BESLUIT van 10 december 1992, houdende regelen ter zake van de Raad
voor dierenaangelegenheden
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 12 februari 1992, nr. J. 921117, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Gelet op artikel 2 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Stb.
1992, 585);
De Raad van State gehoord (advies van 19 mei 1992, nr. W11.92.0075);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij van 30 november 1992, nr. J. 9211452, Directie
Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, uitgebracht in
overeenstemming met de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsomschrijving
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij;
b. Raad: Raad voor dierenaangelegenheden als bedoeld in artikel 2
van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Stb. 1992,
585);
c. Afdeling: een afdeling als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
§ 2. Samenstelling
Artikel 2
1. De Raad bestaat uit ten hoogste vijftien leden.
2. In de Raad hebben naast een voorzitter zitting:
a. één lid benoemd op voordracht van de Land- en
Tuinbouworganisatie Nederland;
b. één lid benoemd op voordracht van het Produktschap voor Vee en
Vlees;
c. één lid benoemd op voordracht van het Produktschap voor
Pluimvee en Eieren;
d. één lid benoemd op de gezamenlijke voordracht van het
Bedrijfschap voor de Handel in Vee en het Bedrijfschap voor de
Pluimveehandel en -industrie;
e. één lid benoemd op de voordracht van de Stichting
Gezondheidszorg voor dieren;
f. drie leden benoemd op voordracht van de Nederlandse Vereniging
tot Bescherming van Dieren;
g. één lid benoemd op de voordracht van de Consumentenbond;
h. één lid benoemd op de gezamenlijke voordracht van de Faculteit
der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht en de
Landbouwuniversiteit;
i. één lid op voordracht van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde;
j. één lid benoemd op voordracht van organisaties werkzaam op het
gebied van de gezondheid en het welzijn van gezelschapsdieren;
k. één lid benoemd op de gezamenlijke voordracht van
patiëntenorganisaties en
l. één deskundigen werkzaam op het gebied van de ethiek.
Artikel 3
1. Onze Minister benoemt met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2 in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport de voorzitter en de overige leden van de Raad.
2. De leden van de Raad worden benoemd voor een periode van vier
jaar en kunnen door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om zwaarwichtige redenen worden
geschorst en ontslagen.
3. Na het verstrijken van de periode waarvoor zij zijn benoemd,
kunnen zij, voor de in het tweede lid bedoelde termijn, opnieuw worden
benoemd.
4. Degene, die in de Raad de plaats inneemt van een lid wiens
zittingsduur nog niet verstreken was, heeft zitting tot het einde van
die duur.
5. De leden kunnen te allen tijde ontslag nemen door een
schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.
Artikel 4
Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
kunnen ieder drie vertegenwoordigers aanwijzen die bevoegd zijn de
vergaderingen van de Raad bij te wonen.
Artikel 5
1. Onze Minister benoemt de secretaris en de adjunct-secretaris
van de Raad.
2. De secretaris en de adjunct-secretaris zijn niet tevens lid
van de Raad.
3. De secretaris en de adjunct-secretaris zijn voor de
uitoefening van hun taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de
Raad.
§ 3. Werkwijze
Artikel 6
1. De voorzitter roept de Raad bijeen zo dikwijls hij dit nodig
oordeelt. Hij bepaalt tijd en plaats van de vergadering.
2. De Raad wordt tevens bijeengeroepen indien ten minste vijf
leden een daartoe strekkend, schriftelijk en met redenen omkleed verzoek
bij de voorzitter hebben ingediend.
3. Een vergadering bijeengeroepen naar aanleiding van een verzoek
als bedoeld in het tweede lid wordt gehouden binnen één maand nadat
het verzoek bij de voorzitter is binnengekomen.
Artikel 7
De voorzitter stelt de agenda voor de vergadering van de Raad vast.
Artikel 8
De secretaris draagt zorg voor toezending aan de leden en de
vertegenwoordigers, bedoeld in artikel 4, van de agenda en de overige
vergaderstukken ten minste tien dagen voor de vergadering, met dien
verstande dat de voorzitter kan besluiten in dringende gevallen van deze
termijn af te wijken.
Artikel 9
De voorzitter van de Raad is bevoegd anderen dan leden van de Raad
uit te nodigen aan het overleg over bepaalde vraagstukken deel te nemen.
Artikel 10
De gezichtspunten van de afzonderlijke betrokkenen en organisaties,
genoemd in artikel 2, tweede lid, die resulteren uit het in de Raad
gevoerde overleg, worden door de Raad schriftelijk opgemaakt en worden
door de Raad ter kennis gebracht aan Onze Minister en, voor zover het
belang van de volksgezondheid aan de orde is, tevens aan Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 11
1. De Raad stelt een reglement vast ter nadere regeling van
zijn werkwijze alsmede van die der Afdelingen.
2. Het reglement wordt na vaststelling toegezonden aan Onze
Minister.
Artikel 12
De Raad stelt jaarlijks, gehoord de Afdelingen, voor zijn
werkzaamheden in het komende begrotingsjaar een ontwerp-begroting op en
legt deze voor een door Onze Minister te bepalen datum voor aan Onze
Minister.
Artikel 13
De Raad doet jaarlijks aan Onze Minister schriftelijk verslag van
zijn werkzaamheden.
In de Afdeling gezondheidsvraagstukken
hebben zitting de leden van de Raad die zijn benoemd op voordracht van
de navolgende organisaties:
a. de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland;
b. het Produktschap voor Vee en Vlees;
c. het Produktschap voor Pluimvee en Eieren;
d. het Bedrijfschap voor de Handel in Vee gezamenlijk met het
Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie;
e. de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren;
f. de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, met dien
verstande dat slechts twee leden zitting hebben in de Afdeling;
g. de Consumentenbond;
h. de organisaties werkzaam op het gebied van de gezondheid en het
welzijn van gezelschapsdieren;
i. de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit
Utrecht gezamenlijk met de Landbouwuniversiteit, en
j. de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
2. Aan de werkzaamheden van de Afdeling gezondheidsvraagstukken
wordt voorts deelgenomen door:
a. één vertegenwoordiger van de Vereniging van Fabrikanten en
importeurs van diergeneesmiddelen in Nederland;
b. een tweede vertegenwoordiger van het Bedrijfschap voor de Handel
in Vee en het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie
gezamenlijk;
c. drie deskundigen werkzaam op het gebied van het gezondheids- en
welzijnsonderzoek van dieren.
Artikel 18
1. In de Afdeling welzijnsvraagstukken hebben zitting de leden
van de Raad die zijn benoemd op voordracht van de navolgende
organisaties:
a. de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland;
b. het Produktschap voor Vee en Vlees;
c. het Produktschap voor Pluimvee en Eieren;
d. Bedrijfschap voor de Handel in Vee gezamenlijk met het
Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie;
e. de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren;
f. de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren;
g. de Consumentenbond;
h. de organisaties werkzaam op het gebied van de gezondheid en het
welzijn van gezelschapsdieren;
i. de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit
Utrecht gezamenlijk met de Landbouwuniversiteit, en
j. de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
2. In de Afdeling welzijnsvraagstukken heeft tevens zitting de
deskundige, bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, onder l .
3. Aan de werkzaamheden van de Afdeling welzijnsvraagstukken
wordt voorts deelgenomen door:
a. één vertegenwoordiger van de Stichting Lekker Dier en
b. twee deskundigen werkzaam op het gebied van het gezondheids- en
welzijnsonderzoek van dieren.
Artikel 19
1. In de Afdeling biotechnologische vraagstukken hebben zitting
de leden van de Raad die zijn benoemd op voordracht van de navolgende
organisaties:
a. de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland;
b. het Produktschap voor Vee en Vlees;
c. het Produktschap voor Pluimvee en Eieren;
d. de Stichting Gezondheidszorg voor dieren;
e. de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren met dien
verstande dat slechts twee leden zitting hebben in de Afdeling;
f. de Consumentenbond;
g. de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde en
h. de patiëntenorganisaties.
2. In de Afdeling biotechnologische vraagstukken heeft tevens
zitting de deskundige, bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, onder l
.
3. Aan de werkzaamheden van de Afdeling biotechnologische
vraagstukken wordt voorts deelgenomen door:
a. één vertegenwoordiger van het Produktschap voor Veevoeder;
b. één vertegenwoordiger van de Nederlandse Industriële en
Agrarische Biotechnologie Associatie;
c. twee deskundigen werkzaam op het gebied van de ethiek;
d. twee deskundigen werkzaam op het gebied van het biotechnologisch
onderzoek;
e. één deskundige werkzaam op het gebied van het gezondheids- en
welzijnsonderzoek van dieren en
f. één deskundige werkzaam op het gebied van de dierproeven.
Artikel 20
Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de leden van de Raad
plaatsvervangers in de Afdelingen benoemen alsmede voor de
vertegenwoordigers, bedoeld in artikel 4, plaatsvervangers aanwijzen die
bevoegd zijn de vergaderingen van de Afdelingen bij te wonen.
Artikel 21
1. De artikelen 3 en 6 tot en met 9 zijn van overeenkomstige
toepassing op de Afdelingen.
2. De voorzitter van de Raad zit tevens de vergaderingen van de
Afdelingen voor; bij afwezigheid van de voorzitter kunnen de leden van
de Afdelingen uit hun midden een vervanger aanwijzen.
3. In afwijking van het eerste lid en van artikel 3, eerste en
tweede lid, worden de in artikel 19, derde lid, onderdelen b en d
, bedoelde leden tevens benoemd, en kunnen zij om zwaarwichtige redenen
worden geschorst en ontslagen, in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken.
§ 5. Evaluatie
Artikel 22
Telkens binnen een termijn van zes jaren brengt de Raad een rapport
uit aan Onze Minister, waarin de taakvervulling van de Raad aan een
onderzoek wordt onderworpen.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 23
Artikel 2 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en dit
besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
Artikel 24
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Raad voor
dierenaangelegenheden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 10 december 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij,
J.D. Gabor
Uitgegeven de twaalfde januari 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin