| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
REGELING
AGRESSIEVE DIEREN
Tekst zoals deze geldt op
25 maart 2008
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2009
|
|
|
De
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 73 en artikel 107 van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Stb. 1992, 585);
Gehoord de Stichting Registratie
Gezelschapsdieren Nederland, de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in
Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Nederlandse
Vereniging tot Bescherming van Dieren, de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde, de Stichting Animal Research
Foundation Europe;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet:
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Stb. 1992, 585);
b. minister:
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
c. houder:
eigenaar of houder;
d. muilkorf:
muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan de volgende
beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van
stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren
riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen
van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager
geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf
een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen
de korf aanwezig zijn;
e. kort aanlijnen:
aanlijnen van een dier met een deugdelijke lijn met een lengte,
gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter;
f. stichting:
de Stichting Registratie Gezelschapsdieren Nederland te Apeldoorn;
g. dierenpaspoort:
een door de stichting afgegeven en deugdelijk ingevuld dierenpaspoort
waarvan het model laatstelijk is vastgesteld door de Staatssecretaris
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij beschikking van 26 februari
1991, no. J 91203 (Stcrt. 1991, 44).
Artikel 2
Als diersoorten en categorieën van dieren, bedoeld in artikel 73,
eerste lid, van de wet worden aangewezen de soorten en categorieën van
dieren als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
Artikel 3
1. Het in artikel 73, tweede lid, van de
wet bepaalde is niet van toepassing, indien:
a. de houder beschikt over een dierenpaspoort dan wel een geldig
ontvangstbewijs als bedoeld in artikel 7, derde lid, dat is voorzien
van een identificatiemerk waaruit blijkt dat sprake is van een dier
dat behoort tot de desbetreffende in bijlage 1 bedoelde soort of
categorie;
b. het dier is voorzien van een door middel van tatoeage
aangebracht identificatiemerk, dat gelijk is aan het in het
dierenpaspoort, bedoeld in onderdeel a, aangebrachte
identificatiemerk, en
c. het dier ingeval het zich op een voor het publiek toegankelijk
terrein of op het terrein van een ander bevindt, kort is aangelijnd en
is voorzien van een muilkorf en de houder het dierenpaspoort of
ontvangstbewijs bij zich draagt.
2. Het verbod om een dier in Nederland te brengen, bedoeld om
artikel 73, eerste lid, van de wet is niet van toepassing indien voldaan
is aan de onderdelen a en b van het vorige lid.
3. Onverminderd het eerste en het tweede lid, is artikel 73,
eerste en tweede lid van de wet alleen niet van toepassing indien de
houder beschikt over een stamboom van het dier en deze stamboom is
erkend door een bij de Fédération Cynologique Internationale
aangesloten organisatie.
Artikel 4
Het in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde identificatiemerk
wordt slechts in het dierenpaspoort geplaatst en als tatoeage
aangebracht indien de houder van het dier een door een dierenarts
afgegeven en gedagtekende verklaring overlegt waaruit blijkt:
a. dat het dier onvruchtbaar is gemaakt, of
b. dat het dier jonger is dan zes maanden, of
c. dat het dier drachtig is en wat de te verwachten geboortedatum
van de pups is.
Artikel 5
1. Het identificatiemerk, bedoeld in
artikel 3, tweede lid, onderdelen a en b, bestaat ingeval het gaat om
een dier als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, uit een door de
stichting te bepalen kenteken, te weten een tatoeage verdeeld over beide
oren, en ingeval het gaat om een dier als bedoeld in artikel 4,
onderdeel b, uit de helft van dit kenteken, te weten de tatoeage in het
linker oor.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het
kenteken bij honden met oren die daarvoor naar het oordeel van de
stichting niet geschikt zijn, in de lies worden aangebracht, met dien
verstande dat de helft van het kenteken in de linker lies wordt
geplaatst.
Artikel 6
1. Een dierenpaspoort als bedoeld in
artikel 3, tweede lid, onderdeel a, danwel een identificatiemerk als
daar bedoeld ingeval de houder van het dier reeds beschikt over een
geldig dierenpaspoort, dient binnen tien weken na de datum van
inwerkingtreding van deze regeling te worden aangevraagd bij de
stichting op een daartoe bestemd formulier. Aanvragen die na het
verstrijken van de periode van tien weken door de Stichting zijn
ontvangen, worden niet meer in behandeling genomen.
2. Op de achterzijde van het aanvraagformulier, bedoeld in het
eerste lid, dient de desbetreffende verklaring te zijn vermeld, bedoeld
in artikel 4. Indien de houder van het dier reeds beschikt over een
dierenpaspoort wordt dit meegezonden.
3. Indien sprake is van een dier als bedoeld in artikel 4,
onderdeel c, dient de houder binnen zeven weken na de geboorte van de
pup of de pups voorts een verklaring als bedoeld in artikel 4, onderdeel
a, toe te zenden aan de stichting met gebruikmaking van het daartoe
bestemde formulier.
Artikel 7
1. Indien sprake is van een dier als
bedoeld in artikel 4, onderdeel b, dient de houder binnen zeven maanden
na de geboorte van het dier een verklaring als bedoeld in artikel 4,
onderdeel a, toe te zenden aan de stichting met gebruikmaking van het
daartoe bestemde formulier.
2. De stichting draagt zorg voor de aanpassing van het
identificatiemerk overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, binnen vier
weken na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde verklaring.
3. Indien de stichting ten behoeve van de aanpassing het eerder
afgegeven dierenpaspoort inneemt, verstrekt zij een ontvangstbewijs
waarop de geldigheidsduur is aangegeven.
Artikel 8
Deze regeling kan worden aangehaald als de Regeling agressieve
dieren.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 1993.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.D. Gabor.
Bijlage 1. Honden van het
Pit-bull-Terriër-type, waaronder wordt verstaan honden die in
belangrijke mate voldoen aan de navolgende karakteristieken of in
belangrijke mate gelijkenis vertonen met de navolgende afbeeldingen
Algemene omschrijving:
* gespierde gladharige hond
* straalt kracht uit
* atletisch, maar niet zeer slank
* een zwaar front met in vergelijking een lichte achterhand
* van opzij gezien maakt de hond een vierkante indruk
* hoogte (schoft): 35-50 cm
Hoofd:
* geblokt, doosvormig, zwaar in verhouding tot het lichaam
* brede kaaktakken
* brede schedel
* sterk ontwikkelde neusbrug
* het gebied onder de ogen is opmerkelijk breed
* sterk ontwikkelde kauwspieren
Voorsnuit:
* geen spitse snuit
Oren:
* hoog aan het hoofd geplaatst
* tippend of gecoupeerd
* geen rimpels
Ogen:
* rond, diepliggend en betrekkelijk klein
* breed uit elkaar geplaatst
Hals
* gespierd tot aan de schedel
* kort
Borst:
* diep
* ruim gebogen ribben, naar onderen taps toelopend
* breed
Rug:
* gespierd
* kort
Benen:
* de voorbenen zijn recht en maken een zware, solide indruk
* de heupen zijn breed en lang en lopen af in betrekkelijk lange
achterbenen
Vacht:
* kortharig
Staart:
* laag aangezet
* dun
* vrij kort in relatie tot het lichaam
* taps toelopend tot een fijne punt
* of gecoupeerd


|
|
|