen (Stb. 1978, 285), artikel 13,
veertiende lid, onderdeel a, van de Meststoffenwet (Stb.
1986, 598), artikel 61s, derde lid, onderdeel a, van de
Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1988, 133) en
artikel 23, vierde lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit
verontreiniging rijkswateren (Stb. 1985, 377),
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Deze regeling geeft uitvoering aan
de artikelen 18, 19, 22bis, 25, 26, 31, 35, 42c, 44a, 44b en 53 van de
Invorderingswet 1990 alsmede aan artikel 232e van de Provinciewet,
artikel 255 van de Gemeentewet, artikel 144 van de Waterschapswet,
artikel 8a.40 van de Wet luchtvaart en artikel 93a van de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren in samenhang met artikel 26 van de
Invorderingswet 1990.
2. Deze regeling verstaat hierna onder
wet: de Invorderingswet 1990.
Artikel 1a
Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en
beroep in cassatie inzake een in deze regeling als voor bezwaar vatbaar
aangeduide beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor ‘inspecteur’ wordt gelezen ‘ontvanger’.
Artikel 1b
1. Verzoeken tot uitstel van betaling,
tot kwijtschelding of tot ontslag van betalingsverplichting ingevolge
deze regeling worden afgewezen door de ontvanger indien de voor de
beoordeling van het daartoe strekkende verzoek benodigde gegevens
niet, onjuist of onvolledig dan wel niet op de door de ontvanger
aangegeven wijze zijn verstrekt.
2. Een ingevolge dehoofdstukken 1B en
1C te nemen besluit tot afwijzing, verlening of herziening van uitstel
van betaling of van kwijtschelding of een ingevolge die hoofdstukken
of het derde lid te nemen besluit tot gehele of gedeeltelijke
beëindiging van uitstel van betaling, geschiedt bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
3. Indien bij vermindering van een
belastingaanslag het bedrag waarvoor op de voet van het eerste lid van
de artikelen 1d, 1e, 1g, 2, 3, 3a, 4a, 5, 5a,6a en 6b uitstel van
betaling is verleend, wijziging ondergaat, beëindigt de ontvanger,
met inachtneming van het bepaalde in de genoemde artikelen, het
uitstel dienovereenkomstig.
Artikel 1c
De ontvanger maakt een ingevolge deze
regeling ten aanzien van een belastingschuldige genomen beschikking aan
deze bekend door uitreiking of toezending van een gedagtekende
kennisgeving terzake.
Hoofdstuk Ibis. Gerechtelijke bewaring
van roerende zaken
Artikel 1cbis
Het bedrag, bedoeld in artikel 18, vijfde
lid, van de wet, wordt gesteld op€ 1500.
Hoofdstuk IA. Overheidsvordering
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1ca
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. overheidsvordering: vordering als
bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet;
b. Onze Minister: Onze Minister van
Financiën;
c. bank: bank als bedoeld in artikel
1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
d. betaalrekening: rekening bestemd
voor het betalingsverkeer en ten aanzien waarvan opdrachten tot
automatische incasso kunnen worden gedaan;
e. deelvordering: vordering als
bedoeld in artikel 1ce, derde lid;
f. uitvoeringsdatum: datum, waarop de
overheidsvordering wordt uitgevoerd door de bank, waar de
belastingschuldige een rekening houdt. Deze datum wordt bepaald door
de ontvanger bij het doen van de overheidsvordering;
g. bestedingsruimte: saldo op een
rekening vermeerderd met het maximale debetsaldo op die rekening dat
is toegestaan op grond van een overeenkomst inzake krediet die
tussen de bank en de belastingschuldige is gesloten.
Afdeling 2. Overeenkomst
Artikel 1cb
Onze Minister sluit een overeenkomst
inzake de overheidsvordering met de bank waar de rekening wordt gehouden
waarop de bedragen ingevorderd op grond van artikel 19, vierde lid, van
de wet worden overgemaakt. De overeenkomst bevat in ieder geval de
bepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
Afdeling 3. Uitvoering
Artikel 1cc
De overheidsvordering wordt gedaan op een
betaalrekening die op naam of mede op naam staat van de
belastingschuldige, zijnde een natuurlijk persoon.
Artikel 1cd
De beschikking, bedoeld in artikel 19,
vijfde lid, van de wet, wordt elektronisch bekend gemaakt aan de bank,
waar de belastingschuldige een betaalrekening houdt. De
overheidsvordering wordt uitsluitend uitgevoerd volgens de Nederlandse
systematiek van automatische incasso.
Artikel 1ce
1. De overheidsvordering bedraagt ten
hoogste € 500 en wordt gedaan bij een belastingaanslag met een
openstaand bedrag van ten hoogste € 1000, voor ten hoogste tweemaal
in een kalendermaand per belastingaanslag.
2. De overheidsvordering wordt bij
dezelfde belastingaanslag gedurende een aaneengesloten periode van ten
hoogste drie kalendermaanden gedaan.
3. De overheidsvordering kan worden
gesplitst in verschillende deelvorderingen. Deze deelvorderingen
worden op hetzelfde tijdstip bekend gemaakt aan de bank, bedoeld in
artikel 1cb.
4. De overheidsvordering of, indien
deze is gesplitst, de deelvordering wordt uitgevoerd indien de
bestedingsruimte op de betaalrekening op de uitvoeringsdatum
toereikend is.
Artikel 1cf
1. De bank, waar de belastingschuldige
een betaalrekening houdt, is bevoegd tot terugboeking van het bedrag
van de overheidsvordering of, indien deze is gesplitst, de
deelvordering, indien blijkt dat de bestedingsruimte op de
betaalrekening van de belastingschuldige op de uitvoeringsdatum
ontoereikend is. Deze bevoegdheid vervalt na vijf werkdagen volgend op
de uitvoeringsdatum.
2. Werkdagen, in de zin van het eerste
lid, zijn alle kalenderdagen, met uitzondering van de zaterdag en
zondag, de Nieuwjaarsdag, de Goede Vrijdag, de tweede Paasdag, 1 mei
en de beide Kerstdagen.
Afdeling 4. Informatievoorziening aan
belastingschuldige
Artikel 1cg
De bank, waar de belastingschuldige een
betaalrekening houdt, vermeldt op het papieren of elektronische
afschrift van de af- of terugboeking op de betaalrekening van de
belastingschuldige, de door de ontvanger bij het doen van de
overheidsvordering geleverde gegevens.
Artikel 1ch
De ontvanger informeert de
belastingschuldige schriftelijk over de op zijn betaalrekening
uitgevoerde overheidsvordering of, indien deze is gesplitst,
deelvordering binnen zeven dagen nadat de termijn, genoemd in artikel
1cf, eerste lid, tweede volzin, is verstreken.
Hoofdstuk IAa. Mededelingsplicht
bodemzaken
Artikel 1ci
De mededeling, bedoeld in artikel 22bis,
tweede lid, van de wet, geschiedt door het invullen van het daartoe
langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het
per post aan de ontvanger toezenden van het ingevulde modelformulier.
Artikel 1cj
De drempel, bedoeld in artikel 22bis,
zeventiende lid, van de wet, bedraagt € 10 000.
Hoofdstuk IB. Uitstel van betaling,
gespreide betaling en kwijtschelding van inkomstenbelasting
Afdeling 1. Uitstel van betaling van
inkomstenbelasting ter zake van stakingswinst die bestemd is voor
herinvestering in een andere onderneming
Artikel 1d
1.De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting, bedoeld in
artikel 25, vierde lid, eerste volzin, van de wet, mits wordt
ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden.
2.Het uitstel eindigt uiterlijk op de
dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag
geldende enige of laatste betalingstermijn 12 maanden zijn verstreken,
dan wel, ingeval de uitsteltermijn is verlengd, die verlengde termijn
is verstreken.
3.Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, vierde lid, tweede volzin, van de
wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
Afdeling 2. Uitstel van betaling en
kwijtschelding van inkomstenbelasting inzake pensioen- en
lijfrenteaanspraken
Artikel 1e
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting, bedoeld in
artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet, mits voldoende
zekerheid is gesteld en wordt ingestemd met de door de ontvanger nader
te stellen voorwaarden.
2. Voor het verlenen van uitstel van
betaling als bedoeld in het eerste lid is geen schriftelijk verzoek
nodig en blijft zekerheidstelling achterwege voorzover de
verschuldigde belasting betrekking heeft op:
a. aanspraken uit een overeenkomst
van levensverzekering of een pensioenregeling als bedoeld in
artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die zijn
ondergebracht bij een in Nederland gevestigde verzekeraar die
bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet op
het financieel toezicht, uit te oefenen en die de lijfrente of
pensioenverplichting rekent tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen, dan wel zijn ondergebracht bij een in
Nederland gevestigd lichaam dat ingevolge artikel 5, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is
vrijgesteld van de vennootschapsbelasting;
b. aanspraken uit een overeenkomst
van levensverzekering of een pensioenregeling als bedoeld in
artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die zijn
ondergebracht bij een verzekeraar die is gevestigd in een andere
lidstaat van de Europese Unie, in Noorwegen, in IJsland of in
Liechtenstein en die in die staat bevoegd is tot het uitoefenen
van het directe verzekeringsbedrijf.
3. Het uitstel eindigt uiterlijk op de
eerste dag van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop
de belastingaanslag betrekking heeft.
4. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, vierde volzin, van de
wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
5. De ontvanger beëindigt het uitstel
voorzover zich met betrekking tot aanspraken uit een overeenkomst van
levensverzekering of een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7
van de Wet inkomstenbelasting 2001 waarop de verschuldigde belasting,
bedoeld in artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet
betrekking heeft, een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel
25, vijfde lid, vierde volzin, van de wet.
Artikel 1f
1. Indien de ontvanger het op de voet
van artikel 1e verleende uitstel van betaling beëindigt omdat zich
een in artikel 26, derde lid, van de wet bedoelde omstandigheid
voordoet, verleent hij op schriftelijk verzoek van de
belastingschuldige kwijtschelding van inkomstenbelasting tot een
omvang als in genoemd derde lid bedoeld.
2. In de gevallen waarin op de voet van
artikel 1e, derde lid, het uitstel van betaling is geëindigd,
verleent de ontvanger de belastingschuldige op diens schriftelijk
verzoek kwijtschelding van belasting tot een bedrag gelijk aan het dan
nog openstaande bedrag.
3. In afwijking van het eerste lid is
voor kwijtschelding als bedoeld in artikel 26, derde lid, eerste
volzin, onderdeel a, van de wet geen schriftelijk verzoek nodig indien
de belastingschuldige op het moment dat zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, vierde volzin, van de
wet, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in Noorwegen,
IJsland of Liechtenstein woont.
Afdeling 3. Uitstel van betaling van
inkomstenbelasting inzake kapitaalverzekering eigen woning
Artikel 1g
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting, bedoeld in
artikel 25, zesde lid, eerste volzin, van de wet, mits voldoende
zekerheid wordt gesteld en wordt ingestemd met de door de ontvanger
nader te stellen voorwaarden. Het schriftelijke verzoek en de
zekerheidstelling blijven achterwege in geval van emigratie van de
belastingschuldige naar een andere lidstaat van de Europese Unie,
Noorwegen, IJsland of Liechtenstein.
2. De ontvanger beëindigt het uitstel
indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25,
zesde lid, derde volzin, van de wet.
3. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, zesde lid, tweede volzin, van de
wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
Artikel 1h
1. Indien de ontvanger het op de voet
van artikel 1g verleende uitstel van betaling beëindigt omdat zich
een in artikel 25, zesde lid, derde volzin, van de wet bedoelde
omstandigheid voordoet, verleent hij op schriftelijk verzoek van de
belastingschuldige kwijtschelding van inkomstenbelasting tot een
omvang als bedoeld in artikel 26, zesde lid, van de wet.
2. In afwijking van het eerste lid is
voor het verlenen van kwijtschelding geen schriftelijk verzoek nodig
indien de belastingschuldige op het moment dat zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, zesde lid, derde volzin, van de
wet, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in Noorwegen,
IJsland of Liechtenstein woont.
Afdeling 4. Uitstel van betaling,
gespreide betaling en kwijtschelding van inkomstenbelasting inzake winst
uit aanmerkelijk belang
Artikel 2
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting in gevallen als
bedoeld in artikel 25, achtste lid, eerste volzin, van de wet, mits
voldoende zekerheid is gesteld en is ingestemd met door de ontvanger
gestelde voorwaarden. Het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling
blijven achterwege:
a. in geval van emigratie van de
belastingschuldige naar een andere lidstaat van de Europese Unie;
b. in geval van geconserveerd
inkomen als bedoeld in artikel 2.8, vierde, vijfde, zesde of
zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij de
verkrijger van de aandelen of winstbewijzen een natuurlijk persoon
is die woont in een andere lidstaat van de Europese Unie;
c. ingeval de belastingschuldige
woont in een andere lidstaat van de Europese Unie en de
inkomstenbelasting is verschuldigd door de toepassing van artikel
7.5, vierde, vijfde, onderscheidenlijk zevende lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 waarbij de verwervende of verkrijgende
vennootschap in een andere lidstaat van de Europese Unie is
gevestigd, onderscheidenlijk de verplaatsing van de werkelijke
leiding geschiedt naar een andere lidstaat van de Europese Unie.
2. In afwijking in zoverre van het
eerste lid wordt voor belastingaanslagen opgelegd met toepassing van
artikel 2.8, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 uitstel
van betaling verleend op schriftelijk verzoek van de
belastingschuldige en de verkrijger gezamenlijk.
3. Het uitstel eindigt uiterlijk op de
eerste dag van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop
de belastingaanslag betrekking heeft.
4. Ingeval aandelen of winstbewijzen
waarvan de waarde ten grondslag ligt aan de in het eerste lid bedoelde
belasting worden vervreemd in de zin van artikel 4.12 of 4.16, eerste
lid, onderdelen a tot en met g en i, en tweede tot en met vierde lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001, beëindigt de ontvanger het
uitstel voor zover dit aan deze aandelen of winstbewijzen kan worden
toegerekend. In geval van een teruggaaf van wat op aandelen of
bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is
gestort dan wel van wat door houders van winstbewijzen is gestort of
ingelegd, beëindigt de ontvanger het uitstel voor zover dit aan deze
teruggaaf kan worden toegerekend. Het uitstel wordt voorts door de
ontvanger beëindigd in een situatie als bedoeld in artikel 25,
achtste lid, onderdeel b, van de wet.
5. Op schriftelijk verzoek van de
belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in het kader van
een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, een splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van
die wet of een fusie als bedoeld in artikel 3.57 van die wet, het
uitstel worden voortgezet, in welk geval de aandelen in of de
winstbewijzen van de verkrijgende vennootschap voortaan worden geacht
aan het verleende uitstel ten grondslag te liggen.
6. Op schriftelijk verzoek van de
belanghebbende kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel
4.16, eerste lid, onderdelen e of f, van de Wet inkomstenbelasting
2001 of wegens een verdeling van een nalatenschap of een
huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de
erflater onderscheidenlijk na de ontbinding van de
huwelijksgemeenschap het uitstel worden voortgezet. Ingeval de
belastingaanslag inkomstenbelasting betreft ter zake van geconserveerd
inkomen door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan het uitstel van betaling echter
niet worden voortgezet voor zover het uitstel kan worden toegerekend
aan het vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou zijn genomen wanneer zowel
de belastingschuldige als de verkrijger in Nederland zouden hebben
gewoond ten tijde van de overgang.
7. Op schriftelijk verzoek van de
belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in de zin van
artikel 4.16, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting
2001 het uitstel worden voortgezet voor het gedeelte dat betrekking
heeft op de nog tot het vermogen van de belastingschuldige behorende
aandelen of winstbewijzen.
8. Ingeval aandelen of winstbewijzen
die aan het uitstel ten grondslag liggen worden geschonken kan op
gezamenlijk schriftelijk verzoek van de belastingschuldige en de
verkrijger van die aandelen of winstbewijzen, het uitstel van betaling
worden voortgezet voor het gedeelte dat betrekking heeft op die
aandelen of winstbewijzen, mits de verkrijger reeds gedurende de 36
maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de schenking
in dienstbetrekking is van de vennootschap waarop de aandelen of
winstbewijzen direct of indirect betrekking hebben. Ingeval de
belastingaanslag inkomstenbelasting betreft ter zake van geconserveerd
inkomen door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan het uitstel van betaling echter
niet worden voortgezet voor zover het uitstel kan worden toegerekend
aan het vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17c van de Wet
inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou zijn genomen wanneer zowel
de belastingschuldige als de verkrijger in Nederland zou hebben
gewoond ten tijde van de schenking.
9. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, achtste lid, onderdelen a, b of c,
van de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
10. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder een lidstaat van de Europese Unie mede verstaan:
Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.
Artikel 3
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting in gevallen als
bedoeld in artikel 25, negende lid, van de wet en tot een omvang als
bij dat artikel alsmede krachtens dat artikel in de navolgende leden
is bepaald, mits wordt ingestemd met door de ontvanger nader te
stellen voorwaarden.
2. Het uitstel wordt verleend voor het
bedrag aan belasting dat kan worden toegerekend aan het voordeel
wegens de vervreemding, bedoeld in artikel 25, negende lid, van de
wet, mits dat bedrag € 2269 te boven gaat.
3. Het uitstel houdt in dat de
verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse
termijnen, waarvan de eerste termijn zes weken na de dagtekening van
het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een
jaar later.
4. De ontvanger vermindert het bedrag
waarvoor uitstel van betaling is verleend:
a. ingeval in een kalenderjaar
aflossingen op de schuldig gebleven tegenprestatie plaatsvinden
welke gezamenlijk uitgaan boven het dubbele van de belasting die
in dat jaar op de voet van het derde lid moet worden voldaan: voor
de helft van hetgeen er boven uitgaat;
b. ingeval aandelen of
winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen worden
vervreemd in de zin van artikel 25, tiende lid, van de wet: voor
zover het uitstel aan deze aandelen of winstbewijzen kan worden
toegerekend;
c. ingeval in een kalenderjaar uit
de aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag
liggen reguliere voordelen - als bedoeld in de Wet
inkomstenbelasting 2001 - worden genoten welke uitgaan boven het
dubbele van de belasting die in dat jaar op de voet van het derde
lid moet worden voldaan: voor de helft van hetgeen er boven
uitgaat.
5. Voor zover een vervreemdingsvoordeel
of een regulier voordeel binnen zes maanden wordt aangewend voor een
aflossing op de schuldig gebleven tegenprestatie, wordt alleen de
aflossing in aanmerking genomen voor de toepassing van het vierde lid.
6. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in het vierde lid stelt de belastingschuldige de
ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
7. Voor de toepassing van artikel 25,
negende lid, van de wet worden van de staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen:
IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.
Artikel 3a
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting in gevallen als
bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de wet en tot een omvang als bij
dat artikel alsmede krachtens dat artikel in de navolgende leden is
bepaald.
2. Het uitstel wordt verleend voor het
bedrag aan inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 25, elfde lid,
eerste volzin, mits dat bedrag€ 2269 te boven gaat.
3. Het uitstel houdt in dat de
verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse
termijnen waarvan de eerste termijn zes weken na de dagtekening van
het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een
jaar later.
4. De ontvanger vermindert het bedrag
waarvoor uitstel van betaling is verleend:
a. ingeval aandelen of
winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen worden
vervreemd in de zin van artikel 25, tiende lid, van de wet: voor
zover het uitstel aan deze aandelen of winstbewijzen kan worden
toegerekend;
b. ingeval in een kalenderjaar uit
de aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag
liggen reguliere voordelen als bedoeld in de Wet
inkomstenbelasting 2001 worden genoten welke uitgaan boven het
dubbele van de belasting die in dat jaar op de voet van het derde
lid moet worden voldaan: voor de helft van hetgeen er boven
uitgaat.
5. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in het vierde lid stelt de belastingschuldige de
ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
Artikel 4
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek kwijtschelding van de
door hem verschuldigde inkomstenbelasting in de gevallen als bedoeld
in artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, van de wet en tot een
omvang als in die leden bedoeld, met dien verstande dat het bedrag van
de kwijtschelding in totaal niet meer kan bedragen dan het bedrag van
de belasting waarvoor ter zake van het aandeel of winstbewijs uitstel
van betaling is verleend.
2. In afwijking van het eerste lid is
voor kwijtschelding als bedoeld in artikel 26, vijfde lid, eerste
volzin, onderdeel c, van de wet geen schriftelijk verzoek nodig indien
de belastingschuldige op het moment dat zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de
wet, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in Noorwegen,
IJsland of Liechtenstein woont.
Afdeling 5. Gespreide betaling van
inkomstenbelasting wegens beëindiging van een terbeschikkingstelling
van een zaak
Artikel 4a
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen
inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 25, veertiende lid, eerste
volzin, van de wet, mits wordt ingestemd met door de ontvanger nader
te stellen voorwaarden.
2. Het uitstel eindigt uiterlijk op de
dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag
geldende enige of laatste betalingstermijn tien jaar zijn verstreken.
3. In geval van een vervreemding
waarbij de koper de overdrachtsprijs schuldig is gebleven als bedoeld
in artikel 25, veertiende lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet
en er een aflossing plaatsvindt, vermindert de ontvanger het bedrag
waarvoor uitstel van betaling is verleend met de helft van die
aflossing.
4. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, veertiende lid, tweede volzin, van
de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
Afdeling 6. Gespreide betaling van
inkomstenbelasting inzake staking en overbrenging van de
ondernemingswoning naar het privé vermogen
Artikel 5
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen voorzover daarin is begrepen
inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 25, zestiende lid, eerste
volzin, van de wet, mits wordt ingestemd met door de ontvanger nader
te stellen voorwaarden.
2. Het uitstel eindigt uiterlijk op de
dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag
geldende enige of laatste betalingstermijn tien jaar zijn verstreken.
3. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, zestiende lid, tweede volzin, van
de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
Afdeling 7. Uitstel van betaling van
inkomstenbelasting inzake winst bij staking door overlijden
Artikel 5a
1.De ontvanger verleent de erfgenamen
van de belastingschuldige op hun schriftelijk verzoek uitstel van
betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting,
bedoeld in artikel 25, zeventiende lid, van de wet, mits wordt
ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden.
2.Het uitstel eindigt uiterlijk op de
dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag
geldende enige of laatste betalingstermijn tien jaar zijn verstreken.
Afdeling 8. Uitstel van betaling van
inkomstenbelasting inzake winst behaald door overdracht onderneming aan
een natuurlijke persoon die overdrachtsprijs schuldig is gebleven
Artikel 5b
1.De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting in de
gevallen bedoeld in artikel 25, achttiende lid, van de wet, mits wordt
ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden en een
afschrift is overgelegd van de overeenkomst waarbij de onderneming of
een gedeelte van de onderneming is overgedragen aan de natuurlijk
persoon die de overdrachtsprijs geheel of gedeeltelijk schuldig is
gebleven. Uit deze overeenkomst moet blijken welk deel van de
overdrachtsprijs schuldig is gebleven, wat de duur van de
overeengekomen aflossingsperiode is en in welke termijnen de
overdrachtsprijs wordt voldaan.
2.Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, negentiende lid, tweede volzin,
onderdelen a of b, of derde volzin, van de wet stelt de
belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in
kennis.
3.Ingeval de overdrachtsprijs geheel of
gedeeltelijk versneld wordt afgelost, stelt de belastingschuldige de
ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in kennis alsmede van het
nog niet ontvangen deel van de overdrachtsprijs.
Hoofdstuk IC. Uitstel van betaling van
schenk- of erfbelasting
Afdeling 1. Uitstel van betaling van
schenk- of erfbelasting bij bedrijfsopvolging
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 6a
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen betreffende de schenk- of erfbelasting,
bedoeld in artikel 25, twaalfde lid, eerste volzin, van de wet, mits
wordt ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden.
2. De termijn van tien jaar, genoemd in
artikel 25, twaalfde lid, van de wet, vangt aan op de dag na het einde
van het kalenderjaar waarin de verkrijging heeft plaatsgevonden.
3. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, twaalfde lid, tweede volzin, van
de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
Artikel 6b
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen voorzover daarin is begrepen schenk- of
erfbelasting als bedoeld in artikel 25, dertiende lid, eerste volzin,
van de wet, mits wordt ingestemd met door de ontvanger nader te
stellen voorwaarden.
2. De termijn van tien jaar, genoemd in
artikel 25, dertiende lid, van de wet, vangt aan op de dag na het
einde van het kalenderjaar waarin de verkrijging heeft plaatsgevonden.
3. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, dertiende lid, tweede volzin, van
de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
Afdeling 2. Uitstel van betaling van
erfbelasting ter zake van de verkrijging van de blote eigendom van een
woning, bedoeld in artikel 35 g van de Succesiewet 1956
Artikel 6c
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling
voor belastingaanslagen betreffende de erfbelasting, bedoeld in
artikel 25, twintigste lid, eerste volzin, van de wet, mits wordt
ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden.
2. Ingeval zich een omstandigheid
voordoet als bedoeld in artikel 25, twintigste lid, derde volzin, van
de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
Hoofdstuk II. Kwijtschelding in andere
gevallen en ontslag van betalingsverplichting
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 7
1. De ontvanger verleent de
belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek bij voor
administratief beroep vatbare beschikking kwijtschelding van de door
hem verschuldigde rijksbelastingen in andere gevallen dan die, bedoeld
in dehoofdstukken IB enIC, op de voet van deze afdeling en de
afdelingen 2 tot en met 5 van dit hoofdstuk.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk
worden de heffingsrente, de revisierente en de bestuurlijke boeten die
de belastingschuldige heeft belopen in verband met de in dit hoofdstuk
bedoelde belastingen, gelijkgesteld met de belastingen waarmee zij
samenhangen.
Artikel 8
1. Geen kwijtschelding wordt verleend:
a. voor zover het feit dat een
belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige
is toe te rekenen;
b. indien de belastingschuldige
heeft nagelaten de vereiste aangifte in te dienen;
c. indien de belastingschuldige in
surseance van betaling of in staat van faillissement verkeert,
tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in de artikelen 138,
en 252 van de Faillissementswet;
d. indien ten aanzien van de
belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een akkoord als
bedoeld in artikel 329 van de Faillissementswet, dan wel van een
belastingaanslag voor zover die materieel verschuldigd is geworden
op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de uitspraak
waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard en
niet kan worden aangemerkt als boedelschuld;
e. indien de belastingschuldige een
bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent en ook na
totstandkoming van een akkoord, bedoeld in artikel 21, geen reële
vooruitzichten zouden bestaan voor de voortzetting van het bedrijf
of beroep;
f. voor een voorlopige aanslag die
nog niet is gevolgd door de aanslag;
g. indien niet aan eventueel door
de ontvanger gestelde voorwaarden is voldaan.
2. Geen kwijtschelding wordt verleend
voor belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting, voor
belastingaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen,
voor belastingaanslagen belasting zware motorrijtuigen, voor
belastingaanslagen welke zijn opgelegd wegens verschuldigde rente
ingevolge de Ruilverkavelingswet 1954, de Reconstructiewet
Midden-Delfland of de Herinrichtingswet Oost-Groningen en
Gronings-Drentse Veenkoloniën, alsmede voor belastingaanslagen welke
zijn opgelegd wegens verschuldigde kosten ingevolge de Wet inrichting
landelijk gebied of de Reconstructiewet concentratiegebieden.
Artikel 9
1.Gedurende de behandeling van het
verzoek om kwijtschelding worden voor de belastingaanslag ten aanzien
waarvan kwijtschelding is verzocht geen conservatoire maatregelen
genomen of voortgezet. Eveneens wordt gedurende die tijd voor die
belastingaanslag de dwanginvordering niet aangevangen of voortgezet.
2.Indien de ontvanger aannemelijk maakt
dat gegronde vrees bestaat dat toepassing van het eerste lid ertoe zal
leiden dat goederen, waarop de belastingschuld waarvan kwijtschelding
is verzocht kan worden verhaald, zullen worden verduisterd, kan hij
ondanks het verzoek om kwijtschelding conservatoire en zo nodig
executoriale maatregelen nemen. Voor zover deze maatregelen een
onherroepelijk karakter dragen is toestemming nodig van de directeur.
Afdeling 2. Kwijtschelding van
rijksbelastingen in de privé-sfeer
Artikel 10
1. Deze afdeling heeft betrekking op
kwijtschelding van inkomstenbelasting verschuldigd door natuurlijke
personen die geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep uitoefenen,
van loonbelasting verschuldigd door werknemers alsmede van
erfbelasting, schenkbelasting, recht van overgang en belastingen van
rechtsverkeer verschuldigd door natuurlijke personen.
2. Deze afdeling heeft voorts, in
afwijking in zoverre van artikel 20 betrekking op kwijtschelding van
inkomstenbelasting verschuldigd door natuurlijke personen die een
uitkering genieten ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars, zoals
deze op 31 december 2011 luidde.
Artikel 11
Kwijtschelding wordt verleend voor:
a. het gehele op de belastingaanslag
openstaande bedrag indien geen vermogen en geen betalingscapaciteit
aanwezig is;
b. het openstaande bedrag van de
belastingaanslag dat resteert nadat:
1°. het aanwezige vermogen is
aangewend ter voldoening van de belastingaanslag;
2°. ten minste 80 percent van de
betalingscapaciteit is aangewend;
een en ander onverminderd het
bepaalde in artikel 8 en artikel 18.
Artikel 12
1. Onder vermogen als bedoeld in
artikel 11 wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de
bezittingen van de belastingschuldige en van zijn echtgenoot, bedoeld
in artikel 3 van de Wet werk en bijstand of artikel 3 van de Wet
investeren in jongeren, zoals deze luidde op de dag voor
inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot
wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met
de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan
de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), verminderd met de schulden van de
belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de
rijksbelastingen.
2. Onder bezittingen wordt niet
begrepen:
a. de inboedel voor zover de waarde
hiervan niet meer bedraagt dan € 2269;
b. rechten op kapitaalsuitkeringen
of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een
kapitaaluitkering bij overlijden van de belastingschuldige of zijn
echtgenoot, mits deze kapitaaluitkering is bestemd voor de
verzorging van de uitvaart van de belastingschuldige of zijn
echtgenoot, dan wel op prestaties in natura ter zake van de
verzorging van een uitvaart van de belastingschuldige of zijn
echtgenoot;
c. een auto die op het moment van
het verzoek een waarde heeft van € 2269 of minder; een auto met
een waarde van meer dan € 2269 wordt niet als vermogen beschouwd
indien jegens de ontvanger aannemelijk kan worden gemaakt dat die
auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van een beroep dan
wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit;
d. het totale bedrag aan
financiële middelen, andere dan de onder f bedoelde, voor zover
dat bedrag de ingevolge artikel 16 in aanmerking te nemen kosten
van bestaan vermeerderd met een bedrag ter grootte van het per
maand gemiddelde bedrag van de uitgaven bedoeld in artikel 15,
eerste lid, onderdelen b en c, niet te boven gaat, met dien
verstande dat geen rekening wordt gehouden met de in die
onderdelen bedoelde vermindering met ontvangen huurtoeslag of
woonkostentoeslag, onderscheidenlijk zorgtoeslag;
e. het bedrag op een bank- of
girorekening dat in het kader van de Wet studiefinanciering 2000
of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten is
verkregen in de vorm van leningen of dat is verkregen in het kader
van een regeling voor persoonsgebonden budget, welke regeling is
gegrond op artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten of artikel 14a van de
Zorgverzekeringswet;
f. een bedrag van € 2269 aan
financiële middelen per persoon voor personen die op 31 december
1999 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt;
g. de ingevolge een
levensloopregeling opgebouwde voorziening.
3. Onder waarde, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel c, wordt verstaan de prijs die de autohandel bereid is
te betalen bij inkoop zonder gelijktijdige verkoop van een andere
auto.
4. Indien de uitgaven, bedoeld in
artikel 15, eerste lid, onderdelen b en c, verschuldigd zijn over een
termijn van langer dan een maand wordt in plaats van het per maand
gemiddelde bedrag in aanmerking genomen het deel van het termijnbedrag
voor zover dat, gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling, op het
moment van het verzoek om kwijtschelding redelijkerwijs kan worden
aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.
Artikel 13
1. Onder betalingscapaciteit, bedoeld
in artikel 11, wordt verstaan het positieve verschil in de periode van
12 maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is
ingediend van het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare
inkomen van de belastingschuldige in die periode en de gemiddeld per
maand te verwachten kosten van bestaan in die periode.
2. Het netto-besteedbare inkomen van de
belastingschuldige, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met
het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen in de
periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om
kwijtschelding is ingediend van zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3
van de Wet werk en bijstand of artikel 3 van de Wet investeren in
jongeren, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van
artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet
werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in
jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden (Stb. 650).
Artikel 14
1. Onder het netto-besteedbare inkomen,
bedoeld in artikel 13, wordt verstaan het met de in artikel 15, eerste
lid, vermelde uitgaven verminderde gezamenlijke bedrag van:
a. de aan inhouding van
loonbelasting/premie voor de volksverzekeringen onderworpen
inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder
rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte
jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies,
bijdragen ingevolge een levensloopregeling en premies
ziektekostenverzekering;
b. uitkeringen voor levensonderhoud
ingevolge de artikelen 157, 158 of 404 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek;
c. overige inkomsten met
uitzondering van:
1°. de uitkeringen ingevolge
de Algemene Kinderbijslagwet;
2°. de uitkeringen ingevolge
een regeling voor persoonsgebonden budget, welke regeling is
gegrond op artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of artikel 14a van de
Zorgverzekeringswet;
3°. de kinderopvangtoeslag,
bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen, en de tegemoetkomingen
ingevolge de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen;
4°. de premie, bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Wet werk en
bijstand, alsmede een daarmee naar aard, strekking en omvang
overeenkomende premie;
5°. de langdurigheidstoeslag,
bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand;
6°. de vergoeding voor de
verzorging en opvoeding van een pleegkind in het kader van de
Wet op de jeugdzorg;
7°. het kindgebonden budget,
bedoeld in de Wet op het kindgebonden budget;
8°. de huurtoeslag, bedoeld in
artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de huurtoeslag, de
krachtens de Wet werk en bijstand ontvangen woonkostentoeslag
en de zorgtoeslag, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de
Wet op de zorgtoeslag;
9°. de inkomsten uit arbeid,
bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de
Wet werk en bijstand;
10°. een kostenvergoeding voor
het verrichten van vrijwilligerswerk tot ten hoogste de
bedragen, genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de
loonbelasting 1964.
2. Tot de inkomsten, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, wordt ook gerekend de voorlopige teruggaaf,
bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige
teruggaaf.
3. Voor de belastingschuldige, bedoeld
in artikel 10, tweede lid, die in het kalenderjaar voorafgaande aan
het verzoek om kwijtschelding een uitkering heeft genoten ingevolge de
Wet werk en inkomen kunstenaars, zoals deze op 31 december 2011
luidde, worden tot de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
c, ook gerekend de inkomsten uit de beroepsuitoefening. Deze inkomsten
worden in aanmerking genomen voor het bedrag dat blijkt uit de opgave
van de in het kalenderjaar genoten inkomsten die de belastingschuldige
aan het college van burgemeester en wethouders moet verstrekken ten
behoeve van de definitieve vaststelling van de hoogte van de
uitkering, bedoeld in artikel 16 van de Wet werk en inkomen
kunstenaars, zoals deze op 31 december 2011 luidde.
4. Voor de belastingschuldige, bedoeld
in artikel 10, tweede lid, die in het kalenderjaar voorafgaande aan
het verzoek om kwijtschelding geen uitkering heeft genoten ingevolge
de Wet werk en inkomen kunstenaars, zoals deze op 31 december 2011
luidde, worden de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, gesteld op de
op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm ingevolge hoofdstuk 3 van
de Wet werk en bijstand.
Artikel 15
1. Als uitgaven als bedoeld in artikel
14, eerste lid, worden in aanmerking genomen:
a. betalingen op belastingschulden,
met uitzondering van die genoemd in artikel 8, tweede lid, en
betalingen op terugvorderingen van tegemoetkomingen als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen;
b. het bedrag van de voor rekening
van de belastingschuldige komende netto-woonlasten tot maximaal
het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet op de huurtoeslag, voorzover dit meer is dan het bedrag,
genoemd in artikel 17, tweede lid, van die wet. Onder
netto-woonlasten wordt verstaan: de op de belastingschuldige
drukkende huurprijs, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van
genoemde wet, dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon ter zake van
een door hem bewoonde woning voorzover deze hem voor gebruik ter
beschikking staat, verminderd met de ontvangen huurtoeslag,
bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van genoemde wet of met de
ontvangen woonkostentoeslag;
c. de niet door de werkgever
ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een
zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de
Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verminderd met de
normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag,
voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de
belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en
met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag;
d. betaalde uitkeringen voor
levensonderhoud ingevolge de artikelen 157, 158 of 404 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek;
e. aflossingen op leningen voor
zover die zijn aangewend voor de betaling van belastingschulden,
met uitzondering van die genoemd in artikel 8, tweede lid;
f. de met het houden van
kostgangers verbonden kosten tot een totaal van € 9,80 per dag.
Bij de bepaling van het aantal dagen wordt een volle maand op 30
dagen gesteld.
2. Onder betalingen op
belastingschulden wordt mede begrepen een betaling ter zake van premie
voor de volksverzekeringen en ter zake van de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet.
Artikel 16
1. De kosten van bestaan, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, bedragen voor belastingschuldigen die worden
aangemerkt als:
a. echtgenoten als bedoeld in
artikel 3 van de Wet werk en bijstand of artikel 3 van de Wet
investeren in jongeren, zoals deze luidde op de dag voor
inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 22 december 2011
tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die
wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van
deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650): 90
percent van het gezamenlijke bedrag, bedoeld in artikel 14, eerste
lid, doch ten minste 90 percent van de bijstandsnorm, genoemd in
artikel 21, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand nadat deze is
verminderd met het bedrag, genoemd in artikel 26 van die wet, en
ten hoogste 90 percent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
21, onderdeel c, van die wet;
b. een alleenstaande en een
alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet werk en
bijstand of artikel 4 van de Wet investeren in jongeren, zoals
deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel II van de
Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand
en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden (Stb. 650): 90 percent van het gezamenlijke
bedrag, bedoeld in artikel 14, eerste lid, doch ten minste 90
percent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 21, onderdeel a,
onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet werk en bijstand, en ten
hoogste 90 percent van die bijstandsnorm nadat deze is verhoogd
met het bedrag, genoemd in artikel 25 van die wet.
2. De kosten van bestaan, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, bedragen, in afwijking van het eerste lid,
voor belastingschuldigen die worden aangemerkt als:
a. echtgenoten als bedoeld in
artikel 3 van de Wet werk en bijstand die 65 jaar of ouder zijn,
onderscheidenlijk waarvan een echtgenoot als bedoeld in artikel 3
van de Wet werk en bijstand of artikel 3 van de Wet investeren in
jongeren, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van
artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet
investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), 65 jaar of ouder is: 90 percent
van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 22, onderdeel c,
onderscheidenlijk onderdeel d, van de Wet werk en bijstand,
verhoogd met € 26,56, onderscheidenlijk € 13,28;
b. een alleenstaande en een
alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet werk en
bijstand die 65 jaar of ouder zijn: 90 percent van de
bijstandsnorm, genoemd in artikel 22, onderdeel a,
onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet werk en bijstand,
verhoogd met € 13,28.
3. De kosten van bestaan, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, bedragen, in afwijking van de vorige leden,
voor de belastingschuldige die ter verzorging of verpleging in een
daartoe bestemde inrichting is opgenomen: de prijs die is verschuldigd
voor verzorging dan wel verpleging, verhoogd met twee derden van de op
hem van toepassing zijnde bijstandsnorm, genoemd in artikel 23 van de
Wet werk en bijstand.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 18
Geen kwijtschelding wordt verleend ten
belope van het bedrag van de te betalen belasting waarop het verzoek
betrekking heeft waarvan aannemelijk is dat dit bedrag kan worden
voldaan omdat:
a. binnen twee jaren na het verzoek
als gevolg van sterk wisselende inkomens een hoger inkomen is te
verwachten; of
b. binnen een jaar na het verzoek een
verbetering in de financiële omstandigheden is te verwachten; of
c. binnen een jaar na het verzoek een
belastingteruggaaf, anders dan de voorlopige teruggaaf, bedoeld in
artikel 14, tweede lid, kan worden verwacht.
Artikel 19
Het vermogen en de betalingscapaciteit
van zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Wet werk en bijstand of
artikel 3 van de Wet investeren in jongeren, zoals deze luidde op de dag
voor inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot
wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), wordt buiten beschouwing gelaten voor
zover een door de belastingschuldige gedaan verzoek om kwijtschelding
betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang
van de gezamenlijke huishouding.
Artikel 19a
1. Indien ten aanzien van de
belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard en deze overeenkomstig artikel 329 van de
Faillissementswet een akkoord aanbiedt, verleent de ontvanger, de
artikelen 8, eerste lid, onderdelen a, b, e, f en g, en tweede lid, en
10 tot en met 19 buiten toepassing latend, zijn medewerking aan de
totstandkoming van dat akkoord, mits:
1°. het te ontvangen deel van de
belastingschuld of belastingschulden ten minste het dubbele
percentage bedraagt van hetgeen aan concurrente schuldeisers op
hun vorderingen zal worden uitgekeerd en van ten minste dezelfde
omvang is als kan worden verkregen indien de
schuldsaneringsregeling zou worden voortgezet;
2°. reële vooruitzichten aanwezig
zijn dat de belastingschuldige in staat is de fiscale
verplichtingen die opkomen na het tijdstip waarop de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van hem
van toepassing is verklaard, tijdig en volledig na te komen;
3°. de ontvanger noch in
uitkeringspercentage noch in tempo van betaling wordt
achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers, een en ander
onder de voorwaarde dat het vonnis van homologatie van het akkoord
in kracht van gewijsde zal gaan.
2. Het eerste lid is, uitgezonderd
hetgeen daarin met betrekking tot homologatie is vermeld, van
overeenkomstige toepassing op een buitengerechtelijk akkoord dat wordt
aangeboden in gevallen waarin, naar redelijkerwijs mag worden
aangenomen, de belastingschuldige, afgezien van de daarvoor te
vervullen formaliteiten, in aanmerking zou komen voor de toepassing
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
Afdeling 3. Kwijtschelding van
rijksbelastingen in de zakelijke sfeer
Artikel 20
Deze afdeling heeft betrekking op
kwijtschelding van inkomstenbelasting verschuldigd door natuurlijke
personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, van
vennootschapsbelasting, van loonbelasting verschuldigd door werkgevers,
van omzetbelasting, dividendbelasting, kansspelbelasting, accijnzen,
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en
snuiftabak, van de in artikel 1 van de Wet belastingen op
milieugrondslag genoemde belastingen en van erfbelasting,
schenkbelasting, recht van overgang en belastingen van rechtsverkeer
verschuldigd door rechtspersonen.
Artikel 21
Kwijtschelding wordt uitsluitend verleend
indien dit geschiedt in het kader van een akkoord met alle schuldeisers
en er geen redelijke mogelijkheid aanwezig is om een derde aansprakelijk
te stellen.
Artikel 22
Medewerking van de ontvanger aan een
akkoord geschiedt slechts indien:
a. het te ontvangen deel van de
belastingschuld:
1°. ten minste het dubbele
percentage bedraagt van hetgeen aan concurrente schuldeisers op
hun vorderingen zal worden uitgekeerd;
2°. een substantiële omvang
heeft, zowel absoluut als in relatie tot de totale
belastingschuld;
3°. van ten minste dezelfde
omvang is als kan worden verkregen door middel van
executiemaatregelen;
b. de ontvanger noch in
uitkeringspercentage noch in tempo van betaling wordt achtergesteld
bij gelijkbevoorrechte schuldeisers;
c. fiscale verplichtingen die opkomen
tijdens de behandeling van het verzoek om kwijtschelding tijdig en
volledig worden nagekomen;
d. bij voortzetting van het bedrijf
of zelfstandig beroep van de belastingschuldige na de totstandkoming
van het akkoord reële vooruitzichten aanwezig zijn voor de
voortzetting van de onderneming.
Artikel 22a
Artikel 19a is van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat in plaats van ,,de artikelen 10 tot en
met 19” wordt gelezen: de artikelen 20 tot en met 22.
Afdeling 4. Kwijtschelding na staking
bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening
Artikel 23
Indien een natuurlijk persoon zijn
bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening heeft gestaakt en aannemelijk
is dat die belastingschuldige in de toekomst geen bedrijf of niet
zelfstandig een beroep meer zal uitoefenen, wordt kwijtschelding van de
belastingen, bedoeld in artikel 20, verleend overeenkomstig het bepaalde
in afdeling 2.
Afdeling 5. Beroep
Artikel 24
Indien de belastingschuldige zich niet
kan verenigen met de beschikking, bedoeld in artikel 7, eerste lid, kan
hij binnen tien dagen na dagtekening van de kennisgeving waarmee de
beschikking is bekendgemaakt, een beroepschrift richten tot de directeur
onder vermelding van de gronden van het beroep. Het beroepschrift wordt
ingediend bij de ontvanger.
Artikel 25
1.De directeur beslist op het beroep
bij uitspraak.
2.Indien de directeur geheel of
gedeeltelijk aan het beroep van de belastingschuldige tegemoetkomt,
stelt hij bij die uitspraak het bedrag van de kwijtschelding vast.
3.De directeur maakt de uitspraak aan
de belastingschuldige bekend door uitreiking of toezending van een
gedagtekende kennisgeving terzake.
Afdeling 6. Ontslag betalingsverplichting
Artikel 26
1.De ontvanger verleent op schriftelijk
verzoek van de aansprakelijk gestelde ontslag van de verplichting tot
betaling van rijksbelastingen op de voet van deze afdeling.
2.Ontslag van de verplichting tot
betaling van een belastingaanslag doet niet de belastingschuld zelve
teniet gaan. Het ontslag werkt uitsluitend ten aanzien van de
aansprakelijk gestelde aan wie dat ontslag is verleend.
3.De bepalingen van de afdelingen 1 tot
en met 5 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat een verzoek om ontslag van betalingsverplichting
van een natuurlijk persoon die geen bedrijf of niet zelfstandig een
beroep uitoefent wordt beoordeeld met overeenkomstige toepassing van
afdeling 2 ongeacht de belasting waarop het verzoek betrekking heeft.
Afdeling 7. Kwijtschelding van enige
andere belastingen en heffingen
Artikel 27
Deze afdeling heeft betrekking op:
a. provinciale belastingen als
bedoeld in hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Provinciewet alsmede
belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten door de
provincie geschiedt;
b. gemeentelijke belastingen als
bedoeld in hoofdstuk XV, paragraaf 2 en 3, van de Gemeentewet
alsmede belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten door
de gemeente geschiedt;
c. waterschapsbelastingen als bedoeld
in hoofdstuk XVI van de Waterschapswet alsmede belastingen waarvan
de heffing krachtens bijzondere wetten door het waterschap
geschiedt;
d. de geluidsheffing burgerluchtvaart
ingevolge artikel 8a.38 van de Wet luchtvaart;
e. de heffing ingevolge artikel 91a
van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, alsmede bij algemene
maatregel van bestuur ingevolge artikel 91h of artikel 92 van die
wet ingevoerde heffingen;
f. de verontreinigingsheffing
ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Waterwet;
alsmede op de daarmee samenhangende
bestuurlijke boeten.
Artikel 28
1. Met betrekking tot een verzoek om
kwijtschelding van de in artikel 27 genoemde belastingen en heffingen
verschuldigd door:
a. een natuurlijk persoon die geen
bedrijf of niet zelfstandig een beroep uitoefent, zijn de
afdelingen 1, 2 en 5 van overeenkomstige toepassing;
b. een natuurlijk persoon die een
bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, zijn de afdelingen 1,
3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
indien door de provinciale staten, de gemeenteraad of het algemeen
bestuur van het waterschap daartoe is besloten, met betrekking tot
een verzoek om kwijtschelding van de in artikel 27, onderdeel a,
onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, bedoelde belastingen
en heffingen die geen verband houden met de uitoefening van dat
bedrijf of beroep, de afdelingen 1, 2en 5 van overeenkomstige
toepassing zijn;
c. een rechtspersoon zijn de
afdelingen 1, 3 en 5 van overeenkomstige toepassing;
d. een natuurlijk persoon die een
uitkering geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars,
zoals deze op 31 december 2011 luidde, zijn de artikelen 10,
tweede lid, en 14, derde en vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
2. Waar in artikel 9, tweede lid, en in
afdeling 5 sprake is van directeur wordt voor:
a. provinciale belastingen gelezen:
gedeputeerde staten;
b. gemeentelijke belastingen
gelezen: het college van burgemeester en wethouders;
c. waterschapsbelastingen gelezen:
het dagelijks bestuur;
d. de geluidsheffing
burgerluchtvaart gelezen: de inspecteur-generaal van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat;
e. de heffing ingevolge artikel 91a
van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, alsmede bij
algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 91h of artikel 92
van die wet ingevoerde heffingen gelezen: de directeur Financieel
Economische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken.
3. Indien door de provinciale staten,
de gemeenteraad of het algemeen bestuur van het waterschap daartoe is
besloten, worden met betrekking tot een verzoek om kwijtschelding van
de in artikel 27, onderdeel a, onderdeel b, onderscheidenlijk
onderdeel c, bedoelde belastingen en heffingen in afwijking van het
eerste lid, onderdelen a en b, als uitgaven als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, mede in aanmerking genomen de overeenkomstig artikel 1.7,
eerste en tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen bepaalde kosten van kinderopvang verminderd met de
kinderopvangtoeslag of met de tegemoetkoming van de gemeente of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de te betalen kosten
van kinderopvang, bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 2, van die wet.
Artikel 28a
Met betrekking tot een verzoek om ontslag
van de verplichting tot betaling van de in artikel 27 genoemde
belastingen en heffingen zijn afdeling 6 en artikel 28, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Betalingskorting en
invorderingsrente
Artikel 28b
1. Voor de berekening van de te
verlenen betalingskorting wordt gebruik gemaakt van de volgende
formule:
(A x P) x bedrag van de
belastingaanslag / 72 000 = de te verlenen betalingskorting.
2. Voor de berekening van de terug te
nemen betalingskorting wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:
(B x P) x bedrag van de vermindering /
72 000 = de terug te nemen betalingskorting.
3. In de formules wordt met A
aangegeven het aantal dagen van het tijdvak dat aanvangt op de dag na
de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste
betalingstermijn en eindigt op de vervaldag van de voor de
belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn, met B het aantal
dagen van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van het
afschrift van de uitspraak of de dagtekening van de kennisgeving
waarmee de vermindering of de herziening tot een lager bedrag van de
belastingaanslag, wordt bekendgemaakt en eindigt op de vervaldag van
de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn en met P
het rentepercentage voor de te verlenen of de terug te nemen
betalingskorting.
Artikel 28c
Bij de bepaling van het aantal dagen
waarover de te verlenen betalingskorting wordt berekend, wordt:
a. de maand waarin de eerste
betalingstermijn van de belastingaanslag vervalt, tot het werkelijke
aantal dagen in aanmerking genomen met dien verstande dat de maand
februari altijd op 28 dagen wordt gesteld;
b. een volle maand gesteld op 30
dagen.
Artikel 28d
Bij de bepaling van het aantal dagen
waarover de terug te nemen betalingskorting wordt berekend, wordt:
a. de maand waarin de dag na de
dagtekening van het afschrift van de uitspraak of de dagtekening van
de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt valt,
tot het werkelijke aantal dagen in aanmerking genomen met dien
verstande dat de maand februari altijd op 28 dagen wordt gesteld;
b. een volle maand gesteld op 30
dagen.
Artikel 28e
1.Het bedrag van de te verlenen
betalingskorting wordt naar boven afgerond op gehele euro’s.
2.Het bedrag van de terug te nemen
betalingskorting wordt naar beneden afgerond op gehele euro’s.
Artikel 29
De in rekening te brengen
invorderingsrente wordt berekend over iedere betaling afzonderlijk.
Artikel 30
1.Voor de berekening van de in rekening
te brengen invorderingsrente over een betaald bedrag wordt gebruik
gemaakt van de volgende formule:
[Illustratie Verwijderd]
= invorderingsrente
2.Indien het bedrag van de betaling
moet worden gesplitst in hoofdsom en invorderingsrente, wordt gebruik
gemaakt van de volgende formules:
[Illustratie Verwijderd]
= hoofdsom
betaling - hoofdsom =
invorderingsrente.
3.In de formules wordt met A het aantal
dagen aangegeven waarover invorderingsrente is verschuldigd en met P
de onderscheiden rentepercentages welke over de verschillende periodes
zijn verschuldigd.
4.Het bedrag van de betaling wordt naar
beneden afgerond op gehele euro’s.
Artikel 31
Bij de bepaling van het aantal dagen
waarover invorderingsrente wordt berekend, wordt:
a. de maand waarin de enige of
laatste betalingstermijn van de aanslag vervalt, tot het werkelijke
aantal dagen in aanmerking genomen met dien verstande dat de maand
februari altijd op 28 dagen wordt gesteld;
b. een volle maand gesteld op 30
dagen en een jaar op 360 dagen.
Artikel 32
1.Het bedrag van de in rekening te
brengen invorderingsrente wordt naar beneden afgerond op gehele euro’s.
2.Het bedrag van de te vergoeden
invorderingsrente wordt naar boven afgerond op gehele euro’s.
Artikel 33
Bij de enige of laatste betaling wordt
een bedrag aan invorderingsrente van € 23 of minder niet in rekening
gebracht.
Artikel 34
Bij uitstel van betaling voor een periode
van drie jaren of langer kan de ontvanger bedingen dat de in rekening te
brengen invorderingsrente in afwijking van artikel 29 jaarlijks wordt
betaald.
Hoofdstuk IV. Aansprakelijkheid
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 40a
Als goederen als bedoeld in artikel 42c
van de wet worden de volgende goederen aangewezen, de toebehoren en
onderdelen van die goederen daaronder begrepen:
a. telecommunicatie- en
computerapparatuur en -programmatuur;
b. foto-, film-, video- en
geluidsapparatuur alsmede beeld- en geluiddragers zoals video- en
muziekcassettes en compactdiscs en digitale videodiscs;
c. landvoertuigen die zijn uitgerust
met een motor van meer dan 48 cc cilinderinhoud of met een vermogen
van meer dan 7,2 kW.
Artikel 40b
1. Ingeval een lijfrenteverplichting in
een situatie als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel h,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 overgaat of, beoordeeld aan het
einde van het kalenderjaar, is overgegaan op een niet in Nederland
gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf
uitoefent, kan de ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden aan
de verzekeraar die op grond van artikel 44a, eerste lid, van de wet
aansprakelijk is een schriftelijke verklaring doen toekomen inhoudende
een onherroepelijke mededeling dat de aansprakelijkheid niet langer
geldt voor de in dat artikel bedoelde inkomstenbelasting en
revisierente.
2. De ontvanger geeft de in het eerste
lid bedoelde verklaring af op schriftelijk verzoek van de verzekeraar
die op grond van artikel 44a, eerste lid, van de wet aansprakelijk is,
mits het niet in Nederland gevestigde pensioenfonds of lichaam waarop
de lijfrenteverplichting is overgegaan zich bij overeenkomst garant
stelt voor de voldoening van de in artikel 44a, eerste lid, van de wet
bedoelde inkomstenbelasting en revisierente.
3. De vorige leden zijn van
overeenkomstige toepassing indien de verzekeringnemer of de
gerechtigde voldoende zekerheid heeft gesteld.
Artikel 40c
1. Ingeval een verplichting ingevolge
een pensioenregeling in een situatie als bedoeld in artikel 19b, zesde
lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 overgaat op een niet in
Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het
verzekeringsbedrijf uitoefent, kan de ontvanger onder door hem te
stellen voorwaarden aan de verzekeraar die op grond van artikel 44b,
eerste lid, van de wet aansprakelijk is een schriftelijke verklaring
doen toekomen inhoudende een onherroepelijke mededeling dat de
aansprakelijkheid niet langer geldt voor de in dat artikel bedoelde
loon- en inkomstenbelasting alsmede revisierente.
2. De ontvanger geeft de in het eerste
lid bedoelde verklaring af op schriftelijk verzoek van de verzekeraar
die op grond van artikel 44b, eerste lid, van de wet aansprakelijk is,
mits het niet in Nederland gevestigde pensioenfonds of lichaam waarop
de pensioenverplichting is overgegaan zich bij overeenkomst garant
stelt voor de voldoening van de in artikel 44b, eerste lid, van de wet
bedoelde loon- en inkomstenbelasting alsmede revisierente.
3. De vorige leden zijn van
overeenkomstige toepassing indien de verzekeringnemer of de
gerechtigde voldoende zekerheid heeft gesteld.
Hoofdstuk V. Slotbepalingen
Artikel 40d [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 41
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1990.
2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990.
's-Gravenhage, 30 mei 1990.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort.
Bijlage, behorend bij artikel 1cb
Overeenkomst inzake de overheidsvordering
De ondergetekenden:
– (naam), (adres, postcode en woon-
of vestigingsplaats), ingeschreven in het Handelsregister bij de
Kamer van Koophandel en Fabrieken te (plaats) onder nummer (nummer),
verder te noemen de bank;
– Onze Minister, voor wie optreedt
(naam).
Zijn overeengekomen als volgt:
1. Onze Minister opent hierbij een
rekening bij de bank onder nummer (nummer) waarop de bedragen
ingevorderd op grond van artikel 19, vierde lid, van de wet worden
overgemaakt.
2. De gegevens op grond waarvan
overheidsvorderingen worden gedaan worden in digitale vorm en
overeenkomstig de Nederlandse systematiek van automatische incasso
geleverd aan de bank.
3. Onze Minister is verantwoordelijk
voor de juistheid van de gegevens, te weten het rekeningnummer en
het bedrag van de overheidsvordering, die worden geleverd bij het
doen van de overheidsvordering.
4. Onze Minister is verantwoordelijk
voor de telefonische bereikbaarheid voor belastingschuldigen op een
gratis nummer.
5. De bank informeert Onze Minister
over de op de rekening betrekking hebbende gegevens.
6. De bepalingen in deze overeenkomst
strekken mede ten behoeve van de bank waar de belastingschuldige een
betaalrekening houdt en indien op die betaalrekening een
overheidsvordering is uitgevoerd, en hebben dienovereenkomstig te
gelden als een onherroepelijk derdenbeding als bedoeld in artikel
253 en verder van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Aldus overeengekomen en getekend,
te (plaats) op (datum)
Onze Minister,
voor deze:
De bank,
|