| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
BESLUIT
NIET GEHOUDEN DIEREN
Tekst zoals deze geldt op
7 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 8 juli 1994, houdende regelen met betrekking tot niet
gehouden dieren
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 17 maart 1994, nr. J. 944716, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken;
Gelet op Richtlijn nr. 80/217/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 22 januari 1980 tot vaststelling van
gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van klassieke varkenspest
(PbEG L 47); Richtlijn nr. 85/511/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 18 november 1985 tot vaststelling van
gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer (PbEG
L 315); Richtlijn nr. 92/35/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 29 april 1992 tot vaststelling van
controlevoorschriften en van maatregelen ter bestrijding van paardepest
(PbEG L 157); Richtlijn nr. 92/119/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van
algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde
dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van vesiculaire
varkensziekte (PbEG 1993, L 62) en Richtlijn nr. 93/53 EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1993 tot vaststelling
van minimale communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde
visziekten (PbEG L 175);
Gelet op de artikelen 102 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren;
Gezien het advies van de Raad voor dierenaangelegenheden (d.d. 21
december 1993), het Produktschap voor Pluimvee en Eieren (d.d. 20
december 1993), het Produktschap voor Vis en Visprodukten (d.d. 5
januari 1994), het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie (d.d.
20 december 1993) en de Jachtraad (d.d. 2 februari 1994);
De Raad van State gehoord (advies van 20 mei 1994,
nr. W11.94.0164);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij van 1 juli 1994, nr. J. 9410303, Directie
Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren.
Artikel 2
1. Ter voorkoming van de verspreiding van smetstof door dieren
die niet worden gehouden, zijn de artikelen 15, vierde lid, 17, 19,
21, 22, eerste lid, 24, eerste lid en 116 van de wet van
overeenkomstige toepassing op niet gehouden dieren.
2. De verplichting uit artikel 19, eerste lid, van de wet geldt
in het kader van dit besluit voor iemand die weet of redelijkerwijs kan
vermoeden dat een niet gehouden dier verschijnselen vertoont van een
besmettelijke dierziekte.
3. Iemand die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een niet
gehouden dier verschijnselen vertoont van een besmettelijke dierziekte
is verplicht aan een dierenarts of aan een in artikel 114, tweede lid,
van de wet bedoelde ambtenaar naar waarheid alle inlichtingen te
verstrekken en alle medewerking te verlenen, welke dezen redelijkerwijs
voor de vervulling van hun taak nodig hebben en al datgene te doen wat
in zijn vermogen ligt om de aard van de ziekte zo spoedig mogelijk te
doen vaststellen.
Artikel 3
Ter voorkoming van de verspreiding van smetstof door dieren die niet
worden gehouden kunnen door Onze Minister nadere regelen worden gesteld.
Artikel 4
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit niet gehouden dieren.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij horende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 8 juli 1994
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij,
J.D. Gabor
Uitgegeven de achttiende oktober 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|