| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
DIERENTUINENBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
24 juli 2010
|
|
|
BESLUIT van 19 april 2002, houdende eisen aan het houden, huisvesten,
verzorgen en tonen van wilde dieren in dierentuinen (Dierentuinenbesluit)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 11 december 2001, nr. TRCJZ/2001/17 402, Directie
Juridische Zaken;
Gelet op Richtlijn nr. 1999/22/EG van de Raad van de Europese Unie
van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in
dierentuinen (PbEG L 94) en gelet op de artikelen 35, 38, 45, 65 en 111
van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 3, eerste lid
en derde tot en met achtste lid, van de Wet op de dierenbescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 2002, nr.
W11.01 0674/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij, van 15 april 2002, nr. TRCJZ/2002/4751, Directie Juridische
Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. dierentuin: een permanente inrichting waar levende dieren van
wilde diersoorten worden gehouden om gedurende ten minste zeven
dagen per jaar te worden tentoongesteld aan het publiek, met
uitzondering van inrichtingen waar maximaal 10 diersoorten worden
gehouden, niet zijnde diersoorten die op grond van de artikelen 4 en
5 van de Flora- en faunawet zijn aangewezen, circussen en
dierenwinkels;
b. wilde diersoorten: alle van nature in het wild levende
diersoorten met uitzondering van diersoorten die voorkomen in de
bijlage bij het Besluit aanwijzing voor productie te houden dieren
en honden en katten;
c. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
d. diergroep: dieren levend in een groep, die gelet op hun omvang
en kenmerken afzonderlijk niet te individualiseren zijn;
e. dierenverblijf: ruimte waar dieren worden gehouden.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit besluit worden als soorten en categorieën
van dieren als bedoeld in de artikelen 35, eerste lid, 38, eerste lid,
en 45, eerste lid, van de wet en artikel 3, eerste en vierde lid, van de
Wet op de dierenbescherming aangewezen wilde dieren uitsluitend
voorzover zij in dierentuinen worden gehouden.
§ 2. Vergunning
Artikel 3
Het is verboden een dierentuin te exploiteren op een wijze die niet
overeenstemt met de artikelen 4 en 7 tot en met 13.
Artikel 4
1. De exploitant van een dierentuin beschikt over een door Onze
Minister verstrekte vergunning.
2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt overeenkomstig
de procedure in het derde tot en met het zesde lid verleend indien is
voldaan aan de artikelen 7 tot en met 13.
3. De exploitant van een dierentuin vraagt een vergunning aan bij
Onze Minister met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier dat
op verzoek ter beschikking wordt gesteld.
4. Alvorens een vergunning wordt verleend, aanzienlijk gewijzigd of
geweigerd, wordt een dierentuin door Onze Minister geďnspecteerd.
5. Aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen
voorschriften worden verbonden. De vergunning kan onder beperkingen
worden verleend. Tot de voorschriften kan behoren de verplichting
specifieke voorzieningen aan te brengen om de dierentuin of bepaalde
gedeelten van de dierentuin in overeenstemming te brengen met de
bepalingen van dit besluit.
6. Aan een vergunning worden voorschriften en beperkingen
verbonden, die strekken tot nadere uitwerking van de in het besluit
gestelde eisen. De aan de vergunning verbonden voorschriften en de
beperkingen waaronder deze is verleend, kunnen worden gewijzigd,
aangevuld of ingetrokken.
7. Onze Minister beslist binnen 13 weken na de ontvangst van een
aanvraag als bedoeld in het derde lid.
8. Onze Minister houdt een register bij van de vergunningen.
9. Een voor een dierentuin verleende vergunning geldt tevens voor
veranderingen van een dierentuin die niet overeenkomstig het vierde
lid zijn geďnspecteerd voorafgaand aan de vergunningverlening, onder
voorwaarde dat:
a. deze veranderingen geen wijziging van de vergunning eisen,
maar voldoen aan de eisen van dit besluit en de aan de vergunning
verbonden beperkingen en voorschriften;
b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de
vergunninghouder schriftelijk aan Onze Minister is gemeld;
c. Onze Minister aan de vergunninghouder schriftelijk heeft
verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan onderdeel a.
Artikel 5
De vergunningaanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. het aantal en de soorten te houden wilde dieren;
b. het aantal dagen per jaar dat de diersoorten worden
tentoongesteld aan publiek;
c. informatie over het aantal personeelsleden en de kwalificatie;
d. een plattegrond met een weergave van de afmeting en inrichting
van de dierenverblijven en de daarin verblijvende diersoorten;
e. een afschrift van het beleidsprotocol als bedoeld in artikel
12, eerste lid.
§ 3. Eisen aan houden, huisvesten, verzorging en tonen van dieren
Artikel 6
1.Het houden van dieren in een dierentuin geschiedt overeenkomstig
artikel 7.
2.Het huisvesten van dieren in een dierentuin geschiedt
overeenkomstig artikel 8.
3.Het verzorgen van dieren in een dierentuin geschiedt
overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11.
4.Het tonen van dieren aan het publiek geschiedt slechts indien
wordt voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 12 en 13.
Artikel 7
De dierentuin houdt de dieren op zodanige wijze dat:
a. het soorteigen gedrag van de diersoorten wordt gerespecteerd
en zoveel mogelijk in stand gehouden;
b. de bewegingsvrijheid van de diersoorten niet op zodanige wijze
wordt beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt
toegebracht;
c. de sociale levenswijze van de dieren in het wild zo veel
mogelijk tot uitdrukking komt, rekening houdend met de mogelijkheden
van het individuele dier;
d. de dieren voldoende ruimte hebben en de bezetting van de
verblijven de materiële capaciteit van de dierentuin niet
overschrijdt;
e. rekening wordt gehouden met de behoeften van het individuele
dier.
Artikel 8
1.Bij de inrichting van de dierenverblijven wordt rekening gehouden
met:
a. het soorteigen bewegingsgedrag, door het verblijf te
voorzien van zoveel mogelijk elementen lijkend op de natuurlijke
leefomgeving;
b. het klimaat waarin de diersoort van nature leeft en het
soorteigen bioritme, door het verblijf te voorzien van adequate
beschutting en bescherming tegen voor de desbetreffende diersoort
extreme weersomstandigheden en een adequate klimaatbeheersing en
verlichting;
c. het soorteigen sociale gedrag, door het verblijf bij
solitaire huisvesting te voorzien van een voor de diersoort
geschikte rusten schuilplaats en bij groepshuisvesting te voorzien
van een rust- en schuilplaats die een dier de mogelijkheid biedt
zich af te zonderen van de andere dieren;
d. het soorteigen paringsgedrag, door de dieren op adequate
wijze van elkaar te scheiden of in het verblijf waarin de dieren
gedurende de paringstijd worden gehouden voorzieningen aan te
brengen waardoor het soorteigen paringsgedrag mogelijk wordt
gemaakt;
e. het soorteigen uitscheidingsgedrag, door het verblijf indien
nodig te voorzien van een voor de diersoort geschikte mestplaats.
2.De dierenverblijven zijn voorzien van een adequate afscheiding
die het uitbreken van de dieren voorkomt en een veilige barričre
tussen de dieren en het publiek vormt.
3.Het materiaal dat wordt gebruikt voor de dierenverblijven is niet
schadelijk voor het dier.
4.Van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid onderdelen a, b
en c en artikel 7, onderdeel d, kan tijdelijk worden afgeweken indien
er opvang wordt geboden aan een dier of diergroep waarvoor voldoende
deskundigheid aanwezig is, maar waardoor de capaciteit van de
dierentuin wordt overschreden en de opvang niet elders op betere wijze
kan plaatsvinden.
Artikel 9
1.De verzorging is afgestemd op de behoeften van het dier.
2.De conditie en de gezondheid van het dier worden dagelijks
gecontroleerd.
3.Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal personen, dat
beschikt over de nodige kennis, vaardigheden en vakbekwaamheid.
4.Een dier dat ziek of gewond is, wordt op passende wijze verzorgd.
Indien de zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt,
wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.
5.Een ziek of gewond dier wordt zo nodig afgezonderd in een passend
onderkomen.
6.De dierentuin beschikt over een quarantainevoorziening en een
behandelruimte.
Artikel 10
1.Een dier heeft toegang tot een toereikende hoeveelheid schoon
water of kan op een andere wijze aan zijn behoefte aan water voldoen.
2.Een dier krijgt een toereikende hoeveelheid gezond en voor de
soort en de leeftijd geschikt voeder, zodat het in goede gezondheid
blijft en aan zijn voedingsbehoeften wordt voldaan.
3.Het toedienen van het voeder is afgestemd op de fysiologische
behoeften van de diersoort en stimuleert de natuurlijke wijze van
voedselvergaren.
Artikel 11
1.De verblijven worden zo vaak als nodig grondig gereinigd en
ontsmet.
2.Zwemwater, stro of ander bodembedekkend materiaal wordt naar
behoefte van de diersoort vervangen.
§ 4. Beleidsprotocol en registratie
Artikel 12
1.De dierentuin beschikt over een beleidsprotocol met daarin
opgenomen een eenduidig beleid met betrekking tot de in het tweede tot
en met het zesde lid genoemde onderwerpen en handelt
dienovereenkomstig.
2.De dierentuin bevordert de instandhouding van de diersoorten door
het uitvoeren van ten minste een van de volgende activiteiten:
a. de deelname aan onderzoek dat gunstige gevolgen heeft voor
het behoud van de diersoorten, de opleiding van het personeel in
voor het onderzoek relevante vaardigheden en de uitwisseling van
de verkregen informatie met andere dierentuinen;
b. zoveel mogelijk deelnemen aan bestaande programma's met
betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel
van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun
natuurlijke omgeving.
3.Bij de transactie van dieren verzekert de dierentuin zich ervan
dat de ontvangende partij de dieren houdt, huisvest en verzorgt op een
wijze die vergelijkbaar is met de eisen uit dit besluit.
4.De dierentuin beschikt over een noodplan met betrekking tot de
ontsnapping van dieren.
5.De dierentuin beschikt over een protocol met betrekking tot de
voedingsaspecten, bedoeld in artikel 10 en de preventieve en curatieve
diergeneeskundige verzorging van de dieren, dat is opgesteld onder
begeleiding van een dierenarts.
6.De dierentuin beschikt over een informatief en educatief
programma met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten. Bij het
verstrekken van informatie worden de dieren zoveel mogelijk in hun
biologische en ecologische context geplaatst.
Artikel 13
1.De vergunninghouder voert een inzichtelijke registratie van elk
dier of diergroep, waaruit de mutaties van de diersoorten en de
ziektegeschiedenis blijken.
2.De registratie bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. de wetenschappelijke soortnaam en het aantal;
b. het geslacht, indien mogelijk en relevant;
c. datum van verkrijging of geboortedatum;
d. bij overdracht of verkrijging: de bestemming en de herkomst
van de dieren en – indien van toepassing – de nummers van de
in- en uitvoerdocumenten en certificaten;
e. identificatie van het dier of de diergroep door het
ringnummer, het tatoeagenummer, het microchipnummer of, indien een
registratienummer ontbreekt, een omschrijving aan de hand van
bijzondere uiterlijke kenmerken;
f. bij vertrek van een dier of diergroep: de datum en reden van
vertrek en de naam en het adres van de eindbestemming;
g. bij bezoek van de dierenarts: de datum van dit bezoek,
alsmede de gezondheidstoestand van het dier;
h. in geval van sterfte: de datum en de oorzaak.
3.Het register wordt ten minste een maal per maand bijgewerkt.
4.Bij vertrek gaat het dier of de diergroep vergezeld van een
afschrift van alle op basis van het eerste lid bijgehouden relevante
registers en documenten.
5.De gegevens, bedoeld in het eerste lid worden gedurende vijf jaar
na de dood of het vertrek van het dier of de diergroep bewaard en
worden op verzoek aan de bevoegde autoriteiten overgelegd.
§ 5. Overige bepalingen
Artikel 14
1.Indien een dierentuin niet voldoet aan de in dit besluit gestelde
voorschriften of aan de vergunningsvoorwaarden wordt deze op last van
Onze Minister geheel of gedeeltelijk gesloten voor het publiek.
2.Onze Minister kan tevens de vergunninghouder verplichten tot het
aanpassen, verwijderen of aanbrengen van specifieke voorzieningen
onder vermelding van een bepaalde termijn, die ten hoogste twee jaar
bedraagt, waarbinnen zulks dient te geschieden.
3.Indien een dierentuin niet binnen de gestelde termijn voldoet aan
de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, wordt de vergunning op
last van Onze Minister ingetrokken of gewijzigd en wordt de dierentuin
geheel of gedeeltelijk gesloten.
Artikel 15
Artikel 3 is tot 9 april 2003 niet van toepassing op een dierentuin
waarvan de exploitant kan aantonen dat deze voor de datum van
inwerkingtreding van dit besluit in gebruik is genomen.
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat 30
dagen zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan
beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn
door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het
grondwettelijke aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt
gegeven dat de inwerkingtreding van dit besluit bij wet wordt geregeld.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Dierentuinenbesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 19 april 2002
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de zestiende mei 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|