|
REGELING van de Staatssecretaris van Justitie houdende voorschriften
betreffende de berekening en uitkering van de rente, toegevoegd aan de
bijzondere rekeningen van gerechtsdeurwaarders
De Staatssecretaris van
Justitie;
Gelet op artikel 19, zevende lid, van de
Gerechtsdeurwaarderswet;
Besluit:
Artikel 1
Tenzij de gerechtsdeurwaarder en de rechthebbende schriftelijk anders
zijn overeengekomen, wordt de aan het aandeel van de rechthebbende op de
bijzondere rekening of rekeningen toegevoegde rente zo snel mogelijk,
doch uiterlijk gelijk met het aandeel aan de rechthebbende uitgekeerd.
Artikel 2
De rente wordt berekend aan de hand van het rentepercentage dat in
het normale economische verkeer, mede gelet op het gemiddelde bedrag op
de bijzondere rekening of rekeningen, gebruikelijk is.
Artikel 3
1. Indien het aandeel van de
rechthebbende op de bijzondere rekening of rekeningen bij aanvang van
iedere eerste dag van twee opeenvolgende maanden hoger is dan € 500,
wordt de rente per maand berekend over de helft van de som van het
aandeel bij aanvang van genoemde dagen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt bij de
vaststelling van de hoogte van het aandeel niet betrokken het aandeel
van de rechthebbende in ontvangen bedragen, voor zover dat aandeel aan
de rechthebbende is uitgekeerd binnen vijf dagen nadat het bedrag op de
bijzondere rekening of rekeningen is ontvangen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt de rente die
gedurende enige maand over het aandeel van de rechthebbende is gekweekt,
geacht aan dat aandeel te zijn toegevoegd op de tweede dag van de dag
van de daarop volgende maand.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op het aandeel van de
rechthebbende in ontvangen bedragen groter dan € 10.000, dat niet aan
de rechthebbende is uitgekeerd binnen vijf dagen nadat het bedrag op de
bijzondere rekening of rekeningen is ontvangen. In dat geval wordt de
rente berekend over de periode waarin het aandeel van de rechthebbende
blijkens de valutadata op de bijzondere rekening of rekeningen heeft
gestaan.
5. Onverminderd het vierde lid behoeft over de voorafgaande maand
geen rente te worden berekend, indien het aandeel van de rechthebbende
op de bijzondere rekening of rekeningen bij aanvang van de eerste dag
van de maand lager is dan of gelijk is aan € 500.
Artikel 4
Zodra de hoogte daarvan vaststaat, wordt de gerechtsdeurwaarder
rechthebbende op rentegelden die:
a. op grond van artikel 3 niet worden uitgekeerd, of
b. zijn gekweekt over saldi die hij op grond van de
opdrachtverlening kan verrekenen en heeft verrekend.
Artikel 5
Artikel 3 blijft buiten toepassing op het aandeel van de
rechthebbende dat is ontvangen op een afzonderlijke bijzondere rekening
die uitsluitend bestemd is voor gelden die de gerechtsdeurwaarder in
verband met zijn werkzaamheden ten behoeve van een individuele
rechthebbende onder zich neemt.
Artikel 6
De bedragen van € 500 in artikel 3, eerste en vijfde lid, en van
€ 10.000 in artikel 3, vierde lid, gelden met ingang van 1 januari
2002. Tot 1 januari 2002 gelden bedragen van f 1101,86 onderscheidenlijk
f 22.037,10.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 19 van
de Gerechtsdeurwaarderswet in werking treedt.
Artikel 8
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rente bijzondere
rekeningen gerechtsdeurwaarders.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 9 juli 2001.
De Staatssecretaris van Justitie,
N.A. Kalsbeek.
|