| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
BESLUIT
BESCHERMING TEGEN BEPAALDE ZOÖNOSEN EN
BESTRIJDING BESMETTELIJKE DIERZIEKTEN
Tekst zoals deze geldt op
23 juli 2010
|
|
|
BESLUIT van 27 december 1995, houdende regelen met betrekking tot
bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke
dierziekten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 10 mei 1994, nr. J. 947133, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Gelet op artikel 4, eerste lid, eerste gedachtenstreepje, en artikel 6bis,
tweede lid, onderdeel a, van Richtlijn nr. 80/217/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 22 januari 1980 tot vaststelling van
gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van klassieke varkenspest
(PbEG L 47), artikel 4, eerste lid, eerste gedachtenstreepje, van
Richtlijn nr. 85/511/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter
bestrijding van mond- en klauwzeer (PbEG L 315), artikel 4,
tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, en derde lid, van
Richtlijn nr. 92/35/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
29 april 1992 tot vaststelling van controlevoorschriften en van
maatregelen ter bestrijding van paardepest (PbEG L 157), artikel
4, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, van Richtlijn nr.
92/40/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 mei 1992 tot
vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van
aviaire influenza (PbEG L 167), artikel 4, tweede lid, onderdeel a,
en derde lid, van Richtlijn nr. 92/66/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire
maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG
L 260); artikel 3, derde lid, artikel 4, eerste lid, onderdeel a
en d, en Bijlage III, deel II van Richtlijn nr. 92/117/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake
maatregelen voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde
zoönoseverwekkers bij dieren en in produkten van dierlijke oorsprong
ten einde door voedsel overgedragen infecties en vergiftigingen te
voorkomen (PbEG 1993, L 62), artikel 4, tweede lid, onderdeel a,
en derde lid van Richtlijn nr. 92/119/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene
communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten
en van specifieke maatregelen ten aanzien van de vesiculaire
varkensziekte (PbEG 1993, L 62), artikel 5, tweede lid, onderdeel
a, en derde lid, van Richtlijn nr. 93/53/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 24 juni 1993 tot vaststelling van minimale
communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde visziekten (PbEG
L 175);
Gelet op de artikelen 15, vierde lid, 25, eerste lid, 86, tweede lid,
97, 108 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
Gezien het advies van de Raad voor dierenaangelegenheden (d.d. 23
februari 1994), het Landbouwschap (d.d. 25 februari 1994), het
Produktschap Vee en Vlees (d.d. 18 februari 1994), het Produktschap voor
Pluimvee en Eieren (d.d. 3 maart 1994), het Produktschap voor Vis en
Visprodukten (d.d. 3 maart 1994), Produktschap voor Veevoeder (d.d. 7
februari 1994), het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie
(d.d. 3 maart 1994) en het Bedrijfschap voor de Handel in Vee (d.d. 11
maart 1994);
De Raad van State gehoord (advies van 9 augustus 1994,
nr.
W11.94.0299);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 12 december 1995, nr. J. 9515 407, Directie Juridische
Zaken, uitgebracht mede namens Onze Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
b. verordening (EG) nr. 2160/2003: verordening (EG) nr.
2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere
specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU L
325);
c. richtlijn nr. 2003/99/EG: richtlijn nr. 2003/99/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17
november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers
en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en
intrekking van richtlijn nr. 92/117/EEG van de Raad (PbEU L 325);
d. richtlijn nr. 92/119/EEG: richtlijn nr. 92/119/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot
vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de
bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen
ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte (PbEG 1993, L 62).
Artikel 2
De exploitant van een levensmiddelenbedrijf, bedoeld in artikel 3,
derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 2002 (PbEG L
31) tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de
levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor
voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor
voedselveiligheidsaangelegenheden, die onderzoek doet naar de
aanwezigheid van zoönosen of zoönoseverwekkers, die overeenkomstig
artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 2003/99/EG worden bewaakt:
a. houdt de resultaten van het onderzoek bij;
b. bewaart de onderzoeksgegevens en de relevante isolaten
gedurende een door Onze Minister te bepalen periode en
c. stelt de onderzoeksresultaten of relevante isolaten
desgevraagd ter beschikking aan Onze Minister.
Artikel 2a
1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van verordening (EG) nr. 2160/2003, is Onze Minister.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van
richtlijn nr. 2003/99/EG, is Onze Minister.
Artikel 3
1. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, regels stellen omtrent de
monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en
zoönoseverwekkers als bedoeld in bijlage I bij verordening (EG) nr.
2160/2003 en bijlage I bij richtlijn nr. 2003/99/EG, voorzover dit
noodzakelijk is ter uitvoering van communautaire regelgeving.
2. De in het eerste lid bedoelde regels hebben betrekking op:
a. het doen van onderzoek naar, het bewaren van gegevens over, het
verzamelen en ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten met
betrekking tot de aanwezigheid van zoönosen en zoönoseverwekkers,
antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en bij andere
verwekkers, wanneer deze een gevaar opleveren voor de volksgezondheid;
b. de preventie en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers
op grond van het nationale bestrijdingsprogramma, bedoeld in artikel 5
van verordening (EG) nr. 2160/2003, en de ingevolge artikel 8 van
verordening (EG) nr. 2160/2003 vastgestelde voorschriften;
c. het stellen van voorwaarden aan het intracommunautaire
handelsverkeer, bij of krachtens artikel 9, tweede en vierde lid, van
verordening (EG) nr. 2160/2003 en
d. het stellen van voorwaarden aan het handelsverkeer met derde
landen, bij of krachtens artikel 10, vijfde lid, van verordening (EG)
nr. 2160/2003.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, laboratoria als bedoeld in artikel 12
van verordening (EG) nr. 2160/2003 erkennen.
4. Onze Minister wijst, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport een nationaal referentielaboratorium
aan overeenkomstig artikel 11 van verordening (EG) nr. 2160/2003 en
artikel 10 van richtlijn nr. 2003/99/EG.
Artikel 3a
1. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, medewerking vorderen van het
bestuur van het Productschap Diervoeder, het Productschap Pluimvee en
Eieren, het Productschap Vee en Vlees of het Productschap Zuivel voor
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 3, tweede lid,
onderdelen a en b.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bepalen dat tuchtrechtelijke
maatregelen kunnen worden gesteld bij overtreding van de maatregelen
die, op grond van het eerste lid, bij verordening door het bestuur van
het Productschap Diervoeder, het Productschap Pluimvee en Eieren, het
Productschap Vee en Vlees of het Productschap Zuivel zijn vastgesteld,
voorzover het handelen in strijd met de regelen als overtreding
strafbaar is gesteld.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bepalen dat het Productschap
Diervoeder, het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en
Vlees of het Productschap Zuivel personen kan aanwijzen die worden
belast met het toezicht op de naleving van de op grond van het eerste
lid vastgestelde regels.
Artikel 4
1. Het is verboden te handelen in strijd met het nationale
bestrijdingsprogramma, bedoeld in artikel 5 van verordening (EG) nr.
2160/2003, en de ingevolge artikel 8 van verordening (EG) nr.
2160/2003 vastgestelde voorschriften.
2. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 7,
vijfde lid, 9, eerste lid, 10, vierde lid, en 12, van verordening (EG)
nr. 2160/2003.
3. Het is verboden te handelen in strijd met op grond van artikel
8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2160/2003 vastgestelde
specifieke bestrijdingsmethoden en voorschriften.
Artikel 5
Zodra een gebouw of terrein door het plaatsen van een kenteken,
ingevolge artikel 22, eerste lid, van de wet, besmet of van besmetting
verdacht is verklaard met klassieke varkenspest, mond- en klauwzeer,
aviaire influenza, ziekte van Newcastle, paardepest, of de in bijlage I
van richtlijn nr. 92/119/EEG genoemde dierziekten, legt de houder van de
zieke of verdachte dieren per voor de ziekte vatbare diersoort
schriftelijk vast het aantal dieren, het aantal gestorven dieren en het
aantal dieren dat verschijnselen van een besmettelijke dierziekte
vertoont. De gegevens van de telling dienen, totdat het kenteken is
verwijderd, na een mutatie in bovengenoemde aantallen zo spoedig
mogelijk te worden bijgewerkt.
Artikel 6
Indien de houder van een dier vermoedt dat dat dier door aviaire
influenza, ziekte van Newcastle, paardepest, of de in Bijlage I van
richtlijn nr. 92/119/EEG genoemde dierziekten is aangetast,
a. treft hij, totdat Onze Minister de nodig geachte maatregelen
neemt, dienstige maatregelen als bedoeld in artikel 22, eerste lid,
onderdelen a, b, en i van de wet;
b. draagt hij er zorg voor dat dat dier zijn verblijfplaats niet
verlaat;
c. legt hij per voor de ziekte vatbare diersoort schriftelijk
vast het aantal dieren, het aantal gestorven dieren en het aantal
dieren dat verschijnselen van een besmettelijke dierziekte vertoont
en brengt hij mutaties zo spoedig mogelijk in deze telling aan;
d. is het hem verboden de bij of krachtens artikel 25, eerste
lid, van de wet aangewezen soorten of categorieën van dieren,
produkten of voorwerpen te vervoeren van en naar het gebouw of
terrein, en
e. is het hem verboden het gebouw of terrein te verlaten, tenzij
na toepassing van de door Onze Minister krachtens artikel 26 van de
wet voorgeschreven maatregelen van ontsmetting.
Artikel 6a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 6b [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 7 [Vervallen per 20-12-2000]
Artikel 8 [Vervallen per 20-12-2000]
Artikel 8a [Vervallen per 20-12-2000]
Artikel 9
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 10
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 11
Het Besluit houdende nadere regelen inzake de bestrijding van de
pseudo-vogelpest, het Besluit vogelpest, het Besluit houdende
maatregelen in verband met vogelcholera, het Besluit infectieuze laryngo
tracheïtis en het Besluit entstoffen voor dieren worden ingetrokken.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bescherming tegen bepaalde
zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 december 1995
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
E.G. Terpstra
Uitgegeven de twaalfde maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|