|
BESLUIT van 4 juli 2001, houdende nadere regels inzake de opleiding
tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de stage van de toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder (Besluit opleiding en stage
kandidaat-gerechtsdeurwaarder)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 23 mei
2001, nr. 5105379/01/6;
Gelet op de artikelen 25, tweede en vierde lid, en 27, tweede lid,
van de Gerechtsdeurwaarderswet;
De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2001, nr.
W03.01.0257/I);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 2
juli 2001, nr. 5105379/01/6;
Hebben goedgevonden en verstaan;
§ 1. Definitiebepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. de wet: de Gerechtsdeurwaarderswet;
b. de opleiding: de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder,
bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet;
c. de opleider: het opleidingsinstituut dat met een erkenning als
bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, de opleiding
verzorgt;
d. het opleidingsplan: het door het opleidingsinstituut
opgestelde opleidingsplan, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de
wet;
e. de cursist: de persoon die de opleiding volgt of wil volgen;
f. de stagiair: de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder die
de stage, bedoeld in artikel 27 van de wet, doorloopt.
§ 2. De commissie opleiding
Artikel 2
1. Er is een commissie opleiding die bestaat uit vijf leden
onder wie de voorzitter.
2. Onze Minister benoemt:
a. een rechterlijk ambtenaar belast met rechtspraak als voorzitter;
b. op voordracht van de Koninklijke Beroepsorganisatie van
Gerechtsdeurwaarders twee gerechtsdeurwaarders als lid;
c. op voordracht van de Bond van personeel werkzaam in de
rechtspraktijk en van kandidaat-gerechtsdeurwaarders twee toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarders, niet zijnde stagiairs, als lid.
3. De leden van de commissie opleiding worden benoemd voor een
periode van vier jaren. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.
4. Het lidmaatschap van de commissie opleiding eindigt:
a. door het verstrijken van de termijn waarvoor het lid is benoemd;
b. door ontslag, al dan niet op verzoek verleend door Onze
Minister;
c. door overlijden;
d. indien het lid ophoudt te voldoen aan de hoedanigheid, bedoeld
in het tweede lid;
e. per 31 december van het jaar waarin het lid de leeftijd van
zeventig jaar heeft bereikt.
5. Degene die een functie vervult in de organisatie van een
opleider kan geen lid zijn van de commissie opleiding.
Artikel 3
1. De commissie opleiding heeft tot taak:
a. de opleider en Onze Minister te adviseren over de opleiding;
b. beroepschriften van cursisten te behandelen tegen beslissingen
van de opleider omtrent hun toelating tot de opleiding, de beoordeling
van hun kennen en kunnen, en
c. beroepschriften van stagiairs te behandelen tegen beslissingen
van de opleider omtrent de aantekening op de stageverklaring.
2. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder
a, onderzoekt de commissie ten minste eens per twee jaren of de
beroepsuitoefening door de gerechtsdeurwaarders en de
kandidaat-gerechtsdeurwaarders reden geeft tot bijstelling van de
opleiding. De commissie brengt verslag uit aan de opleider en zendt een
afschrift van het verslag aan Onze Minister.
3. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder
a, adviseert de commissie de opleider jaarlijks met het oog op het
komende cursusjaar. De opleider verstrekt de commissie de hiertoe
noodzakelijke bescheiden, waaronder een verslag van het verloop van de
opleiding. De commissie zendt een afschrift van het advies aan Onze
Minister.
4. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder
a, kan de commissie desgevraagd en uit eigen beweging advies uitbrengen
aan de opleider en aan Onze Minister. Een afschrift van het advies wordt
gezonden aan Onze Minister onderscheidenlijk de opleider.
Artikel 4
De leden van de commissie ontvangen voor hun deelname aan de
werkzaamheden van de commissie een door Onze Minister vast te stellen
toelage en een vergoeding van de reis- en verblijfskosten overeenkomstig
de bepalingen die te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren
gelden.
§ 3. Het opleidingsplan
Artikel 5
1. Het opleidingsplan wordt opgesteld met inachtneming van
deartikelen 6 tot en met 14 en 20, en bevat in ieder geval regels
omtrent:
a. de duur van de opleiding;
b. de inrichting van de opleiding;
c. de eisen voor toelating tot de opleiding;
d. de organisatie en exploitatie van de opleiding;
e. de inrichting en organisatie van het examen en de tijdstippen
waarop daaraan kan worden deelgenomen;
f. de rechtsbescherming van de cursist;
g. de aan de cursist in rekening te brengen financiële bijdrage,
en
h. de stage.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
waaraan het opleidingsplan moet voldoen.
3. Het opleidingsplan wordt na erkenning van de opleiding niet
gewijzigd dan met toestemming van Onze Minister.
Artikel 6
De opleiding kent een onderwijsprogramma dat bij een volledige
werkkring binnen drie jaren kan worden doorlopen.
Artikel 7
1. De opleiding is zodanig ingericht dat de cursist de kennis
verkrijgt die nodig is voor de uitoefening van het ambt van
gerechtsdeurwaarder.
2. De opleiding voorziet in gedegen kennisoverdracht van in ieder
geval:
a. het bepaalde bij en krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet;
b. het burgerlijk recht, waaronder het recht betreffende
rechtspersonen, koop, huur en pacht;
c. het burgerlijk procesrecht, waaronder het executie- en
beslagrecht;
d. de Nederlandse staatsinrichting;
e. de Nederlandse taal, en
f. kantooradministratie met gebruik van geautomatiseerde systemen.
3. De opleiding bestaat uit afzonderlijke onderdelen die elk
worden afgesloten met een beoordeling.
Artikel 8
De opleider kan voor bepaalde onderdelen van de opleiding en de
beoordeling daarvan vrijstelling verlenen, indien de cursist aantoonbaar
beschikt over kennis die gelijkwaardig is aan de kennis die in het
betreffende onderdeel wordt verkregen. Het opleidingsplan bevat een
reglement met de voorwaarden voor de verlening van vrijstellingen.
Artikel 9
1. Voor toelating tot de opleiding gelden dezelfde
vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met dien
verstande dat bijzondere eisen kunnen worden gesteld ten aanzien van
de bij de vooropleiding gevolgde vakken. Het opleidingsplan vermeldt
de vereisten voor toelating tot de opleiding.
2. De persoon die niet voldoet aan de toelatingseisen ten aanzien
van de vooropleiding, bedoeld in het eerste lid, wordt alsnog
toegelaten, indien hij met goed gevolg een toelatingsexamen heeft
afgelegd. Het opleidingsplan vermeldt de mogelijkheid van het afleggen
van het toelatingsexamen. Het niveau van het toelatingsexamen is gelijk
aan het niveau van de vooropleiding, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10
De cursist kan tegen een beslissing omtrent zijn toelating tot de
opleiding of de beoordeling van zijn kennen en kunnen binnen zes weken
nadat de beslissing is bekendgemaakt, beroep instellen bij de commissie
opleiding.
Artikel 11
1. Het opleidingsplan bevat een reglement met betrekking tot:
a. de beoordeling van de kennis, bedoeld in artikel 7, die nodig is
voor de uitoefening in Nederland van werkzaamheden als toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder door een onderdaan van een Staat die
partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, niet
zijnde een Nederlander, en
b. het afleggen door die onderdaan van een proeve van bekwaamheid
als bedoeld in artikel 1, onder l, van de Algemene wet
EG-beroepsopleidingen ten aanzien van de kennis waarover hij niet
heeft aangetoond te beschikken.
2. Het reglement, bedoeld in het eerste lid, stelt veilig dat de
beoordeling van de kennis en de proeve van bekwaamheid geschieden:
a. aan de hand van dezelfde maatstaven die worden gehanteerd in het
kader van de opleiding, en
b. binnen drie maanden nadat het daartoe strekkende aanvraag van
Onze Minister door de opleider is ontvangen.
3. De opleider deelt Onze Minister binnen twee weken na de
beoordeling en het afleggen van de proeve van bekwaamheid de uitkomst
daarvan mee.
Artikel 12
Het opleidingsplan bevat voldoende waarborgen voor de kwaliteit en de
continuďteit van de opleiding.
Artikel 13
De financiële bijdrage die aan de cursist in rekening wordt gebracht
is niet aanmerkelijk hoger dan de bijdrage voor een vergelijkbare
opleiding. De bijdrage wordt vermeld in een bijlage bij het
opleidingsplan.
Artikel 14
1. De cursist die voor elk onderdeel van de opleiding een
voldoende beoordeling heeft verkregen, heeft de opleiding met goed
gevolg doorlopen.
2. De opleider verstrekt de cursist, bedoeld in het eerste lid,
een gewaarmerkt diploma en een lijst van de resultaten die de cursist
per onderdeel van de opleiding heeft behaald.
3. Het model van het diploma, bedoeld in het tweede lid, wordt
door de opleider vastgesteld en bij het opleidingsplan gevoegd.
§ 4. De aanvraag tot erkenning van de opleiding
Artikel 15
Bij de aanvraag tot erkenning van de opleiding wordt in ieder geval
verschaft:
a. het opleidingsplan, en
b. gegevens en bescheiden die inzicht bieden in de organisatie en
exploitatie van de opleiding.
Artikel 16
1. Op de aanvraag, bedoeld in artikel 15, wint Onze Minister
het advies in van:
a. de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders;
b. de Bond van personeel werkzaam in de rechtspraktijk en van
kandidaat-gerechtsdeurwaarders, en
c. de commissie opleiding.
2. De adviezen, bedoeld in het eerste lid, bevatten de motivering
daarvan.
3. Tenzij Onze Minister bij de adviesaanvraag een andere termijn
heeft gesteld, worden de adviezen, bedoeld in het eerste lid, binnen
acht weken uitgebracht.
4. De beschikking wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst
van de aanvraag.
Artikel 17
De aanvraag, bedoeld in artikel 15, wordt afgewezen, indien:
a. de opleiding of het opleidingsinstituut niet voldoen aan de
bij of krachtens wet gestelde regels, of
b. de organisatie en exploitatie van de opleiding naar het
oordeel van Onze Minister onvoldoende de kwaliteit en continuďteit
van de opleiding waarborgen.
Artikel 18
De erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd en kan door Onze
Minister worden gewijzigd.
§ 5. De stage
Artikel 19
1. De opleider stelt een stageplan op en wint daarover het
advies in van de commissie opleiding. De opleider zendt een afschrift
van het stageplan aan de Koninklijke Beroepsorganisatie van
Gerechtsdeurwaarders. Het stageplan maakt deel uit van het
opleidingsplan.
2. De stage is zodanig ingericht dat de stagiair de praktische
vaardigheden verwerft die nodig zijn voor de zelfstandige uitoefening
van de werkzaamheden als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, en
inzicht en ervaring opdoet met de praktijkuitoefening van de
gerechtsdeurwaarder.
Artikel 20
1. De opleider en de Koninklijke Beroepsorganisatie van
Gerechtsdeurwaarders verlenen bemiddeling bij het zoeken van een
gerechtsdeurwaarder onder wiens verantwoordelijkheid de stagiair
werkzaam kan zijn.
2. Indien de gerechtsdeurwaarder niet in staat is de stagiair te
begeleiden, kan de Koninklijke Beroepsorganisatie van
Gerechtsdeurwaarders ambtshalve of op verzoek van de stagiair al dan
niet tijdelijk een andere gerechtsdeurwaarder aanwijzen.
Artikel 21
De wederzijdse rechten en plichten worden door de gerechtsdeurwaarder
en de stagiair met inachtneming van het stageplan en de artikelen 22 tot
en met 24 in een stage-overeenkomst neergelegd en ondertekend. Een
afschrift wordt bij het verzoek om goedkeuring van de aanwijzing van de
stagiair als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder aan Onze Minister
gezonden.
Artikel 22
De gerechtsdeurwaarder onder wiens verantwoordelijkheid de stagiair
werkzaam is, verschaft de stagiair in ieder geval:
a. passende arbeid, die alle de tijdens de stageperiode
voorkomende ambtshandelingen en de daarmee rechtstreeks
samenhangende werkzaamheden omvat;
b. de nodige leiding, voorlichting en raad met betrekking tot de
praktijkuitoefening;
c. voldoende gelegenheid om aanvullende cursussen te volgen die
nodig zijn voor de uitoefening van de gerechtsdeurwaarderspraktijk,
en
d. een zodanige vergoeding voor de werkzaamheden, dat die geen
belemmering vormt voor de instroom tot de beroepsgroep.
Artikel 23
De stagiair spant zich in om de praktische vaardigheden te verwerven
die voor de zelfstandige uitoefening van werkzaamheden als toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder nodig zijn, en om inzicht en ervaring op
te doen met de praktijkuitoefening van de gerechtsdeurwaarder. De
stagiair verricht de door de gerechtsdeurwaarder opgedragen
werkzaamheden.
Artikel 24
1. De stage begint op de dag waarop de stagiair de uitoefening
van de gerechtsdeurwaarderspraktijk onder verantwoordelijkheid van een
gerechtsdeurwaarder heeft aangevangen, maar niet voordat Onze Minister
de aanwijzing van de stagiair als toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft goedgekeurd.
2. De stage wordt geschorst gedurende de periode waarin de
stagiair feitelijk niet deelneemt aan de stage.
3. De gerechtsdeurwaarder onder wiens verantwoordelijkheid de
stagiair werkzaam is, stelt de opleider onverwijld in kennis van de
aanvang, de schorsing en het einde van de stage. De opleider stelt de
Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders in kennis.
Artikel 25
1. Na afloop van de stage verstrekt de gerechtsdeurwaarder de
opleider gegevens met betrekking tot de werkzaamheden die de stagiair
heeft verricht en diens kennen en kunnen. Indien de
gerechtsdeurwaarder oordeelt dat het kennen en kunnen van de stagiaire
onvoldoende is voor de zelfstandige uitoefening van werkzaamheden als
toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, omkleedt hij dat met
redenen.
2. De opleider verstrekt de stagiair een verklaring dat de stage
is voltooid. Op de verklaring wordt aangetekend in welke periode de
stage is doorlopen. Indien de opleider oordeelt dat het kennen en kunnen
van de stagiaire onvoldoende is voor de zelfstandige uitoefening van
werkzaamheden als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, plaatst hij
op de verklaring een met redenen omklede aantekening daartoe.
3. Het model van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt
door de opleider vastgesteld en bij het opleidingsplan gevoegd.
4. De stagiair kan tegen het plaatsen van de aantekening beroep
instellen bij de commissie opleiding. Artikel 10 is van overeenkomstige
toepassing.
§ 6. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 26
De opleider die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 25
van de wet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de
Regeling opleiding kandidaat-gerechtsdeurwaarders, is van rechtswege
erkend.
Artikel 27
Voor de toepassing van dit besluit wordt het lidmaatschap van de
commissie opleiding op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 25
van de wet, gelijkgesteld met de benoeming als zodanig door Onze
Minister met ingang van dat tijdstip.
Artikel 28
1. De stage die op het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 27 van de wet was aangevangen, wordt voor de toepassing van
dit besluit gelijk gesteld met de stage, bedoeld in paragraaf
5.
2. Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 27
van de wet sedert ten minste drie jaren werkzaam is als toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder, wordt voor de toepassing van dit besluit
gelijk gesteld met een persoon die in overeenstemming met dit besluit de
stage heeft doorlopen.
Artikel 29
Indien de opleiding een opleiding is als bedoeld in artikel 1.1,
onder m, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, zijn de artikelen 3, 10, en 25, vierde lid, niet van
toepassing en wordt in artikel 14, tweede, onderscheidenlijk derde lid,
voor «een gewaarmerkt diploma» gelezen «een gewaarmerkte
verklaring», onderscheidenlijk voor «het diploma»: de verklaring.
Artikel 30
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 25
en 27 van de wet inwerking treden.
Artikel 31
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleiding en stage
kandidaat-gerechtsdeurwaarder.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 4 juli 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
N.A. Kalsbeek
Uitgegeven de tiende juli 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|