1. Dieren die op grond van artikel 2, onderdelen b of c, als
verdacht worden aangemerkt, blijven verdacht gedurende een periode
van:
a. 21 dagen bij runderpest;
b. 21 dagen bij mond- en klauwzeer;
c. 21 dagen bij brucellose bij kleine herkauwers, herten en
kameelachtigen en varkens;
d. 14 maanden bij brucellose bij runderen;
e. 16 maanden bij tuberculose veroorzaakt door M. bovis;
f. 3 maanden bij tuberculose veroorzaakt door M. tuberculosis;
g. 1 jaar bij endemische runderleukose;
h. 35 dagen bij klassieke varkenspest;
i. 21 dagen bij Afrikaanse varkenspest;
j. 6 maanden bij rabies;
k. 20 weken bij dourine;
l. 2 maanden bij kwade droes;
m. 21 dagen bij virale paardeëncefalomyelitiden;
n. 30 dagen bij infectieuze anemie;
o. 14 dagen bij miltvuur;
p. 21 dagen bij Afrikaanse paardepest;
q. 21 dagen bij vesiculaire stomatitis;
r. 4 maanden bij bovine spongiforme encefalopathie;
s. 14 dagen bij besmettelijke bovine pleuropneumonie;
t. 40 dagen bij Teschener-ziekte; (besmettelijke varkensverlamming)
u. 28 dagen bij vesiculaire varkensziekte;
v. 40 dagen bij blue tongue;
w. 21 dagen bij pest van de kleine herkauwer;
x. 30 dagen bij Rift Valley koorts;
y. 21 dagen bij schape- en geitepokken;
z. 28 dagen bij nodulaire dermatose (lumpy skin disease);
aa. 40 dagen bij enzoötische hemorragische ziekte bij herten;
bb. 21 dagen bij vogelpest (aviaire influenza);
cc. 21 dagen bij pseudo-vogelpest (Newcastle disease);
dd. 1 maand bij Amerikaans vuilbroed;
ee. de door Onze Minister vastgestelde periode bij de in bijlage
IV, deel II, van richtlijn nr. 2006/88/EG genoemde ziekten bij
aquacultuurdieren, welke periode per geval kan verschillen;
ff. de door Onze Minister vastgestelde periode bij andere
besmettelijke dierziekten die ter uitvoering van EG-maatregelen
bestreden moeten worden.
2. De in het eerste lid bedoelde periode vangt aan op de dag
waarop de dieren naar het oordeel van Onze Minister voor het laatst in
de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet.
3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister bepalen dat
de dieren die op grond van artikel 2, onderdelen b of c, als verdacht
worden aangemerkt, verdacht blijven gedurende een andere dan de aldaar
genoemde periode.