| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
BESLUIT
WELZIJN PRODUCTIEDIEREN
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 16 december 1999, houdende regelen ter zake van het
houden, verzorgen en huisvesten van productiedieren (Besluit welzijn
productiedieren)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 1 juli 1999, nr. TRCJZ/1999/6785, Directie Juridische
Zaken;
Gelet op Richtlijn nr. 98/58/EG van de Raad van de Europese Unie van
20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden
dieren (PbEG L 221) en op de artikelen 35, 38, 45 en 111 van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
De Raad van State gehoord (advies van 4 oktober 1999,
nr. W11.99 0329);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 14 december 1999, nr. TRCJZ/1999/11 274,
Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Voor de toepassing van
dit besluit worden als soorten en categorieën van dieren als bedoeld
in de artikelen 35, eerste lid, 38, eerste lid, en 45, eerste lid, van
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen dieren die voor
landbouwdoeleinden worden gefokt of gehouden.
2. Dit besluit is niet van
toepassing op vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren.
Artikel 2
1. Het houden van varkens en kalveren
geschiedt overeenkomstig artikel 3, derde lid. Het houden van
legkippen en vleeskuikens geschiedt overeenkomstig artikel 3, tweede
lid. Het houden van andere dieren geschiedt overeenkomstig artikel 3.
2. Het verzorgen van kalveren geschiedt overeenkomstig artikel
4, eerste en vijfde lid. Het verzorgen van varkens geschiedt
overeenkomstig artikel 4, eerste tot en met zesde lid. Het verzorgen
van legkippen geschiedt overeenkomstig artikel 4, eerste en derde tot
en met zesde lid. Het verzorgen van vleeskuikens geschiedt
overeenkomstig artikel 4, derde tot en met zesde lid. Het verzorgen
van andere dieren geschiedt overeenkomstig artikel 4.
3. Het huisvesten van kalveren geschiedt overeenkomstig artikel
5, vierde lid. Het huisvesten van varkens geschiedt overeenkomstig
artikel 5, eerste tot en met vijfde lid en zevende tot en met tiende
lid. Het huisvesten van legkippen geschiedt overeenkomstig artikel 5,
met uitzondering van het eerste en zesde lid. Het huisvesten van
vleeskuikens geschiedt overeenkomstig artikel 5, tweede tot en met
vierde lid, en zevende tot en met tiende lid. Het huisvesten van
andere dieren geschiedt overeenkomstig artikel 5.
Artikel 3
1. De bewegingsvrijheid van het dier wordt niet op zodanige
wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt
toegebracht.
2. Wanneer een dier
permanent of geregeld wordt aangebonden, vastgeketend of
geïmmobiliseerd, wordt het voldoende ruimte gelaten voor zijn
fysiologische en ethologische behoeften.
3. Een dier wordt, indien het niet in een
gebouw wordt gehouden, beschermd tegen slechte weersomstandigheden,
roofdieren en gezondheidsrisico's.
Artikel 4
1. Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal
personen, dat:
a. beschikt over de nodige kennis;
b. beschikt over de nodige vaardigheden, en
c. vakbekwaam is.
2. Een dier dat wordt gehouden in een veehouderijsysteem waar
zijn welzijn afhangt van frequente verzorging door de mens, wordt ten
minste eenmaal per dag gecontroleerd. Een dier dat in een ander
systeem wordt gehouden, wordt zo vaak gecontroleerd dat lijden wordt
voorkomen.
3. Een dier dat ziek of gewond lijkt, wordt onmiddellijk op
passende wijze verzorgd. Wanneer die zorg geen verbetering in de
toestand van het dier brengt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts
geraadpleegd.
4. Een dier krijgt een toereikende hoeveelheid gezond en voor
de soort en de leeftijd geschikt voeder zodat het in goede gezondheid
blijft en aan zijn voedingsbehoeften wordt voldaan.
5. Het toegediende voeder en drinken alsmede de wijze van
toediening brengen het dier geen onnodig lijden of letsel toe.
6. Een dier krijgt voeder met tussenpozen die bij zijn
fysiologische behoeften passen.
Artikel 5
1. Er is voldoende verlichting voor een grondige controle van
het dier op elk willekeurig tijdstip.
2. Een ziek of gewond dier wordt zo nodig afgezonderd in een
passend onderkomen. Het onderkomen bestaat zo nodig uit droog
strooisel.
3. Het materiaal dat wordt gebruikt voor de behuizing is niet
schadelijk voor het dier en kan grondig gereinigd en ontsmet worden.
4. Behuizing en inrichtingen voor de beschutting van een dier
zijn zodanig geconstrueerd en verkeren in een zodanige staat van
onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die het dier
kunnen verwonden.
5. De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de
temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in
de omgeving van het dier zijn niet schadelijk voor het dier.
6. Een in een gebouw gehouden dier wordt niet permanent in het
duister of in kunstlicht gehouden. Indien het beschikbare natuurlijke
licht niet voldoende is voor de ethologische en fysiologische
behoeften van het dier, is geschikt kunstlicht aanwezig.
7. Indien de gezondheid en welzijn van een dier afhankelijk is
van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een passend
noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de
gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het
hoofdsysteem uitvalt. Indien het hoofdsysteem uitvalt treedt een
alarmsysteem in werking. Het alarmsysteem wordt regelmatig getest.
8. Een dier heeft toegang tot een toereikende hoeveelheid
schoon water of kan op een andere wijze aan zijn behoefte aan water
voldoen.
9. Een voeder- of drinkinstallatie is zo ontworpen, gebouwd en
geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voeder en water,
alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren
tot een minimum worden beperkt.
10. Automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is
voor de gezondheid en het welzijn van een dier wordt ten minste
eenmaal per dag gecontroleerd. Defecten worden onmiddellijk hersteld.
Indien herstel niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen
getroffen om de gezondheid en het welzijn van het dier veilig te
stellen.
Artikel 6
1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de
Diergeneesmiddelenwet wordt door de eigenaar of houder van een dier
een register bijgehouden van de verstrekte medische zorg en het bij
iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen. Dit register
wordt ten minste drie jaar bewaard.
2. Onverminderd het bepaalde
bij of krachtens de Diergeneesmiddelenwet worden geen stoffen aan een
dier toegediend, behalve stoffen voor therapeutische of profylactische
doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling zoals bedoeld in
artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 96/22/EG van de Raad
van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de
veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van
bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten
en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG,
88/146/EEG (PbEG L 125), tenzij uit wetenschappelijke studies naar het
welzijn van dieren of uit de ervaring is gebleken dat de stof niet
schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen
voordat 30 dagen zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is
overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien
binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste
een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de
wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van dit besluit
bij wet wordt geregeld.
Artikel 8
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit welzijn productiedieren.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 december 1999
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de achtentwintigste december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|