|
REGELING van de
Minister van Landbouw, Natuuren Voedselkwaliteit van 11 december 2007,
TRCJZ/2007/ 3758, houdende voorschriften over dierlijke bijproducten
(Regeling dierlijke bijproducten)
De
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op:
- Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad
van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake
preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare
spongiforme encefalopathieën (PbEG L 147);
- Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 3 oktober 2002 tot vaststelling van
gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde
dierlijke bijproducten (PbEG L 273);
- Verordening (EG) nr. 809/2003 van de Commissie van 12 mei 2003 inzake
overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het
Europees Parlement en de Raad wat betreft de verwerkingsnormen voor
categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in composteerinstallaties (PbEU
L 117);
- Verordening (EG) nr. 810/2003 van de Commissie van 12 mei 2003 inzake
overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het
Europees Parlement en de Raad wat betreft de verwerkingsnormen voor
categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in biogasinstallaties (PbEU
L 117);
- Verordening (EG) nr. 811/2003 van de Commissie van 12 mei 2003 ter
uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement
en de Raad wat betreft het verbod op hergebruik binnen dezelfde soort
voor vis, de begraving en verbranding van dierlijke bijproducten en
bepaalde overgangsmaatregelen (PbEU L 117);
- Verordening (EG) nr. 79/2005 van de Commissie van 19 januari 2005 tot
uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement
en de Raad wat betreft het gebruik van melk, melkproducten en
melkderivaten die in die verordening zijn omschreven als categorie
3-materiaal (PbEU L 16);
- Verordening (EG) nr. 92/2005 van de Commissie van 19 januari 2005 tot
uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement
en de Raad voor wat betreft de methoden voor de verwijdering of het
gebruik van dierlijke bijproducten en tot wijziging van bijlage VI
daarbij voor wat betreft de omzetting in biogas en de verwerking van
gesmolten vet (PbEU L 19);
- Verordening (EG) nr. 181/2006 van de Commissie van 1 februari 2006 ter
uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat andere biologische
meststoffen en bodemverbeteraars dan mest betreft en tot wijziging van
die Verordening (PbEU L 29);
- Verordening (EG) nr. 197/2006 van de Commissie van 3 februari 2006
inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat
betreft het verzamelen, het vervoer, de behandeling, het gebruik en de
verwijdering van voormalige voedingsmiddelen (PbEU L 32);
- Beschikking nr. 2004/407/EG van de Commissie van 26 april 2004 inzake
overgangsbepalingen op het gebied van hygiëne en certificatie krachtens
Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat
betreft de invoer van fotografische gelatine uit bepaalde derde landen (PbEU
L 151);
Gelet op de artikelen 81c, eerste en derde lid,
81d en 81g, eerste, vierde en vijfde lid, van de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren;
Gelet op de artikelen 2, derde lid, 5, tweede
lid, 7, tweede lid, en 8, tweede lid, van het Besluit dierlijke
bijproducten;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. verordening (EG) nr. 999/2001:
verordening (EG) nr. 999/2001
van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei
2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie,
bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme
encefalopathieën (PbEG L 147);
b. verordening (EG) nr. 1774/2002:
verordening (EG) nr. 1774/2002
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 oktober
2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor
menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273);
c. verordening (EG) nr. 809/2003:
verordening (EG) nr. 809/2003
van de Commissie van 12 mei
2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002
van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de
verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in
composteerinstallaties (PbEU L 117);
d. verordening (EG) nr. 810/2003:
verordening (EG) nr. 810/2003
van de Commissie van 12 mei
2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002
van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de
verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in
biogasinstallaties (PbEU L 117);
e. verordening (EG) nr. 811/2003:
verordening (EG) nr. 811/2003
van de Commissie van 12 mei
2003 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002
van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het verbod op
hergebruik binnen dezelfde soort voor vis, de begraving en
verbranding van dierlijke bijproducten en bepaalde
overgangsmaatregelen (PbEU L 117);
f. verordening (EG) nr. 853/2004:
verordening (EG) nr. 853/2004
van het Europees Parlement en de Raad van 29 april
2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor
levensmiddelen van dierlijke oorsprong ( PbEU L 139);
g. verordening (EG) nr. 79/2005:
verordening (EG) nr. 79/2005
van de Commissie van 19 januari
2005 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002
van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van
melk, melkproducten en melkderivaten die in die verordening zijn
omschreven als categorie 3-materiaalVoor de EER relevante tekst (PbEU
L 16);
h. verordening (EG) nr. 92/2005:
verordening (EG) nr. 92/2005
van de Commissie van 19 januari
2005 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002
van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft de methoden
voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten en
tot wijziging van bijlage VI daarbij voor wat betreft de omzetting
in biogas en de verwerking van gesmolten vet (PbEU L 19);
i. verordening (EG) nr. 181/2006:
verordening (EG) nr. 181/2006
van de Commissie van 1 februari
2006 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002
wat andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest
betreft en tot wijziging van die verordening (PbEU L 29);
j. verordening (EG) nr. 197/2006:
verordening (EG) nr. 197/2006
van de Commissie van 3 februari
2006 inzake overgangsmaatregelen krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002
wat betreft het verzamelen, het vervoer, de behandeling, het gebruik
en de verwijdering van voormalige voedingsmiddelen (PbEU L 32);
k. beschikking nr. 2004/407/EG:
beschikking van de Commissie van 26 april
2004 inzake overgangsbepalingen op het gebied van hygiëne en
certificatie krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002
van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de invoer van
fotografische gelatine uit bepaalde derde landen (PbEU L 151);
l. aangifteplichtige: eigenaar of houder als bedoeld in artikel
81g van de wet;
m. besluit: Besluit dierlijke bijproducten;
n. fotografische gelatine: fotografische gelatine, bedoeld in
artikel 1 van beschikking nr. 2004/407/EG;
o. Minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
p. VWA: Voedsel en Waren Autoriteit.
Hoofdstuk 2. Europese voorschriften
Paragraaf 1. Bevoegde autoriteit
Artikel 2.1. [Minister]
De Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in:
a. artikel 4, tweede lid, onderdeel b, artikel 5, tweede lid,
onderdelen b en e, artikel 10, eerste lid, artikel 11, eerste lid,
artikel 12, tweede en derde lid, artikel 13, eerste lid, artikel
14, eerste lid, artikel 15, eerste lid, artikel 17, eerste lid, en
artikel 18, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
b. bijlage II, hoofdstuk III en hoofdstuk VIII, eerste zin,
bijlage V, hoofdstuk III, bijlage VI, hoofdstuk I, punt 2, en
hoofdstuk II, bijlage VII, hoofdstuk I en hoofdstuk II, punt 13, en
bijlage VIII, hoofdstuk III, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
c. artikel 1, derde lid, en artikel 3, tweede lid, van
verordening (EG) nr. 809/2003;
d. artikel 1, derde lid, en artikel 3, tweede lid, van
verordening (EG) nr. 810/2003;
e. artikel 6, eerste lid, en artikel 8 van verordening (EG) nr. 811/2003;
f. artikel 4, eerste lid, en artikel 5 van verordening (EG) nr. 79/2005;
g. artikel 1, artikel 2, en artikel 3 van verordening (EG) nr. 92/2005
en bijlage VI, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 92/2005;
h. artikel 9, derde lid, van verordening (EG) nr. 181/2006
en de bijlage, deel III, eerste lid, en deel IV bij verordening (EG)
nr. 181/2006.1
Artikel 2.2. [VWA]
De VWA is de bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 8, vierde lid,
artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) nr. 1774/2002
en bijlage II, hoofdstuk II, en bijlage V, hoofdstuk V bij verordening
(EG) nr. 1774/2002.
Paragraaf 2. Algemene voorschriften dierlijke bijproducten
Artikel 2.3. [categorie 1-materiaal]
1. Het is verboden in strijd te handelen met :
a. artikel 4, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
b. artikel 4, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Het is uitsluitend toegestaan categorie 1-materiaal
overeenkomstig artikel 4, tweede lid, onderdelen c en e, van
verordening (EG) nr. 1774/2002
te verwerken of te verwijderen indien daarvoor toestemming is verleend
door de Minister.
3. Het is toegestaan categorie 1-materiaal, te behandelen,
verwerken of verwijderen, overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in de
artikelen 1 en 4 van verordening (EG) nr. 92/2005.
Het tweede lid is niet van toepassing.
Artikel 2.4. [categorie 2-materiaal]
1. Het is verboden in strijd te handelen met:
a. artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
b. artikel 5, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Het is uitsluitend toegestaan categorie-2 materiaal
overeenkomstig artikel 5, tweede lid, onderdelen c, subonderdeel iii,
d en g, van verordening (EG) nr. 1774/2002,
of voor zover van toepassing, overeenkomstig artikel 8 van verordening
nr. 811/2003,
te verwerken of te verwijderen indien daarvoor toestemming is verleend
door de Minister.
3. Het is toegestaan categorie 2-materiaal, te behandelen,
verwerken of verwijderen, overeenkomstig de voorwaarden, voor zover
van toepassing, bedoeld in de artikelen 2 en 4 van verordening (EG)
nr. 92/2005.
Het tweede lid is niet van toepassing.
4. Het is toegestaan mest en de inhoud van het maagdarmkanaal,
te behandelen, verwerken of verwijderen, overeenkomstig de
voorwaarden, voor zover van toepassing, bedoeld in de artikelen 2 en 4
van verordening (EG) nr. 92/2005.
Het tweede lid is niet van toepassing.
Artikel 2.5. [merken en kleuren van categorie 1- en 2 materiaal]
1. Het merken, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen b
en c, artikel 5, tweede lid, onderdelen b en c, en bijlage VI,
hoofdstuk I, onder C, punt 8, van verordening (EG) nr. 1774/2002, en
artikel 4 van verordening (EG) nr. 92/2005 geschiedt door middel van
glyceroltriheptanoaat (GTH), overeenkomstig de voorwaarden van
bijlage VI, hoofdstuk I, onder C, punten 10 tot en met 12, van
verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de
voorschriften van bijlage VI, hoofdstuk I, onder C, punt 13 van
verordening (EG) nr. 1774/2002 van toepassing zijn.
3. Het kleuren, bedoeld in bijlage V, punt 3, bij verordening
(EG) nr. 999/2001 geschiedt door middel van kleuring met de
kleurstoffen methyleen blauw, patent-blauw E131 of briljant-blauw E133
of door middel van een andere door de Minister goedgekeurde kleurstof.
Artikel 2.6. [categorie 3-materiaal]
1. Het is verboden in strijd te handelen met:
a. artikel 6, tweede lid , van verordening (EG) nr. 1774/2002;
b. artikel 6, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Het is toegestaan categorie 3-materiaal, te behandelen,
verwerken of verwijderen, overeenkomstig de voorwaarden, voor zover
van toepassing, bedoeld in de artikelen 2 en 4 van verordening (EG)
nr. 92/2005.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing op melk, melkproducten en melkderivaten als bedoeld in
artikel 1 van verordening (EG) nr. 79/2005,
mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in verordening (EG) nr. 79/2005.
4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing op voormalige voedingsmiddelen als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, onderdeel f, van verordening (EG) nr. 1774/2002,
mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 1 en 2
van verordening (EG) nr. 197/2006.
Artikel 2.7. [verzamelen, vervoer en opslag]
1. Het is verboden in strijd te handelen met:
a. artikel 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
b. artikel 7, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
c. artikel 7, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is niet
van toepassing op het verzamelen en vervoeren van onverwerkte mest:
a. die rechtstreeks wordt vervoerd tussen twee punten op dezelfde
boerderij, voor zover deze zich in Nederland bevinden, of
b. die overeenkomstig de bij of krachtens het Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet gestelde regels worden vervoerd tussen boerderijen en
gebruikers, voorzover deze zich in Nederland bevinden.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, is
niet van toepassing op melk, melkproducten en melkderivaten als
bedoeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 79/2005,
mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in verordening (EG) nr. 79/2005.
4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing op voormalige voedingsmiddelen als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, onderdeel f, van verordening (EG) nr. 1774/2002,
mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 1 en 2
van verordening (EG) nr. 197/2006.
Artikel 2.7a. [handelsdocument vervoer binnen Nederland]
1. Bij vervoer van dierlijke bijproducten en verwerkte
producten binnen Nederland kan, overeenkomstig het bepaalde in
bijlage II, hoofdstuk X, punt 1 van verordening (EG) nr. 1774/2002,
gebruik worden gemaakt van een vormvrij handelsdocument, gesteld in
de Nederlandse taal, mits dit handelsdocument voldoet aan de
voorwaarden van bijlage II, hoofdstuk III, punt 2 en hoofdstuk X,
punt 1, onderdelen a) en b) van verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien bijlage II,
hoofdstuk III, punt 1, van verordening (EG) nr. 1774/2002 van
toepassing is.
Artikel 2.8. [intracommunautair verkeer]
1. Het is verboden dierlijke bijproducten en verwerkte
producten in strijd met artikel 8, eerste, tweede en derde lid, van
verordening (EG) nr. 1774/2002:
a. naar andere lidstaten te brengen;
b. uit lidstaten in Nederland te brengen.
2. Voorafgaand aan de zending, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a:
a. bevestigt de afzender aan de VWA dat de in artikel 8, tweede
lid, eerste zin, van verordening (EG) nr. 1774/2002
bedoelde toestemming door de lidstaat van bestemming is verleend, en
b. zendt de afzender aan de VWA een kopie van het
handelsdocument.
3. De toestemming, bedoeld in artikel 8, tweede lid, eerste
zin, van verordening (EG) nr. 1774/2002,
voor zover het betreft het brengen in Nederland van dierlijke
bijproducten en verwerkte producten, wordt door de Minister verleend.
4. In afwijking van het derde lid, wordt toestemming verleend
voor het in Nederland brengen van verwerkte dierlijke eiwitten,
verwerkte mest en overige verwerkte producten die afgeleid zijn van
categorie 2-materiaal die verwerkingsmethode 1 hebben ondergaan.
Artikel 2.9. [verkeer derde landen]
1. Het is verboden categorie-1 of categorie-2 materiaal
alsmede daarvan afgeleide producten, niet zijnde de dierlijke
bijproducten, bedoeld in bijlage VII of VIII van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
uit Nederland naar een derde land uit te voeren, via Nederland vanuit
een derde land in de Gemeenschap in te voeren of via Nederland door te
voeren.
2. Het is verboden categorie 3-materiaal via Nederland vanuit
een derde land in de Gemeenschap in te voeren, tenzij voldaan is aan
bijlage IX, hoofdstuk D, afdeling A en B, van verordening nr. 999/2001.
3. De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet
van toepassing op de invoer van dierlijke bijproducten voor het
gebruik, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van
verordening (EG) nr. 1774/2002,
mits de Minister daarvoor toestemming heeft verleend.
Artikel 2.10. [administratie]
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 9,
eerste lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Het is, voor zover van toepassing, verboden in strijd te
handelen met artikel 9 van verordening (EG) nr. 811/2003.
Artikel 2.11. [beperkingen gebruik]
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 22,
eerste lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing op het voederen van vismeel aan vissen.
3. Het is de eigenaar of de houder van ander vee dan pelsdieren
verboden keukenafval en etensresten of voedermiddelen die keukenafval
bevatten of daarvan afkomstig zijn, voorhanden te hebben.
4. Het verbod, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing
op het voorhanden hebben van keukenafval en etensresten die zijn
ontstaan in de eigen huishouding van de eigenaar of houder van ander
vee dan pelsdieren, indien deze uitsluitend verpakt voorhanden worden
gehouden in afwachting van afvoer, op zodanige wijze dat zij
onbereikbaar zijn voor vee.
5. Het is verboden keukenafval en etensresten of voedermiddelen
die keukenafval en etensresten bevatten of daarvan afkomstig zijn te
vervoeren naar plaatsen waar ander vee dan pelsdieren wordt gehouden
of af te leveren aan eigenaren of houders van ander vee dan
pelsdieren.
6. Het is verboden dieren, die behoren tot de orde Artiodactyla,
onderordes Ruminantia, Suina en Tylopoda, ongeacht het gebruiksdoel of
de leefomgeving van deze dieren te voederen met keukenafval en
etensresten of voedermiddelen die keukenafval en etensresten bevatten
of daarvan afkomstig te zijn.
Artikel 2.12. [afwijkingen gebruik]
1. Het is verboden de in artikel 23, eerste en tweede lid,
van verordening nr. (EG)
1774/2002 genoemde activiteiten te verrichten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing indien de Minister toestemming heeft verleend voor het
verrichten van de in dat lid bedoelde activiteiten.
3. De toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt aangevraagd
bij de VWA.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid is het
dierenartsen toegestaan sectie te verrichten op dierlijke
bijproducten, mits voldaan is aan de voorwaarden van verordening (EG)
nr. 1774/2002 en het gebruik van het materiaal uitsluitend plaatsvindt
in de praktijkruimte van de dierenarts.
Artikel 2.13. [afwijkingen verwijdering]
1. De verwijdering van dierlijke bijproducten, bedoeld in
artikel 24 van verordening (EG) nr. 1774/2002,
geschiedt niet zonder toestemming van de Minister.
2. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, is niet vereist
voor het begraven van kadavers van gezelschapsdieren, mits de kadavers
rechtstreeks als afval worden verwijderd door begraving op een terrein
dat ter beschikking staat van de eigenaar of houder van desbetreffende
dode dieren, dan wel op een plaats die ingevolge een besluit van het
college van burgemeester en wethouders daarvoor is toegelaten.
Artikel 2.14. [verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal]
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 8,
eerste lid, en bijlage V van verordening (EG) nr. 999/2001.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing op weefsels als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van
verordening (EG) nr. 999/2001.
Artikel 2.15. [interne controles]
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 25 van
verordening (EG) nr. 1774/2002.
Paragraaf 3. Specifieke voorschriften dierlijke bijproducten
Artikel 2.16. [vis]
Het is, voor zover van toepassing, verboden in strijd te handelen
met artikel 3 en 4 van verordening (EG) nr. 811/2003.
Artikel 2.17. [andere biologische meststoffen dan mest]
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3 tot en met
8 van verordening (EG) nr. 181/2006.
Artikel 2.18. [fotografische gelatine]
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, geldt niet
ten aanzien van de invoer van de in beschikking nr. 2004/407/EG
bedoelde fotografische gelatine.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de voorschriften,
bedoeld in beschikking nr. 2004/407/EG.
3. Een fotografische fabriek, bedoeld in artikel 3, van
beschikking 2004/407/EG wordt door de Minister erkend indien deze
voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3, van beschikking nr.
2004/407/EG.
4. Als grensinspectiepost van eerste binnenkomst, genoemd in
artikel 4, vijfde lid, van beschikking nr. 2004/407/EG wordt de
luchthaven Amsterdam aangewezen.
Paragraaf 4. Erkenning, vergunning of goedkeuring
Artikel 2.19. [erkenningen]
1. Het is verboden zonder erkenning:
a. als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een intermediair categorie 1-bedrijf, een intermediair categorie
2-bedrijf of een intermediair categorie 3-bedrijf in werking te
hebben, uit te breiden of te wijzigen;
b. als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een opslagbedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te
wijzigen;
c. als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een verbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 12, tweede of
derde lid, van verordening nr. 1774/2002
in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
d. als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een categorie 1-verwerkingsbedrijf of een categorie
2-verwerkingsbedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te
wijzigen;
e. als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een categorie 2-oleochemisch bedrijf of een categorie 3-oleochemisch
bedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
f. als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een biogasinstallatie of een composteerinstallatie in werking te
hebben, uit te breiden of te wijzigen;
g. als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een categorie 3-verwerkingsbedrijf in werking te hebben, uit te
breiden of te wijzigen;
h. als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een bedrijf voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren in
werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
i. als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002,
een technisch bedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te
wijzigen.
2. De erkenning, bedoeld in het eerste lid, wordt aangevraagd
bij de VWA.
Artikel 2.20. [voorwaarden erkenningen]
Het is, voor zover van toepassing, verboden een overeenkomstig
artikel 2.19:
a. erkend intermediair categorie 1-bedrijf of intermediair
categorie 2-bedrijf in werking te hebben in strijd met de eisen,
bedoeld in artikel 10, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
b. erkend intermediair categorie 3-bedrijf in werking te hebben
in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 10, derde lid, van
verordening (EG) nr. 1774/2002;
c. erkend opslagbedrijf in werking te hebben in strijd met de
eisen , bedoeld in artikel 11, tweede lid, van verordening (EG)
nr. 1774/2002;
d. erkende verbrandingsinstallatie of een erkende
meeverbrandingsinstallatie met hoge capaciteit waarop richtlijn
nr. 2000/76/EG
niet van toepassing is in werking te hebben in strijd met de
eisen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
e. erkende verbrandingsinstallatie of een erkende
meeverbrandingsinstallatie met lage capaciteit waarop richtlijn
nr. 2000/76/EG
niet van toepassing is in werking te hebben in strijd met de
eisen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van verordening nr. 1774/2002;
f. erkend categorie 1-verwerkingsbedrijf of categorie
2-verwerkingsbedrijf in werking te hebben in strijd met de eisen,
bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdelen a en b, van
verordening (EG) nr. 1774/2002;
g. erkend categorie 2-oleochemisch bedrijf of categorie
3-oleochemisch bedrijf in werking te hebben in strijd met de
eisen, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdelen c en d, van
verordening (EG) nr. 1774/2002
en met de eisen, bedoeld in bijlage VI, hoofdstuk III, van die
verordening;
h. erkende biogasinstallatie of composteerinstallatie in
werking te hebben in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 15,
tweede lid, onderdelen a, d en e, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
i. erkend categorie 3-verwerkingsbedrijf in werking te hebben
in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 17, tweede lid,
onderdelen a en b, van verordening (EG) nr. 1774/2002
en, indien het een verzamelcentrum is, bijlage IX, van die
verordening, of, voor zover van toepassing, in strijd met de
eisen, bedoeld in artikelen 3 en 4 van verordening (EG) nr. 811/2003;
j. erkend bedrijf voor de vervaardiging van voeder voor
gezelschapsdieren in werking te hebben in strijd met de eisen,
bedoeld in artikel 18, tweede lid, en de eisen, bedoeld in bijlage
VIII, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
k. erkend technisch bedrijf in werking te hebben in strijd met
de eisen, bedoeld in artikel 18, tweede lid, en de eisen, bedoeld
in bijlage VIII, van verordening (EG) nr. 1774/2002
.
Artikel 2.21. [erkenning melkverwerkend bedrijf]
Een melkverwerkend bedrijf, dat overeenkomstig artikel 4 van
verordening (EG) nr. 853/2004
is erkend, is tevens geregistreerd als bedoeld in artikel 4 van
verordening (EG) nr. 79/2005.
Artikel 2.22. [vergunning melkverwerkend bedrijf]
1. De Minister kan op aanvraag een veehouderij een vergunning
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 79/2005
verstrekken.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk
ingediend bij de VWA.
3. De Minister kan in het kader van de risicobeoordeling,
bedoeld in bijlage I, hoofdstuk 2, onderdeel B en bijlage II,
onderdeel B, onder b, bij verordening (EG) nr. 79/2005,
voorwaarden aan de vergunning verbinden.
Artikel 2.23. [goedkeuring installatie bij alternatieve methoden
verwijdering]
Het is verboden zonder goedkeuring als bedoeld in artikel 3 van
verordening (EG) 92/2005, een installatie bestemd voor gebruik
overeenkomstig de methoden, bedoeld in de bijlagen I tot en met VII
bij verordening (EG) nr. 92/2005,
in werking te hebben.
Artikel 2.24. [biogas- en composteerinstallaties]
1. Overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk II, onderdeel C, punt
14, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1774/2002 gelden, indien
mest, de inhoud van het maagdarmkanaal gescheiden van het
maagdarmkanaal, melk en biest de enige grondstoffen van dierlijke
oorsprong zijn die in een biogasinstallatie worden verwerkt,
uitsluitend de erkenningseisen, bedoeld in bijlage VI, hoofdstuk II,
onderdeel A, punt 1, onder b, eerste en laatste alinea, en onderdeel
B, punt 5 tot en met 11, van verordening (EG) nr. 1774/2002.
2. Overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk II, onderdeel C, punt
14, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1774/2002 gelden, indien
mest, de inhoud van het maagdarmkanaal gescheiden van het
maagdarmkanaal, melk en biest de enige grondstoffen van dierlijke
oorsprong zijn die in een composteerinstallatie worden verwerkt,
uitsluitend de erkenningseisen, bedoeld in bijlage VI, hoofdstuk II,
onderdeel A, punt 2, onder b, eerste en laatste alinea, en onderdeel
B, punt 5 tot en met 11, van verordening (EG) nr. 1774/2002.
3. Overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk II, onderdeel C, punt
14, tweede alinea, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1774/2002
worden de residuen of de compost in de in het eerste en tweede lid
bedoelde geval beschouwd als niet-verwerkt materiaal.
Hoofdstuk 3. Nationale bepalingen
Paragraaf 1. Aanwijzen, aanmelden, aanbieden, bewaren en ophalen
van categorie 1- en 2-materiaal
Artikel 3.1. [aanwijzen categorie 1- en 2-materiaal]
Als categorie 1- materiaal of categorie 2-materiaal, bedoeld in
artikel 81g, van de wet, wordt aangewezen categorie 1- materiaal of
categorie 2-materiaal met uitzondering van:
a. keukenafval en etensresten als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, punt e, van verordening (EG) nr. 1774/2002;
b. kadavers van gezelschapsdieren, mits de kadavers rechtstreeks
als afval worden verwijderd door begraving op een terrein dat ter
beschikking staat van de eigenaar of houder van desbetreffende dode
dieren, dan wel op een plaats die ingevolge een besluit van het
college van burgemeester en wethouders voor dat doel is toegelaten
of overeenkomstig artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van
verordening (EG) nr. 1774/2002
worden verbrand in een op grond van artikel 12, tweede of derde lid,
van die verordening erkende verbrandingsinstallatie;
c. kadavers van paarden, mits de kadavers overeenkomstig artikel
5, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) nr. 1774/2002
worden verwerkt in een op grond van artikel 12, tweede lid, van die
verordening erkende verbrandingsinstallatie;
d. mest en de van het maagdarmkanaal gescheiden inhoud van het
maagdarmkanaal;
e. kadavers van pelsdieren, mits het kadavers betreft die
overeenkomstig artikel 5, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002,
worden onthuid in een op grond van artikel 10, eerste lid, van die
verordening erkend intermediair categorie 2-bedrijf;
f. dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 23, eerste en
tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002,
mits ten aanzien van deze dierlijke bijproducten toestemming is
verleend voor de in voornoemde artikelleden genoemde activiteiten
overeenkomstig artikel 2.12, tweede lid.
Artikel 3.2. [aangifteplicht]
1. De aangifteplichtige doet van categorie 1- materiaal of
categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 zo spoedig mogelijk
doch uiterlijk op de eerste werkdag, volgend op de dag waarop dat
materiaal is ontstaan, aangifte bij de ondernemer waarvoor op grond
van artikel 81f, eerste lid, van de wet een werkgebied is
vastgesteld en binnen wiens werkgebied het materiaal zich bevindt.
2. Indien met de ondernemer een vaste ophaaldag is
overeengekomen als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, doet de
aangifteplichtige in afwijking van het eerste lid uiterlijk op de
werkdag voorafgaand aan de dag dat het materiaal wordt opgehaald
aangifte van het desbetreffende materiaal.
3. De aangifte, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt
telefonisch onder opgave van de soort en de hoeveelheid materiaal
alsmede van de plaats waar het zich bevindt.
Artikel 3.3. [ophaalverplichting]
1. Categorie 1- materiaal en 2- materiaal als bedoeld in
artikel 3.1. wordt door de ondernemer binnen wiens werkgebied het
materiaal zich bevindt uiterlijk opgehaald op de eerste werkdag
volgend op de dag waarop het materiaal door de aangifteplichtige is
aangemeld.
2. De ondernemer binnen wiens werkgebied het materiaal zich
bevindt en de aangifteplichtige kunnen overeenkomen dat het materiaal
een keer per week op een vaste dag wordt opgehaald.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op kadavers, met een
gewicht van meer dan 40 kilogram, en kadavers van kalveren.
Artikel 3.4. [bewaren materiaal door aangifteplichtige]
1. De aangifteplichtige van categorie 1-materiaal of
categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 draagt er zorg voor
dat het materiaal tot het moment waarop het wordt opgehaald:
a. op een zodanige manier wordt bewaard dat het materiaal niet
vrij toegankelijk is voor anderen dan de aangifteplichtige en de
ondernemer die het materiaal ophaalt;
b. voor zover het kadavers betreft, het materiaal op een zodanige
manier is afgedekt dat het is onttrokken aan het oog voor passanten
en niet bereikbaar is voor vogels, knaagdieren, honden en katten en
de afdekking door het verwerkingsbedrijf dat het materiaal ophaalt
eenvoudig te verwijderen is.
2. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer
materiaal overeenkomstig artikel 3.3, tweede lid, eens per week wordt
opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt
bewaard:
a. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10 graden C°,
voor zover het kadavers van vee als bedoeld in artikel 2 van
verordening (EG) nr. 1774/2002
tot een gewicht van 40 kilogram betreft, met uitzondering van
kadavers van kalveren;
b. bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15 graden C°,
voor zover het bloed betreft;
c. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10 graden C° of
een inwendige temperatuur van ten hoogste 15 graden C°, voor zover
het categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in
artikel 3.1 betreft, niet zijnde materiaal als bedoeld in de
onderdelen a en b.
3. Materiaal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c,
dat ontstaat op slachterijen, wordt tot het moment waarop dit
materiaal wordt opgehaald bewaard overeenkomstig de in dat lid
opgenomen voorschriften, tenzij het materiaal op dezelfde dag waarop
het is ontstaan, wordt opgehaald.
Artikel 3.5. [plaats van aanbieden]
1. De aangifteplichtige deponeert categorie 1-materiaal of
categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 op de dag dat het
door de ondernemer wordt opgehaald op een zodanige plaats dat het
vanaf de verharde openbare weg binnen het vrije bereik ligt van de
laadkraan van het vervoermiddel waarmee het materiaal wordt
opgehaald, waarbij het uitgangspunt is dat het vervoermiddel niet
verder dan één wagenlengte op het erf behoeft te komen.
2. Bij geschillen tussen de aangifteplichtige en de ondernemer
over de plaats van deponering zal, met inachtneming van hetgeen in het
eerste lid is gesteld, de plaats worden bepaald door de Minister.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de
aangifteplichtige en de ondernemer zijn overeengekomen dat het
materiaal op een bepaalde plaats wordt gedeponeerd. Het materiaal
wordt in dat geval telkens op die plaats gedeponeerd.
4. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat categorie
1-materiaal en categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1
zodanig wordt aangeboden dat:
a. het van elkaar gescheiden is en te onderscheiden is van ander
materiaal;
b. het categorie 1-materiaal onderscheidenlijk categorie
2-materiaal door de ondernemer apart kan worden geladen.
5. Materiaal als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, wordt
aangeboden in vaten die passen in de laadinrichting van het
vervoermiddel van de ondernemer. De aangifteplichtige draagt er zorg
voor dat op de vaten duidelijk is aangegeven welk type materiaal zij
bevatten.
Artikel 3.6. [overdracht materiaal]
De overdracht van categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal
als bedoeld in artikel 3.1. door de aangifteplichtige aan de
ondernemer geschiedt door overlading van dat materiaal in het daarvoor
bestemde vervoermiddel.
Artikel 3.7. [wijze bewaren categorie 3-materiaal]
1. De eigenaar of houder van categorie 3-materiaal draagt er
zorg voor dat het materiaal tot het moment waarop het wordt
opgehaald op een zodanige manier wordt bewaard dat:
a. het niet vrij toegankelijk is voor anderen dan de houder of
eigenaar en het bedrijf dat het materiaal ophaalt;
b. het materiaal wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van
ten hoogste 10 °C, tenzij het materiaal binnen twaalf uur na het
ontstaan wordt opgehaald om overeenkomstig artikel 6, tweede lid,
van verordening (EG) nr. 1774/2002
te worden verwerkt of verwijderd.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op
categorie 3-materiaal dat wordt verwerkt in een op grond van artikel
15 van verordening (EG) nr. 1774/2002
erkende biogasinstallatie of een composteerinstallatie.
Artikel 3.8. [I&R-register]
1. De ondernemer houdt een register bij waarin hij van elk
door hem opgehaald kadaver van een rund, de identificatiecode van
het merk, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Regeling
identificatie en registratie van dieren, van dat kadaver vermeldt.
2. De ondernemer, bedoeld in het eerste lid, meldt binnen drie
werkdagen de identificatiecode van het merk, bedoeld in het eerste
lid, aan de Minister.
3. De aantekeningen in het register, bedoeld in het eerste lid,
worden ten minste twee jaar bewaard.
Paragraaf 2. Schadeloosstelling
Artikel 3.9. [vaststelling schadeloosstelling]
1. De schadeloosstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel a, van het besluit wordt vastgesteld op het door de
Minister te betalen bedrag van het werkelijke nadeel dat de
ondernemer als gevolg van de wijziging van het werkgebied, dan wel
van de te verwerken soorten categorie 1- materiaal of categorie 2-
materiaal, lijdt.
2. Het te betalen bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel b, van het besluit wordt vastgesteld op het door de Minister
te bepalen bedrag van het werkelijke voordeel dat de ondernemer als
gevolg van de wijziging van het werkgebied, dan wel van de te
verwerken soorten categorie 1- materiaal of categorie 2- materiaal,
heeft.
Artikel 3.10. [schadeloosstelling als bedoeld in artikel 3, tweede
lid, van het besluit]
1. Indien de Minister ingevolge artikel 3, tweede lid, van
het besluit een aanwijzing doet, worden de schadeloosstelling en het
bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit in
afwijking van artikel 3.9 bepaald overeenkomstig het tweede en derde
lid.
2. De schadeloosstelling wordt met inachtneming van artikel 3,
tweede lid, tweede volzin, van het besluit vastgesteld op het door de
Minister te bepalen gedeelte van de werkelijke lasten die het gevolg
zijn van de overdracht, verminderd met het door de Minister te bepalen
gedeelte van de uit de overdracht voortvloeiende werkelijke kosten.
3. Het te betalen bedrag wordt vastgesteld op het door de
Minister te bepalen gedeelte van de werkelijke baten die het gevolg
zijn van de aanwijzing, verminderd met het door de Minister te bepalen
gedeelte van de uit de aanwijzing voortvloeiende werkelijke lasten.
Artikel 3.11. [betaling schadeloosstelling]
1. De betaling van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel
3.9, eerste lid, geschiedt binnen zes maanden na de gebiedswijziging
dan wel na de wijziging van de te verwerken soorten categorie
1-materiaal en 2-materiaal.
2. De betaling van de schadeloosstelling en het bedrag, bedoeld
in artikel 3.10, geschiedt binnen zes maanden nadat de aanwijzing,
bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het besluit, heeft
plaatsgevonden.
Paragraaf 3. Vergoedingen
Artikel 3.12. [berekening werkelijke kosten]
De werkelijke kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het
besluit zijn de op jaarbasis door de ondernemers te maken kosten van
het ophalen, vervoeren, verwerken of verwijderen van het categorie
1-materiaal en categorie 2-materiaal, bedoeld in artikel 3.1,
verminderd met de waarde van dit materiaal voorafgaand aan verwerking
en het door de Minister vast te stellen percentage van de winst, die
de ondernemer bij de verwerking van dit materiaal maakt.
Artikel 3.13. [vergoeding huiden]
1. De vergoeding, bedoeld in artikel 8 van het besluit,
bedraagt negentig procent van de netto-opbrengst van de huid, na
aftrek van de omzetbelasting.
2. De vergoeding vindt niet plaats indien ingevolge een
wettelijk voorschrift de huid moet worden gedestrueerd.
Artikel 3.14. [vergoeding aanmerkelijke kosten bedoeld in artikel 7
van het besluit]
De vergoeding, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het besluit,
bestaat uit:
a. aantoonbare werkelijke kosten van arbeidsloon voor het
aanbrengen van de scheiding tussen destructiemateriaal en ander
materiaal, dan wel verpakkingsmateriaal;
b. aantoonbare werkelijke kosten van afvoer en verwerking van
ander materiaal, dan wel verpakkingsmateriaal;
c. aantoonbare werkelijke kosten van reiniging en exploitatie
van bedrijfsruimte, die gebruikt wordt voor de scheiding, genoemd
onder a, of de afvoer en verwerking, genoemd onder b;
d. aantoonbare werkelijke verwerkingskosten, indien blijkt dat
het onmogelijk is een fysieke scheiding aan te brengen tussen het
destructiemateriaal en het andere materiaal en de verwerking van
de twee materialen tezamen een aantoonbare negatieve opbrengst
heeft.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 4.1 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 4.2. [tarieven]
De tarieven, bedoeld in de Regeling instemming destructietarieven
2008, worden geacht te zijn goedgekeurd ingevolge artikel 6 van het
besluit.
Artikel 4.3. [vergunningen, erkenningen, toestemmingen]
Vergunningen, erkenningen of toestemmingen die zijn verleend bij of
krachtens de Destructiewet worden geacht te zijn verleend bij of
krachtens de wet.
Artikel 4.4. [titel regeling]
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling dierlijke bijproducten
2008.
Artikel 4.5. [inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg.
|