| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
REGELING
HANDEL LEVENDE DIEREN EN LEVENDE PRODUCTEN
Tekst zoals deze geldt op
25 juli 2010
|
|
|
De Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op Richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en
zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in
bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de
totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224), Richtlijn nr.
90/675/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 december
1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de
veterinaire controles voor producten uit derde landen die in de
Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 373), Richtlijn nr.
91/496/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991
tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de
veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap
worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG,
90/425/EEG en 90/675/EEG (PbEG L 268), Richtlijn nr. 64/432/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake
veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het
intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L
121), Richtlijn nr. 72/462/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en
veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens,
schapen, geiten, van vers vlees of van vleesproducten uit derde landen (PbEG
L 302), Richtlijn nr. 90/426/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van
veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen
en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PbEG L 224),
Richtlijn nr. 90/539/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften
voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen
van pluimvee en broedeieren (PbEG L 303), Richtlijn nr. 91/68/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake
veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire
handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46), Richtlijn nr.
88/407/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1988
tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van
toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van
runderen en de invoer daarvan (PbEG L 194), Richtlijn nr.
90/429/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990
tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van
toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van
varkens en de invoer daarvan (PbEG L 224), Richtlijn 89/556/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 september 1989 tot
vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het
intracommunautaire handelsverkeer in embryo's van als huisdier gehouden
runderen en de invoer daarvan uit derde landen (PbEG L 320),
Richtlijn nr. 92/65/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften
voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren,
sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de
veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire
regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG
geldt (PbEG L 268), Richtlijn nr. 94/28/EG van de Raad van de
Europese Unie van 23 juni 1994 tot vaststelling van de beginselen inzake
de zoötechnische en genealogische voorschriften voor de invoer uit
derde landen van dieren, alsmede van sperma, eicellen en embryo's en tot
wijziging van Richtlijn 77/504/EEG betreffende raszuivere fokrunderen (PbEG
L 178) en Richtlijn nr. 94/42/EG van de Raad van de Europese Unie van 27
juli 1994 tot wijziging en bijwerking van Richtlijn 64/432/EEG inzake
veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het
intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L
201) alsmede de daarop gebaseerde regelgeving van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen en de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte (Trb. 1992, 132);
Gelet op de artikelen 10, 11, 12, 13, 77, 81,
94, eerste lid, 107 en 108 van de Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren, artikel 19 van de Landbouwwet, artikel 2 van het Besluit uitvoer
dieren en producten van dierlijke oorsprong en de artikelen 2, 4 en 8
van het Besluit inzake het in de handel brengen van dieren en producten
en de toepassing van maatregelen met betrekking tot in Nederland
gebrachte dieren en producten;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
wet:
Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren;
minister:
Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
EER-Verdrag:
Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte;
richtlijn 90/425/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische
controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde
levende dieren en producten in het vooruitzicht van de
totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224);
richtlijn 91/496/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen
voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit
derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot
wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PbEG
L 268);
richtlijn 92/65/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 13 juli 1992 tot vaststelling van
veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de
invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's
waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen
specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder
I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (PbEG L 268);
richtlijn 96/22/EG:
richtlijn (EG) nr. 96/22 van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1996 betreffende het
gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met thyreostatische
werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de
Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG L 125);
richtlijn 97/78/EG:
richtlijn nr. 97/78/EG van de Raad
van de Europese Unie van 18 december 1997 tot vaststelling van de
beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor
producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden
binnengebracht (PbEG, L 24);
richtlijn 2004/68/EG:
richtlijn nr. 2004/68/EG van de Raad
van de Europese Unie van 26 april 2004 tot vaststelling van
veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in en de doorvoer
via de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren tot wijziging van
de Richtlijnen 90/426/EEG en 92/65/EEG en tot intrekking van
Richtlijn 72/462/EEG (PbEU L 139);
richtlijn 2008/71/EG:
richtlijn nr. 2008/71/EG van de Raad
van de Europese Unie van 15 juli 2008 met betrekking tot de
identificatie en registratie van varkens (PbEU L 213);
beschikking 93/444/EEG:
beschikking van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 houdende
toepassingsbepalingen inzake het intracommunautaire handelsverkeer
van bepaalde levende dieren en producten die bestemd zijn voor
uitvoer naar derde landen (PbEG L 208);
beschikking 2000/571/EG:
beschikking van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 8 september 2000 tot vaststelling van de
methoden voor de veterinaire controles van producten uit derde
landen die bestemd zijn voor een vrije zone, een vrij entrepot, een
douane-entrepot of een handelaar die levert aan grensoverschrijdende
zeevervoermiddelen (PbEG L 240);
beschikking 2003/881/EG:
beschikking nr. 2003/881/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 december 2003
betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften en de
certificeringsvoorwaarden voor de invoer van bijen en hommels (Apis
mellifera & Bombus spp.) uit bepaalde derde landen en tot
intrekking van beschikking 2000/462/EG (PbEU L 328);
beschikking 2004/211/EG:
beschikking (EG) nr. 2004/211 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 januari 2004 (PbEU L
73) tot vaststelling van de lijst van derde landen en delen van hun
grondgebied waaruit de lidstaten de invoer toestaan van levende
paardachtigen en sperma, eicellen en embryo’s van paarden en tot
wijziging van de Beschikkingen 93/195/EEG en 94/63/EG;
verordening 1760/2000/EG:
verordening (EG) nr. 1760/2000 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2000 (PbEG L
204) tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling
voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en
rundvleesproducten en tot intrekking van verordening nr. 820/97 van
de Raad van de Europese Unie;
verordening (EG) nr. 999/2001:
verordening (EG) nr. 999/2001 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001
houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie,
bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme
encefalopathieën (PbEG L 147);
verordening 282/2004/EG:
Verordening (EG) nr. 282/2004 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 februari 2004
betreffende de vaststelling van een document voor de aangifte en de
veterinaire controle van uit derde landen afkomstige dieren die in
de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEU L 49);
verordening 318/2007:
Verordening (EG) nr. 318/2007 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 maart 2007 tot
vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de
invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap en de desbetreffende
quarantainevoorschriften (PbEU L 84);
verordening (EG) nr. 998/2003:
verordening (EG) nr. 998/2003 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2003
inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het
niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende
wijziging van richtlijn 92/65/EEG van de Raad (PbEU L 146);
verordening (EG) 546/2006:
verordening (EG) nr. 546/2006 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 2006 ter
uitvoering van Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees
Parlement en de Raad wat betreft de nationale
scrapiebestrijdingsprogramma’s en aanvullende garanties, tot
afwijking van bepaalde voorschriften van Beschikking 2003/100/EG en
tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1874/2003 (PbEU L 94);
verordening (EG) 1/2005:
verordening (EG) nr. 1/2005 van de
Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming
van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten
en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van
Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU L 3);
verordening (EG) nr. 798/2008:
verordening (EG) nr. 798/2008 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 augustus 2008 tot
vaststelling van een lijst van derde landen, gebieden, zones of
compartimenten waaruit pluimvee en pluimveeproducten mogen worden
ingevoerd in en doorgevoerd door de Gemeenschap, en van de
voorschriften inzake veterinaire certificering (PbEU L 226);
verordening (EU) nr. 206/2010:
verordening (EU) nr. 206/2010 van de
Europese Commissie van 12 maart 2010 tot vaststelling van lijsten
van derde landen en gebieden of delen daarvan, waaruit bepaalde
dieren en vers vlees in de Europese Unie mogen worden
binnengebracht, en van de voorschriften inzake veterinaire
certificering (PbEU L 73);
communautaire uitvoeringsmaatregel:
verordening, richtlijn of beschikking
als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap, vastgesteld krachtens een richtlijn of
verordening met betrekking tot veterinairrechtelijke eisen inzake de
handel in levende dieren, of levende dierlijke producten;
VWA:
Voedsel en Waren Autoriteit;
ambtenaar:
ambtenaar, bedoeld in artikel 114,
eerste of tweede lid van de wet;
keuringsdierenarts:
dierenarts verbonden aan de VWA;
officiële dierenarts:
door de bevoegde centrale autoriteit
van het land van verzending aangewezen dierenarts;
lid-staat:
staat, niet zijnde Nederland, die als
lid deel uitmaakt van de Europese Unie; staat die partij is bij het
EER-Verdrag: Noorwegen;
derde land:
land, niet zijnde Nederland en niet
zijnde een lid-staat of een andere staat die partij is bij het
EER-Verdrag;
punt van uitgang:
douanekantoor van uitgang, of in een
lid-staat gelegen plaats als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
onderdeel a, van beschikking 93/444/EEG, van waaruit dieren of
producten rechtstreeks naar het derde land van bestemming worden
vervoerd;
pluimvee:
kippen, kalkoenen, parelhoenders,
eenden, ganzen, kwartels, fazanten, patrijzen, loopvogels (Ratites)
en duiven, die in gevangenschap worden opgefokt of gehouden voor de
fokkerij, voor de produktie van vlees of van voor consumptie
bestemde eieren of om in het wild te worden uitgezet;
apen:
apen, bedoeld in artikel 5 van
richtlijn 92/65/EEG;
hoefdieren:
hoefdieren, bedoeld in artikel 6,
onder A, eerste tot en met derde lid, van richtlijn 92/65/EEG;
vogels:
vogels, bedoeld in artikel 7, onder
A, eerste en tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
bijen:
bijen, bedoeld in artikel 8 van
richtlijn 92/65/EEG;
lagomorfen met gezondheidscertificaat:
lagomorfen die zijn bestemd voor een
lid-staat die een gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 9,
tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG eist;
lagomorfen zonder
gezondheidscertificaat:
lagomorfen die zijn bestemd voor
Nederland dan wel voor een lid-staat die geen gezondheidscertificaat
als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG eist;
dieren:
vee, pluimvee alsmede dieren bedoeld
in artikel 2, onderdeel a, sub-onderdeel 1, van het Besluit uitvoer
dieren en producten van dierlijke oorsprong;
dieren als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG:
dieren, die vatbaar zijn voor de in
bijlage A bij richtlijn 92/65/EEG genoemde ziekten, dan wel dieren
die vatbaar zijn voor ziekten, waarvoor de lid-staat van bestemming
op grond van regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de
Commissie van de Europese Gemeenschappen aanvullende garanties, als
bedoeld in de artikelen 14 en 15, van richtlijn 92/65/EEG mag
stellen;
producten als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG:
producten van dieren als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG;
paardachtigen:
als huisdier gehouden of in het wild
levende paarden, zebra’s, ezels of kruisingen daarvan;
geregistreerde paarden:
paardachtigen die in een stamboek
zijn ingeschreven, dan wel in een stamboek zijn geregistreerd of in
aanmerking komen om te worden ingeschreven overeenkomstig de
krachtens artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 90/427/EEG
vastgestelde voorschriften en die zijn geïdentificeerd door middel
van een hippisch paspoort;
slachtpaarden:
paardachtigen die zijn bestemd om
rechtstreeks dan wel via een verzamelcentrum naar een slachthuis te
worden gebracht om daar te worden geslacht;
fok- en gebruikspaarden:
paardachtigen, niet zijnde
geregistreerde paarden en slachtpaarden;
slachtdieren:
dieren die kennelijk bestemd zijn om
te worden geslacht;
broedeieren:
eieren van pluimvee, bestemd om te
worden bebroed;
sperma:
rundersperma, varkenssperma alsmede
sperma van schapen, geiten en eenhoevige dieren als bedoeld in
artikel 9.1;
embryo's:
runderembryo's en embryo's van
varkens, schapen, geiten en eenhoevige dieren als bedoeld in artikel
10.1;
eicellen:
eicellen van varkens, schapen, geiten
en eenhoevige dieren;
producten:
sperma, eicellen, embryo's en
broedeieren;
inspectiepost:
op Nederlands grondgebied gelegen
inspectiepost aan de grens die voldoet aan de bij of krachtens
artikel 6 van richtlijn 91/496/EEG dan wel bij of krachtens artikel
6 van richtlijn 97/78/EG gestelde voorschriften en uit dien hoofde
overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 91/496/EEG, onderscheidenlijk
artikel 6 van richtlijn 97/78/EG is aangewezen en erkend voor de
controle van bepaalde soorten dieren of producten;
douane-entrepot:
opslagruimte als bedoeld in
Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 12 oktober 1992 (PbEG L 302);
vrij entrepot:
opslagruimte als bedoeld in
Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 12 oktober 1992 (PbEG L 302);
ruimte voor tijdelijke opslag:
opslagruimte als bedoeld in artikel
185 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 (PbEG L 302);
bedrijf:
op Nederlands grondgebied gelegen
landbouwbedrijf of handelaarsstal, waar gewoonlijk dieren, niet
zijnde paardachtigen, worden gehouden of gefokt alsmede op
Nederlands grondgebied gelegen landbouwbedrijf of entrainement,
stal, iedere ruimte of iedere inrichting waar gewoonlijk
paardachtigen worden gehouden of gefokt, ongeacht hun gebruik;
instelling, instituut of centrum:
instelling, instituut of centrum als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 92/65/EEG;
verzamelcentrum:
plaats, met inbegrip van bedrijven of
markten, waar dieren afkomstig van verschillende bedrijven van
oorsprong worden samengebracht met het oogmerk om een voor het
handelsverkeer bestemde partij te vormen;
partij:
hoeveelheid dieren of producten van
dezelfde soort, waarvoor eenzelfde certificaat of document zoals
voorgeschreven in deze regeling geldt, die met hetzelfde
vervoermiddel wordt vervoerd en afkomstig is uit hetzelfde land of
gedeelte van een land;
importeur:
natuurlijke persoon of rechtspersoon
die een partij met het oog op het brengen in Nederland bij een
erkende inspectiepost ten onderzoek aanbiedt, dan wel diens
gemachtigde;
belanghebbende bij de lading:
belanghebbende bij de lading als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van richtlijn
97/78/EG;
handelaar:
elke natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een partij met het oog op de verhandeling onder
zich heeft, dan wel diens gemachtigde;
raszuiver:
ingeschreven in:
-
een stamboek als bedoeld in
artikel 1 van Richtlijn nr. 77/504/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 25 juli 1977 betreffende raszuivere
fokrunderen (PbEG L 206), artikel 1 van Richtlijn nr. 88/661/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1988
betreffende de zoötechnische normen die gelden voor fokvarkens
(PbEG L 382), artikel 2 van Richtlijn nr. 89/361/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 30 mei 1989 betreffende
raszuivere fokschapen en -geiten (PbEG L 153) of artikel 2 van
Richtlijn nr. 90/427/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van
zoötechnische en genealogische voorschriften in het
intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PbEG L 224);
-
een stamboek of register als
bedoeld in artikel 1 van Richtlijn nr. 91/174/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 25 maart 1991 inzake
zoötechnische en genealogische voorschriften voor de handel in
rasdieren en tot wijziging van de Richtlijnen 77/504/EEG en
90/425/EEG (PbEG L 85), of
-
een stamboek of register als
bedoeld in artikel 4, eerste gedachtenstreepje, van Richtlijn
nr. 94/28/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 1994
tot vaststelling van de beginselen inzake de zoötechnische en
genealogische voorschriften voor de invoer uit derde landen van
dieren, alsmede van sperma, eicellen en embryo's en tot
wijziging van Richtlijn 77/504/EEG betreffende raszuivere
fokrunderen (PbEG L 178), dan wel, zolang de lijst, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, van deze richtlijn nog niet is
vastgesteld, in een stamboek of register in een derde land;
hybride:
ingeschreven in:
-
een register als bedoeld in
artikel 1 van Richtlijn nr. 88/661/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 19 december 1988 betreffende de
zoötechnische normen die gelden voor fokvarkens (PbEG L 382);
-
een register als bedoeld in
artikel 4, eerste gedachtenstreepje, van Richtlijn nr. 94/28/EG
van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 1994 tot
vaststelling van de beginselen inzake de zoötechnische en
genealogische voorschriften voor de invoer uit derde landen van
dieren, alsmede van sperma, eicellen en embryo's en tot
wijziging van Richtlijn 77/504/EEG betreffende raszuivere
fokrunderen (PbEG L 178), dan wel, zolang de lijst, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, van deze richtlijn nog niet is
vastgesteld, in een register in een derde land;
werkelijke kosten:
de kosten die betrekking hebben op de
administratiekosten, de loonkosten en de sociale premies van de met
de onderzoeken en keuringen belaste personen van de RVV als mede de
kosten van laboratoriumonderzoek.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt voor de toepassing van de afdelingen 2, 3, 4 en 7 van hoofdstuk
2, onder dieren verstaan vee, pluimvee, apen, hoefdieren, bijen,
honden, katten, fretten en lagomorfen met gezondheidscertificaat.
3. Voor de toepassing van de afdelingen
5 en 6 van hoofdstuk 2 worden onder dieren mede verstaan de dieren,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG en worden
onder producten mede verstaan de producten, bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG.
4. Voor de toepassing van hoofdstuk 2
wordt onder ‘keuringsdierenarts’ mede verstaan degene die namens
de keuringsdierenarts onder diens gezag en verantwoordelijkheid
optreedt.
5. Voor de toepassing van de artikelen
3.13, 4.8, 7.7 en 7a.1 wordt, zolang de daarin vermelde lijsten,
garanties, voorschriften, specifieke bepalingen of
uitvoeringsbepalingen nog niet zijn vastgesteld, daaronder begrepen,
voor zover van toepassing, de lijsten, garanties, voorschriften,
bepalingen of uitvoeringsbepalingen van beschikking 79/542/EEG.
Artikel 1.2
1.De bevoegde autoriteit, bedoeld in
een communautaire uitvoeringsmaatregel, is de minister.
2.In afwijking van het eerste lid is,
ingeval een communautaire uitvoeringsmaatregel de bevoegde autoriteit
een taak opdraagt die niet bestaat in het nemen van een besluit, de
bevoegde autoriteit de Voedsel en Waren Autoriteit.
3.De officiële dierenarts, bedoeld in
een communautaire uitvoeringsmaatregel, is een dierenarts, verbonden
aan de Voedsel en Waren Autoriteit.
4.Een communautaire
uitvoeringsmaatregel, of een wijziging daarvan, treedt voor de
toepassing van deze regeling in werking met ingang van de dag waarop
daaraan uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, of bij gebreke
daarvan, de dag waarop de maatregel is vastgesteld.
Hoofdstuk 2. Controlebepalingen
Afdeling 1. Verbods- en
vrijstellingsbepalingen (artikelen 2.1 tot en met 2.3)
Artikel 2.1
1.Het anders dan in doorvoer buiten
Nederland brengen van:
-
duiven en loopvogels, bestemd voor
een lid-staat, bestemd om via het grondgebied van een lid-staat
naar een derde land te worden gebracht dan wel bestemd voor een
staat niet zijnde een lid-staat die partij is bij het EER-Verdrag;
-
apen, hoefdieren, bijen, honden,
katten, fretten en lagomorfen met gezondheidscertificaat en van
producten, bestemd voor een lid-staat dan wel bestemd om via het
grondgebied van een lid-staat naar een derde land te worden
gebracht en van rundersperma, varkenssperma, runderembryo's en
broedeieren, bestemd voor een staat, niet zijnde een lid-staat,
die partij is bij het EER-Verdrag, of
-
vogels, nertsen en vossen,
lagomorfen zonder gezondheidscertificaat alsmede van de dieren en
producten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG,
bestemd voor een lid-staat, en
-
producten, genoemd in artikel 1,
eerste alinea, van richtlijn 92/65/EEG, niet zijnde sperma,
eicellen, embryo's en broedeieren, bestemd voor een lid-staat is
verboden.
2.Het brengen in Nederland van:
-
vee, pluimvee, apen, hoefdieren,
bijen, honden, katten, fretten en lagomorfen met
gezondheidscertificaat en van producten, verzonden vanuit een
lid-staat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag
dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een
lid-staat in Nederland worden gebracht;
-
vogels, nertsen en vossen,
lagomorfen zonder gezondheidscertificaat alsmede van de dieren en
producten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG,
die zijn verzonden vanuit een lid-staat of een andere staat die
partij is bij het EER-Verdrag dan wel vanuit een derde land en via
het grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht en
bestemd zijn voor Nederland, een lid-staat of een andere staat die
partij is bij het EER-Verdrag;
-
dieren en producten, die zijn
verzonden vanuit een derde land en via Nederland voor het eerst in
de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van
toepassing is worden gebracht,
-
entstoffen en
-
producten, genoemd in artikel 1,
eerste alinea, van richtlijn 92/65/EEG, niet zijnde sperma,
eicellen, embryo's en broedeieren, is verboden.
Artikel 2.2
1.Van het verbod, bedoeld in artikel
77, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor de
rechtstreekse uitvoer naar derde landen van pluimvee en van vee, niet
zijnde runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen en voor de
uitvoer naar een staat, niet zijnde een lid-staat, die partij is bij
het EER-verdrag, van vee, niet zijnde runderen, varkens, schapen,
geiten, en paardachtigen.
2.Onverminderd het eerste lid wordt van
de verboden, bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet en in
artikel 2.1, eerste lid, eerste tot en met derde gedachtenstreepje, en
tweede lid, eerste tot en met derde gedachtenstreepje, vrijstelling
verleend:
-
voor wat het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van dieren of producten betreft, die niet
voldoen aan de van toepassing zijnde communautaire voorschriften
en die zijn bestemd om via het grondgebied van een lid-staat naar
een derde land te worden gebracht, en
-
voor wat het brengen in Nederland
van dieren of producten betreft, die niet voldoen aan de van
toepassing zijnde communautaire voorschriften en die zijn bestemd
om via het grondgebied van een lid-staat naar een derde land te
worden gebracht, op voorwaarde dat de minister en de bevoegde
autoriteit van de lid-staat van doorvoer vooraf toestemming hebben
gegeven voor het vervoer van de dieren of producten over
Nederlands grondgebied, respectievelijk het grondgebied van de
lid-staat van doorvoer.
3.Onverminderd het tweede lid wordt van
de verboden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, derde
gedachtenstreepje en artikel 2.1, tweede lid, tweede gedachtenstreepje,
vrijstelling verleend, op voorwaarde dat:
a. in het geval, bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, derde gedachtenstreepje, voldaan is aan afdeling
6 van hoofdstuk 8, afdeling 5 van hoofdstuk 9, afdeling 5 van
hoofdstuk 10, respectievelijk afdeling 5 van hoofdstuk 11;
b. in het geval, bedoeld in artikel
2.1, tweede lid, tweede gedachtenstreepje, voldaan is aan afdeling
7 van hoofdstuk 8, afdeling 6 van hoofdstuk 9, afdeling 6 van
hoofdstuk 10, respectievelijk afdeling 6 van hoofdstuk 11, één
en ander indien de vogels, nertsen en vossen, lagomorfen zonder
gezondheidscertificaat alsmede de dieren en producten, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG zijn verzonden
vanuit een lid-staat dan wel vanuit een derde land en via het
grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht.
4.Onverminderd het tweede lid wordt van
het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste en tweede lid, vrijstelling
verleend voor het zonder handelsoogmerk anders dan in doorvoer buiten
Nederland en in Nederland brengen van honden, katten of fretten,
bedoeld in verordening (EG) nr. 2160/2003, indien is voldaan aan
afdeling 8 van hoofdstuk 8.
5.Onverminderd het tweede en derde lid
wordt van het verbod, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, eerste
gedachtenstreepje, vrijstelling verleend terzake van de doorvoer door
Baarle-Nassau van:
a. vee, dat door veehouders,
gevestigd in de in Nederland gelegen enclaves van de Belgische
gemeente Baarle-Hertog, is aangekocht van dan wel verkocht aan in
België gevestigde personen en dat ter levering van België naar
vorenbedoelde enclaves, onderscheidenlijk van deze enclaves naar
België wordt vervoerd;
b. vee, dat van de in onderdeel a
bedoelde enclaves naar België wordt vervoerd ter beweiding of
beakkering van landerijen aldaar of dat na deze beweiding of
beakkering van België naar vorenbedoelde enclaves wordt
teruggevoerd, daaronder begrepen de dieren, welke gedurende het
laatste jaar in België uit dit vee zijn geboren.
6.Onverminderd de voorgaande leden
wordt van de verboden, bedoeld in artikel 2.1, eerste en tweede lid,
en in artikel 77, eerste lid van de wet, vrijstelling verleend voor
het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen en het in
Nederland brengen van pluimvee, dat bestemd is voor tentoonstellingen,
concoursen of wedstrijden.
Artikel 2.3
1.Van artikel 77, tweede lid, van de
wet en artikel 2 van het Besluit uitvoer dieren en producten van
dierlijke oorsprong wordt vrijstelling verleend, voor zover het
betreft het voorzien zijn van de dieren, onderscheidenlijk van de
zending, van een of meer merken die zijn afgegeven op grond van een
van Rijkswege ingesteld onderzoek.
2.Van artikel 2 van het Besluit uitvoer
dieren en producten van dierlijke oorsprong wordt vrijstelling
verleend, voor zover het betreft het vergezeld gaan van de zending
vogels, nertsen, vossen, lagomorfen zonder gezondheidscertificaat en
dieren en producten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn
92/65/EEG van een of meer bewijsstukken die zijn afgegeven op grond
van een van Rijkswege ingesteld onderzoek.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van dieren of producten, bestemd voor een
lid-staat (artikelen 2.4 tot en met 2.15)
§ 1. Uitzondering van het verbod op het
anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van dieren of producten,
bestemd voor een lid-staat (artikel 2.4)
Artikel 2.4
1.De verboden, bedoeld in artikel 77,
eerste lid, van de wet, en in artikel 2.1, eerste lid, eerste en
tweede gedachtenstreepje, voor zover deze betrekking hebben op het
anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van dieren of
producten, bestemd voor een lid-staat, gelden niet, indien:
a. de dieren en producten vergezeld
gaan van het bewijsstuk genoemd in:
-
artikel 3.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
-
artikel 4.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
-
artikel 5.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
-
artikel 6.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 6, indien het pluimvee en broedeieren betreft;
-
artikel 7.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten betreft;
-
artikel 8.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 8, indien het apen, hoefdieren, bijen, honden,
katten, fretten en lagomorfen met gezondheidscertificaat,
betreft;
-
artikel 9.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 9, indien het sperma betreft;
-
artikel 10.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 10, indien het embryo's betreft;
-
artikel 11.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 11, indien het eicellen betreft;
b. het bewijsstuk, bedoeld in
onderdeel a, is opgesteld en afgegeven in overeenstemming met de
regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van
de Europese Gemeenschappen, volledig is ingevuld, gedagtekend en
ondertekend, terwijl de geldigheidsduur ervan niet is verstreken.
2.De in het eerste lid bedoelde
bewijsstukken worden afgegeven door de minister.
§ 2. Nadere voorschriften voor het
afgeven van bewijsstukken (artikelen 2.5 tot en met 2.15)
Artikel 2.5
Het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4,
eerste lid, onderdeel a, wordt slechts afgegeven indien op grond van een
van Rijkswege ingesteld onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan,
voor zover van toepassing, de artikelen 2.6 tot en met 2.15, en aan:
a. de artikelen 3.3 en 3.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 3 , indien het runderen betreft;
b. de artikelen 4.3 en 4.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
c. de artikelen 5.3 en 5.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
d. voor zover van toepassing de
artikelen 6.3, 6.4 of 6.5 van afdeling 2 van hoofdstuk 6, indien het
pluimvee of broedeieren betreft;
e. de artikelen 7.3, 7.3a en 7.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten betreft;
f. artikel 8.3 van afdeling 2 van
hoofdstuk 8, indien het apen, hoefdieren, bijen, honden, katten,
fretten en lagomorfen met gezondheidscertificaat betreft;
g. de artikelen 9.3 en 9.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 9, indien het sperma betreft;
h. de artikelen 10.3 of 10.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 10, indien het embryo's betreft;
i. artikel 11.3 van afdeling 2 van
hoofdstuk 11, indien het eicellen betreft.
Artikel 2.6
Runderen, varkens alsmede schapen en
geiten zijn geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig hetgeen
hieromtrent in de tweede afdeling van de hoofdstukken 3, 4 en 7 is
gesteld, geregistreerde paarden en fok- en gebruikspaarden, bedoeld in
artikel 5.1, zijn geïdentificeerd overeenkomstig hetgeen hieromtrent in
de tweede afdeling van hoofdstuk 5 is gesteld, honden en katten zijn
geïdentificeerd overeenkomstig hetgeen hieromtrent in de tweede
afdeling van hoofdstuk 8 is gesteld en de overige dieren zijn
geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig artikel 3, eerste lid,
onderdeel c, van richtlijn 90/425/EEG.
Artikel 2.7
De dieren of producten zijn afkomstig van
een bedrijf, centrum of instelling, waarop regelmatig een controle door
de keuringsdierenarts wordt verricht, teneinde na te gaan of aan de
onderhavige regeling wordt voldaan.
Artikel 2.8
De dieren of producten zijn niet
afkomstig van een bedrijf, centrum, instelling, zone of gebied, bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, subonderdelen i tot en met iv,
van richtlijn 90/425/EEG.
Artikel 2.9
1.Het bewijsstuk, bedoeld in artikel
2.4, onderdeel a, vergezeld de partij tot de plaats van bestemming.
2.Indien de dieren of producten naar
meer dan één bestemming worden vervoerd gaat elke partij vergezeld
van het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel a.
Artikel 2.10
De dieren of producten behoeven niet in
het kader van een programma tot uitroeiïng van niet in bijlage C bij
richtlijn 90/425/EEG vermelde ziekten te worden vernietigd en er geldt
ook overigens geen verbod om de desbetreffende dieren of producten in
Nederland in de handel te brengen.
Artikel 2.11
De partij wordt vervoerd met daarvoor
geschikte vervoermiddelen die voorafgaand aan het vervoer van de
betreffende partij zijn gereinigd en ontsmet.
Artikel 2.12
De handelaar is ingeschreven in het in
artikel 2.62, eerste lid, bedoelde register, terwijl die inschrijving
niet is getroffen door een beslissing als bedoeld in artikel 2.62, derde
lid.
Artikel 2.13
1.Op grond van de regelgeving van de
Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen geldt geen verbod om de dieren of producten anders dan
in doorvoer buiten Nederland te brengen.
2.De verzending van de dieren of
producten is in overeenstemming met op grond van artikel 10, vierde
lid, van richtlijn 90/425/EEG door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen vastgestelde maatregelen.
Artikel 2.14
Raszuivere dieren, hybride varkens en
producten hiervan gaan vergezeld van de zoötechnische documenten die
bij of krachtens het Fokkerijbesluit zijn voorgeschreven voor het anders
dan in doorvoer buiten Nederland brengen van raszuivere dieren, hybride
varkens en producten hiervan, bestemd voor een lid-staat.
Artikel 2.15
Indien de partij op grond van het
onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, geschikt is bevonden om anders dan in
doorvoer buiten Nederland te worden gebracht, wordt zij onmiddellijk na
het onderzoek, langs de kortste weg naar het transportmiddel vervoerd,
waarmee zij buiten Nederland zal worden gebracht en wordt zij zo spoedig
mogelijk, rechtstreeks, buiten Nederland gebracht.
Afdeling 3. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van dieren of producten, bestemd voor een derde
land (artikelen 2.16 tot en met 2.21)
§ 1. Uitzondering op het verbod op het
anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van dieren of producten,
bestemd voor een derde land (artikel 2.16)
Artikel 2.16
1.De verboden, bedoeld in artikel 77,
eerste lid, van de wet, en in artikel 2.1, eerste lid, eerste en
tweede gedachtenstreepje, voor zover deze betrekking hebben op het
anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van dieren of
producten, bestemd voor een derde land, gelden niet, indien:
a.
runderen, varkens, schapen,
geiten en paardachtigen vergezeld gaan van een bewijsstuk dat
een verklaring van de minister bevat, dat tenminste wordt
voldaan aan hetgeen in:
1. de artikelen 3.3 en 3.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
2. de artikelen 4.3 en 4.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
3. de artikelen 5.3 en 5.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
4. de artikelen 7.3 en 7.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten
betreft,
voor slachtdieren is bepaald,
in het geval dat de runderen, de varkens, de paardachtigen,
het pluimvee, respectievelijk de schapen en geiten,
rechtstreeks vanuit Nederland naar een derde land worden
gebracht;
dieren of producten vergezeld
gaan van het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel a,
dat, indien het dieren betreft, tenminste bestemd is voor
slachtdieren, alsmede van een bewijsstuk, bestaande uit het
veterinaire document of certificaat, dat aan de veterinaire
voorschriften van het derde land van bestemming voldoet,
tenzij de VWA niet over die voorschriften beschikt, in welk
geval op het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel a,
de vermelding ‘Dieren of producten voor uitvoer naar (naam
van het derde land)’ is opgenomen, waarbij de naam van het
derde land van bestemming als het gedeelte tussen haakjes is
ingevuld), indien de dieren of producten via het grondgebied
van een lid-staat naar een derde land worden gebracht;
b. de bewijsstukken, bedoeld in
onderdeel a, volledig zijn ingevuld, gedagtekend en ondertekend,
terwijl de geldigheidsduur ervan niet is verstreken.
2.Indien de dieren of producten via het
grondgebied van een lid-staat naar een derde land worden gebracht,
geldt ter zake van het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel
a, dat:
-
het in overeenstemming met de
regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van
de Europese Gemeenschappen is opgesteld;
-
daarop, in voorkomend geval, de
gelijkwaardige, bijkomende waarborgen zijn opgenomen, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel iv, van richtlijn
90/425/EEG, voor zover deze waarborgen betrekking hebben op
slachtdieren;
-
het in de Nederlandse taal en in
tenminste in één van de talen van de lid-staat waar zich het
punt van uitgang bevindt, is gesteld;
-
daarop het punt van uitgang als
plaats van bestemming is vermeld;
-
daarop als ontvanger is vermeld,
met naam en adres, de ontvanger bij het punt van uitgang, als
bedoeld in artikel 4, tweede gedachtenstreepje, van beschikking
93/444/EEG.
§ 2. Nadere voorschriften voor het
afgeven van bewijsstukken (artikelen 2.17 tot en met 2.21)
Artikel 2.17
Het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.16,
eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtenstreepje, wordt slechts
afgegeven, indien op grond van een van Rijkswege ingesteld onderzoek,
dat onmiddellijk vóór het brengen van de partij buiten Nederland heeft
plaatsgevonden, is gebleken dat voldaan wordt aan de artikelen 2.19,
2.20, tweede lid, en 2.21, en dat tenminste wordt voldaan aan hetgeen
in:
-
de artikelen 3.3 en 3.4 van afdeling
2 van hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
-
de artikelen 4.3 en 4.4 van afdeling
2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
-
de artikelen 5.3 en 5.4 van afdeling
2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
-
de artikelen 7.3 en 7.4 van afdeling
2 van hoofdstuk 7, indien het schapen en geiten betreft,
voor slachtdieren is bepaald.
Artikel 2.18
De bewijsstukken, bedoeld in artikel
2.16, eerste lid, onderdeel a, tweede gedachtenstreepje, worden slechts
afgegeven, indien op grond van een van Rijkswege ingesteld onderzoek is
gebleken dat voldaan wordt aan de artikelen 2.19, 2.20, 2.21 en aan:
-
de artikelen 3.3 en 3.4 van afdeling
2 van hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
-
de artikelen 4.3 en 4.4 van afdeling
2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
-
de artikelen 5.3 en 5.4 van afdeling
2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
-
voor zover van toepassing, de
artikelen 6.3, 6.4 of 6.5 van afdeling 2 van hoofdstuk 6, indien het
pluimvee en broedeieren betreft;
-
de artikelen 7.3 en 7.4 van afdeling
2 alsmede artikel 7.6 van afdeling 3 van hoofdstuk 7, indien het
schapen of geiten betreft;
-
artikel 8.3 van afdeling 2 van
hoofdstuk 8, indien het apen, hoefdieren, bijen, honden, katten en
lagomorfen met gezondheidscertificaat betreft;
-
de artikelen 9.3 en 9.4 van afdeling
2 van hoofdstuk 9, indien het sperma betreft;
-
de artikelen 10.3 of 10.4 van
afdeling 2 hoofdstuk 10, indien het embryo's betreft;
-
artikel 11.3 van afdeling 2 van
hoofdstuk 11, indien het eicellen betreft, met dien verstande dat;
-
indien het dieren betreft, tenminste
wordt voldaan aan hetgeen in vorenbedoelde artikelen voor
slachtdieren is bepaald, en
-
het veterinaire document of
certificaat, dat aan de veterinaire voorschriften van het derde land
van bestemming voldoet, slechts wordt afgegeven indien aan de
voorschriften van het derde land van bestemming wordt voldaan.
Artikel 2.19
Runderen, varkens, schapen en geiten,
zijn geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig hetgeen
hieromtrent in de tweede afdeling van de hoofdstukken 3, 4 en 7 is
gesteld, geregistreerde paarden en fok- en gebruikspaarden, bedoeld in
artikel 5.1, zijn geïdentificeerd overeenkomstig hetgeen hieromtrent in
de tweede afdeling van hoofdstuk 5 is gesteld, honden en katten zijn
geïdentificeerd overeenkomstig hetgeen hieromtrent in de tweede
afdeling van hoofdstuk 8 is gesteld en de overige dieren zijn
geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig artikel 3, eerste lid,
onderdeel c, van richtlijn 90/425/EEG.
Artikel 2.20
1.Indien de partij via het grondgebied
van een lid-staat naar een derde land wordt gebracht, vindt het
vervoer van de partij over Nederlands grondgebied onder douanetoezicht
plaats.
2.Tijdens het vervoer over Nederlands
grondgebied zijn de dieren of producten niet in aanraking gekomen met
andere dieren of producten.
Artikel 2.21
Artikel 2.15 is van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
dieren en producten uit lid-staten (artikelen 2.22 tot en met 2.32)
§ 1. Uitzondering op het verbod op het
brengen in Nederland van dieren en producten uit lid-staten (artikel
2.22)
Artikel 2.22
1.Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, eerste gedachtenstreepje, geldt niet ter zake van het
brengen in Nederland van dieren en producten die zijn verzonden vanuit
een lid-staat dan wel zijn verzonden vanuit een derde land en via het
grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht, mits
voldaan wordt aan, voor zover van toepassing, het tweede tot en met
het vierde lid, en de artikelen 2.23 tot en met 2.31.
2.Indien de dieren of producten zijn
verzonden vanuit een lid-staat en bestemd zijn voor Nederland of een
lid-staat:
a. gaan raszuivere dieren, hybride
varkens en producten hiervan vergezeld van de zoötechnische
documenten die bij of krachtens het Fokkerijbesluit zijn
voorgeschreven voor het brengen in Nederland van raszuivere
dieren, hybride varkens en hun producten die zijn verzonden vanuit
een lid-staat;
b. wordt voldaan aan:
-
afdeling 3 van hoofdstuk 3,
indien het runderen betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 4,
indien het varkens betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 5,
indien het paardachtigen betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 6,
indien het pluimvee en broedeieren betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 7,
indien het schapen en geiten betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 8,
indien het apen, hoefdieren, bijen, honden, katten en
lagomorfen met gezondheidscertificaat betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 9,
indien het sperma betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 10,
indien het embryo's betreft, en
-
afdeling 3 van hoofdstuk 11,
indien het eicellen betreft.
3.Indien de dieren of producten zijn
verzonden vanuit een lid-staat en bestemd zijn voor een derde land,
gaat de partij vergezeld van het certificaat of document, genoemd in
de derde afdeling van de hoofdstukken 3 tot en met 11, dat, indien het
dieren betreft, ten-minste bestemd is voor slachtdieren, alsmede van
de veterinaire documenten of certificaten, die aan de veterinaire
voorschriften van het derde land van bestemming voldoen, tenzij op het
certificaat of document, genoemd in de derde afdeling van de
hoofdstukken 3 tot en met 11, de vermelding ‘Dieren of producten
voor uitvoer naar (naam van het derde land)’ voorkomt, waarbij de
naam van het derde land van bestemming als het gedeelte tussen haakjes
is opgenomen.
4.Indien de dieren of producten zijn
verzonden vanuit een derde land en via het grondgebied van een
lid-staat in Nederland worden gebracht, gaat de partij vergezeld van:
a. het Gemeenschappelijke
veterinaire document van binnenkomst, bedoeld in verordening
282/2004/EG, alsmede het document, onderscheidenlijk de
documenten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, eerste
gedachtestreepje, van richtlijn 91/496/EEG, indien het dieren
betreft;
b. indien het producten bestemd
voor Nederland of een lid-staat betreft, een Gemeenschappelijk
veterinair document van binnenkomst als bedoeld in verordening
136/2004/EG en van een gewaarmerkt afschrift als bedoeld in
artikel 7, vierde lid, van richtlijn 97/78/EG;
c. indien het producten bestemd
voor een derde land betreft, een bij de partij behorend document,
waaruit tenminste de oorsprong van de partij en de verdere
bestemming hiervan kan worden afgeleid, en van een
Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst als bedoeld
in verordening 136/2004/EG, waarin is aangegeven langs welke
grensinspectiepost de partij de Gemeenschap verlaat.
5.Het eerste lid is niet van toepassing
op vee, niet zijnde paarden niet bestemd voor de slacht, afkomstig uit
België.
§ 2. Nadere voorschriften voor het
brengen in Nederland van dieren en producten uit lid-staten (artikelen
2.23 tot en met 2.31)
Artikel 2.23
1.Het certificaat of document, genoemd
in de derde afdeling van de hoofdstukken 3 tot en met 11, alsmede de
certificaten of documenten, bedoeld in artikel 2.22, tweede lid,
onderdeel a, derde en vierde lid, zijn, met uitzondering van de
documenten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, eerste gedachtenstreepje,
van richtlijn 91/496/EEG, originelen, waarvan de geldigheidsduur niet
is verstreken. Zij zijn in overeenstemming met de regelgeving van de
Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen opgesteld en afgegeven, volledig ingevuld, gedagtekend
en ondertekend.
2.Indien de dieren of producten zijn
verzonden vanuit een lid-staat en bestemd zijn voor een derde land
geldt, onverminderd het eerste lid, ter zake van het certificaat of
document, genoemd in de derde afdeling van de hoofdstukken 3 tot en
met 11, dat:
-
daarop, in voorkomend geval, de
gelijkwaardige, bijkomende waarborgen zijn opgenomen, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel IV, van richtlijn
90/425/EEG, voor zover deze waarborgen betrekking hebben op
slachtdieren;
-
het in tenminste één van de talen
van de lid-staat van oorsprong is gesteld en in de Nederlandse
taal of, indien de partij bestemd is om te worden doorgevoerd via
een andere lid-staat, tevens in één van de talen van de
lid-staat waar zich het punt van uitgang bevindt;
-
daarop het punt van uitgang als de
plaats van bestemming is vermeld;
-
daarop als ontvanger is vermeld,
met naam en adres, de handelaar die in Nederland bij het punt van
uitgang bij de doorvoer van de partij betrokken is, dan wel, in
geval de partij bestemd is om te worden doorgevoerd via een andere
lid-staat, de ontvanger bij het punt van uitgang, bedoeld in
artikel 4, tweede gedachtenstreepje, van beschikking 93/444/EEG.
Artikel 2.24
1.Indien de partij bestemd is voor
Nederland, gaat de partij tot en met de ontvangst door de ontvanger
vergezeld van het certificaat of document, genoemd in de derde
afdeling van de hoofdstukken 3 tot en met 11, en van de documenten,
bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, onderdeel a, dan wel van de
documenten, bedoeld in artikel 2.22, vierde lid, onderdeel a of b.
2.Indien de partij bestemd is voor een
lid-staat, gaat zij tijdens het vervoer naar de plaats waar zij weer
buiten Nederland wordt gebracht, vergezeld van het certificaat of
document, genoemd in de derde afdeling van de hoofdstukken 3 tot en
met 11, en van de documenten, artikel 22, vierde lid, onderdeel a of
b.
3.Indien de partij bestemd is voor een
derde land, gaat zij tijdens het vervoer naar de plaats waar zij weer
buiten Nederland wordt gebracht, vergezeld van de certificaten of
documenten, bedoeld in artikel 2.22, derde lid, dan wel van de
documenten, artikel 2.22, vierde lid, onderdeel c.
Artikel 2.25
1.Indien de partij in Nederland wordt
gebracht via een erkende inspectiepost worden:
a. het certificaat of document,
genoemd in de derde afdeling van de hoofdstukken 3 tot en met 11,
en de documenten, bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, onderdeel
a;
b. de certificaten of documenten,
bedoeld in artikel 2.22, derde lid, of
c. de documenten, bedoeld in
artikel 2.22, vierde lid, desverlangd, door de handelaar
overgelegd aan de keuringsdierenarts.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
indien:
a. de partij rechtstreeks via een
geregelde lijndienst vanuit een inspectiepost wordt vervoerd naar
een andere op het grondgebied van de Europese Gemeenschap gelegen
plaats;
b. de partij is verzonden vanuit
een derde land en bestemd is voor een derde land.
Artikel 2.26
1.De ontvanger geeft van elke aanvoer
van een partij kennis aan de VWA. De kennisgeving geschiedt tussen
08.00 uur en 17.00 uur en ten laatste op de dag, niet zijnde een
zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, voorafgaande aan de dag
van aankomst op de plaats van bestemming. Bij de kennisgeving wordt de
plaats en het vermoedelijke tijdstip van aankomst alsmede de
hoeveelheid en de soort dieren of producten opgegeven.
2.Het eerste lid geldt niet voor de
aanvoer van geregistreerde paarden als bedoeld in artikel 5.1 van
hoofdstuk 5.
3.Indien het runderen of varkens
betreft, die niet op een bepaald bedrijf geboren zijn en niet
gedurende de laatste dertig dagen op het grondgebied van de lid-staat
van verzending verbleven hebben, voegt de ontvanger de partij eerst
aan het beslag op zijn bedrijf toe, nadat de dierenarts,
verantwoordelijk voor de toevoeging aan dit beslag, heeft
geconstateerd dat de dieren de gezondheidsstatus van dit beslag niet
in gevaar kunnen brengen.
4.Desverlangd biedt de ontvanger de
aangevoerde partij aan de keuringsdierenarts ten onderzoek aan en
overlegt hij hem:
a. het certificaat of document,
genoemd in de derde afdeling van de hoofdstukken 3 tot en met 11,
en de documenten, bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, onderdeel
a, of
b. de documenten, bedoeld in
artikel 2.22, vierde lid, onderdeel a of b.
5.De ontvanger bewaart de in het vierde
lid bedoelde certificaten of documenten ten minste zes maanden vanaf
de datum van aanvoer van de partij.
Artikel 2.27
De dieren zijn geïdentificeerd en
geregistreerd overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van
richtlijn 90/425/EEG en, voor zover van toepassing, richtlijn 2008/71/EG
en verordening 1760/2000/EG.
Artikel 2.28
1.Indien de partij bestemd is voor
Nederland dan wel een lid-staat, is de handelaar ingeschreven in het
in artikel 2.62, eerste lid, bedoelde register, terwijl die
inschrijving niet is getroffen door een beslissing als bedoeld in
artikel 2.62, derde lid.
2.Het eerste lid geldt tevens voor de
handelaar die in Nederland bij het punt van uitgang bij de doorvoer
van de partij naar een derde land betrokken is.
Artikel 2.29
1. Op grond van de regelgeving van de
Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen zijn geen maatregelen genomen, houdende de instelling
van een verbod om de dieren of producten uit de betrokken lid-staat
uit te voeren of houdende de machtiging tot de instelling van een
verbod om de betreffende dieren of producten in Nederland te brengen,
noch is de lid-staat van verzending ingevolge deze regelgeving
gehouden de afgifte van de certificaten of vervoersdocumenten, zulks
in verband met het brengen in Nederland op te schorten.
2. Ingevolge de regelgeving van de
lid-staat van verzending is er geen verbod om de betrokken partij op
het grondgebied van die lid-staat in de handel te brengen.
3. Ten aanzien van een partij is, in
voorkomend geval, voldaan aan de ingevolge artikel 10, derde en vierde
lid, van richtlijn 90/425/EEG vastgestelde regelgeving van de Europese
Gemeenschap of aan de regelgeving van de lid-staat van verzending
zelf, in geval van een uitbraak van een epidemische dierziekte in de
lid-staat van verzending.
Artikel 2.30
1.Indien uit de certificaten of
documenten, bedoeld in artikel 2.24, derde lid, blijkt dat de partij
vanuit Nederland rechtstreeks naar het derde land wordt gebracht,
wordt zij buiten Nederland gebracht via het punt van uitgang dat op
het certificaat of document, genoemd in de derde afdeling van de
hoofdstukken 3 tot en met 11, is vermeld.
2.Indien uit de certificaten of
documenten, bedoeld in artikel 2.22, derde lid, dan wel de documenten,
bedoeld in artikel 2.22, vierde lid, blijkt dat de partij is
verzonden:
a. vanuit een lid-staat en bestemd
is voor een derde land;
b. vanuit een derde land, bestemd
is voor een derde land en via het grondgebied van een lid-staat in
Nederland wordt gebracht;
vindt het vervoer naar de plaats
waar de partij weer buiten Nederland wordt gebracht onder
douanetoezicht plaats.
3.Indien producten zijn verzonden uit
een derde land en via het grondgebied van een lid-staat in Nederland
worden gebracht, zijn de artikelen 2.50a en 2.50b van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de documenten, bedoeld in artikel
2.50c, tweede lid en vierde lid, voor de toepassing van deze afdeling
de certificaten zijn, bedoeld in artikel 2.22, vierde lid..
Artikel 2.31
Indien dieren tijdens het vervoer naar de
plaats van bestemming in Nederland dan wel naar de plaats waar zij weer
buiten Nederland worden gebracht, zijn gestorven of afgemaakt, zijn de
kadavers vernietigd volgens de ter zake geldende wettelijke
voorschriften.
§ 3. Maatregelen in geval van
niet-naleving van de voorschriften voor het brengen in Nederland van
dieren en producten uit lid-staten (artikel 2.32)
Artikel 2.32
1.Indien wordt vermoed of geconstateerd
dat er verwekkers van ziekten, zoönosen, of andere aandoeningen,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 90/425/EEG,
aanwezig zijn of dat de dieren of producten afkomstig zijn uit een met
een epidemische dierziekte besmet gebied, worden, zonder vergoeding
van Staatswege en voor rekening van de verzender, diens gemachtigde of
degene die met de zorg van de dieren of de producten is belast, al
naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming
van diens aanwijzingen:
a. de dieren, met inachtneming van
artikel 6, van richtlijn 90/425/EEG, in tijdelijke afzondering
geplaatst, of
b. de dieren of producten gedood of
vernietigd.
2.Onverminderd het eerste lid worden,
indien niet wordt voldaan aan de onderhavige regeling dan wel in de
gevallen bedoeld in artikel 2, tweede lid, van beschikking nr. 93/444/EEG,
zonder vergoeding van Staatswege en voor rekening van de verzender,
diens gemachtigde of degene die met de zorg voor de dieren of
producten is belast, al naar gelang de minister daaromtrent heeft
besloten en met inachtneming van de aanwijzingen van de
keuringsdierenarts.:
a. de dieren of producten onder
toezicht van de keuringsdierenarts geplaatst;
b. de dieren geslacht;
c. de producten vernietigd, of
d. de dieren of producten
teruggezonden naar de Lid-Staat van verzending, mits deze hiervoor
toestemming verleent.
3.Tenzij hygiënische of
veterinairrechtelijke voorschriften zich hiertegen verzetten, laat de
minister de keuze tussen de in het tweede lid bedoelde maatregelen aan
de verzender of diens gemachtigde.
Afdeling 5. Het brengen in Nederland van
dieren uit derde landen (artikelen 2.33 tot en met 2.42)
§ 1. Uitzondering van het verbod op het
brengen in Nederland van dieren uit derde landen (artikelen 2.33 en
2.34)
Artikel 2.33
Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, derde gedachtenstreepje, geldt niet ter zake van het brengen
in Nederland van dieren die via Nederland voor het eerst in de gebieden
waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is worden
gebracht en zijn verzonden vanuit een derde land of een deel van een
derde land, mits voldaan wordt aan, voor zover van toepassing,
verordening 282/2004/EG, verordening 318/2007 en de artikelen 2.35 tot
en met 2.41 en aan:
-
afdeling 4 van hoofdstuk 3, indien
het runderen betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 4, indien
het varkens betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 5, indien
het paardachtigen betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 6, indien
het pluimvee betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 7, indien
het schapen of geiten betreft;
-
artikel 7a.1 van hoofdstuk 7a, indien
het gaffelantilopen, herten, muskusherten, dwergherten, giraffen,
okapi’s, eeltpotigen, nijlpaarden, pecari’s, neushoorns, tapirs,
olifanten en holhoornigen niet zijnde runderen, geiten en schapen
betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 8, indien
het dieren, niet zijnde runderen, varkens, paardachtigen, pluimvee,
schapen, geiten of vogels betreft;
-
afdeling 4b, van hoofdstuk 8, indien
het bijen of hommels betreft, afkomstig uit een derde land.
Artikel 2.34
Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, derde gedachtenstreepje, geldt niet ter zake van het in
Nederland brengen van dieren die via Nederland voor het eerst in de
gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing
is worden gebracht on:
a. zijn verzonden vanuit een derde
land of deel van een derde land;
b. zijn aangevoerd met een vliegtuig
of een schip en met een vliegtuig, onderscheidenlijk een schip het
Nederlandse grondgebied rechtstreeks via dezelfde luchthaven,
onderscheidenlijk haven van aanvoer weer verlaten;
c. waarvan de eerst volgende
bestemming blijkens de bij de partij behorende documenten een derde
land is, en
d. zij tussentijds niet in contact
komen met andere dieren en, indien zij tussentijds het
transportmiddel verlaten, het daartoe door de keuringsdierenarts
aangewezen terrein niet verlaten,
mits het voornemen om de dieren in
Nederland te brengen tijdig bij de VWA is gemeld en, voor zover van
toepassing, voldaan wordt aan de artikelen 2.39 en 2.40.
§ 2. Nadere voorschriften voor het
brengen in Nederland van dieren uit derde landen: aankomst en onderzoek
op de inspectiepost, vervoer na onderzoek op de erkende inspectiepost
(artikelen 2.35 tot en met 2.41)
Artikel 2.35
1.De dieren zijn geïdentificeerd en
worden aangevoerd via een inspectiepost.
2.De melding van de aanvoer van een
partij vindt plaats aan de VWA overeenkomstig artikel 1, eerste tot en
met derde lid, van verordening 282/2004/EG.
3.De dieren worden bij aankomst op de
inspectiepost ten onderzoek aangeboden aan de keuringsdierenarts,
waarbij aan hem wordt overgelegd:
a. het certificaat en het document,
genoemd in afdeling 4 van de hoofdstukken 3 tot en met 8 of in
afdeling 4a of afdeling 4b van hoofdstuk 8, alsmede het
reisschema, genoemd in afdeling 4 van de hoofdstukken 3, 4, 5 en
7;
b. indien het raszuivere dieren of
hybride varkens betreft, de zoötechnische documenten die bij of
krachtens het Fokkerijbesluit zijn voorgeschreven voor het brengen
in Nederland van raszuivere dieren en hybride varkens die via
Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag
betreffende de Europese Unie van toepassing is worden gebracht.
4.Het certificaat, genoemd in afdeling
vier van de hoofdstukken 3 tot en met 8 of in afdeling 4a of afdeling
4b van hoofdstuk 8, en de zoötechnische documenten die bij of
krachtens het Fokkerijbesluit zijn voorgeschreven voor het brengen in
Nederland van raszuivere dieren en hybride varkens die via Nederland
voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de
Europese Unie van toepassing is worden gebracht zijn originelen,
waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Zij zijn in
overeenstemming met de regelgeving van de Raad van de Europese Unie of
de Commissie van de Europese Gemeenschappen afgegeven, volledig
ingevuld, gedagtekend en ondertekend.
Artikel 2.35a
1.In afwijking in zoverre van artikel
2.35, tweede lid, kan de belanghebbende bij de lading de melding van
de aanvoer van een partij, bedoeld in artikel 2.35, tweede lid, op
elektronische wijze verrichten, mits de minister daarmee heeft
ingestemd.
2.De minister kan aan zijn instemming,
bedoeld in het eerste lid, voorwaarden stellen en nadere voorschriften
verbinden.
3.De minister kan zijn instemming,
bedoeld in het eerste lid in, intrekken, indien de belanghebbende bij
de lading:
a. niet meer voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, of
b. niet voldoet aan de nadere
voorschriften, bedoeld in het tweede lid.
4.Het melden van de aanvoer, bedoeld in
het eerste lid, geschiedt via een daarvoor bestemd elektronisch
systeem met behulp van een door de minister beschikbaar gestelde
toegang.
5.De minister kan een elektronische
aanmelding weigeren, indien deze niet overeenkomstig artikel 2.35,
tweede lid, is ingediend.
6.Artikel 20a, vijfde tot en met tiende
lid, van de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.36
dien de dieren bestemd zijn voor een
derde land:
a. is door de minister vooraf
toestemming verleend voor het brengen van de dieren in Nederland;
b. is, indien het vervoer over het
grondgebied van een of meer lid-staten zal plaatsvinden, door de
bevoegde centrale autoriteit van die lid-staat of lid-staten
toestemming verleend voor dit vervoer, en
c. wordt door de importeur aan de
keuringsdierenarts aangetoond dat het eerste derde land waarnaar de
dieren worden vervoerd de verplichting op zich neemt de dieren,
waarvan het toelaat dat zij op zijn grondgebied worden gebracht, in
geen geval te weigeren of terug te zenden.
Artikel 2.37
1.Indien de dieren zijn verzonden
vanuit een derde land waarvoor de geharmoniseerde
veterinairrechtelijke voorschriften nog niet op grond van de
veterinairrechtelijke regelgeving van de Raad van de Europese Unie of
de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn vastgesteld, wordt
voldaan aan artikel 8, onderdeel A, tweede lid, eerste, derde, vierde
en vijfde gedachtenstreepje, van richtlijn 91/496/EEG en worden fok-
en gebruiksdieren overeenkomstig artikel 10, eerste lid, eerste tot en
met derde gedachtenstreepje en met inachtneming van de bijzondere
waarborgen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, tweede alinea, van
richtlijn 91/496/EEG, in tijdelijke afzondering geplaatst.
2.Het vervoer van de dieren naar een in
artikel 10, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van richtlijn
91/496/EEG, bedoeld quarantainestation, vindt rechtstreeks en onder
veterinair toezicht plaats.
Artikel 2.38
Met betrekking tot de partij is door de
minister een Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst als
bedoeld in verordening 282/2004/EG afgegeven.
Artikel 2.39
1.Noch op grond van artikel 18, eerste
lid, eerste gedachtenstreepje, van richtlijn 91/496/EEG, noch op grond
van andere regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de
Commissie van de Europese Gemeenschappen tot wering of bestrijding van
besmettelijke dierziekten, zijn maatregelen genomen, houdende de
instelling van een verbod om de betrokken dieren in de gebieden waarop
het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is dan wel in
Nederland te brengen.
2.Ten aanzien van een partij is, in
voorkomend geval, voldaan aan de op grond van artikel 18, eerste lid,
tweede gedachtenstreepje, van richtlijn 91/496/EEG dan wel op grond
van andere regelgeving van de Europese Gemeenschap vastgestelde
bijzondere voorschriften.
Artikel 2.40
Indien de dieren voor een lid-staat dan
wel een derde land zijn bestemd en tijdens het vervoer over Nederlands
grondgebied zijn gestorven of afgemaakt, worden de kadavers vernietigd
volgens de ter zake geldende wettelijke voorschriften.
Artikel 2.41
1.Tijdens het vervoer vanaf de erkende
inspectiepost gaat de partij vergezeld van een afschrift van het
certificaat, genoemd in afdeling 4 van de hoofdstukken 3 tot en met 8
of in afdeling 4a of afdeling 4b van hoofdstuk 8, van het aldaar
bedoelde document en van het reisschema, genoemd in afdeling 4 van de
hoofdstukken 3, 4, 5 en 7, alsmede van een afschrift van de
zoötechnische documenten die bij of krachtens het Fokkerijbesluit
zijn voorgeschreven voor het brengen in Nederland van raszuivere
dieren of hybride varkens die via Nederland voor het eerst in de
gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van
toepassing is worden gebracht, alsmede van het document, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van richtlijn 91/496/EEG.
2.Indien de partij bestemd is voor een
derde land vindt het vervoer over Nederlands grondgebied plaats onder
douanetoezicht.
§ 3. Maatregelen in geval van
niet-naleving van de voorschriften voor het brengen in Nederland van
dieren uit derde landen (artikel 2.42)
Artikel 2.42
1.Indien wordt vermoed of geconstateerd
dat er verwekkers van ziekten, zoönosen, of andere aandoeningen,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 90/425/EEG,
aanwezig zijn, kan de minister, indien hij de aanwezigheid van
verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen vermoedt,
gelasten dat de dieren in tijdelijke afzondering worden geplaatst, dan
wel worden de dieren gedood of vernietigd, al naar gelang hetgeen de
keuringsdierenarts daaromtrent heeft besloten, met inachtneming van
diens aanwijzingen, zonder vergoeding van Staatswege en voor rekening
van de importeur of diens gemachtigde.
2.Indien wordt vermoed of geconstateerd
dat niet is voldaan aan de overige voorschriften van de onderhavige
regeling of dat de dieren afkomstig zijn uit een met een epidemische
dierziekte besmet gebied, worden de dieren, zonder vergoeding van
Staatswege en voor rekening van de importeur of diens gemachtigde, al
naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming
van de aanwijzingen van de keuringsdierenarts:
a. ondergebracht, gevoerd, gedrenkt
en verzorgd;
b. in tijdelijke afzondering
geplaatst;
c. doorgestuurd naar een derde
land;
d. geslacht, dan wel
e. gedood en vernietigd.
Afdeling 6. Het brengen in Nederland,
alsmede het inslaan, opslaan of uitslaan van producten uit derde landen
(artikelen 2.43 tot en met 2.50f)
§ 1. Uitzondering van het verbod op het
brengen in Nederland van producten uit derde landen (artikel 2.43)
Artikel 2.43
1.Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, derde gedachtenstreepje, geldt, niet ter zake van het
brengen in Nederland van producten die via Nederland voor het eerst in
de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van
toepassing is worden gebracht en zijn verzonden vanuit een derde land
of een deel van een derde land, mits wordt voldaan aan, voor zover van
toepassing, de artikelen 2.44 tot en met 2.50b en:
a. voor zover de producten bestemd
zijn voor Nederland of een lid-staat:
-
afdeling 4 van hoofdstuk 6,
indien het broedeieren betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 9,
indien het sperma betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 10,
indien het embryo's betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 11,
indien het eicellen betreft;
b. voor zover de producten bestemd
zijn voor een derde land, de betrokken partij vergezeld gaat van
een bij die partij behorend origineel document, dat is gesteld in
de Nederlandse, Duitse, Franse of Engelse taal, waaruit tenminste
de oorsprong van de partij alsmede de bestemming hiervan kan
worden afgeleid.
2.Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, derde gedachtenstreepje, geldt niet terzake van het via
Nederland in de Europese Gemeenschap binnenbrengen van producten die
door een derde land zijn geweigerd en vanuit het grondgebied van de
Europese Gemeenschap naar het betrokken land zijn verzonden, mits:
a. wordt voldaan aan de artikelen
2.44, eerste, tweede, vijfde en achtste lid, 2.45a, 2.46, eerste
lid, 2.49, eerste, tweede en vijfde lid, alsmede aan artikel 15,
eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 97/78/EG, en
b. indien de producten naar het
betrokken derde land zijn verzonden vanuit een lid-staat, de in
minister vooraf toestemming heeft verleend voor het binnenbrengen
van de producten en de bevoegde autoriteit van de lid-staat die
het in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 97/78/EG
bedoelde certificaat heeft afgegeven met terugname van de partij
in de lid-staat instemt.
§ 2. Nadere voorschriften voor het
brengen in Nederland van producten uit derde landen: aankomst en
onderzoek op de inspectiepost en vervoer na onderzoek op de erkende
inspectiepost (artikelen 2.44 tot en met 2.49)
Artikel 2.44
1.Elke partij wordt aangevoerd via een
inspectiepost.
2.De melding van de aanvoer van een
partij vindt plaats aan de VWA overeenkomstig artikel 2, eerste tot en
met derde lid, van verordening 136/2004/EG.
3.Bij de aankomst op de inspectiepost
wordt de keuringsdierenarts overgelegd:
a. het originele certificaat,
bedoeld in afdeling 4 van de hoofdstukken 6, 9, 10 en 11,
onderscheidenlijk het originele document, bedoeld in artikel 2.43,
onderdeel b;
b. indien het producten van
raszuivere dieren of hybride varkens betreft, de zoötechnische
documenten die bij of krachtens het Fokkerijbesluit zijn
voorgeschreven voor het brengen in Nederland van producten van
raszuivere dieren en hybride varkens die via Nederland voor het
eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese
Unie van toepassing is worden gebracht.
4.Ten aanzien van het in het derde lid
bedoelde originele certificaat of document alsmede de aldaar bedoelde
zoötechnische documenten geldt dat:
a. de geldigheidsduur ervan niet is
verstreken;
b. zij, voor zover van toepassing,
in overeenstemming met de voor het desbetreffende produkt geldende
regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van
de Europese Gemeenschappen zijn opgesteld en afgegeven, volledig
ingevuld, gedagtekend en ondertekend.
5.De partij wordt bij aankomst op de
inspectiepost ter onderzoek aangeboden aan de keuringsdierenarts.
6.De keuringsdierenarts onderwerpt de
voor Nederland of een lidstaat bestemde partij in de inspectiepost aan
een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en een materiële
controle overeenkomstig artikel 4, derde en vierde lid, van richtlijn
97/78/EG. In de gevallen bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid,
van richtlijn 97/78/EG, is de keuringsdierenarts bevoegd om niet elke
partij aan een materiële controle te onderwerpen.
7.De controles, bedoeld in het zesde
lid, worden niet verricht indien de in dat lid bedoelde partij via een
haven of luchthaven op Nederlands grondgebied wordt gebracht en vanuit
die haven of luchthaven over zee of door de lucht naar de haven of
luchthaven van bestemming wordt vervoerd, mits de haven of luchthaven
van bestemming over een inspectiepost of, indien het een haven of
luchthaven in een lidstaat betreft, over een grensinspectiepost als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van richtlijn 97/78/EG
beschikt. Indien de partij in de eerstgenoemde haven of luchthaven
wordt gelost of wordt opgeslagen en daarbij de krachtens artikel 9,
eerste lid, onderdeel b, onder i, van richtlijn 97/78/EG vastgestelde
minimale periode wordt overschreden, wordt de partij in de
inspectiepost onderworpen aan een documentencontrole. Zolang de in de
vorige zin bedoelde minimale periode niet is vastgesteld, bedraagt
deze periode 7 dagen indien de partij in een haven wordt gelost of
opgeslagen, of 24 uur, indien de partij in een luchthaven wordt gelost
op opgeslagen.
8.De keuringsdierenarts onderwerpt een
partij als bedoeld in artikel 2.43, tweede lid, in de inspectiepost
aan een documentencontrole en een overeenstemmingscontrole
overeenkomstig artikel 4, derde en vierde lid, van richtlijn 97/78/EG.
9.De keuringsdierenarts onderwerpt de
voor een derde land bestemde partij in de inspectiepost aan een
documentencontrole en een overeenstemmingscontrole overeenkomstig
artikel 4, derde en vierde lid, van richtlijn 97/78/EG.
10.De keuringsdierenarts is bevoegd de
controles, bedoeld in het negende lid, achterwege te laten, indien de
in dat lid bedoelde partij via een haven of luchthaven op Nederlands
grondgebied wordt gebracht en vanuit die haven of luchthaven over zee
of door de lucht naar een haven of luchthaven in een derde land wordt
aangevoerd en, indien de partij in de eerstgenoemde haven of
luchthaven wordt gelost of wordt opgeslagen, daarbij de krachtens
artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder i, van richtlijn 97/78/EG
vastgestelde minimale periode niet wordt overschreden. Zolang de in de
vorige zin bedoelde minimale periode niet is vastgesteld, bedraagt
deze 7 dagen indien de partij in een haven wordt gelost of opgeslagen,
of 24 uur, indien de partij in een luchthaven wordt gelost op
opgeslagen.
11.Het zesde en negende lid zijn van
overeenkomstige toepassing op een in die leden bedoelde partij die op
het grondgebied van de Europese Gemeenschap wordt opgeslagen in een
van de in artikel 2.50 genoemde opslagruimten.
12.Onverminderd het zesde tot en met
elfde lid, verricht de keuringsdierenarts indien er naar zijn oordeel
gevaar bestaat dat de gezondheid van mens of dier wordt bedreigd of in
in de artikelen 14, eerste lid, en 20, eerste lid, van richtlijn
97/78/EG bedoelde gevallen voorts alle door hem passend geachte
veterinaire controles.
Artikel 2.44a
1.In afwijking in zoverre van artikel
2.44, tweede lid, kan de belanghebbende bij de lading de melding van
de aanvoer van een partij, bedoeld in artikel 2.44, tweede lid, op
elektronische wijze verrichten, mits de minister daarmee heeft
ingestemd.
2.De minister kan aan zijn instemming,
bedoeld in het eerste lid, voorwaarden stellen en nadere voorschriften
verbinden.
3.De minister kan zijn instemming,
bedoeld in het eerste lid in, intrekken, indien de belanghebbende bij
de lading:
a. niet meer voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, of
b. niet voldoet aan de nadere
voorschriften, bedoeld in het tweede lid.
4.Het melden van de aanvoer, bedoeld in
het eerste lid, geschiedt via een daarvoor bestemd elektronisch
systeem met behulp van een door de minister beschikbaar gestelde
toegang.
5.De minister kan een elektronische
aanmelding weigeren, indien deze niet overeenkomstig artikel 2.44,
tweede lid, is ingediend.
6.Artikel 20a, vijfde tot en met tiende
lid, van de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.45
1.Met betrekking tot een partij die
bestemd is voor een derde land:
a. heeft de minister vooraf
toestemming verleend voor het brengen van de partij in Nederland;
b. heeft de belanghebbende bij de
lading voorafgaand aan het brengen van de partij in Nederland aan
de VWA schriftelijk toegezegd de partij weer in bezit te zullen
nemen, alsmede schriftelijk toegezegd de producten overeenkomstige
artikel 2.51, tweede lid, te behandelen, indien de producten in
het derde land worden geweigerd;
c. vindt na het verlaten van de
inspectiepost, of na uitslag uit een van de in artikel 2.50b
bedoelde opslagruimten, het vervoer over Nederlands grondgebied
onder douanetoezicht plaats, zonder splitsing of lossing van de
partij, in verzegelde voertuigen of in verzegelde containers;
d. verlaat de partij binnen 30
dagen na het vertrek uit de inspectiepost de Europese Gemeenschap.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde
partij in het derde land wordt geweigerd, is de belanghebbende bij de
lading verplicht om op eerste vordering van de minister de partij
overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, in bezit te nemen en te
behandelen.
Artikel 2.45a
Een partij als bedoeld in artikel 2.43,
tweede lid, wordt na het verlaten van de inspectiepost in verzegelde en
lekvrije voertuigen of containers rechtstreeks vervoerd naar de
inrichting van oorsprong waar het certificaat, bedoeld in artikel 2.43,
tweede lid, onderdeel b, is afgegeven.
Artikel 2.46
1.Met betrekking tot de partij is door
de minister een certificaat afgegeven als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van richtlijn 97/78/EG.
2.Onverminderd het eerste lid is met
betrekking tot de voor Nederland of een lidstaat bestemde partij door
de minister een gewaarmerkt afschrift als bedoeld in artikel 7, vierde
lid, van richtlijn 97/78/EG, afgegeven.
3.Indien de partij in de inspectiepost
in meerdere delen is gesplitst, geldt het eerste lid voor elk van de
deelpartijen.
Artikel 2.47
1.Terzake van een partij producten die
zich aan boord bevindt van een vliegtuig of schip dat bij vervoer
tussen twee derde landen op Nederlands grondgebied landt of aanlegt,
overlegt de belanghebbende bij de lading aan de keuringsdierenarts,
desgevraagd het originele document, bedoeld in artikel 2.43, eerste
lid, onderdeel b.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde
partij van het ene vliegtuig of schip in het andere wordt overgeladen,
stelt de belanghebbende bij de lading de keuringsdierenarts hiervan in
kennis en overlegt hij hem desgevraagd het originele document, bedoeld
in artikel 2.43, eerste lid, onderdeel b.
3.In de in het eerste en tweede lid
bedoelde gevallen gaat de desbetreffende partij bij verzending naar
het derde land vergezeld van het originele document, bedoeld in
artikel 2.43, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 2.48
1.Noch op grond van artikel 22, eerste
lid eerste gedachtenstreepje, van richtlijn 97/78/EG, noch op grond
van andere regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn maatregelen
genomen houdende instelling van een verbod om de betrokken producten
op het grondgebied van de Europese Gemeenschap, dan wel op het
grondgebied van Nederland te brengen.
2.Ten aanzien van de partij is, in
voorkomend geval, voldaan aan de op grond van artikel 22, eerste lid,
tweede en derde gedachtenstreepje van richtlijn 97/78/EG, dan wel op
grond van andere regelgeving van de Europese Gemeenschap vastgestelde
bijzondere voorschriften.
Artikel 2.49
1.De partij producten die voor
Nederland is bestemd, gaat tijdens het vervoer over Nederlands
grondgebied vanaf de erkende inspectiepost naar de plaats van
bestemming vergezeld van het certificaat, bedoeld in artikel 2.46,
eerste lid, en het gewaarmerkt afschrift als bedoeld in artikel 2.46,
tweede lid.
2.De partij producten die voor een
lid-staat is bestemd, gaat tijdens het vervoer over Nederlands
grondgebied vanaf de erkende inspectiepost vergezeld van het
certificaat, bedoeld in artikel 2.46, eerste lid, en het gewaarmerkt
afschrift, bedoeld in artikel 2.46, tweede lid.
3.De partij producten die voor een
derde land is bestemd, gaat tijdens het vervoer over Nederlands
grondgebied vanaf de inspectiepost vergezeld van het originele
document, bedoeld in artikel 2.43, eerste lid, onderdeel b, alsmede
van het certificaat, bedoeld in artikel 2.46, eerste lid.
4.De partij, bestemd voor een derde
land, die:
a. in een vrij entrepot of
douane-entrepot in Nederland moet worden opgeslagen en die niet
aan de in deze regeling voor het desbetreffende produkt gestelde
voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied voldoet;
b. in een vrij entrepot of
douane-entrepot in een lid-staat moet worden opgeslagen en die
niet aan van toepassing zijnde voorschriften voor het brengen van
de producten in de betreffende lid-staat voldoet, wordt onder
douanetoezicht vervoerd, in een gesloten, geïdentificeerd lekvrij
en verzegeld vervoermiddel, dat, indien het vervoer over land
heeft plaatsgevonden, voorafgaand aan elk nieuw vervoer over
Nederlands grondgebied onder toezicht van de keuringsdierenarts
wordt gereinigd en ontsmet.
5.Een partij als bedoeld in artikel
2.43, tweede lid, gaat vanaf de inspectiepost tijdens het vervoer over
Nederlands grondgebied vergezeld van de in artikel 15, eerste lid,
onderdeel a, van richtlijn 97/78/EG genoemde documenten en van het
certificaat als bedoeld in artikel 2.46, eerste lid..
§ 2a. Nadere voorschriften voor het
inslaan, opslaan of uitslaan van producten uit derde landen (artikelen
2.50 tot en met 2.50f)
Artikel 2.50
Degene die voornemens is een partij
producten in te slaan in of uit te slaan uit een douane-entrepot, een
ruimte voor tijdelijke opslag of een vrij entrepot geeft hiervan
uiterlijk tot 14.00 uur op de werkdag voorafgaand aan de dag van in- of
uitslag melding aan de VWA binnen wiens kring de opslagfaciliteit is
gelegen, onder vermelding van de naam en het adres van de
opslagfaciliteit, de dag van in- of uitslag en de aard en hoeveelheid
van de producten.
Artikel 2.50a
1.Opslag van een partij die bestemd is:
a. voor Nederland of een derde land
en die voldoet aan de in deze regeling voor het desbetreffende
product gesteld voorschriften voor het brengen op Nederlands
grondgebied, of
b. voor een lidstaat en die voldoet
aan de voorschriften terzake van het brengen van het
desbetreffende product op het grondgebied van de betreffende
lidstaat,
vindt plaats in een op grond van
artikel 2.50c, eerste lid, geregistreerd douane-entrepot,
geregistreerde ruimte voor tijdelijke opslag, dan wel
geregistreerd vrij entrepot, dan wel in een op grond van artikel
2.50b, erkend douane-entrepot of erkend vrij entrepot, mits dat
erkend douane-entrepot of erkend vrij entrepot beschikt over
lokalen waarin de in dit artikellid bedoelde producten gescheiden
van de in het tweede lid bedoelde producten kunnen worden
opgeslagen.
2.De in het eerste bedoelde opslag,
alsmede de opslag, bedoeld in artikel 2.50b, vindt slecht plaats
indien de belanghebbende bij de lading voorafgaand aan de opslag heeft
voldaan aan artikel 12, eerste lid, eerste zin, van richtlijn
97/78/EG, met dien verstande dat de bevoegde autoriteit als bedoeld in
artikel 12, eerste lid, eerste zijn, van richtlijn 97/78/EG de
minister is.
Artikel 2.50b
Opslag van een partij die bestemd is voor
een derde land en die niet voldoet aan de in deze regeling voor het
desbetreffende product gestelde voorschriften voor het brengen op
Nederlands grondgebied, vindt slechts plaats in een op grond van artikel
2.50c, derde lid, erkend douane-entrepot of vrij entrepot, mits de
minister, hiervoor toestemming heeft verleend.
Artikel 2.50c
1.Een douane-entrepot, ruimte voor
tijdelijke opslag, dan wel vrij entrepot als bedoeld in artikel 2.50a
wordt slechts geregistreerd, indien de opslagfaciliteit:
a. voor zover van toepassing, op
grond van de betrokken regelgeving is erkend voor de opslag van de
betrokken producten;
b. beschikt over een geldige
vergunning als bedoeld in artikel 100 van Verordening (EEG) nr.
2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober
1992 (PbEG L 302), een goedkeuring als bedoeld in artikel 185 van
Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 2 juli 1993 (PbEG L 253), onderscheidenlijk een
vergunning als bedoeld in artikel 603, lid 3, van laatstgenoemde
verordening;
c. beschikt over geschikte lokalen
die uitsluitend worden gebruikt door de keuringsdierenarts en de
onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen;
d. ten behoeve van de VWA over de
volgende voorzieningen beschikt die om niet ter beschikking worden
gesteld:
1º. indien de
keuringsdierenarts of de onder zijn verantwoordelijkheid
werkzame personen gewoonlijk meer dan 2 uur per dag op de
opslagfaciliteit aanwezig zijn:
-
een afsluitbare ruimte met een
afsluitbare kast, een bureau, stoelen en de door de VWS
gewenste telecommunicatiemiddelen;
-
een kleedruimte met
wasgelegenheid en toilet;
-
indien gewoonlijk meer dan vier
medewerkers van de VWA aanwezig zijn, een verblijfruimte
ingericht met voldoende stoelen en tafels;
2º. Indien de
keuringsdierenarts of de onder zijn verantwoordelijkheid
werkzame personen gewoonlijk minder dan 2 uur per dag op de
opslagfaciliteit aanwezig zijn:
-
een afsluitbare kast;
-
de door de VWA gewenste
telecommunicatiemiddelen.
2.In een douane-entrepot, ruimte voor
tijdelijke opslag, dan wel vrij entrepot als bedoeld in artikel 2.50a:
a. is iedere partij gedurende de
opslag voorzien van een gesloten verpakking en duidelijk
geïdentificeerd door middel van het nummer van het bij de partij
behorende certificaat, bedoeld in artikel 2.46, eerste lid;
b. zijn uitsluitend partijen als
bedoeld in artikel 2.50a opgeslagen.
3.Erkenning van een douane-entrepot of
vrij entrepot als bedoeld in artikel 2.50b vindt slechts plaats,
indien het entrepot:
a. beschikt over een geldige
vergunning als bedoeld in artikel 100 van Verordening (EEG) nr.
2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober
1992 (PbEG L 302), onderscheidenlijk een vergunning als bedoeld in
artikel 603, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 (PbEG L
253);
b. voor zover van toepassing, op
grond van de betrokken regelgeving is erkend voor de opslag van de
betrokken producten, dan wel, indien voor de opslag van de
betrokken producten geen voorschriften voor de erkenning van
inrichtingen gelden, aan hoofdstuk I van bijlage II bij
verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake
levensmiddelenhygiëne (PbEU L 226);
c. beschikt over geschikte lokalen
die uitsluitend worden gebruikt door de keuringsdierenarts en de
onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen;
d. kan worden afgesloten met een
ambtelijk slot, en
e. ten behoeve van de VWA over de
in het eerste lid, onderdeel d, genoemde voorzieningen beschikt
die om niet ter beschikking worden gesteld.
4.In een douane-entrepot of vrij
entrepot waar producten als bedoeld in artikel 2.50b zijn opgeslagen:
a. is iedere partij bij inslag en
gedurende de opslag voorzien van een gesloten verpakking met
daarop een vermelding van het land van oorsprong en de aard van
het product en duidelijk geïdentificeerd door middel van het
nummer van het bij de partij behorende certificaat, bedoeld in
artikel 2.46, eerste lid;
b. zijn partijen als bedoeld in
artikel 2.50b onderling ruimtelijk van elkaar opgeslagen en zijn,
indien in dat entrepot tevens partijen als bedoeld in artikel
2.50a, eerste lid, zijn opgeslagen, die partijen in andere lokalen
opgeslagen dan partijen als bedoeld in artikel 2.50b;
c. ondergaat een partij als bedoeld
in artikel 2.50b geen andere vorm van goederenbehandeling dan die
welke noodzakelijk is voor de opslag of voor splitsing van de
partij in meerdere partijen zonder wijziging van de verpakking;
d. is iedere partij, bedoeld in
artikel 2.50b, bij uitslag voorzien van een gesloten verpakking
met daarop een vermelding van het land van oorsprong en de aard
van het product.
5.De exploitant of de eigenaar, dan wel
diens vertegenwoordiger van een douane-entrepot, ruimte voor
tijdelijke opslag, dan wel vrij entrepot draagt er zorg voor dat:
a. een boekhouding wordt gevoerd
waarin dagelijks aantekening wordt gemaakt van de partijen die de
opslagfaciliteit binnenkomen en verlaten, en waarmee de
keuringsdierenarts op enig moment een overzicht kan worden geboden
van de in het entrepot opgeslagen partijen;
b. van iedere ingeslagen partij het
certificaat, bedoeld in artikel 2.46, eerste lid, gedurende drie
jaren na uitslag wordt bewaard;
c. het entrepot voldoet aan het
eerste, onderscheidenlijk derde lid;
d. in de opslagfaciliteit
opgeslagen partijen voldoen aan het tweede, onderscheidenlijk
vierde lid;
e. indien het een douane-entrepot
of een vrij entrepot als bedoeld in artikel 2.50b betreft, de
toegang van het entrepot duidelijk wordt voorzien van de
vermelding ‘vrij entrepot, uitsluitend bestemd voor de opslag
van niet-EG-waardige producten van dierlijke oorsprong’, en
f. de keuringsdierenarts alle
medewerking wordt verleend die deze redelijkerwijs voor de
vervulling van zijn taken in het kader van de inslag, opslag of
uitslag van partijen noodzakelijk acht en dat diens aanwijzingen
ter zake door het personeel van de opslagfaciliteit worden
opgevolgd.
6.Een douane-entrepot, ruimte voor
tijdelijke opslag of vrij entrepot staat onder permanente controle van
de keuringsdierenarts.
Artikel 2.50d
1.Een registratie als douane-entrepot,
ruimte voor tijdelijke opslag of vrij entrepot als bedoeld in artikel
2.50a wordt door de minister verleend nadat uit een door de
keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat aan de
voorschriften van artikel 2.50c, eerste lid, is voldaan.
2.In afwijking van het eerste lid is
een opslagfaciliteit als bedoeld in dat lid tot en met 31 december
1997 geregistreerd, indien de eigenaar of exploitant ten genoegen van
de minister kan aantonen dat de opslag faciliteit op 1 juli 1997 over
een geldige vergunning als bedoeld in artikel 2.50c, eerste lid,
onderdeel b, beschikte of in die faciliteit op laatstgenoemde datum
partijen als bedoeld in artikel 2.50a waren opgeslagen.
3.Een erkenning als douane-entrepot of
vrij entrepot als bedoeld in artikel 2.50b wordt door de minister
verleend nadat uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek
is gebleken dat aan de voorschriften van artikel 2.50c, derde lid, is
voldaan.
4.In afwijking van het derde lid is een
opslagfaciliteit als bedoeld in dat lid tot en met 31 december 1997
geregistreerd, indien de eigenaar of exploitant ten genoegen van de
minister kan aantonen dat in die faciliteit op 1 juli 1997 partijen
als bedoeld in artikel 2.50b waren opgeslagen.
5.De aanvraag voor een registratie
erkenning wordt ingediend bij de VWA op een daartoe bestemd formulier.
6.Aan een opslagfaciliteit die op grond
van dit artikel is geregistreerd of erkend, wordt een registratie
onderscheidenlijk erkenningsnummer toegekend.
7.De minister schort een op grond van
het eerste, onderscheidenlijk derde lid verleende registratie of
erkenning, dan wel een erkenning als bedoeld in het tweede,
onderscheidenlijk vierde lid tijdelijk op, indien de
keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de op de betrokken
opslagfaciliteit van toepassing zijnde voorschriften van artikel
2.50c, tweede, vierde of vijfde lid, niet worden nageleefd.
8.Indien blijkt dat de exploitant of de
eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van de opslagfaciliteit de
geconstateerde gebreken na opschorting niet alsnog binnen een daartoe
gestelde termijn heeft verholpen, trekt de minister de registratie of
erkenning in.
9.De minister trekt een op grond van
het eerste, onderscheidenlijk derde lid verleende registratie of
erkenning in, indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de
op de betrokken opslagfaciliteit van toepassing zijnde voorschriften
van artikel 2.50c, eerste of derde lid, niet worden nageleefd.
10.Opschorting en intrekking als
bedoeld in het zevende, onderscheidenlijk negende lid geschiedt niet
dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij
te stellen termijn, waarbinnen alsnog aan de betrokken voorschriften
dient te zijn voldaan.
Artikel 2.50e
Uitslag van een partij producten die niet
voldoet aan de in deze regeling voor desbetreffende producten gestelde
voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied uit een
opslagruimte als bedoeld in artikel 2.50b, is slechts toegestaan indien
de partij bestemd is:
a. voor een derde land en elders geen
opslag van de partij plaatsvindt;
b. om te worden vernietigd, met
inachtneming van artikel 12, zevende lid, derde gedachtenstreepje,
van richtlijn 97/78/EG.
Artikel 2.50f
1.Degene die om inslag dan wel opslag
in, of uitslag uit een van de in artikel 2.50 genoemde opslagruimten
verzoekt, voldoet de kosten voor keuringen en controles welke de VWA
bij de inslag, opslag of uitslag verricht.
2.De in het eerste lid bedoelde kosten
betreffen de kosten die in rechtstreeks verband staan met deze
keuringen en controles.
§ 3. Maatregelen in geval van
niet-naleving van de voorschriften voor het brengen in Nederland van
producten uit derde landen (artikel 2.51)
Artikel 2.51
1.Indien wordt vermoed of geconstateerd
dat in de partij verwekkers van ziekten, zoönosen of andere
aandoeningen aanwezig zijn of dat de producten afkomstig zijn uit een
met een epidemische dierziekte besmet gebied, kan de minister, indien
hij de aanwezigheid van verwekkers van ziekten, zoönosen of andere
aandoeningen vermoedt, gelasten dat de producten voor rekening van
verzender of diens gemachtigde, dan wel de afnemer, in tijdelijke
afzondering worden geplaatst, dan wel worden, zonder vergoeding van
Staatswege en:
a. voor rekening van de verzender
of diens gemachtigde, al naar gelang de minister daaromtrent heeft
besloten en met inachtneming van de aanwijzingen van de
keuringsdierenarts, de producten vernietigd, of
b. voor rekening van de afnemer, al
naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met
inachtneming van aanwijzingen van de keuringsdierenarts, voor
andere doeleinden gebruikt dan waarvoor ze zijn bestemd.
2.Indien aan de hand van de op grond
van deze regeling uitgevoerde controles wordt vastgesteld dat een voor
Nederland of een lidstaat bestemd product niet voldoet aan de op grond
van deze regeling voor dat product gestelde voorschriften of dat een
onregelmatigheid is begaan, besluit de minister in overleg met de
belanghebbende bij de lading:
a. dat het product in ieder geval
binnen 60 dagen nadat is geconstateerd dat niet aan de onderhavige
regeling wordt voldaan vanuit de inspectiepost met hetzelfde
vervoermiddel wordt teruggezonden naar een derde land indien
veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen zich daar niet tegen
verzetten;
b. indien terugzending als bedoeld
in onderdeel a onmogelijk is of de in dat onderdeel bedoelde
termijn is verstreken, dat de partij wordt vernietigd
overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, tweede lid, onderdeel
b, van richtlijn 97/78/EG;
c. dat de partij voor andere
doeleinden dan de menselijke consumptie wordt gebruikt.
3.Indien een partij in Nederland is
gebracht zonder dat, voorzover van toepassing, die partij is
onderworpen aan de in artikel 2.44 bedoelde controles, besluit de
minister dat de partij overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b,
wordt vernietigd of wordt teruggezonden naar een derde land indien
veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen zich daar niet tegen
verzetten.
4.In afwachting van de terugzending of
de vernietiging van een partij als bedoeld in het tweede en derde lid,
wordt de partij onder toezicht van de keuringsdierenarts in tijdelijke
afzondering geplaatst en opgeslagen.
5.Alle kosten die in verband met de in
het tweede, derde en vierde lid bedoelde maatregelen worden gemaakt,
komen ten laste van de belanghebbende bij de lading.
Afdeling 7. Controles in het
handelsverkeer met staten, niet zijnde lid-staten, die partij zijn bij
het EER-Verdrag (artikelen 2.52 tot en met 2.59)
§ 1. Het anders dan in doorvoer buiten
Nederland brengen van dieren of producten, bestemd voor een staat, niet
zijnde een lid-staat, die partij is bij het EER-Verdrag (artikelen 2.52
tot en met 2.59)
Artikel 2.52
1.De verboden, bedoeld in artikel 77,
eerste lid, van de wet, en in artikel 2.1, eerste lid, eerste en
tweede gedachtenstreepje, voor zover deze betrekking hebben op het
anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van dieren of
producten, bestemd voor een staat, niet zijnde een lid-staat, die
partij is bij het EER-Verdrag, gelden niet indien:
a. de dieren en producten vergezeld
gaan van het bewijsstuk genoemd in:
-
artikel 3.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
-
artikel 4.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
-
artikel 5.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
-
artikel 6.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 6, indien het pluimvee en broedeieren betreft;
-
artikel 7.2 van afdeling 2 van
hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten betreft;
-
artikel 9.2, onderdeel a of b,
van afdeling 2 van hoofdstuk 9, indien het rundersperma,
respectievelijk varkenssperma betreft;
-
artikel 10.2, onderdeel a, van
afdeling 2 van hoofdstuk 10, indien het runderembryo's
betreft;
b. het bewijsstuk, bedoeld in
onderdeel a, is opgesteld en afgegeven in overeenstemming met het
EER-Verdrag, volledig is ingevuld, gedagtekend en ondertekend,
terwijl de geldigheidsduur ervan niet is verstreken.
2.De in het eerste lid bedoelde
bewijsstukken worden afgegeven door de minister.
Artikel 2.53
Het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.52,
wordt slechts afgegeven indien op grond van een van Rijkswege ingesteld
onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan, voor zover van toepassing,
de artikelen 2.54 en 2.55 en aan:
a. de artikelen 3.3 en 3.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
b. de artikelen 4.3 en 4.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
c. de artikelen 5.3 en 5.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
d. voor zover van toepassing de
artikelen 6.3, 6.4 of 6.5 van afdeling 2 van hoofdstuk 6, indien het
pluimvee of broedeieren betreft;
e. de artikelen 7.3 en 7.4 van
afdeling 2 van hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten betreft;
f. de artikelen 9.3, onderdelen a of
b en 9.4, onderdeel a, van afdeling 2 van hoofdstuk 9, indien het
rundersperma, respectievelijk varkenssperma betreft;
g. artikel 10.3 van afdeling 2 van
hoofdstuk 10, indien het runderembryo's betreft.
Artikel 2.54
Noch op grond van regelgeving van de
Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, noch op grond van het
EER-Verdrag geldt een verbod om de dieren of producten vanuit Nederland
in een staat, niet zijnde een lid-staat, die partij is bij het
EER-Verdrag te brengen.
Artikel 2.55
Indien de partij op grond van het
onderzoek, bedoeld in artikel 2.53, geschikt is bevonden om anders dan
in doorvoer buiten Nederland te worden gebracht, wordt zij onmiddellijk
na het onderzoek, langs de kortste weg naar het transportmiddel
vervoerd, waarmee zij buiten Nederland zal worden gebracht en wordt zij
zo spoedig mogelijk, rechtstreeks, buiten Nederland gebracht.
§ 2. Het brengen in Nederland van dieren
en producten uit staten, niet zijnde lid-staten, die partij zijn bij het
EER-Verdrag (artikel 2.56 tot en met 2.59)
Artikel 2.56
1.Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, eerste en tweede gedachtenstreepje, voor zover dit
betrekking heeft op het brengen in Nederland van dieren uit staten,
niet zijnde lid-staten, die partij zijn bij het EER-Verdrag, geldt
niet, mits voldaan wordt aan artikel 2.57 en aan:
a. afdeling 3 van hoofdstuk 3, met
uitzondering van artikel 3.7, eerste lid, indien het runderen
betreft;
b. afdeling 3 van hoofdstuk 4, met
uitzondering van artikel 4.7, eerste lid, indien het varkens
betreft;
c. afdeling 3 van hoofdstuk 5,
indien het paardachtigen betreft;
d. afdeling 3 van hoofdstuk 6,
indien het pluimvee betreft;
e. afdeling 3 van hoofdstuk 7,
indien het schapen en geiten betreft;
f. artikel 7a.1 van hoofdstuk 7a,
indien het gaffelantilopen, herten, muskusherten, dwergherten,
giraffen, okapi’s, eeltpotigen, nijlpaarden, pecari’s,
neushoorns, tapirs, olifanten en holhoornigen niet zijnde
runderen, geiten en schapen betreft;
g. afdeling 4 van hoofdstuk 8,
indien het apen, hoefdieren, bijen, honden, katten, lagomorfen,
vogels, fretten, nertsen en vossen betreft.
2.Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, eerste en tweede gedachtenstreepje, voor zover dit
betrekking heeft op het brengen in Nederland van dieren uit staten,
niet zijnde lid-staten, die partij zijn bij het EER-Verdrag, geldt
niet, mits voldaan wordt aan de artikelen 2.39 en 2.40 en:
a. de dieren zijn aangevoerd met
een vliegtuig of een schip en met een vliegtuig, onderscheidenlijk
een schip het Nederlands grondgebied rechtstreeks via dezelfde
luchthaven, onderscheidenlijk haven van aanvoer weer verlaten;
b. de eerstvolgende bestemming
blijkens de bij de partij behorende documenten een derde land of
een staat, niet zijnde een lid-staat, die partij is bij het
EER-Verdrag is, en
c. de dieren tussentijds niet in
contact komen met andere dieren en, indien zij tussentijds het
transportmiddel verlaten, het daartoe door de keuringsdierenarts
aangewezen terrein niet verlaten, mits het voornemen om de dieren
in Nederland te brengen tijdig bij de VWA is gemeld.
Artikel 2.57
Er wordt voldaan aan de artikelen 2.35
tot en met 2.41, met dien verstande dat:
-
de staten, niet zijnde lid-staten,
die partij zijn bij het EER-Verdrag voor de toepassing van deze
artikelen worden aangemerkt als derde landen;
-
het certificaat, bedoeld in artikel
2.35, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, en in artikel 2.41,
eerste lid, het certificaat of document, genoemd in de derde
afdeling van de hoofdstukken 3 tot en met 7 en in de vierde afdeling
van hoofdstuk 8 is;
-
de zoötechnische documenten, bedoeld
in artikel 2.35, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, en in
artikel 2.41, eerste lid, de zoötechnische documenten zijn die bij
of krachtens het Fokkerijbesluit zijn voorgeschreven voor het
brengen in Nederland van raszuivere dieren of hybride varkens die
zijn verzonden vanuit een lid-staat, dan wel, indien het apen,
hoefdieren, bijen, honden, katten, lagomorfen, vogels, fretten,
nertsen en vossen betreft, de zoötechnische documenten zijn die bij
of krachtens het Fokkerijbesluit zijn voorgeschreven voor het
brengen in Nederland van raszuivere dieren die via Nederland voor
het eerst in de gebieden waarvoor het Verdrag betreffende de
Europese Unie van toepassing is worden gebracht, en
-
bij aankomst op de inspectiepost,
slechts op verzoek van de keuringsdierenarts de dieren aan hem ten
onderzoek worden aangeboden en het in het tweede gedachtenstreepje
bedoelde certificaat of document, alsmede de in het derde
gedachtenstreepje bedoelde zoötechnische documenten aan hem worden
overgelegd.
Artikel 2.58
Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, eerste en tweede gedachtenstreepje, voor zover dit
betrekking heeft op het brengen in Nederland van producten uit staten,
niet zijnde lid-staten, die partij zijn bij het EER-Verdrag, geldt niet,
mits voldaan wordt aan artikel 2.59 en:
a. voor zover de producten bestemd
zijn voor Nederland of een lid-staat, aan:
-
afdeling 3 van hoofdstuk 6,
indien het broedeieren betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 9,
indien het rundersperma of varkenssperma betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 9,
indien het sperma van schapen, geiten of paardachtigen betreft;
-
afdeling 3 van hoofdstuk 10,
indien het runderembryo's betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 10,
indien het embryo's van varkens, schapen, geiten of
paardachtigen betreft;
-
afdeling 4 van hoofdstuk 11,
indien het eicellen betreft;
b. voor zover de producten bestemd
zijn voor een derde land of een staat, niet zijnde een lid-staat,
die partij is bij het EER-Verdrag, de betrokken partij vergezeld
gaat van een bij die partij behorend origineel document, dat is
gesteld in de Nederlandse, Duitse, Franse of Engelse taal, waaruit
tenminste de oorsprong van de partij alsmede de bestemming daarvan
kan worden afgeleid.
Artikel 2.59
Er wordt voldaan aan de artikelen 2.44
tot en met 2.50f, met dien verstande dat:
-
de staten, niet zijnde lid-staten,
die partij zijn bij het EER-Verdrag voor de toepassing van deze
artikelen worden aangemerkt als derde landen;
-
het certificaat, bedoeld in artikel
2.44, derde lid, onderdeel a, het certificaat of document, genoemd
in de derde afdeling van hoofdstuk 6, de derde of vierde afdeling
van de hoofdstukken 9 en 10 dan wel de vierde afdeling van hoofdstuk
11 is;
-
het originele document, bedoeld in
artikel 2.44, derde lid, onderdeel a, artikel 2.45, artikel 2.47 en
artikel 2.49, derde lid, het document, genoemd in artikel 2.58,
onderdeel b, is;
-
de zoötechnische documenten, bedoeld
in artikel 2.44, derde lid, onderdeel b, de zoötechnische
documenten zijn die bij of krachtens het Fokkerijbesluit zijn
voorgeschreven voor het brengen in Nederland van producten van
raszuivere dieren en hybride varkens, die zijn verzonden vanuit een
lid-staat, dan wel indien het sperma van schapen, geiten of
paardachtigen, embryo's van varkens, schapen, geiten of
paardachtigen dan wel eicellen betreft, de zoötechnische documenten
die bij of krachtens het Fokkerijbesluit zijn voorgeschreven voor
het brengen in Nederland van producten van raszuivere dieren die via
Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag
betreffende de Europese Unie van toepassing is worden gebracht, en
-
bij aankomst op de inspectiepost,
slechts op verzoek van de keuringsdierenarts de producten aan hem
ten onderzoek worden aangeboden en het in het tweede
gedachtenstreepje bedoelde certificaat of document, het in artikel
2.58, onderdeel b, genoemde document alsmede de in het vierde
gedachtenstreepje bedoelde zoötechnische documenten aan hem worden
overgelegd.
Artikel 2.59a
Het verbod, bedoeld in artikel 2.1,
tweede lid, vijfde gedachtenstreepje, voorzover dit betrekking heeft op
het brengen in Nederland van producten, genoemd in artikel 1, eerste
alinea van richtlijn 92/65/EEG, niet zijnde sperma, eicellen, embryo's
en broedeieren, uit staten, niet zijnde lid-staten, die partij zijn bij
het EER-Verdrag en de producten zijn bestemd voor een lid-staat, een
andere staat die partij is bij het EER-Verdrag dan wel een derde land,
geldt niet, mits de betrokken partij voldoet aan de voorschriften van
het land van bestemming.
Afdeling 8. Overige bepalingen (artikelen
2.60 tot en met 2.64)
§ 1. Het van rijkswege ingestelde
onderzoek (artikelen 2.60 en 2.61)
Artikel 2.60
Het onderzoek, bedoeld in de artikelen
2.5, 2.17, 2.18 en 2.53, wordt uiterlijk vóór 14.00 uur op de tweede
werkdag voorafgaand aan het tijdstip van de voorgenomen uitvoer
aangevraagd bij de VWA op een daartoe beschikbaar gesteld
aanvraagformulier. Per aanvraagformulier kan slechts voor één partij
een onderzoek worden aangevraagd.
Artikel 2.60a
De minister is de bevoegde autoriteit,
bedoeld in artikel 7 van verordening 282/2004/EG.
Artikel 2.61
Het in artikel 2.5, 2.17, 2.18 en 2.53
bedoelde onderzoek geschiedt niet op zondagen en algemeen erkende
feestdagen. Op maandag tot en met vrijdag geschiedt dit onderzoek
uitsluitend tussen 6.00 uur en 18.00 uur en op zaterdag tussen 06.00 uur
en 12.00 uur op een door de keuringsdierenarts, na overleg met de
betrokken aanvrager te bepalen tijdstip doch niet vóór zonsopgang en
na zonsondergang, tenzij op de plaats van onderzoek – ter beoordeling
van de keuringsdierenarts – een zodanige verlichting aanwezig is, dat
het onderzoek naar behoren kan plaatsvinden.
§ 2. Registratie van de handelaar
(artikel 2.62)
Artikel 2.62
1.De minister houdt een register van
handelaren bij. Hij gebruikt daartoe een eigen register dan wel maakt
daartoe gebruik van een door een andere instantie beheerd register.
2.Een handelaar wordt door de minister
slechts ingeschreven in het in het eerste lid bedoelde eigen register
en de inschrijving van een handelaar in het in het eerste lid bedoelde
register, dat door een andere instantie wordt beheerd, wordt voor de
toepassing van deze regeling slechts erkend:
a. indien hij een administratie
voert waarin tenminste de leveringen van dieren of producten en de
verdere bestemming hiervan zijn vermeld en alle op die dieren of
producten betrekking hebbende bescheiden zijn opgenomen;
b. indien hij de vorenbedoelde
administratie tenminste drie jaren bewaart;
c. hij er zorg voor draagt dat elke
partij vergezeld gaat van de voorgeschreven certificaten of
documenten en dat de dieren, waarvan hij blijkens de daarbij
behorende certificaten of documenten niet tevens de ontvanger is,
bij de afvoer van zijn bedrijf en tijdens het vervoer
overeenkomstig deze regeling zijn geïdentificeerd;
d. meldt nalatigheden en
onregelmatigheden met betrekking tot een levering van een partij
onmiddellijk aan de VWA en houdt de betrokken dieren of producten
in afzondering totdat door de minister, zonodig na een onderzoek
van de dieren of producten is beslist.
3.Indien een handelaar zich niet aan de
in het tweede lid bedoelde voorschriften houdt, kan de directeur van
de rijksdienst beslissen dat zijn inschrijving in het in het eerste
lid bedoelde eigen register wordt doorgehaald dan wel de inschrijving
in het in het eerste lid bedoelde register, dat door een andere
instantie wordt beheerd, niet wordt erkend.
§ 3. Erkenning van verzamelcentra voor
vee (artikel 2.63)
Artikel 2.63
1. Een verzamelcentrum voor varkens of
voor runderen wordt voor de toepassing van deze regeling geacht te
zijn erkend, indien deze door de Minister is erkend op grond van
artikel 21, eerste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en
monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.
2. Een verzamelcentrum voor schapen of
geiten wordt voor de toepassing van deze regeling geacht te zijn
erkend, indien deze door de Minister is erkend op grond van artikel
21, vierde lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring
van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.
§ 4. Toelating van slachthuizen (artikel
2.64)
Artikel 2.64
Een slachthuis als bedoeld in de
artikelen 3.14 van hoofdstuk 3, 4.9 van hoofdstuk 4, 5.10 van hoofdstuk
5 en 7.8 van hoofdstuk 7, voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. het voorzien is van een
afsluitbare gelegenheid tot opstalling van de slachtdieren met een
zodanige capaciteit, dat de voor het slachthuis bestemde partijen in
Nederland gebrachte slachtdieren daarin geheel gestald en verzorgd
kunnen worden;
b. het voorzien is van voldoende
voorzieningen voor het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen;
c. het zodanig is ingericht en
geoutilleerd, dat gewaarborgd is dat de in onderdeel a bedoelde
dieren het terrein van het slachthuis niet meer verlaten en alle
dieren zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 5 dagen –
zaterdagen, zondagen en officieel erkende feestdagen niet
meegerekend – na aankomst aldaar op hygiënisch verantwoorde wijze
worden geslacht, en
d. het onder zodanig toezicht van
ambtenaren als bedoeld in artikel 114, eerste of tweede lid, van de
wet staat, dat gewaarborgd is dat uitlading, stalling en slachting
van de in onderdeel a bedoelde dieren steeds onder dat toezicht
plaatsvinden.
Hoofdstuk 3. Runderen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 3.1
1. Onverminderd artikel 1.1 wordt in
dit hoofdstuk verstaan onder:
richtlijn 64/432/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke
vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer
in runderen en varkens (PbEG L 121);
runderen:
runderen, de soorten Bison bison en
Bubalus bubalus daaronder begrepen;
slachtrunderen:
runderen die kennelijk bestemd zijn
om te worden geslacht;
fok- of gebruiksrunderen:
runderen, niet zijnde slachtrunderen,
die kennelijk bestemd zijn voor de fokkerij, voor de melk- en
vleesproductie of die als trekkracht worden gebruikt of die bestemd
zijn voor tentoonstellingen en manifestaties, culturele en sportieve
manifestaties daarvan uitgezonderd;
paspoort:
document dat is opgesteld en
afgegeven in overeenstemming met artikel 6 van verordening
1760/2000/EG en met de op basis van artikel 10 van verordening
1760/2000/EG vastgestelde voorschriften.
beslag:
op een bedrijf als een afzonderlijke
epidemiologische eenheid gehouden rund of groep runderen met dien
verstande dat wanneer er meerdere beslagen op een bedrijf zijn elk
beslag een afzonderlijke epidemiologische eenheid vormt met
eenzelfde gezondheidsstatus;
handelaar:
natuurlijke of rechtspersoon die al
dan niet rechtstreeks runderen voor handelsdoeleinden koopt en
verkoopt, een regelmatige omzetsnelheid heeft en die de runderen
uiterlijk 30 dagen na aankoop doorverkoopt of van de ene
bedrijfsruimte naar de andere, waarvan hij geen eigenaar is,
verplaatst en voldoet aan artikel 3.15;
blokperiode:
tijdseenheid van maximaal 144 uur te
rekenen vanaf het tijdstip van eerste verzameling op een
verzamelcentrum dan wel, indien een verzamelcentrum beschikt over
meerdere epidemiologische bedrijfseenheden, te rekenen vanaf het
tijdstip van eerste verzameling in een epidemiologische
bedrijfseenheid;
eerste verzameling:
eerste aanvoer van runderen op een
verzamelcentrum nadat deze is ontvolkt, gereinigd en ontsmet dan
wel, indien een verzamelcentrum beschikt over meerdere
epidemiologische bedrijfseenheden, eerste aanvoer van runderen op
een epidemiologische bedrijfseenheid nadat deze is ontvolkt,
gereinigd en ontsmet;
aanbieder:
exploitant, eigenaar of diens
vertegenwoordiger van een verzamelcentrum;
epidemiologische bedrijfseenheid:
stalruimte op een verzamelcentrum ten
behoeve van de huisvesting van een beslag dat zodanig is gesitueerd
dat geen contact met de overige op het verzamelcentrum aanwezige
beslagen mogelijk is, met dien verstande dat wanneer meerdere
epidemiologische bedrijfseenheden zijn ondergebracht in één gebouw
de voor elke epidemiologische bedrijfseenheid bestemde ruimte fysiek
door middel van geheel gesloten wanden gescheiden is van de voor de
overige epidemiologische bedrijfseenheden bestemde ruimten en over
een afzonderlijke laad- en losplaats beschikt die fysiek gescheiden
is van eventueel aangrenzende laad- en losplaatsen.
2. In het eerste lid wordt voor de
toepassing van afdeling 6 in de begripsomschrijvingen van blokperiode,
epidemiologische bedrijfseenheid, eerste verzameling en aanbieder
onder ‘verzamelcentrum’ mede verstaan: de bedrijfsruimte, bedoeld
in artikel 3.15, tweede lid.
Artikel 3.1a
De vervoerder van runderen voldoet aan
artikel 12, eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtestreepje, en derde
lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van runderen
Artikel 3.2
Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4,
eerste lid, onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van runderen, bestemd voor een lid-staat,
vastgesteld het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 5,
eerste lid, van richtlijn 64/432/EEG voor de desbetreffende soort
runderen is voorgeschreven.
Artikel 3.3
1. Op grond van het onderzoek, bedoeld
in artikel 2.5, is gebleken dat voldaan wordt aan:
a. artikel 3, tweede lid,
onderdelen a, b en d, van richtlijn 64/432/EEG;
b. artikel 4, eerste en tweede lid,
van richtlijn 64/432/EEG;
c. artikel 5, eerste lid, van
richtlijn 64/432/EEG;
d. artikel 6, eerste en tweede lid,
onderdelen a, b, c, en d, van richtlijn 64/432/EEG, indien het
fok- of gebruiksrunderen betreft, met dien verstande dat:
- de in artikel 6, tweede lid,
onderdeel a, van richtlijn 64/432/EEG bedoelde intradermale
tuberculinatie niet is vereist;
- de in artikel 6, tweede lid,
onderdeel b, van richtlijn 64/432/EEG bedoelde
serumagglutinatietest niet is vereist, en
- de in artikel 6, tweede lid,
onderdeel c, van richtlijn 64/432/EEG bedoelde test niet is
vereist en
e. artikel 6, derde lid, van
richtlijn 64/432/EEG, indien het slachtrunderen betreft;
f. de voorwaarden uit bijlage VIII,
hoofdstuk D, van verordening (EG) nr. 999/2001.
2. In zoverre in afwijking van het
eerste lid, onderdeel d, aanhef, en van artikel 6, eerste lid, eerste
gedachte-streepje, tweede alinea, van richtlijn 64/432/EEG, en
onverminderd artikel 43 van de Regeling preventie, bestrijding en
monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s is
het toegestaan fokrunderen, die via een erkend runderverzamelcentrum
buiten Nederland gebracht worden en bestemd zijn voor een derde land,
voor een periode van ten hoogste 30 dagen op voornoemd erkend
runderverzamelcentrum bijeen te brengen.
Artikel 3.4
Onverminderd artikel 3.3, is op grond van
het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, gebleken dat:
a. indien de runderen verblijven op
een verzamelcentrum:
-
dit centrum voldoet aan artikel
23 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van
besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s en is erkend;
-
de runderen voldoen aan artikel
11, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 64/432/EEG;
-
hiervan aantekening is gemaakt op
het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 3.2;
b. indien de runderen zijn aangekocht
bij een handelaar:
-
deze handelaar voldoet aan
artikel 3.15, eerste lid, en uit dien hoofde is erkend
overeenkomstig artikel 3.15, eerste lid;
-
de runderen voldoen aan artikel
13, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 64/432/EEG;
-
voor zover van toepassing, de
bedrijfsruimte van de handelaar voldoet aan de artikelen 3.15,
tweede lid, en 3.17, tweede lid, en uit dien hoofde is erkend
overeenkomstig artikel 3.15 tweede lid; – hiervan aantekening
is gemaakt op het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel
3.2;
c. indien de vervoersafstand meer dan
50 km bedraagt:
-
de runderen worden vervoerd door
een vervoerder waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in
artikel 10 of artikel 11 van verordening (EG) 1/2005;
-
hiervan aantekening is gemaakt op
het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 3.2.
d. indien de runderen zijn aangekocht
op een bedrijf waarop fok- en gebruiksrunderen zijn binnengebracht
afkomstig uit derde landen, deze fok- en gebruiksrunderen
overeenkomstig artikel 3.13c, eerste lid, aan het beslag zijn
toegevoegd dan wel gedurende een periode van 30 dagen te rekenen
vanaf de dag waarop de fok- en gebruiksrunderen op het bedrijf zijn
binnengebracht overeenkomstig artikel 3.13, tweede lid, afgezonderd
worden gehouden van de op dat bedrijf aanwezige dieren;
e. in voorkomend geval, de runderen
voldoen aan de met betrekking tot de in bijlage E (II) van richtlijn
64/432/EEG vermelde ziekten gestelde aanvullende garanties, bedoeld
in artikel 9, tweede lid, en in artikel 10, tweede lid, van
richtlijn 64/432/EEG en hiervan aantekening is gemaakt op het
gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 3.2.
Artikel 3.5
De runderen zijn geïdentificeerd en
geregistreerd overeenkomstig het bij of krachtens het Besluit
identificatie en registratie van dieren bepaalde en gaan, voor zover de
runderen bestemd zijn voor een lidstaat dan wel via het grondgebied van
een lidstaat naar een derde land worden gebracht, vergezeld van een
paspoort.
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
runderen uit lid-staten
Artikel 3.6
1.Indien een partij is verzonden vanuit
een lidstaat en bestemd is voor Nederland of een lidstaat, gaat zij
vergezeld van het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 5,
eerste lid, van richtlijn 64/432/EEG voor de desbetreffende soort
runderen is voorgeschreven, met dien verstande dat indien de partij
bestemd is voor een lidstaat, in voorkomend geval, uit het
gezondheidscertificaat blijkt dat, voldaan wordt aan de met betrekking
tot de in bijlage E (II) van richtlijn 64/432/EEG vermelde ziekten
gestelde aanvullende garanties, bedoeld in artikel 9, tweede lid, en
in artikel 10, tweede lid, van richtlijn 64/432/EEG.
2.Het gezondheidscertificaat, bedoeld
in het eerste lid, gaat, indien een partij is verzonden vanuit een
lidstaat en via een verzamelcentrum, als bedoeld in artikel 3.7, derde
lid, in Nederland is binnengebracht en bestemd is voor een lidstaat,
vergezeld van een tweede certificaat, als bedoeld in artikel 5, vijfde
lid, van richtlijn 64/432/EEG, dat vanaf het verzamelcentrum gedurende
het vervoer naar de plaats waar de partij buiten Nederland wordt
gebracht, is gehecht aan het gezondheidscertificaat, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 3.7
1. Indien een partij is bestemd voor
Nederland of voor een Lidstaat komt de partij tot de plaats van
bestemming respectievelijk tot de plaats waar de partij buiten
Nederland wordt gebracht niet in aanraking met andere evenhoevige
dieren die niet over dezelfde gezondheidsstatus beschikken. Fok- en
gebruiksrunderen komen tot de plaats van bestemming respectievelijk
tot de plaats waar zij de buiten Nederland worden gebracht eveneens
niet in aanraking met slachtrunderen.
2. De in het eerste lid bedoelde partij
wordt vervoerd in een vervoermiddel dat voldoet aan artikel 4, tweede
lid, van richtlijn 64/432/EEG.
3. Indien een partij via een
verzamelcentrum in Nederland wordt binnengebracht, vindt zulks plaats
in een overeenkomstig artikel 2.63, eerste lid, erkend
verzamelcentrum.
Artikel 3.7a
1.Indien een partij is verzonden vanuit
een lidstaat en bestemd is voor Nederland gaan de runderen tot en met
de ontvangst door de ontvanger vergezeld van een paspoort.
2.Indien een partij is verzonden vanuit
een lidstaat en bestemd is voor een lidstaat gaan de runderen tijdens
het vervoer naar de plaats waar zij weer buiten Nederland worden
gebracht, vergezeld van een paspoort.
3.De ontvanger plaatst zijn
handtekening in het paspoort en zendt het paspoort, in voorkomend
geval nadat het onderzoek, bedoeld in artikel 2.26, vierde lid heeft
plaatsgevonden, in overeenkomstig het krachtens het Besluit
identificatie en registratie van dieren bepaalde.
Artikel 3.8 [Vervallen per 09-04-2004]
Artikel 3.9 [Vervallen per 09-04-2004]
Artikel 3.10 [Vervallen per 09-04-2004]
Artikel 3.11 [Vervallen per 09-04-2004]
Artikel 3.12 [Vervallen per 09-04-2004]
Artikel 3.12a [Vervallen per 01-07-1999]
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
runderen uit derde landen
Artikel 3.13
1.Een partij runderen is afkomstig uit
een derde land dat voorkomt op een krachtens artikel 3, eerste lid,
van richtlijn 2004/68/EG vastgestelde lijst.
2.Het in het eerste lid bedoelde derde
land biedt de in artikel 7 van richtlijn 2004/68/EG gegeven garanties
en de partij runderen voldoet, voor zover van toepassing, aan de
krachtens artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2004/68/EG vastgestelde
veterinairrechtelijke voorschriften, tenzij krachtens artikel 8 van
richtlijn 2004/68/EG specifieke bepalingen zijn vastgesteld, in welk
geval die gelden.
3.Een partij runderen gaat vergezeld
van een veterinair certificaat als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
van richtlijn 2004/68/EG.
4.Een partij runderen voldoet, voor
zover van toepassing, aan de krachtens artikel 13 van richtlijn
2004/68/EG vastgestelde uitvoeringsbepalingen.
5.Onverminderd het derde lid is met
betrekking tot de partij voldaan aan bijlage IX, hoofdstuk B, van
verordening (EG) nr. 999/2001.
Afdeling 4a. In Nederland gebrachte
runderen
Artikel 3.13a [Vervallen per 10-12-2004]
Artikel 3.13b [Vervallen per 10-12-2004]
Artikel 3.13c
1.In Nederland gebrachte en voor
Nederland bestemde fok- en gebruiksrunderen worden rechtstreeks naar
het bedrijf van bestemming vervoerd en aan het beslag op het bedrijf
van bestemming toegevoegd nadat de voor dat bedrijf verantwoordelijke
dierenarts heeft geconstateerd dat deze runderen geen bedreiging
vormen voor de gezondheidsstatus van dat bedrijf.
2.Runderen afkomstig uit derde landen
mogen, behoudens wanneer de in het eerste lid bedoelde runderen bij
aankomst op het bedrijf van bestemming terstond ten genoege van de
officiële dierenarts op zodanige wijze afgezonderd worden gehouden
van reeds op dat bedrijf aanwezige dieren zodat ieder contact tussen
de betrokken runderen en de overige op dat bedrijf aanwezige dieren is
uitgesloten, gedurende een periode van 30 dagen, te rekenen vanaf de
dag waarop de in het eerste lid bedoelde runderen op het bedrijf van
bestemming zijn binnengebracht, niet van het bedrijf worden afgevoerd,
behoudens de rechtstreekse afvoer naar een in Nederland gelegen
slachthuis.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op runderen, afkomstig uit derde landen,
die zijn bestemd voor dierentuinen, pretparken, wildparken en
jachtgebieden.
4.Runderen die binnen Nederland worden
gebracht, worden per vervoerseenheid rechtstreeks vervoerd naar en
afgeleverd op één bedrijf, één erkend verzamelcentrum of één
slachthuis.
5.Het vierde lid is niet van toepassing
ingeval runderen rechtstreeks worden vervoerd naar een lidstaat of
derde land.
6.In Nederland gebrachte fok- en
gebruiksrunderen, bestemd voor een Lidstaat, worden zo snel mogelijk
naar de Lidstaat van bestemming vervoerd en gaan vergezeld van de
documenten, bedoeld in artikel 2.22, vierde lid, onderdeel a.
Afdeling 5. Het slachten van in Nederland
gebrachte slachtrunderen
Artikel 3.14
In Nederland gebrachte slachtrunderen,
bestemd voor Nederland, worden:
-
indien het slachtrunderen betreft die
afkomstig zijn uit een lid-staat, rechtstreeks vervoerd naar en
onmiddellijk geslacht in een slachthuis dan wel
-
indien het slachtrunderen betreft die
afkomstig zijn uit een lid-staat, rechtstreeks vervoerd naar een
erkend runderverzamelcentrum en vervolgens rechtstreeks vervoerd
naar een slachthuis.
Afdeling 6. Handelaren in runderen
Artikel 3.15
1. Een handelaar wordt door de minister
slechts erkend indien: -voldaan wordt aan artikel 13, eerste lid,
onderdelen a, en b, van richtlijn 64/432/EEG en voor zover van
toepassing aan artikel 13, eerste lid, onderdeel c van richtlijn
64/432/EEG; -voor zover van toepassing, zijn bedrijfsruimte voldoet
aan het bepaalde in het tweede lid.
2. Elke bedrijfsruimte die door een
handelaar beroepshalve wordt gebruikt, staat onder toezicht van de
ambtenaren en wordt door de minister slechts erkend en geregistreerd
in een register indien voldaan wordt aan de in de artikelen 21, eerste
lid, 23 en 43 tot en met 46 van de Regeling preventie, bestrijding en
monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s met
betrekking tot voor verzamelplaatsen voor runderen gestelde eisen, met
dien verstande dat in afwijking van onderdeel 2 van de bijlage bij het
onderhavige hoofdstuk de bedrijfsruimte deel kan uitmaken van een
bedrijf waar runderen en pluimvee zijn gehuisvest, doch waarbij de
voor handelsdoeleinden bestemde beslagen in een epidemiologische
bedrijfseenheid gescheiden worden gehouden van de door de handelaar op
zijn bedrijf gehouden niet voor handelsdoeleinden bestemde beslagen,
zodanig dat geen enkel contact tussen deze beslagen mogelijk is.
Artikel 3.16 [Vervallen per 08-06-2001]
Artikel 3.17 [Vervallen per 08-06-2001]
Artikel 3.18 [Vervallen per 08-06-2001]
Artikel 3.19 [Vervallen per 08-06-2001]
Hoofdstuk 4. Varkens
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 4.1
Onverminderd artikel 1.1 wordt in dit
hoofdstuk verstaan onder:
richtlijn 64/432/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke
vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer
in runderen en varkens (PbEG L 121);
slachtvarkens:
varkens die kennelijk bestemd zijn om
te worden geslacht;
fok- of gebruiksvarkens:
varkens, niet zijnde slachtvarkens, die
kennelijk bestemd zijn voor de fokkerij, voor de vleesproductie of die
bestemd zijn voor tentoonstellingen en manifestaties, culturele en
sportieve manifestaties daarvan uitgezonderd;
beslag:
op een bedrijf als een afzonderlijke
epidemiologische eenheid gehouden varken of groep varkens met dien
verstande dat wanneer er meerdere beslagen op een bedrijf zijn elk
beslag een afzonderlijke eenheid vormt met eenzelfde
gezondheidsstatus;
handelaar:
natuurlijke of rechtspersoon die al dan
niet rechtstreeks varkens voor handelsdoeleinden koopt en verkoopt,
een regelmatige omzetsnelheid heeft en die de varkens uiterlijk 30
dagen na aankoop doorverkoopt of van de ene bedrijfsruimte naar de
andere, waarvan hij geen eigenaar is, verplaatst en voldoet aan
artikel 4.10;
varkensverzamelcentrum:
varkensverzamelcentrum dat op grond van
artikel 21, eerste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en
monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s
erkend is.
Artikel 4.1a
De vervoerder van varkens voldoet aan
artikel 12, eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtestreepje, en derde
lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van varkens, bestemd voor een lid-staat
Artikel 4.2
Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4,
eerste lid, onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van varkens, bestemd voor een lid-staat,
vastgesteld het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 5,
eerste lid, van richtlijn 64/432/EEG voor de desbetreffende soort
varkens is voorgeschreven, met dien verstande dat ter zake van het
gezondheidscertificaat voor fok- en gebruiksvarkens de verklaring in
paragraaf V, onderdeel b, eerste gedachtenstreepje, van bijlage F, van
richtlijn 64/432/EEG vervalt.
Artikel 4.3
Op grond van het onderzoek, bedoeld in
artikel 2.5, is gebleken dat voldaan wordt aan:
a. artikel 3, tweede lid, onderdelen
a, b en d, van richtlijn 64/432/EEG;
b. artikel 4, eerste en tweede lid,
van richtlijn 64/432/EEG;
c. artikel 5, eerste lid, van
richtlijn 64/432/EEG en
d. artikel 6, eerste lid, van
richtlijn 64/432/EEG, indien het fok- of gebruiksvarkens betreft.
Artikel 4.4
Onverminderd artikel 4.3. is op grond van
het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, gebleken dat:
a. indien de varkens zijn aangekocht
op een verzamelcentrum:
-
de varkens voldoen aan artikel
11, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn 64/432/EEG;
-
hiervan aantekening is gemaakt op
het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 4.2;
b. indien de varkens zijn aangekocht
bij een handelaar:
-
deze handelaar voldoet aan
artikel 4.10 en uit dien hoofde overeenkomstig artikel 4.10 is
erkend;
-
de varkens voldoen aan artikel
13, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 64/432/EEG;
-
hiervan aantekening is gemaakt op
het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 4.2;
c. indien de vervoersafstand meer dan
50 km bedraagt:
-
de varkens worden vervoerd door
een vervoerder waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in
artikel 10 of artikel 11 van verordening (EG) nr. 1/2005;
-
hiervan aantekening is gemaakt op
het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 4.2;
d. indien de varkens zijn aangekocht
op een bedrijf waarop fok- en gebruiksvarkens zijn binnengebracht
afkomstig uit derde landen, deze fok- en gebruiksvarkens
overeenkomstig artikel 4.8b, eerste lid, aan het beslag zijn
toegevoegd dan wel gedurende een periode van 30 dagen te rekenen
vanaf de dag waarop de fok- en gebruiksvarkens op het bedrijf zijn
binnengebracht overeenkomstig artikel 4.8b, tweede lid, afgezonderd
worden gehouden van de op dat bedrijf aanwezige dieren;
e. [vervallen;]
f. de varkens niet worden vervoerd in
een vervoermiddel, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke
dierziekten en zoönosen en TSE’s, waarmee kennelijk varkens zijn
of zullen worden vervoerd, tenzij dit vervoermiddel voldoet aan
genoemde regeling;
g. in voorkomend geval, de varkens
voldoen aan de met betrekking tot de in bijlage E (II) van richtlijn
64/432/EEG vermelde ziekten gestelde aanvullende garanties, bedoeld
in artikel 9, tweede lid, en in artikel 10, tweede lid, van
richtlijn 64/432/EEG en hiervan aantekening is gemaakt op het
gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 4.2.
Artikel 4.4a [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 4.5
De varkens zijn geïdentificeerd en
geregistreerd overeenkomstig het bij of krachtens het Besluit
identificatie en registratie van dieren bepaalde.
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
varkens uit lid-staten
Artikel 4.6
Indien een partij is verzonden vanuit een
lidstaat en bestemd is voor Nederland of een lidstaat, gaat zij
vergezeld van het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 5,
eerste lid, van richtlijn 64/432/EEG voor de desbetreffende soort
varkens is voorgeschreven, met dien verstande dat, indien de partij
bestemd is voor een Lid- Staat, in voorkomend geval, uit het
gezondheidscertificaat blijkt dat voldaan wordt aan de met betrekking
tot de in bijlage E (II) van richtlijn 64/432/EEG vermelde ziekten
gestelde aanvullende garanties, bedoeld in artikel 9, tweede lid, en in
artikel 10, tweede lid, van richtlijn 64/432/EEG.
Artikel 4.7
1.Indien een partij is bestemd voor
Nederland of voor een Lidstaat komt de partij tot de plaats van
bestemming respectievelijk tot de plaats waar de partij buiten
Nederland wordt gebracht niet in aanraking met andere evenhoevige
dieren die niet over dezelfde gezondheidsstatus beschikken.
2.De in het eerste lid bedoelde partij
wordt vervoerd in een vervoermiddel dat voldoet aan artikel 4, tweede
lid, van richtlijn 64/432/EEG.
3.Het binnen Nederland brengen van
varkens als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, kan plaatsvinden via
een varkensverzamelcentrum.
Artikel 4.7a [Vervallen per 19-07-1999]
Artikel 4.7b
1. Indien varkens bijeen worden
gebracht op een erkend varkensverzamelcentrum dient te worden voldaan
aan de volgende voorwaarden:
a. de aanbieder van de varkens
stelt de VWA overeenkomstig artikel 41 van de Regeling preventie,
bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en
zoönosen en TSE’s voorafgaand aan de aanvoer op het
varkensverzamelcentrum door middel van een daartoe verstrekt
aanvraagformulier in kennis van de voorgenomen aanvoer;
b. de minister heeft de aanbieder
niet schriftelijk in kennis gesteld tegen de aanvoer bezwaar te
hebben.
2. Indien de varkens bijeen worden
gebracht ten behoeve van de export dient tevens te worden voldaan aan
de volgende voorwaarden:
a. er is voldaan aan artikel 3,
tweede lid, onderdelen b, c en d, en artikel 4 van richtlijn nr.
64/432/EEG, en
b. voorzover de varkens fok- en
gebruiksvarkens zijn, hebben de varkens ten minste 30 dagen vóór
aanvoer op het varkensverzamelcentrum, of, ingeval de varkens
minder dan 30 dagen oud zijn, sinds de geboorte op het bedrijf van
herkomst verbleven.
Artikel 4.7c
In afwijking van artikel 41 van de
Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke
dierziekten en zoönosen en TSE’s en van artikel 2.26, eerste lid, van
de Regeling handel levende dieren en levende producten stelt de
aanbieder van varkens afkomstig uit een andere lidstaat de VWA uiterlijk
24 uur voorafgaande aan de aanvoer op het varkensverzamelcentrum
schriftelijk in kennis van de aanvoer van die varkens onder vermelding
van de aanvoerdatum, de categorie varkens, het aantal varkens en het
bestemmingsadres van de varkens.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
varkens uit derde landen
Artikel 4.8
1.Een partij varkens is afkomstig uit
een derde land dat voorkomt op een krachtens artikel 3, eerste lid,
van richtlijn 2004/68/EG vastgestelde lijst.
2.Het in het eerste lid bedoelde derde
land biedt de in artikel 7 van richtlijn 2004/68/EG gegeven garanties
en de partij varkens voldoet, voor zover van toepassing, aan de
krachtens artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2004/68/EG vastgestelde
veterinairrechtelijke voorschriften, tenzij krachtens artikel 8 van
richtlijn 2004/68/EG specifieke bepalingen zijn vastgesteld, in welk
geval die gelden.
3.Een partij varkens gaat vergezeld van
een veterinair certificaat als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van
richtlijn 2004/68/EG.
4.Een partij varkens voldoet, voor
zover van toepassing, aan de krachtens artikel 13 van richtlijn
2004/68/EG vastgestelde uitvoeringsbepalingen.
Afdeling 4a. In Nederland gebrachte
varkens
Artikel 4.8a [Vervallen per 10-12-2004]
Artikel 4.8b
1.In Nederland gebrachte en voor
Nederland bestemde fok- en gebruiksvarkens worden rechtstreeks naar
het bedrijf van bestemming vervoerd en aan het beslag op het bedrijf
van bestemming toegevoegd nadat de voor dat bedrijf verantwoordelijke
dierenarts heeft geconstateerd dat deze varkens geen bedreiging vormen
voor de gezondheidsstatus.
2.Behoudens wanneer de in het eerste
lid bedoelde varkens bij aankomst op het bedrijf van bestemming
terstond ten genoegen van de officiële dierenarts op zodanige wijze
afgezonderd worden gehouden van reeds op dat bedrijf aanwezige dieren
zodat ieder contact tussen de betrokken varkens en de overige op dat
bedrijf aanwezige dieren is uitgesloten, mogen gedurende een periode
van 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de in het eerste lid
bedoelde varkens op het bedrijf van bestemming zijn binnengebracht
geen dieren van het bedrijf worden afgevoerd, behoudens de
rechtstreekse afvoer naar een in Nederland gelegen slachthuis.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op varkens, afkomstig uit derde landen, die
zijn bestemd voor dierentuinen, pretparken, wildparken en
jachtgebieden.
4.In Nederland gebrachte fok- en
gebruiksvarkens, bestemd voor een lidstaat, worden zo snel mogelijk
naar de Lidstaat van bestemming vervoerd en gaan vergezeld van de
documenten, bedoeld in artikel 2.22, vierde lid, onderdeel a.
Afdeling 5. Het slachten van in Nederland
gebrachte slachtvarkens en de erkenning van verzamelcentra voor varkens
Artikel 4.9
In Nederland gebrachte slachtvarkens,
bestemd voor Nederland, worden rechtstreeks vervoerd naar en geslacht in
een slachthuis.
Afdeling 6. De erkenning van handelaren
Artikel 4.10
Een handelaar wordt door de minister
slechts erkend indien voldaan wordt aan artikel 13, eerste lid,
onderdelen a en b van richtlijn 64/432/EEG.
Hoofdstuk 5. Paardachtigen
Afdeling 5.1. Begripsbepalingen
Artikel 5.1
Onverminderd artikel 1.1, wordt in dit
hoofdstuk verstaan onder:
richtlijn 90/426/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van
veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen
en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PbEG L 224);
richtlijn 90/427/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en
genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer
in paardachtigen (PbEG L 224);
beschikking 93/623/EEG:
beschikking (EEG) nr. 93/623 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 oktober 1993 (PbEG
1993, L 298) tot vaststelling van het identificatiedocument (paspoort)
dat geregistreerde paardachtigen moet vergezellen;
beschikking 2000/68/EG:
beschikking (EG) nr. 2000/68 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1999 (PbEG
2000, L 23) houdende wijziging van Beschikking 93/623/EEG en tot
vaststelling van de identificatievoorschriften voor als fok- en
gebruiksdier gehouden paardachtigen;
identificatiedocument:
document als bedoeld in beschikking
93/623/EEG en beschikking 2000/68/EG ten behoeve van de identificatie
van respectievelijk geregistreerde paarden en fok- en gebruikspaarden,
dat is afgegeven door het bestuur van het Productschap Vee en Vlees op
grond van artikel 6 van de Verordening identificatie en registratie
paardachtigen (PVV) 2004.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van paardachtigen, bestemd voor een lid-staat
Artikel 5.2
1.Als bewijsstuk, bedoeld in artikel
2.4, eerste lid, onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in
doorvoer buiten Nederland brengen van paardachtigen, bestemd voor een
lid-staat, vastgesteld:
a. het identificatiedocument,
vergezeld van de verklaring met betrekking tot de gezondheid,
bedoeld in bijlage B van richtlijn 90/426 indien het
geregistreerde paarden betreft;
b. het identificatiedocument
vergezeld van het gezondheidscertificaat bedoeld in bijlage C van
richtlijn 90/426/EEG indien het fok en gebruikspaarden betreft;
c. het gezondheidscertificaat
bedoeld in bijlage C van richtlijn 90/426/EEG indien het
slachtpaarden betreft;
2.Indien aan paardachtigen
diergeneesmiddelen zijn toegediend die allyltrenbolon of ß-agonisten
bevatten en de dieren binnen de wachttermijn worden verhandeld, zijn
op de documenten bedoeld in het eerste lid, aard en datum van de
behandeling vermeld.
Artikel 5.3
Op grond van het onderzoek, bedoeld in
artikel 2.5, is gebleken dat:
a. voldaan wordt aan artikel 4,
eerste tot en met derde en vijfde lid, van richtlijn 90/426/EEG, en
b. dat de paardachtigen niet
afkomstig zijn van het grondgebied of een deel van het grondgebied
van Nederland waarvoor in verband met paardepest beperkende
maatregelen gelden, of
c. indien de paardachtigen afkomstig
zijn van het grondgebied of een deel van het grondgebied van
Nederland waarvoor in verband met paardepest beperkende maatregelen
gelden, voldaan wordt aan artikel 5, derde lid, van richtlijn
90/426/EEG.
Artikel 5.4
Indien gebleken is dat slachtpaarden
voldoen aan artikel 5.3 worden zij zonodig van een merk voorzien.
Artikel 5.5
1.Onverminderd artikel 2.15 moeten de
paardachtigen zo spoedig mogelijk, rechtstreeks dan wel via een
verzamelcentrum, van het bedrijf van herkomst naar de plaats van
bestemming worden vervoerd.
2.Onverminderd artikel 2.11 worden de
paardachtigen vervoerd overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van
richtlijn 90/426/EEG.
Artikel 5.6
Geregistreerde paarden en fok- en
gebruikspaarden zijn geïdentificeerd door middel van het
identificatiedocument.
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
paardachtigen uit lid-staten
Artikel 5.7
1.Indien een partij die is verzonden
vanuit een lid-staat en bestemd is voor Nederland of een lid-staat,
gaat zij vergezeld van:
a. het identificatiedocument,
vergezeld van de verklaring met betrekking tot de gezondheid,
bedoeld in bijlage B van richtlijn 90/426 indien het
geregistreerde paarden betreft;
b. het identificatiedocument
vergezeld van het gezondheidscertificaat bedoeld in bijlage C van
richtlijn 90/426/EEG indien het fok en gebruikspaarden betreft;
c. het gezondheidscertificaat
bedoeld in bijlage C van richtlijn 90/426/EEG indien het
slachtpaarden betreft.
2.Indien aan de partij
diergeneesmiddelen zijn toegediend die allyltrenbolon of ß-agonisten
bevatten en de partij binnen de wachttermijn wordt verhandeld, zijn op
de documenten bedoeld in het eerste lid, aard en datum van de
behandeling vermeld.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
paardachtigen uit derde landen
Artikel 5.8
1. De partij paardachtigen is afkomstig
uit een derde land of een deel van een derde land dat voorkomt op een
krachtens artikel 12, eerste lid, van richtlijn 90/426/EEG
vastgestelde lijst en voldoet, voor zover van toepassing, aan de voor
dat land krachtens artikel 12, vierde lid, van richtlijn 90/426/EEG
vastgestelde speciale invoervoorwaarden.
2. De partij paardachtigen voldoet,
voor zover van toepassing, aan de krachtens artikel 12, derde lid, van
richtlijn 90/426/EEG voor diergezondheidsdoeleinden vastgestelde
lijsten en gaat vergezeld van een gezondheidscertificaat als bedoeld
in artikel 12, derde lid, van richtlijn 90/426/EEG.
3. De partij paardachtigen gaat
vergezeld van een certificaat als bedoeld in artikel 16 van richtlijn
90/426/EEG, met dien verstande dat, indien de partij bestemd is voor
Zweden, uit het certificaat blijkt dat is voldaan aan de voorschriften
die Zweden stelt met betrekking tot de invoer van dieren uit landen
die tegen mond- en klauwzeer inenten.
4. Aan de partij paardachtigen zijn
geen stoffen toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van
richtlijn 96/22/EG niet aan paardachtigen mogen worden toegediend,
tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn
is voldaan. Indien aan de partij diergeneesmiddelen zijn toegediend
die allyltrenbolon of [bèta]-agonisten bevatten, en de partij binnen
de wachttermijn wordt verhandeld, zijn op de documenten, bedoeld in
het derde lid, aard en datum van de behandeling vermeld.
5. De partij paardachtigen voldoet,
voor zover van toepassing, aan de bijzondere voorwaarden, gesteld in
een krachtens artikel 19, onderdeel i of ii, van richtlijn nr. 90/426/EEG
vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel.
Artikel 5.8a [Vervallen per 16-12-2007]
Afdeling 5. Het slachten van in Nederland
gebrachte slachtpaarden
Artikel 5.9 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 5.10
In Nederland gebrachte slachtpaarden,
bestemd voor Nederland, worden rechtstreeks vervoerd naar en geslacht in
een slachthuis.
Artikel 5.10a [Vervallen per 16-12-2007]
Hoofdstuk 6. Pluimvee en broedeieren
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 6.1
Onverminderd artikel 1.1 wordt in dit
hoofdstuk verstaan onder:
richtlijn 90/539/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 oktober 1990 tot vaststelling van
veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire
handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en
broedeieren (PbEG L 303);
dierenarts:
degene die krachtens de Wet op het
wetenschappelijk onderwijs de hoedanigheid van dierenarts heeft
verkregen;
bevoegde dierenarts:
dierenarts die door de Minister is
belast met het uitvoeren van een aantal uit richtlijn 90/539/EEG
voortvloeiende taken;
eendagskuikens:
pluimvee dat nog geen 72 uur oud is en
dat, met uitzondering van muskuseenden (Cairina moschata) of
kruisingen daarvan, nog niet is gevoerd;
fokpluimvee:
pluimvee van 72 uur en ouder, bestemd
voor de produktie van broedeieren;
gebruikspluimvee:
pluimvee van 72 uur en ouder, bestemd
om te worden opgefokt voor de produktie van vlees of van voor
consumptie bestemde eieren of om in het wild te worden uitgezet;
slachtpluimvee:
pluimvee dat rechtstreeks naar het
slachthuis wordt gevoerd om daar zo snel mogelijk, doch uiterlijk 72
uur na aankomst, te worden geslacht;
inrichting:
voorziening of deel van een voorziening
die, onderscheidenlijk dat, zich:
1. indien behorend tot een
fokbedrijf, toelegt op de produktie van broedeieren, bestemd voor
de produktie van fokpluimvee;
2. indien behorend tot het
vermeerderingsbedrijf, toelegt op de produktie van broedeieren,
bestemd voor de produktie van gebruikspluimvee;
3. indien behorend tot het
opfokbedrijf voor fokpluimvee, toelegt op het opfokken van
fokpluimvee tot het voortplantingsstadium en indien behorend tot
het opfokbedrijf voor legpluimvee, toelegt op het opfokken van
legkippen tot het legstadium;
4. indien behorend tot de
kuikenbroederij, toelegt op het inleggen en uitbroeden van
broedeieren en het afleveren van eendagskuikens;
beschikking 2003/644/EG:
beschikking (EG) nr. 2003/644 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 september 2003 (PbEU L
228) tot vaststelling van aanvullende garanties ten aanzien van
Salmonellae voor de verzending naar Finland en Zweden van
vermeerderingspluimvee en van voor vermeerderings- of voor
gebruikskoppels bestemde eendagskuikens.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van pluimvee of broedeieren, bestemd voor een
lid-staat
Artikel 6.2
1.Als bewijsstuk, bedoeld in artikel
2.4, eerste lid, onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in
doorvoer buiten Nederland brengen van pluimvee, bestemd voor een
lid-staat, vastgesteld het gezondheidscertificaat dat op grond van
artikel 17 van richtlijn 90/539/EEG voor de desbetreffende soort
pluimvee is voorgeschreven.
2.Indien het pluimvee bestemd is voor
Finland of Zweden is, voor zover van toepassing, voldaan aan artikel
3, eerste lid, van beschikking 2003/644/EG of artikel 5, eerste lid,
van beschikking 2003/644/EG.
Artikel 6.3
1.Op grond van het onderzoek, bedoeld
in artikel 2.5, is gebleken dat:
a. voldaan wordt aan artikel 7 van
richtlijn 90/539/EEG, indien het broedeieren betreft;
b. voldaan wordt aan artikel 8 van
richtlijn 90/539/EEG, indien het eendagskuikens betreft;
c. voldaan wordt aan artikel 9 van
richtlijn 90/539/EEG, indien het fok- en gebruikspluimvee betreft;
d. voldaan wordt aan artikel 10 van
richtlijn 90/539/EEG, indien het slachtpluimvee betreft;
e. de broedeieren, de
eendagskuikens en het fok- en gebruikspluimvee afkomstig zijn van
een op grond van artikel 6.8 erkende inrichting die voldoet aan
artikel 6, eerste lid, onderdelen b en c van richtlijn 90/539/EEG;
f. de broedeieren, de
eendagskuikens en het fok- en gebruikspluimvee voldoen aan artikel
6, tweede lid, van richtlijn 90/539/EEG;
g. het vervoer van het pluimvee of
de broedeieren plaatsvindt overeenkomstig de artikelen 15 en 16
van richtlijn 90/539/EEG;
h. indien het vervoer van het
pluimvee of de broedeieren plaatsvindt naar lid-staten of gebieden
van lid-staten waarvan de status ten aanzien van de ziekte van
Newcastle op grond van artikel 12, tweede lid, van richtlijn
90/539/EEG door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is
vastgesteld, is voldaan aan artikel 12, eerste lid, van richtlijn
90/539/EEG of aan de op grond van artikel 12, tweede lid, van
richtlijn 90/539/EEG vastgestelde communautaire maatregelen;
i. in voorkomend geval, is voldaan
aan de krachtens de artikelen 13 en 14 van richtlijn 90/539/EEG
gestelde voorschriften, met dien verstande dat indien de partij
bestemd is voor Zweden, in afwachting van de met betrekking tot
infectieuze bronchitis gestelde algemene of beperkte aanvullende
garanties, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van richtlijn
90/539/EEG en van de met betrekking tot infectieuze
rhinotracheïtis van de kalkoen, swollen head-syndrome,
infectieuze laryngotrageïtis (ILT), EDS 76 en vogelpokken
gestelde algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in
artikel 14, tweede lid, van laatstgenoemde richtlijn, wordt
voldaan aan de voorschriften die Zweden stelt met betrekking tot
genoemde ziekten.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
wanneer het een partij pluimvee of broedeieren, niet zijnde loopvogels
of broedeieren daarvan, betreft van minder dan twintig stuks.
3.Onverminderd het eerste lid, is op
grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5 gebleken dat, indien
het pluimvee bestemd is voor Finland of Zweden, voldaan wordt aan de
op grond van de artikelen 9bis en 9ter van richtlijn 90/539/EEG
vastgestelde algemene of beperkte aanvullende garanties en dat
slachtpluimvee, wat salmonella betreft en voor serotypen waar pluimvee
vatbaar voor is, in de inrichting van oorsprong is onderworpen aan een
steekproefsgewijze microbiologische test volgens de voorschriften,
bedoeld in artikel 10ter, eerste lid, van richtlijn 90/539/EEG en met
inachtneming van het derde lid van voornoemd artikel.
Artikel 6.4
In afwijking van artikel 6.3, eerste lid,
onderdelen b, c, e en f, is, indien het pluimvee betreft dat bestemd is
om in het wild te worden uitgezet, op grond van het onderzoek, bedoeld
in artikel 2.5, gebleken dat voldaan wordt aan artikel 10bis van
richtlijn 90/539/EEG en aan artikel 6.3, onderdelen g, h en i.
Artikel 6.5
1.Op grond van het onderzoek, bedoeld
in artikel 2.5, is gebleken dat, indien het een partij van minder dan
20 stuks betreft voldaan wordt aan artikel 6.3, eerste lid, onderdelen
h en i en tweede lid en aan artikel 11, tweede lid, van richtlijn
90/539/EEG.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op loopvogels of broedeieren daarvan.
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
pluimvee of broedeieren uit lid-staten
Artikel 6.6
Indien een partij die is verzonden vanuit
een lid-staat en bestemd is voor Nederland of een lid-staat, gaat zij
vergezeld van het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 17 van
richtlijn 90/539/EEG voor de desbetreffende soort pluimvee of
broedeieren is voorgeschreven, met dien verstande dat, indien de partij
bestemd is voor Zweden, in afwachting van de met betrekking tot
infectieuze bronchitis gestelde algemene of beperkte aanvullende
garanties, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van richtlijn 90/539/EEG
en van de met betrekking tot infectieuze rhinotracheïtis van de
kalkoen, swollen head-syndrome, infectieuze laryngotrageïtis (ILT), EDS
76 en vogelpokken gestelde algemene of beperkte aanvullende garanties,
bedoeld in artikel 14, tweede lid, van laatstgenoemde richtlijn, uit het
gezondheidscertificaat blijkt dat wordt voldaan aan de voorschriften die
Zweden stelt met betrekking tot genoemde ziekten.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
pluimvee en broedeieren uit derde landen
Artikel 6.7
1. Pluimvee is en broedeieren zijn
verzonden vanuit een derde land of een deel van een derde land dat is
geplaatst op een lijst, opgenomen in een krachtens artikel 21, eerste
lid, van richtlijn 90/539/EEG vastgestelde communautaire
uitvoeringsmaatregel.
2. Pluimvee is en broedeieren zijn
afkomstig van koppels die voorafgaand aan de verzending gedurende een
periode, voorgeschreven bij een krachtens artikel 23, eerste lid,
onderdeel a, van richtlijn 90/539/EEG vastgestelde communautaire
uitvoeringsmaatregel, op een grondgebied van een derde land, of in een
deel daarvan, als bedoeld in het eerste lid, hebben verbleven.
3. Pluimvee voldoet en broedeieren
voldoen in voorkomend geval aan veterinairrechtelijke voorschriften,
gesteld bij een krachtens artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van
richtlijn 90/539/EEG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel.
4. Pluimvee gaat en broedeieren gaan
vergezeld van een certificaat:
a. dat voldoet aan:
1°. artikel 24, eerste lid,
van richtlijn 90/539/EEG, en
2°. de eisen, opgenomen in een
krachtens artikel 24, tweede lid, van richtlijn 90/539/EEG
vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel;
b. waaruit, voor zover het pluimvee
is of de broedeieren zijn bestemd voor Finland of Zweden, blijkt
dat ten minste is voldaan aan de voorschriften die gelden voor de
invoer uit lid-staten van pluimvee, onderscheidenlijk broedeieren,
in Finland, onderscheidenlijk Zweden.
5. De bestemming van pluimvee en
broedeieren is in voorkomend geval toegestaan op grond van een
krachtens artikel 26, eerste lid, van richtlijn 90/539/EEG
vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel.
6. Pluimvee wordt en broedeieren en
eendagskuikens worden in quarantaine of in afzondering gehouden voor
zover dit is bepaald bij een krachtens een artikel 26, tweede lid, van
richtlijn 90/539/EEG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel,
gedurende een bij die maatregel bepaalde periode.
7. Pluimvee voldoet en broedeieren
voldoen in voorkomend geval aan de bepalingen, gesteld bij een
krachtens artikel 27bis van richtlijn 90/539/EEG vastgestelde
communautaire uitvoeringsmaatregel.
8. Aan het pluimvee zijn geen stoffen
toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn
96/22/EG niet aan pluimvee mogen worden toegediend, tenzij aan de
voorwaarden van artikel 11 van voornoemde richtlijn is voldaan.
9. Onverminderd het bepaalde in het
eerste tot en met het zevende lid, voldoen pluimvee en broedeieren aan
de voorschriften van verordening (EG) nr. 798/2008 die niet strekken
ter uitvoering van de in het eerste tot en met zevende lid genoemde
artikelen van richtlijn nr. 90/539/EEG.
10. De minister is de bevoegde
autoriteit, bedoeld in verordening (EG) nr. 798/2008.
Artikel 6.7a [Vervallen per 15-12-2006]
Afdeling 5. Het vervoer alsmede de
tijdelijke afzondering in Nederland van pluimvee en broedeieren uit
derde landen alsmede de erkenning van inrichtingen
Artikel 6.8
1.Een inrichting als bedoeld in artikel
6.3, eerste lid, onderdeel e, wordt door de minister voor de
toepassing van deze regeling erkend indien:
a. een volledig ingevulde,
ondertekende en gedagtekende aanvraag voor een erkenning bij de
VWA is ingediend, en
b. uit een door de
keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat:
1) de inrichting voldoet aan de
voorschriften, gesteld in de bijlage van de Verordening
productie van en handel in broedeieren en levend pluimvee 2003
van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren alsmede aan
eventuele daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten
welke krachtens artikel 9 van voornoemde verordening zijn
vastgesteld;
2) de ondernemer die de
inrichting drijft op grond van artikel 3, tweede lid, van de
in onderdeel a, bedoelde verordening, bij het Produktschap
voor Pluimvee en Eieren is geregistreerd op grond van artikel
2 van de Verordening identificatie en registratie van
pluimveebedrijven, broedeieren en levend pluimvee (PPE) 2005;
3) de ondernemer die de
inrichting drijft een administratie voert waaruit de gegevens
kunnen worden afgeleid die nodig zijn om de bevoegde
dierenarts en de keuringsdierenarts in staat te stellen de
gezondheidssituatie in de inrichting permanent te volgen;
4) in de inrichting alleen
pluimvee aanwezig is;
5) gewaarborgd is, dat de
keuringsdierenarts en de bevoegde dierenarts in verband met de
door hen in het kader van richtlijn 90/539/EEG uit te oefenen
taken, toegang tot de inrichting hebben en aan hen alle
medewerking zal worden verleend en alle inlichtingen zullen
worden verstrekt, die zij ter uitoefening van deze taken nodig
achten.
2.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt door de minister voor bepaalde tijd ingetrokken in de
gevallen, bedoeld in bijlage II, hoofdstuk IV, punt I van richtlijn
90/539/EEG.
3.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt door de minister ingetrokken in de gevallen, bedoeld
in bijlage II, hoofdstuk IV, punt 2 van de richtlijn.
4.Een erkenning kan, nadat zij door de
minister is ingetrokken, opnieuw worden verleend, onder de
voorwaarden, bedoeld in bijlage II, hoofdstuk IV, punt 3 van de
richtlijn.
5.De minister kan tot het intrekken van
de erkenning voor bepaalde tijd dan wel tot intrekking van de
erkenning overgaan, in het geval bedoeld in bijlage II, hoofdstuk III,
punt D, van richtlijn 90/539/EEG.
Artikel 6.9
1.Pluimvee en broedeieren dat,
onderscheidenlijk die in Nederland is, onderscheidenlijk zijn gebracht
en voor Nederland of een lid-staat is, onderscheidenlijk zijn bestemd,
worden vervoerd overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van richtlijn
90/539/EEG.
2.Pluimvee en broedeieren dat,
onderscheidenlijk die via Nederland voor het eerst gebracht worden in
de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van
toepassing is, is, onderscheidenlijk zijn verzonden vanuit een derde
land of een deel van een derde land en voor Nederland is,
onderscheidenlijk zijn bestemd, worden onmiddellijk en rechtstreeks,
onder ambtelijke verzegeling en zonder uit-, bij- of overlading, van
de erkende inspectiepost naar het bedrijf van bestemming dan wel het
in artikel 6.10 bedoelde slachthuis vervoerd.
3.De verbreking van de in het tweede
lid bedoelde verzegeling geschiedt door een ambtenaar.
Artikel 6.10
In Nederland gebracht slachtpluimvee,
bestemd voor Nederland, wordt zo spoedig mogelijk maar in ieder geval
binnen 72 uur na aankomst op een overeenkomstig artikel 4, tweede lid,
van van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van
specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke
oorsprong (PbEU L 139 en L 226) erkend slachthuis, zondagen en officieel
erkende feestdagen niet meegerekend, geslacht.
Artikel 6.11
1. De kosten die voortvloeien uit het
houden als bedoeld in onderdeel II, onder 1 en 2, van Bijlage VIII,
onderscheidenlijk het houden als bedoeld in onderdeel II, onder 2 en
3, van Bijlage IX bij verordening (EG) nr. 798/2008, van ingevoerd
fok- en gebruikspluimvee, ingevoerde fok- en gebruiksloopvogels, of
van eendagskuikens of ingevoerde broedeieren van de in dit lid
bedoelde dieren, komen voor rekening van de afzender, de geadresseerde
of hun gemachtigde.
2. Indien tijdens de periode, bedoeld
in onderdeel II, onder 1, sub a en b, en onder 2, van Bijlage VIII,
onderscheidenlijk de periode, bedoeld in onderdeel II, onder 2, sub a
en b, en onder 3, van Bijlage IX bij verordening (EG) nr. 798/2008, de
ziekte van Newcastle of aviaire influenza uitbreekt onder het in
Nederland gebrachte fok- en gebruikspluimvee, de in Nederland
gebrachte fok- en gebruiksloopvogels, de eendagskuikens van de in dit
lid bedoelde dieren, het pluimvee dat voortkomt onderscheidenlijk de
loopvogels die voortkomen uit de in Nederland gebrachte broedeieren,
of onder de niet in Nederland gebrachte dieren die de in het eerste
lid bedoelde ingevoerde broedeieren hebben gelegd, draagt de eigenaar,
houder of hoeder van die dieren onderscheidenlijk broedeieren alle
dieren onderscheidenlijk alle broedeieren onmiddellijk aan de
ambtenaar ter vernietiging over, waarbij de kosten van de vernietiging
voor rekening van de eigenaar, houder of hoeder zijn.
3. De eigenaar, houder of hoeder van
het overeenkomstig verordening (EG) nr. 798/2008 in Nederland
gebrachte fok- en gebruikspluimvee, de in Nederland gebrachte fok- en
gebruiksloopvogels, de eendagskuikens van de in dit lid bedoelde
dieren, of het pluimvee dat voortkomt uit de in Nederland gebrachte
broedeieren, dat onderscheidenlijk die bij aankomst op het bedrijf van
bestemming dan wel tijdens de in het tweede lid bedoelde periode zijn
gestorven, stuurt deze dieren, met inachtneming van de door de
toezichthoudende ambtenaar gegeven aanwijzingen, naar een naar het
oordeel van onze Minister voldoende toegerust laboratorium ten behoeve
van onderzoek.
4. De in onderdeel II, onder 1, van
Bijlage VIII bij verordening (EG) nr. 798/2008 bedoelde tests worden,
voor zover deze betrekking hebben op aviaire influenza of Newcastle
disease, uitgevoerd bij het Centraal Veterinair Instituut, te
Lelystad.
5. De ondernemer bewaart de
testuitslagen van de in het vierde lid bedoelde tests gedurende een
periode van drie jaren op zijn bedrijf en legt, op verzoek van een
ambtenaar, de desbetreffende uitslagen over.
Hoofdstuk 7. Schapen en geiten
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 7.1
Onverminderd artikel 1.1 wordt in dit
hoofdstuk verstaan onder:
richtlijn 91/68/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke
voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en
geiten (PbEG L 46);
slachtschapen en -geiten:
schapen en geiten, bestemd om hetzij
rechtstreeks hetzij via een schapen- of geitenverzamelcentrum naar een
slachthuis te worden geleid om daar te worden geslacht;
fokschapen en -geiten:
schapen en geiten, bestemd om
rechtstreeks, voor fok- en gebruiksdoeleinden, naar de plaats van
bestemming te worden vervoerd;
mestschapen en -geiten:
schapen en geiten, bestemd om
rechtstreeks naar de plaats van bestemming te worden vervoerd, om te
worden vetgemest voor de slacht;
schapenverzamelcentrum:
schapenverzamelcentrum dat op grond van
artikel 2.63, vierde lid, is erkend;
geitenverzamelcentrum:
geitenverzamelcentrum dat op grond van
artikel 2.63, vierde lid, is erkend;
handelaar:
natuurlijke of rechtspersoon die al dan
niet rechtstreeks dieren koopt en verkoopt voor handelsdoeleinden, die
een omzetsnelheid heeft en die de dieren uiterlijk 29 dagen na aankoop
doorverkoopt of verplaatst van de ene bedrijfsruimte naar de andere of
rechtstreeks naar een slachthuis waarvan hij geen eigenaar is en die
voldoet aan artikel 7.9.
Artikel 7.1a
De vervoerder van schapen of geiten
voldoet aan van artikel 8 quater, eerste lid, onderdeel a, eerste
gedachtestreepje, en derde lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van schapen of geiten, bestemd voor een
lid-staat
Artikel 7.2
Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4,
eerste lid, onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van een partij schapen of geiten, bestemd voor
een lid-staat, vastgesteld het gezondheidscertificaat dat op grond van
artikel 9 van richtlijn 91/68/EEG voor de desbetreffende soort schapen
of geiten is voorgeschreven, met dien verstande dat voor het buiten
Nederland brengen van een partij schapen of geiten, bestemd voor staten
die partij zijn bij het EER-Verdrag, op vorenbedoeld
gezondheidscertificaat niet behoeft te zijn aangegeven of de dieren
afkomstig zijn uit of zijn aangekocht in derde landen.
Artikel 7.3
Op grond van het onderzoek, bedoeld in
artikel 2.5, is gebleken dat voldaan wordt aan:
a. de artikelen 3, vijfde lid, 4,
eerste, tweede en derde lid, 4 bis, eerste lid, en 4 ter, tweede en
derde lid, van richtlijn 91/68/EEG;
b. bijlage A, hoofdstuk 1, punt D,
van richtlijn 91/68/EEG, indien het fokschapen en -geiten of
mestschapen en -geiten betreft die bestemd zijn om in een officieel
brucellosevrije schapenhouderij of geitenhouderij, bedoeld in
artikel 2, vierde lid, van richtlijn 91/68/EEG, te worden opgenomen;
c. bijlage A, hoofdstuk 2, punt D,
van richtlijn 91/68/EEG, indien het fokschapen en -geiten of
mestschapen en -geiten betreft die bestemd zijn om in een
brucellosevrije schapenhouderij of geitenhouderij, bedoeld in
artikel 2, vijfde lid, van richtlijn 91/68/EEG, te worden te worden
opgenomen;
d. artikel 6 van richtlijn 91/68/EEG,
indien het fokschapen of -geiten betreft;
e. de algemene of aanvullende
garanties, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van richtlijn 91/68/EEG;
f. voor zover van toepassing, de
artikelen 4 ter, vierde lid, 4 quater, eerste, tweede en derde lid,
onderdeel b, van richtlijn 91/68/EEG, indien het slachtschapen of
-geiten betreft;
g. voor zover van toepassing, artikel
4 quater, derde lid, onderdeel a, van richtlijn 91/68/EEG, indien
het slachtschapen betreft, met dien verstande dat:
1. het verzamelcentrum, bedoeld
in artikel 4 quater, derde lid, onderdeel a, van richtlijn
91/68/EEG, een schapenverzamelcentrum is;
2. het officiële veterinaire
document, bedoeld in artikel 4 quater, derde lid, onderdeel a,
onder iii, van richtlijn 91/68/EEG, wordt afgegeven door de
officiële dierenarts;
h. bijlage VIII, hoofdstuk A, deel I,
onder a, van verordening (EG) nr. 999/2001, indien het fokschapen of
-geiten betreft;
i. artikel 2, eerste en tweede lid,
van verordening (EG) 546/2006, indien het schapen of geiten betreft
die worden verzonden naar een in de bijlage bij die verordening
genoemde lidstaat.
Artikel 7.3a
Onverminderd artikel 7.3 is op grond van
het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, gebleken dat:
a. indien de slachtschapen of -geiten
verblijven op een schapen-, respectievelijk geitenverzamelcentrum:
– de slachtschapen of -geiten
voldoen aan artikel 8 bis, eerste lid, onderdeel e, van
richtlijn 91/68/EG, en
– hiervan aantekening is
gemaakt in het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 7.2;
b. indien de slachtschapen of -geiten
aangekocht zijn bij een handelaar:
– deze handelaar voldoet aan
artikel 7.9, eerste lid, en uit dien hoofde is erkend
overeenkomstig artikel 7.9, eerste lid;
– de slachtschapen of -geiten
voldoen aan artikel 8 ter, eerste lid, onderdeel a, van
richtlijn 91/68/EEG;
– voor zover van toepassing, de
bedrijfsruimte van de handelaar voldoet aan artikel 7.9, tweede
lid, en uit dien hoofde is erkend overeenkomstig artikel 7.9,
tweede lid, en
– hiervan aantekening is
gemaakt in het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 7.2.
Artikel 7.4
De schapen of geiten behoeven niet in het
kader van een programma tot uitroeiing van in bijlage B, rubriek I, van
richtlijn 91/68/EEG genoemde ziekten te worden geruimd.
Artikel 7.5
De schapen en geiten zijn
geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig het bij of krachtens
het Besluit identificatie en registratie van dieren bepaalde.
Artikel 7.5a [Vervallen per 07-02-2002]
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
schapen of geiten uit lid-staten
Artikel 7.6
Indien een partij is verzonden vanuit een
lid-staat en bestemd is voor Nederland of een lid-staat, gaat zij
vergezeld van het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 9 van
richtlijn 91/68/EEG voor de desbetreffende soort schapen of geiten is
voorgeschreven, met dien verstande dat:
a. voor het binnen Nederland brengen
van een partij schapen of geiten, vanuit staten, niet zijnde
lid-staten die partij zijn bij het EER-Verdrag, op vorenbedoeld
gezondheidscertificaat niet behoeft te zijn aangegeven of de dieren
afkomstig zijn uit of zijn aangekocht in derde landen;
b. wordt voldaan aan de algemene of
aanvullende garanties, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van
richtlijn 91/68/EEG;
c. voldaan wordt aan, voor zover van
toepassing, artikel 4 ter, derde en vierde lid, artikel 4 quater,
derde lid, onderdelen a en b, onder ii, van richtlijn 91/68/EEG en,
indien het slachtschapen of -geiten betreft die via een schapen- of
geitenverzamelcentrum worden vervoerd, aan artikel 4 quater, derde
lid, onderdeel b, onder i, van richtlijn 91/68/EEG;
d. voldaan wordt aan bijlage VIII,
hoofdstuk A, deel I, onder a, van verordening (EG) nr. 999/2001,
indien het fokschapen of -geiten betreft.
Artikel 7.6a
Indien een partij schapen of geiten is
bestemd voor Nederland of voor een lidstaat komt de partij tot de plaats
van bestemming, respectievelijk tot de plaats waar de partij buiten
Nederland wordt gebracht, geen enkel moment in aanraking met andere
evenhoevige dieren die niet over dezelfde gezondheidsstatus beschikken.
Artikel 7.6b
Een vervoerder van een partij schapen of
geiten voldoet aan artikel 8 quater, eerste tot en met vierde lid, van
richtlijn 91/68/EEG.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
schapen of geiten uit derde landen
Artikel 7.7
1.Een partij schapen of geiten is
afkomstig uit een derde land dat voorkomt op een krachtens artikel 3,
eerste lid, van richtlijn 2004/68/EG vastgestelde lijst.
2.Het in het eerste lid bedoelde derde
land biedt de in artikel 7 van richtlijn 2004/68/EG gegeven garanties
en de partij schapen of geiten voldoet, voor zover van toepassing, aan
de krachtens artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2004/68/EG
vastgestelde veterinairrechtelijke voorschriften, tenzij krachtens
artikel 8 van richtlijn 2004/68/EG specifieke bepalingen zijn
vastgesteld, in welk geval die gelden.
3.Een partij schapen of geiten gaat
vergezeld van een veterinair certificaat als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, van richtlijn 2004/68/EG.
4.Een partij schapen of geiten voldoet,
voor zover van toepassing, aan de krachtens artikel 13 van richtlijn
2004/68/EG vastgestelde uitvoeringsbepalingen.
5.Een partij schapen of geiten voldoet,
voor zover van toepassing, aan de voorwaarden van bijlage IX,
hoofdstuk E, van verordening (EG) nr. 999/2001.
Afdeling 4a. In Nederland gebrachte
schapen en geiten
Artikel 7.7a
1.Uit een derde land afkomstige, in
Nederland gebrachte fokschapen en -geiten en mestschapen en -geiten,
bestemd voor Nederland, worden rechtstreeks naar het bedrijf van
bestemming vervoerd en aan het beslag op het bedrijf van bestemming
toegevoegd.
2.De in het eerste lid bedoelde schapen
en geiten mogen gedurende een periode van ten minste 30 dagen, te
rekenen vanaf de dag waarop de schapen en geiten op het bedrijf van
bestemming zijn binnengebracht, het bedrijf niet verlaten, behoudens
de rechtstreekse afvoer naar een in Nederland gelegen slachthuis.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op schapen en geiten, afkomstig uit derde
landen, die zijn bestemd voor dierentuinen, pretparken, wildparken en
jachtgebieden.
Afdeling 5. Het slachten van in Nederland
gebrachte slachtschapen en -geiten
Artikel 7.8
1.In Nederland gebrachte slachtschapen
of -geiten, bestemd voor Nederland, worden rechtstreeks vervoerd naar
en geslacht in een slachthuis.
2.In afwijking van het eerste lid mogen
slachtschapen of -geiten afkomstig uit een lidstaat passeren via één
schapen- of geitenverzamelcentrum, mits is voldaan aan artikel 4
quater, derde lid, onderdeel b, onder i, van richtlijn 91/68/EEG.
Afdeling 6. Handelaren in schapen en
geiten
Artikel 7.9
1. Een handelaar wordt door de minister
erkend indien:
– voldaan is aan artikel 8 ter,
eerste lid, onderdelen a en b, van richtlijn 91/68/EEG;
– voor zover van toepassing, zijn
bedrijfsruimte voldoet aan het tweede lid en aan artikel 8 ter,
eerste lid, onderdeel c, tweede gedachtestreepje, van richtlijn
91/68/EEG.
2. Elke bedrijfsruimte die door een
handelaar beroepshalve wordt gebruikt, staat onder toezicht van de
ambtenaren en wordt door de minister slechts erkend en geregistreerd
indien is voldaan aan de in de de artikelen 21, vierde lid, 24, 47 en
48 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van
besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s met betrekking tot
voor verzamelplaatsen voor schapen en geiten gestelde eisen.
Hoofdstuk 7a. Het brengen in Nederland
uit derde landen van gaffelantilopen, herten, muskusherten, dwergherten,
giraffen, okapi’s, eeltpotigen, nijlpaarden, pecari’s, neushoorns,
tapirs, olifanten en holhoornigen niet zijnde runderen, geiten en
schapen
Artikel 7a.1
1.Een partij gaffelantilopen, herten,
muskusherten, dwergherten, giraffen, okapi’s, eeltpotigen,
nijlpaarden, pecari’s, neushoorns, tapirs, olifanten en holhoornigen
niet zijnde runderen, geiten en schapen is afkomstig uit een derde
land dat voorkomt op een krachtens artikel 3, eerste lid, van
richtlijn 2004/68/EG vastgestelde lijst.
2.Het in het eerste lid bedoelde derde
land biedt de in artikel 7 van richtlijn 2004/68/EG gegeven garanties
en de partij dieren, bedoeld in het eerste lid, voldoet, voor zover
van toepassing, aan de krachtens artikel 6, eerste lid, van richtlijn
2004/68/EG vastgestelde veterinairrechtelijke voorschriften, tenzij
krachtens artikel 8 van richtlijn 2004/68/EG specifieke bepalingen
zijn vastgesteld, in welk geval deze gelden.
3.Een partij dieren als bedoeld in het
eerste lid gaat vergezeld van een veterinair certificaat als bedoeld
in artikel 11, eerste lid, van richtlijn 2004/68/EG.
4.Een partij dieren als bedoeld in het
eerste lid, voldoet, voor zover van toepassing, aan de krachtens
artikel 13 van richtlijn 2004/68/EG vastgestelde
uitvoeringsbepalingen.
Hoofdstuk 8. Andere dieren
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 8.1
Onverminderd artikel 1.1 wordt, voor
zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, in dit hoofdstuk verstaan
onder:
lagomorfen:
lagomorfen die zijn bestemd voor een
lid-staat die een gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 9,
tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG eist;
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van dieren, bestemd voor een lid-staat
Artikel 8.2
Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4,
onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in doorvoer buiten
Nederland brengen van apen, hoefdieren, bijen, honden, katten, fretten
en lagomorfen bestemd voor een lid-staat vastgesteld:
a. het certificaat dat op grond van
artikel 5, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven,
indien het apen betreft;
b. het certificaat dat op grond van
artikel 6, onderdeel A, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn
92/65/EEG is voorgeschreven, indien het hoefdieren betreft;
c. het gezondheidscertificaat dat op
grond van artikel 8, onderdeel b, van richtlijn 92/65/EEG is
voorgeschreven, indien het bijen betreft;
d. het gezondheidscertificaat dat op
grond van artikel 9, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG is
voorgeschreven, indien het lagomorfen betreft, of;
e. het paspoort en het certificaat,
bedoeld in artikel 10, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, indien:
1°. het fretten betreft;
2°. het honden of katten
betreft, bestemd voor andere lidstaten dan het Verenigd
Koninkrijk, Ierland, Malta of Zweden;
f. het paspoort en het certificaat,
bedoeld in artikel 10, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, indien
het honden of katten betreft, bestemd voor het Verenigd Koninkrijk,
Ierland, Malta of Zweden.
Artikel 8.3
1. Op grond van het onderzoek, bedoeld
in artikel 2.5, is gebleken dat:
a. indien honden, katten, fretten
en lagomorfen afkomstig zijn van een handelszaak die permanent of
incidenteel deze dieren in zijn bezit heeft, deze handelszaak is
geregistreerd overeenkomstig artikel 8.7, en
b. de apen, hoefdieren, bijen,
honden, katten, fretten en lagomorfen afkomstig zijn van bedrijven
of, indien het honden, katten en lagomorfen betreft, van
handelszaken die voldoen aan artikel 4 van richtlijn 92/65/EEG.
2. Onverminderd het eerste lid, is op
grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, gebleken, dat:
a. indien het apen betreft, deze
afkomstig zijn van een instelling, instituut of centrum dat is
erkend overeenkomstig artikel 8.6 en bestemd zijn voor een door de
bevoegde autoriteit van de lid-staat van bestemming overeenkomstig
bijlage C van richtlijn 92/65/EEG erkende instelling, erkend
instituut of erkend centrum en dat, in voorkomend geval, voldaan
is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in
artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn
92/65/EEG;
b. indien het hoefdieren betreft:
1. de hoefdieren niet in het
kader van een programma voor de uitroeiïng van een
besmettelijke dierziekte dienen te worden geruimd;
2. de hoefdieren niet zijn
ingeënt tegen mond- en klauwzeer en, in voorkomend geval,
voldoen aan de voorschriften die ter bestrijding van mond- en
klauwzeer gelden;
3. de hoefdieren afkomstig zijn
van een bedrijf als bedoeld in artikel 3, tweede lid,
onderdelen b en c, van richtlijn 64/432/EEG, ten aanzien
waarvan geen veterinairrechtelijke maatregelen ter uitvoering
van richtlijn nr. 2003/85/EG van de Raad van de Europese Unie
van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire
maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot
intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen
89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn
92/46/EEG (PbEG L 306), Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van
23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter
bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 316/5) of
richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften
voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en
geiten (PbEG L 46) gelden, en waar deze dieren vanaf hun
geboorte of gedurende de laatste 30 dagen voorafgaand aan de
verzending permanent hebben verbleven;
4. indien hoefdieren vanuit een
derde land, al dan niet via het grondgebied van een lid-staat,
in Nederland zijn gebracht:
-
deze afkomstig zijn uit een
derde land of een deel van een derde land, dat voor de
betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van
bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien
verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren
betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van
verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een
derde land of een deel van een derde land van waaruit de
lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
-
voldaan is aan de
voorschriften, bedoeld in artikel 6, onder A, eerste lid,
onderdeel e, tweede gedachtenstreepje, van richtlijn 92/65/EEG,
die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de
Raad van de Europese Unie zijn vastgesteld, met dien verstande
dat, zolang vorenbedoelde voorschriften nog niet zijn
vastgesteld en in werking getreden, voldaan is aan de
voorschriften van de lid-staat van bestemming, en indien het
hoefdieren, tevens zijnde herkauwers betreft, is gebleken dat:
-
deze afkomstig zijn van een
officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of
een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van
richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke
vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire
handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in
artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake
veterinairrechtelijke voorschriften voor het
intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L
46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c,
d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake
veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het
intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG
L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze
regeling;
-
deze, indien zij niet afkomstig
zijn van een beslag als bedoeld in het eerste
gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar
gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending
van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose
is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30
dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief
hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest
conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6,
onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en
criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende
nationale voorschriften en worden de tweede, vijfde en zesde
gedachtestreepjes met de bijbehorende teksten geschrapt;
-
in voorkomend geval, voldaan is
aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in
artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van
richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde
suidae betreft, is gebleken dat:
-
voldaan is aan artikel 6, onder
A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat
de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van
richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke
vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire
handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld
in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de
voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4
van hoofdstuk 4 van deze regeling;
c. indien het bijen betreft, deze
niet afkomstig zijn uit:
-
een gebied waarbinnen
bestrijdingsmaatregelen vanwege amerikaans vuilbroed gelden;
-
een gebied waarbinnen 30 dagen
of korter geleden, voorafgaand aan de dag van afgifte van het
gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 8.2, onderdeel c,
dergelijke bestrijdingsmaatregelen van kracht zijn geweest,
en, in voorkomend geval, is voldaan aan de algemene of
beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede
lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
d. indien het lagomorfen betreft,
voldaan is aan artikel 9, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG, en,
in voorkomend geval aan de algemene of beperkte aanvullende
garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15,
tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat tevens
voldaan is aan artikel 9, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG,
indien de lagomorfen voor Ierland of het Verenigd Koninkrijk zijn
bestemd en door deze lid-staten de verklaring als bedoeld in dat
artikellid wordt verlangd;
e. indien het fretten betreft
voldaan is aan artikel 10, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
f. indien het honden of katten
betreft, bestemd voor een andere lidstaat dan het Verenigd
Koninkrijk, Ierland, Malta of Zweden, voldaan is aan artikel 10,
tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
g. indien het honden of katten
betreft, bestemd voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Malta of
Zweden, voldaan is aan artikel 10, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG.
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
dieren uit lid-staten
Artikel 8.4
1.Indien een partij is verzonden vanuit
een lid-staat en bestemd is voor Nederland of een lid-staat, gaat zij
vergezeld van:
a. het certificaat dat op grond van
artikel 5, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven,
indien het apen betreft;
b. het certificaat dat op grond van
artikel 6, onderdeel A, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn
92/65/EEG is voorgeschreven, indien het hoefdieren betreft;
c. het gezondheidscertificaat dat
op grond van artikel 8, onderdeel b, van richtlijn 92/65/EEG is
voorgeschreven, indien het bijen betreft of
d. het gezondheidscertificaat dat
op grond van artikel 9, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG is
voorgeschreven, indien het lagomorfen betreft.
2.Indien fretten worden verzonden
vanuit een lidstaat en bestemd zijn voor Nederland of een lidstaat,
voldoen zij aan artikel 10, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG.
3.Indien honden of katten worden
verzonden vanuit een lidstaat en bestemd zijn voor Nederland of een
lidstaat, voldoen zij aan:
a. artikel 10, tweede lid, van
richtlijn 92/65/EEG, indien het honden of katten betreft, bestemd
voor andere lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Malta
of Zweden;
b. artikel 10, derde lid, van
richtlijn 92/65/EEG is, indien het honden of katten betreft,
bestemd voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Malta of Zweden.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
dieren uit derde landen
Artikel 8.5
1.De partij dieren, niet zijnde dieren
als bedoeld in bijlage I bij richtlijn 2004/68/EG, is verzonden vanuit
een derde land of deel van een derde land dat voor de betrokken
diersoort is vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 17, tweede lid,
onderdeel a, van richtlijn 92/65/EEG, dan wel indien die lijst voor de
betrokken diersoort nog niet is vastgesteld, het brengen in Nederland
van die dieren:
a. voor zover zij zijn bestemd voor
Nederland, is toegestaan vanuit een derde land of een deel van een
derde landop grond van de onderhavige regeling;
b. voor zover zij zijn bestemd voor
een lidstaat, is toegestaan vanuit een derde land of een deel van
een derde land waaruit de lidstaat de invoer toestaat.
2.De partij dieren, niet zijnde dieren
als bedoeld in bijlage I bij richtlijn 2004/68/EG, gaat vergezeld van
het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 17, tweede lid,
onderdeel b, van richtlijn 92/65/EEG, dan wel indien dat
gezondheidscertificaat voor de betrokken diersoort nog niet is
vastgesteld, gaan de dieren vergezeld van:
a. voor zover zij zijn bestemd voor
Nederland, een certificaat dat een verklaring bevat van de
officiële dierenarts dat is voldaan aan hoofdstuk II van
richtlijn 92/65/EEG, alsmede, indien het apen, hoefdieren, honden,
katten en lagomorfen betreft, aan de voorschriften voor het
brengen in Nederland van de betrokken dieren uit derde landen op
grond van hoofdstuk 2 van de onderhavige regeling;
b. voor zover zij zijn bestemd voor
een lidstaat, een certificaat dat een verklaring bevat van de
officiële dierenarts dat is voldaan aan de voorschriften van de
lidstaat van bestemming.
3.Indien de partij dieren, niet zijnde
dieren als bedoeld in bijlage I bij richtlijn 2004/68/EG, is bestemd
voor Finland of Zweden, blijkt uit de in het tweede lid bedoelde
certificaten dat de partij ten minste voldoet aan de voorschriften die
gelden met betrekking tot de invoer van de betrokken dieren in Finland
of Zweden uit lidstaten.
4.Aan de partij landbouwhuisdieren,
bedoeld in artikel 1 van richtlijn 96/22/EG, zijn geen stoffen
toegediend, die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van die richtlijn
niet aan landbouwhuisdieren mogen worden toegediend, tenzij aan de
voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.
5.Dit artikel is niet van toepassing op
het brengen in Nederland van bijen, hommels of vogels uit derde
landen.
6.Ten aanzien van honden, katten of
fretten wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, voldaan aan
artikel 16, tweede en derde alinea, van richtlijn 92/65/EEG.
Afdeling 4a [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5a [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5b [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5c [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5d [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5e [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5f [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5g [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5h [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5i [Vervallen per 16-12-2007]
Artikel 8.5j [Vervallen per 16-12-2007]
Afdeling 4b. Het brengen in Nederland van
bijen en hommels uit derde landen
Artikel 8.5k
1.De partij bijen of hommels bevat per
koninginnekast één koningin met maximaal twintig voedsters.
2.De partij bijen of hommels is
verzonden vanuit een derde land of een deel van een derde land, dat is
vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, eerste
gedachtestreepje, van beschikking (EG) nr. 2003/881.
3.Ingeval de partij bijen of hommels
afkomstig is uit een derde land is invoer alleen toegestaan indien op
het volledige gebied van dat derde land een aangifteplicht bestaat
voor Amerikaans vuilbroed, de kleine bijenkastkever en
Tropilaelapsmijt.
4.Ingeval de partij bijen of hommels
afkomstig is uit een in deel 2 van bijlage III bij beschikking (EG)
nr. 2003/881 opgenomen geografisch en epidemiologisch geïsoleerd deel
van een derde land, is in afwijking van het derde lid alleen de invoer
van partijen uit dat deel van het derde land toegestaan.
5.De partij bijen of hommels gaat
vergezeld van het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, tweede gedachtestreepje, van beschikking (EG) nr. 2003/881, en
voldoet aan de in het gezondheidscertificaat genoemde garanties.
6.Na het vervoer naar de op het
gezondheidscertificaat, bedoeld in het derde lid, aangegeven
bestemming worden de kasten onder officieel toezicht van de VWA
geplaatst en worden de koninginnen overgebracht naar nieuwe kasten
voordat ze in contact met plaatselijke volken worden gebracht.
7.De kasten, de voedsters en het andere
materiaal, die uit het derde land van oorsprong met de koninginnen
zijn meegestuurd, worden voor onderzoek op de aanwezigheid van de
kleine bijenkastkever en de Tropilaelapsmijt naar een laboratorium
gestuurd.
8.Na afronding van het onderzoek,
bedoeld in het vijfde lid, worden de kasten, de voedsters en het
andere materiaal vernietigd.
9.Indien uit het onderzoek, bedoeld in
het vijfde lid, een negatief resultaat blijkt, wordt het officiële
toezicht, bedoeld in het vierde lid, beëindigd.
Artikel 8.5l
1.In afwijking van artikel 8.5k bevat
een partij hommels per bergingsmiddel een enkel volk met maximaal 200
volwassen hommels.
2.De partij hommels is verzonden vanuit
een derde land of een deel van een derde land dat is vermeld op de
lijst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van
beschikking (EG) nr. 2003/881.
3.De partij hommels gaat vergezeld van
het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 2 van beschikking (EG)
nr. 2003/881, en voldoet aan de in het gezondheidscertificaat genoemde
garanties.
4.Gedurende of onmiddellijk na afloop
van de levensduur van het volk wordt het bergingsmiddel en al het
materiaal dat uit het derde land van oorsprong met de hommels is
meegestuurd, vernietigd.
Afdeling 4c. In Nederland gebrachte
dieren
Artikel 8.5m
1.Uit een derde land afkomstige, in
Nederland gebrachte en voor Nederland bestemde slurfdieren of
evenhoevigen, niet zijnde runderen, varkens, schapen of geiten,
worden, voor zover zij kennelijk bestemd zijn voor fok-, gebruiks- of
mestdoeleinden, rechtstreeks naar het bedrijf van bestemming vervoerd
en aan het beslag van het bedrijf van bestemming toegevoegd.
2.De in het eerste lid bedoelde dieren
mogen gedurende een periode van ten minste 30 dagen, te rekenen vanaf
de dag waarop de dieren op het bedrijf van bestemming zijn
binnengebracht, het bedrijf niet verlaten, behoudens de rechtstreekse
afvoer naar een in Nederland gelegen slachthuis.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op dieren als bedoeld in het eerste lid,
die zijn bestemd voor dierentuinen, pretparken, wildparken en
jachtgebieden.
Afdeling 4d. Het slachten van in
Nederland gebrachte dieren
Artikel 8.5n
Uit een derde land afkomstige, in
Nederland gebrachte en voor Nederland bestemde slurfdieren of
evenhoevigen, niet zijnde runderen, varkens, schapen of geiten, worden,
voor zover zij kennelijk bestemd zijn om te worden geslacht,
rechtstreeks vervoerd naar het slachthuis van bestemming, waar zij
binnen vijf werkdagen worden geslacht.
Afdeling 5. Erkenning van een instelling,
instituut, centrum, quarantainevoorziening, quarantainestation en
registratie van handelszaken.
Artikel 8.6
1.Een instelling, instituut of centrum
wordt door de minister voor de toepassing van deze regeling erkend
indien uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is
gebleken dat de instelling, het instituut of het centrum voldoet aan
bijlage C, punt 1 en 2, van richtlijn 92/65/EEG.
2.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt door de minister voor bepaalde tijd ingetrokken in
het geval, bedoeld in bijlage C, punt 6, onder a, van richtlijn 92/65/EEG.
3.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt door de minister ingetrokken indien na aangifte van
verdenking op een van de ziekten vermeld in de bijlagen A en B van
richtlijn 92/65/EEG het laboratoriumonderzoek voor de verwekkers van
vorenbedoelde ziekten positieve resultaten hebben gegeven.
4.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt, nadat zij door de minister voor bepaalde tijd is
ingetrokken, opnieuw verleend, indien na aangifte van verdenking op
een van de ziekten vermeld in de bijlagen A en B van richtlijn 92/65/EEG
het laboratoriumonderzoek voor de verwekkers van vorenbedoelde ziekten
negatieve resultaten hebben gegeven.
5.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt, nadat zij door de minister is ingetrokken, opnieuw
verleend, indien na de uitroeiïng van de besmettingshaarden, opnieuw
wordt voldaan aan punt 1, met uitzondering van onderdeel f, van
bijlage C van richtlijn 92/65/EEG wordt voldaan.
Artikel 8.6a
1. Een quarantainevoorziening als
bedoeld in artikel 3, onderdeel f, onder i en ii, van verordening
318/2007 of quarantainestation als bedoeld in artikel 3, onderdeel e,
onder i, van verordening 318/2007 wordt op aanvraag door de minister
voor de toepassing van deze regeling erkend indien uit een door de
keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat de
quarantainevoorziening of het quarantainestation voldoet aan bijlage
IV, hoofdstukken 1 en 2, van verordening 318/2007/EG.
2. De in het eerste lid bedoelde
erkenning wordt door de minister ingetrokken indien niet langer wordt
voldaan aan bijlage IV, hoofdstukken 1 en 2, van verordening
318/2007/EG.
Artikel 8.7
1.De minister houdt een register bij
van handelszaken die permanent of incidenteel honden, katten, fretten
of lagomorfen in zijn bezit heeft.
2.Een handelszaak wordt slechts
ingeschreven in het in het eerste lid bedoelde register, indien degene
die voor deze handelszaak verantwoordelijk is:
a. een administratie voert waarin
tenminste de leveringen van de honden, katten, fretten of
lagomorfen en de verdere bestemming hiervan zijn vermeld en alle
op die dieren betrekking hebbende bescheiden zijn opgenomen;
b. vorenbedoelde administratie
tenminste drie jaren bewaart;
c. artikel 4 van richtlijn 92/65/EEG
naleeft;
d. over voor het vervoer van de in
het eerste lid bedoelde dieren geschikte vervoermiddelen beschikt.
3.Indien de handelaar zich niet aan de
in het tweede lid bedoelde voorschriften houdt, kan de minister
beslissen dat zijn inschrijving in het in het eerste lid bedoelde
register wordt doorgehaald dan wel niet wordt erkend.
Afdeling 6. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van vogels, nertsen, vossen, lagomorfen en
dieren als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EG
Artikel 8.8
1.Indien vogels, lagomorfen die zijn
bestemd voor een lid-staat, die geen gezondheidscertificaat als
bedoeld in artikel 9, tweede lid, eist, alsmede nertsen en vossen
afkomstig zijn van een handelszaak die permanent of incidenteel deze
dieren in zijn bezit heeft, is deze handelszaak geregistreerd
overeenkomstig artikel 8.7.
2.Vogels, lagomorfen die zijn bestemd
voor een lid-staat, die geen gezondheidscertificaat als bedoeld in
artikel 9, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG eist, alsmede nertsen
en vossen zijn afkomstig van een bedrijf waarop regelmatig een
controle door de ambtenaren wordt verricht, teneinde na te gaan of aan
de onderhavige regeling wordt voldaan en dat voldoet aan artikel 4 van
richtlijn 92/65/EEG.
3.Vogels, niet zijnde papegaaiachtigen,
vossen, nertsen en lagomorfen die zijn bestemd voor een lid-staat, die
geen gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van
richtlijn 92/65/EEG eist, gaan vergezeld van de verklaring, bedoeld in
artikel 4, vierde gedachtenstreepje, van richtlijn 92/65/EEG.
4.Papegaaiachtigen gaan vergezeld van
het handelsdocument, bedoeld in artikel 7, onder A, tweede lid,
onderdeel c, van richtlijn 92/65/EEG.
5.Dieren, als bedoeld in artikel 12
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG, gaan vergezeld van het in artikel
13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG bedoelde vervoersdocument.
6.De verklaring, bedoeld in het derde
lid, het handelsdocument, bedoeld in het vierde lid, en het
vervoersdocument, bedoeld in het vijfde lid, zijn opgesteld en
afgegeven in overeenstemming met de regelgeving van de Raad van de
Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen, volledig
ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl de geldigheidsduur ervan
niet is verstreken.
Artikel 8.9
1.Indien het vogels betreft, bestemd
voor een lid-staat, geldt dat:
a. de vogels afkomstig zijn van een
bedrijf waar gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de
verzending geen aviaire influenza is gediagnosticeerd;
b. de vogels afkomstig zijn van een
bedrijf of uit een gebied ten aanzien waarvan geen beperkingen
gelden uit hoofde van de maatregelen ter bestrijding van de ziekte
van Newcastle;
c. indien het vogels betreft die
vanuit een derde land, al dan niet via het grondgebied van een
lid-staat, in Nederland zijn gebracht, de vogels overeenkomstig
artikel 10, eerste lid, derde gedachtenstreepje, van richtlijn
91/496/EEG en met inachtneming van de bijzondere waarborgen,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, tweede alinea, van richtlijn
91/496/EEG, in tijdelijke afzondering zijn geplaatst op het
bedrijf waar zij na toelating in de gebieden waarop het Verdrag
betreffende de Europese Unie van toepassing is, zijn
binnengebracht.
2.Onverminderd het eerste lid, geldt
indien het papegaaiachtigen betreft, bovendien dat:
a. de papegaaiachtigen niet
afkomstig zijn van een bedrijf of in contact zijn geweest met
dieren van een bedrijf waar op het tijdstip van verzending
psittacose (Chlamydia psittaci) is gediagnosticeerd;
b. de papegaaiachtigen niet
afkomstig zijn van een bedrijf of in contact zijn geweest met
dieren van een bedrijf waar in een periode van twee maanden
voorafgaand aan het tijdstip van verzending het laatste geval van
psittacose (Chlamidia psittaci) is gediagnosticeerd en is
behandeld overeenkomstig de voorschriften van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie, bedoeld
in artikel 7, onder A, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn
92/65/EEG, voor zover die voorschriften zijn vastgesteld;
c. de papegaaiachtigen
geïdentificeerd zijn overeenkomstig hetgeen hieromtrent in de
beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de
Raad van de Europese Unie, bedoeld in artikel 7, onder A, tweede
lid, onderdeel b, van richtlijn 92/65/EEG is bepaald, met dien
verstande dat zolang deze beschikking nog niet is vastgesteld, de
papegaaiachtigen zodanig geïdentificeerd zijn dat het bedrijf van
oorsprong of van tijdelijk verblijf is terug te vinden.
3.Indien het nertsen en vossen betreft
geldt, dat voldaan is aan artikel 10, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG
en, indien het nertsen betreft, in voorkomend geval, aan de algemene
of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG.
4.Indien het lagomorfen betreft die
zijn bestemd voor een lid-staat, die geen gezondheidscertificaat als
bedoeld in artikel 9, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG eist, geldt,
dat wordt voldaan aan artikel 9, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG
alsmede, in voorkomend geval, aan de algemene of beperkte aanvullende
garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede
lid, van richtlijn 92/65/EEG.
5.Indien het dieren als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG betreft, geldt dat zij
afkomstig zijn van een instelling, instituut of centrum dat is erkend
overeenkomstig artikel 8.6 en dat zij bestemd zijn voor een door de
bevoegde autoriteit van het land van bestemming overeenkomstig bijlage
C, van richtlijn 92/65/EEG erkende instelling, erkend instituut of
erkend centrum.
Afdeling 7. Het brengen in Nederland van
vogels, fretten, nertsen, vossen, lagomorfen en dieren als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG
Artikel 8.10
1.Vogels, niet zijnde papegaaiachtigen,
vossen, nertsen en lagomorfen die zijn bestemd voor Nederland of een
lid-staat, die geen gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 9,
tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG eist, gaan vergezeld van de
verklaring, bedoeld in artikel 4, vierde gedachtenstreepje, van
richtlijn 92/65/EEG.
2.Papegaaiachtigen gaan vergezeld van
het handelsdocument, bedoeld in artikel 7, onder A, tweede lid,
onderdeel c, van richtlijn 92/65/EEG.
3.Dieren als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG gaan vergezeld van het in artikel
13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG bedoelde vervoersdocument.
4.De verklaring, bedoeld in het eerste
lid, het handelsdocument, bedoeld in het tweede lid, en het
vervoersdocument, bedoeld in het derde lid, zijn opgesteld en
afgegeven in overeenstemming met de regelgeving van de Raad van de
Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen, volledig
ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl de geldigheidsduur ervan
niet is verstreken.
Artikel 8.11
Indien de vogels, nertsen, vossen,
lagomorfen die zijn bestemd voor Nederland of een lid-staat, die geen
gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van
richtlijn 92/65/EEG eist dan wel de dieren, bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG zijn verzonden vanuit een derde land
en via het grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht,
gaan zij vergezeld van de documenten, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
eerste en tweede gedachtenstreepje, van richtlijn 91/496/EEG.
Afdeling 8. Het niet-commerciële verkeer
van honden, katten en fretten
Artikel 8.12
Indien honden, katten of fretten zonder
handelsoogmerk anders dan in doorvoer buiten Nederland of in Nederland
worden gebracht voldoen zij, voor zover van toepassing, aan:
a. artikel 4 van verordening (EG)
998/2003;
b. artikel 5, eerste lid, van
verordening (EG) nr. 998/2003;
c. artikel 6, eerste en tweede lid,
van verordening (EG) nr. 998/2003;
d. artikel 8, eerste en tweede lid,
van verordening (EG) nr. 998/2003, tenzij is voldaan aan artikel 8,
derde lid, onderdeel a, b of c van verordening (EG) nr. 998/2003 en,
indien van toepassing, de vereisten vastgesteld door de Commissie
van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 8, derde en
vierde lid, van verordening (EG) nr. 998/2003;
e. artikel 14 van verordening (EG)
nr. 998/2003;
f. de vereisten vastgesteld door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 17 van
verordening (EG) nr. 998/2003, en
g. de vereisten vastgesteld door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 18 van
verordening (EG) nr. 998/2003;
h. de vereisten vastgesteld door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 20 van
verordening (EG) nr. 998/2003.
Artikel 8.13
De minister is de bevoegde autoriteit,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, artikel 6, eerste en
tweede lid, tweede gedachtestreepje, en artikel 14 van verordening (EG)
998/2003.
Artikel 8.14
1.Het in artikel 5, eerste lid, van
verordening (EG) nr. 998/2003 bedoelde paspoort, dat in Nederland
wordt uitgegeven, wordt door de minister erkend, indien het paspoort
voldoet aan de vereisten die zijn vastgesteld door de Commissie van de
Europese Gemeenschappen op grond van artikel 17 van verordening (EG)
nr. 998/2003.
2.De producent van het paspoort
plaatst, overeenkomstig de op grond van artikel 17 van verordening
(EG) nr. 998/2003 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen
vastgestelde vereisten, op de omslag van het paspoort het door de
minister verstrekte unieke nummer.
3.Een verzoek tot erkenning van een
paspoort, bedoeld in het eerste lid, wordt aangevraagd bij de VWA.
4.De dierenarts, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, onderdeel b, artikel 6, eerste lid, tweede
gedachtestreepje, en in artikel 15 van verordening (EG) nr. 998/2003,
is een dierenarts die overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van de Wet
op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 is geregistreerd.
Artikel 8.15
1.Indien honden, katten of fretten
vanuit een lidstaat zonder handelsoogmerk in Nederland worden
gebracht, jonger zijn dan drie maanden en niet zijn gevaccineerd,
voldoen zij aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
onderdeel a, en tweede lid, van verordening (EG) nr. 998/2003.
2.Op verzoek van de minister verklaart
de eigenaar of houder van de honden, katten of fretten dat is voldaan
aan het eerste lid.
Artikel 8.16
Honden, katten en fretten die zonder
handelsoogmerk, anders dan in doorvoer in Nederland worden gebracht,
worden binnengebracht via een inspectiepost of een douanekantoor als
bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene douaneregeling.
Afdeling 9. Overig
Artikel 8.17
Ten aanzien van het buiten Nederland
brengen van circusdieren, bestemd voor een lidstaat, en het vanuit een
lidstaat binnen Nederland brengen van circusdieren, gelden in voorkomend
geval de regels, gesteld bij krachtens artikel 23 van richtlijn 92/65/EEG
vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregelen.
Hoofdstuk 9. Sperma
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 9.1
Onverminderd artikel 1.1. wordt in dit
hoofdstuk verstaan onder:
richtlijn 88/407/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1988 tot vaststelling van de
veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het
intracommunautaire handelsverkeer in sperma van runderen en de invoer
daarvan (PbEG L 194);
richtlijn 90/429/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van de
veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het
intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer
daarvan (PbEG L 224);
richtlijn nr. 2003/43/EG:
richtlijn nr. 2003/43/EG van de Raad
van de Europese Unie van 26 mei 2003 houdende wijziging van richtlijn
88/407/EEG tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften
van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in
diepgevroren sperma van runderen en de invoer daarvan (PbEU L143);
rundersperma:
bewerkt of verdund ejaculaat van als
landbouw-huisdier gehouden runderen dat, voor zover afkomstig uit
lid-staten, na 31 december 1989 aldaar is verkregen en behandeld;
varkenssperma:
onbewerkt, bewerkt of verdund ejaculaat
van als landbouwhuisdier gehouden varkens dat, voor zover afkomstig
uit lid-staten, na 30 december 1991 is verkregen en behandeld;
sperma van schapen, geiten of
paardachtigen:
onbewerkt, bewerkt of verdund ejaculaat
van als huisdier gehouden schapen, geiten of paardachtigen;
instelling, instituut of centrum:
instelling, instituut of centrum als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 92/65/EEG;
runderspermaopslagcentrum:
inrichting waar rundersperma wordt
opgeslagen dat bestemd is voor kunstmatige inseminatie.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van sperma, bestemd voor een lid-staat
Artikel 9.2
Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4,
onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in doorvoer buiten
Nederland brengen van een partij sperma, bestemd voor een lid-staat,
vastgesteld:
a. het gezondheidscertificaat dat op
grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 88/407/EEG is
voorgeschreven, indien het rundersperma betreft, met inachtneming
van artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr. 2003/43/EG;
b. het gezondheidscertificaat dat op
grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 90/429/EEG is
voorgeschreven, indien het varkenssperma betreft, of
c. het gezondheidscertificaat dat op
grond van artikel 11, tweede lid, vierde gedachtenstreepje, van
richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven indien het sperma van schapen,
geiten en paardachtigen betreft.
Artikel 9.3
Op grond van het onderzoek, bedoeld in
artikel 2.5, is gebleken dat voldaan wordt aan:
a. artikel 3, onderdelen b en c, van
richtlijn 88/407/EEG, indien het rundersperma betreft, met
inachtneming van artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr.
2003/43/EG;
b. artikel 3, onderdelen b en c, van
richtlijn 90/429/EEG, indien het varkenssperma betreft;
c. artikel 11, tweede lid, tweede en
derde gedachtestreepje, en derde lid, tweede alinea van richtlijn
92/65/EEG, indien het sperma van paardachtigen betreft, of
d. artikel 11, tweede lid, tweede en
derde gedachtestreepje, en derde lid, tweede alinea van richtlijn
92/65/EEG en bijlage VIII, hoofdstuk A, deel I, onder d, van
verordening (EG) nr. 999/2001 indien het sperma van schapen of
geiten betreft artikel 2, derde lid, van verordening (EG) 546/2006,
indien het sperma van schapen of geiten betreft dat wordt verzonden
naar een in de bijlage bij die verordening genoemde lidstaat .
Artikel 9.4
Onverminderd artikel 9.3 is op grond van
het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, gebleken dat:
a. het rundersperma is verkregen,
behandeld en opgeslagen in een runderspermawincentrum dat is erkend
overeenkomstig artikel 9 van het Besluit eisen dierlijk sperma en
spermawincentra of is opgeslagen in een runderspermaopslagcentrum
dat is erkend overeenkomstig artikel 9.10a, met inachtneming van
artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr. 2003/43/EG;
b. het varkenssperma is verkregen en
behandeld in een varkensspermawincentrum dat is erkend
overeenkomstig artikel 3 van het Besluit eisen dierlijk sperma en
spermawincentra;
c. het sperma van schapen, geiten of
paardachtigen is verkregen en behandeld in een wincentrum of
-station dat is erkend overeenkomstig artikel 9.10, eerste lid,
onderdeel a, subonderdeel 3, of
d. indien het sperma van schapen of
geiten betreft, het sperma is verkregen en behandeld in een bedrijf
dat voldoet aan de voorschriften die in Richtlijn nr. 91/68/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake
veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire
handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) daaromtrent zijn
gesteld.
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
sperma uit lid-staten
Artikel 9.5
1.Indien een partij die is verzonden
vanuit een lid-staat en bestemd is voor Nederland of een lid-staat,
gaat zij vergezeld van:
a. het gezondheidscertificaat dat
op grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 88/407/EEG is
voorgeschreven, indien het rundersperma betreft, met inachtneming
van artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr. 2003/43/EG;
b. het gezondheidscertificaat dat
op grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 90/429/EEG is
voorgeschreven, indien het varkenssperma betreft, of
c. het gezondheidscertificaat dat
op grond van artikel 11, tweede lid, vierde gedachtenstreepje, van
richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven indien het sperma van
schapen, geiten en paardachtigen betreft.
2.De partij voldoet aan bijlage VIII,
hoofdstuk A, deel I, onder d, van verordening (EG) nr. 999/2001,
indien het sperma van schapen of geiten betreft.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
sperma uit derde landen
Artikel 9.6
1.De partij is verzonden vanuit een
derde land of een deel van een derde land, dat is vermeld op de lijst:
a. bedoeld in artikel 8, eerste
lid, van richtlijn 88/407/EEG, indien het rundersperma betreft;
b. bedoeld in artikel 7, eerste
lid, van richtlijn 90/429/EEG, indien het varkenssperma betreft;
c. . die voor sperma van
paardachtigen is vastgesteld in bijlage I bij beschikking
2004/211/EG, met dien verstande dat sperma van paardachtigen ook
mag zijn verzonden vanuit een land waaruit de definitieve invoer
als bedoeld in artikel 4 van beschikking 2004/211/EG van
geregistreerde paarden en fok- en gebruikspaarden is toegestaan,
of
d. bedoeld in artikel 17, tweede
lid, onderdeel a, van richtlijn 92/65/EEG, indien het sperma van
schapen of geiten betreft, met dien verstande dat, indien
vorenbedoelde lijst nog niet is vastgesteld, de partij uit geen
enkel derde land mag zijn verzonden, indien zij voor Nederland is
bestemd, en de partij is verzonden vanuit een derde land of een
deel van een derde land, van waaruit de lid-staat van bestemming
de invoer toestaat, indien zij voor een lid-staat is bestemd.
2.De partij is afkomstig van een
spermacentrum, een spermaopslagcentrum of een erkend centrum, erkende
instelling, erkend instituut of erkend winstation dat is vermeld op de
lijst, bedoeld in:
a. artikel 9, eerste lid, van
richtlijn 88/407/EEG, indien het rundersperma betreft, met
inachtneming van artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr.
2003/43/EG;
b. artikel 8, eerste lid, van
richtlijn 90/429/EEG, indien het varkenssperma betreft, of
c. artikel 17, derde lid, onderdeel
b, van richtlijn 92/65/EEG, indien het sperma van schapen, geiten
of paardachtigen betreft.
3.De partij gaat vergezeld van het
gezondheidscertificaat dat op grond van:
a. artikel 11 van richtlijn 88/407/EEG
is voorgeschreven, indien het rundersperma betreft;
b. artikel 10 van richtlijn 90/429/EEG
is voorgeschreven, indien het varkenssperma betreft, of
c. artikel 17, tweede lid,
onderdeel b, van richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven, indien het
sperma van schapen, geiten of paardachtigen betreft, dan wel,
indien vorenbedoeld gezondheidscertificaat nog niet is
vastgesteld, en:
-
de partij voor Nederland is
bestemd, de partij vergezeld gaat van een certificaat dat een
verklaring van de officiële dierenarts behelst dat het sperma
verkregen, behandeld en opgeslagen is op een wijze die
tenminste gelijkwaardig is aan hetgeen hieromtrent op grond
artikel 11, tweede lid, eerste tot en met derde
gedachtenstreepje van richtlijn 92/65/EEG geldt en dat voldaan
is aan de voorschriften voor het brengen in Nederland van
vorenbedoeld sperma uit derde landen op grond van hoofdstuk 2
van de onderhavige regeling;
-
de partij voor een lid-staat is
bestemd, de partij vergezeld gaat van het certificaat dat door
de lid-staat van bestemming wordt geëist.
4.De partij voldoet aan:
a. de voorschriften die voor sperma
van paardachtigen zijn vastgelegd in het gezondheidscertificaat,
bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel c, en aan de
artikelen 4 en 7 van beschikking 2004/211/EG, indien het sperma
van paardachtigen betreft, of
b. bijlage IX, hoofdstuk H, van
verordening (EG) nr. 999/2001 indien het sperma van schapen of
geiten betreft;
c. de voorschriften, opgenomen in
artikel 10 van richtlijn 88/407/EEG en in voorkomend geval in de
krachtens dat artikel vastgestelde communautaire
uitvoeringsmaatregelen, indien het rundersperma betreft;
d. de voorschriften, opgenomen in
artikel 9 van richtlijn 90/429/EEG en in voorkomend geval in de
krachtens dat artikel vastgestelde communautaire
uitvoeringsmaatregelen, indien het varkenssperma betreft.
Afdeling 5. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van sperma van schapen, geiten of paardachtigen
als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn nr. 92/65/EEG
Artikel 9.7
Sperma van schapen, geiten of
paardachtigen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn
92/65/EEG:
a. gaat vergezeld van het
vervoersdocument, dat op grond van artikel 13, eerste lid, van
richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven;
b. is afkomstig van een instelling,
instituut of centrum dat is erkend overeenkomstig artikel 9.11 en is
bestemd voor een door de bevoegde autoriteit van het land van
bestemming overeenkomstig bijlage C van richtlijn 92/65/EEG erkende
instelling, erkend instituut of erkend centrum.
Afdeling 6. Het brengen in Nederland van
sperma van schapen, geiten of paardachtigen als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG
Artikel 9.8
1.Sperma van schapen, geiten of
paardachtigen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn
92/65/EEG gaat vergezeld van het in artikel 13, eerste lid, van
richtlijn 92/65/EEG bedoelde vervoersdocument, dan wel, indien het
sperma is verzonden vanuit een derde land en via het grondgebied van
een lid-staat in Nederland wordt gebracht van de documenten, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, eerste en tweede gedachtenstreepje, van
richtlijn 90/675/EEG.
2.De documenten, bedoeld in het eerste
lid, zijn opgesteld en afgegeven in overeenstemming met de regelgeving
van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl
de geldigheidsduur ervan niet is verstreken.
Afdeling 7. Tijdelijke afzondering en
terugzending van de partij en erkenning van spermacentra, wincentra,
winstations en opslagcentra
Artikel 9.9
1.Onverminderd artikel 2.32 worden,
indien rundersperma of varkenssperma bestemd is voor Nederland dan wel
een lid-staat en ervan wordt verdacht te zijn aangetast door of te
zijn besmet met ziektekiemen, teneinde met zekerheid vast te stellen
of het verdachte sperma al dan niet is aangetast door of besmet met
ziektekiemen, door de minister de nodige maatregelen genomen die
afzondering van het sperma kunnen inhouden.
2.In het in het eerste lid bedoelde
geval staat de minister, voor zover daartegen uit oogpunt van de
diergezondheid geen bezwaren bestaan, op verzoek van de afzender of
diens gemachtigde, toe, dat het sperma wordt teruggezonden, met dien
verstande dat voor zover het rundersperma of diepgevroren
varkenssperma betreft betreft binnen 30 dagen en indien het vers
varkenssperma betreft binnen 24 uur na het betreffende besluit dient
te blijken dat de bevoegde instantie van het land van verzending de
terugzending toestaat.
3.Het sperma dient gedurende de in het
tweede lid bedoelde periode op een door de minister te bepalen wijze
te worden opgeslagen.
4.Indien de terugzending van het sperma
niet binnen de in het tweede lid bedoelde tijdsduur wordt toegestaan,
wordt, indien de minister hiertoe besluit het sperma vernietigd.
Artikel 9.10
1.Een spermacentrum dan wel wincentrum
of -station wordt door de minister voor de toepassing van deze
regeling erkend indien:
a. uit een door de
keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat:
1º. het spermacentrum voldoet
aan bijlage A en de overige relevante bepalingen van richtlijn
88/407/EEG, indien het rundersperma betreft;
2º. het spermacentrum voldoet
aan bijlage A en de overige relevante bepalingen van richtlijn
90/429/EEG, indien het varkenssperma betreft, of
3º. het wincentrum of -station
voldoet aan bijlage D van richtlijn 92/65/EEG, indien het
sperma van schapen, geiten of paardachtigen betreft, en
b. de keuringsdierenarts in verband
met het door hem uit te oefenen toezicht op de naleving van
onderdeel a, praktisch in de gelegenheid wordt gesteld de
werkzaamheden van de spermacentra, wincentra of -stations te
controleren.
2.Aan een erkend spermacentrum,
wincentrum of -station wordt in verband met de erkenning een
registratienummer toegekend.
Artikel 9.10a
1.Een runderspermaopslagcentrum wordt
door de minister erkend, indien uit een door de keuringsdierenarts
ingesteld onderzoek is gebleken, dat het runderspermaopslagcentrum
voldoet aan Bijlage A, Hoofdstuk I, punt 2, en Hoofdstuk II, punt 2,
de overige relevante bepalingen van richtlijn 88/407/EEG en artikel
9.10b.
2.Een aanvraag tot erkenning wordt
ingediend bij de minister.
3.Bij een aanvraag om erkenning van een
runderspermaopslagcentrum worden de volgende gegevens verstrekt:
a. de naam, het adres en de
vestigingsplaats van het runderspermaopslagcentrum;
b. een plattegrond van het
runderspermaopslagcentrum, waarbij de functies van de
verschillende ruimten binnen het centrum zijn aangegeven;
c. de naam van de dierenarts van
het runderspermaopslagcentrum.
4.Aan een erkend
runderspermaopslagcentrum wordt door de minister in verband met de
erkenning een registratienummer toegekend.
Artikel 9.10b
1.Ten behoeve van het toezicht, bedoeld
in Bijlage A, Hoofdstuk II, punt 2, van richtlijn 88/407/EEG, voorziet
de eigenaar of exploitant van een runderspermaopslagcentrum dan wel
diens vertegenwoordiger in het opstellen van:
a. voorschriften inzake:
– de reiniging en ontsmetting
van de apparatuur die in contact komt met sperma;
– de herkomst van sperma;
– het opslaan van sperma;
– de reiniging en ontsmetting
van de in het zevende lid bedoelde ruimten en voorzieningen;
– de toegang tot de in het
zevende lid bedoelde ruimten, en
– de wijze van kleding van
het personeel;
b. een protocol, waarin voor de in
het zevende lid bedoelde ruimten en voorzieningen, de
werkprocessen chronologisch en gedetailleerd beschreven zijn, en
c. een kwaliteitsbeheersingsplan,
waarin ter waarborging van een correcte uitvoering en registratie
van de in onderdeel b bedoelde processen, de in acht te nemen
werkwijzen chronologisch en gedetailleerd zijn vastgelegd.
2.De eigenaar of exploitant van een
runderspermaopslagcentrum dan wel diens vertegenwoordiger zorgt dat
het personeel zijn werkzaamheden verricht overeenkomstig de wettelijke
bepalingen en de daarop gebaseerde interne procedures en
voorschriften, draagt er zorg voor dat de dierenarts van het centrum
toeziet op een correcte uitvoering van de werkzaamheden door het
personeel en geeft de dierenarts van het centrum de hiervoor benodigde
instructies.
3.Van permanent toezicht van een
dierenarts van het runderspermaopslagcentrum als bedoeld in Bijlage A,
Hoofdstuk I, punt 2, onderdeel a, van richtlijn 88/408/EEG is sprake,
indien die dierenarts overeenkomstig de krachtens het derde lid
goedgekeurde procedures en protocollen erop toeziet, dat de
voorschriften van richtlijn 88/407/EEG in acht worden genomen en dat
door betrokkenen de krachtens het derde lid goedgekeurde procedures en
protocollen correct worden uitgevoerd.
4.Aan Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2,
onderdeel b, van richtlijn 88/407/EEG is voldaan, indien het
runderspermaopslagcentrum zodanig is ingericht dat vrije toegang tot
het runderspermaopslagcentrum niet mogelijk is.
5.De eigenaar of exploitant van een
runderspermaopslagcentrum dan wel diens vertegenwoordiger draagt
ervoor zorg dat het personeel zich kleedt met schone bedrijfskleding
voordat het de opslag- of distributieruimte betreedt.
6.Aan Bijlage A, Hoofdstuk I, punt 2,
onderdeel c, van richtlijn 88/407/EEG is voldaan, indien het
runderspermaopslagcentrum de beschikking heeft over:
a. een voorziening voor de
reiniging en ontsmetting van de gebruikte materialen;
b. een voorziening voor de opslag
van kleding alsmede voor de bij de opslag van sperma te gebruiken
materialen;
c. een ruimte voor de opslag en
distributie van sperma, die op efficiënte wijze van de overige
ruimten binnen het runderspermaopslagcentrum is geïsoleerd.
7.Het runderspermaopslagcentrum
beschikt ten behoeve van het toezicht, bedoeld in Bijlage A, Hoofdstuk
II, punt 2, onderdeel a, van richtlijn 88/407/EEG, over een door de
keuringsdierenarts vanuit één plaats op het
runderspermaopslagcentrum te raadplegen register dat dagelijks wordt
bijgehouden en dat zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde de
in Bijlage A, Hoofdstuk II, punt 2, onderdeel a, van richtlijn 88/407/EEG,
genoemde gegevens op eenvoudige wijze kunnen worden afgeleid. De
gegevens worden bewaard gedurende de aanwezigheid van het rundersperma
op het runderspermaopslagcentrum en tot drie jaar nadat het
rundersperma van het runderspermaopslagcentrum is afgevoerd.
8.Ten behoeve van het toezicht, bedoeld
in Bijlage A, Hoofdstuk II, punt 2, onderdeel e, onder vi, van
richtlijn 88/407/EEG zijn op de verpakking van elke afzonderlijke
dosis sperma onuitwisbaar de navolgende gegevens vermeld:
a. de datum waarop het sperma is
verkregen;
b. het ras en het krachtens het
Besluit identificatie en registratie van dieren aan de stier
waarvan het sperma is gewonnen, toegekende registratienummer en
c. het registratienummer van het
runderspermawincentrum.
9.Het in een runderspemaopslagcentrum
opgeslagen rundersperma voldoet aan Bijlage A, Hoofdstuk I, punt 2, en
Hoofdstuk II, punt 2, en Bijlage C van richtlijn 88/407/EEG.
Artikel 9.10c
1.De keuringsdierenarts is belast met
de in Bijlage A, Hoofdstuk II, punt 2, onderdeel b, van richtlijn
88/407/EEG, bedoelde controle.
2.De eigenaar of de exploitant van een
runderspermaopslagcentrum dan wel diens vertegenwoordiger draagt er
zorg voor dat de keuringsdierenarts alle medewerking wordt verleend
die deze redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken in het kader
van de in het eerste lid bedoelde controle noodzakelijk acht en dat
diens aanwijzingen ter zake door de dierenarts en het personeel van
het centrum worden opgevolgd.
3.De minister trekt de verleende
erkenning in, indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de
in artikel 9.10a, eerste lid, bedoelde voorschriften niet worden
nageleefd dan wel dat niet voldaan wordt aan het tweede of zesde lid,
doch niet dan nadat gedurende een redelijke termijn gelegenheid is
gegeven de voor het behoud van de erkenning noodzakelijke
voorzieningen te treffen.
4.Indien de erkenning ingevolge dit
artikel is ingetrokken, kan de minister gelasten dat het in de door
hem vast te stellen periode direct voorafgaand aan de intrekking
opgeslagen sperma, in tijdelijke afzondering wordt geplaatst dan wel
wordt vernietigd, met inachtneming van diens aanwijzingen, zonder
vergoeding van Staatswege en voor rekening van de exploitant van het
runderspermaopslagcentrum.
5.Voor een runderspermaopslagcentrum
waarvan de erkenning is ingetrokken of waarvan een aanvraag voor het
verlenen van de erkenning is afgewezen, worden bij een hernieuwde
erkenningsaanvraag de gegevens, bedoeld in artikel 9.10a, derde lid,
opnieuw verstrekt en wordt tevens aangetoond dat de omstandigheden
welke tot de intrekking dan wel de afwijzing hebben geleid, zijn
opgeheven.
6.Een erkend runderspermaopslagcentrum
stelt de minister in kennis van elke wijziging van de bij de
oorspronkelijke aanvraag verstrekte gegevens.
Artikel 9.11
1.Een instelling, instituut of centrum
wordt door de minister voor de toepassing van deze regeling erkend
indien uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is
gebleken dat de instelling, het instituut of het centrum voldoet aan
bijlage C, punt 1 en 2, en aan artikel 13, tweede lid, onderdeel a van
richtlijn 92/65/EEG.
2.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt door de minister voor bepaalde tijd ingetrokken in
het geval, bedoeld in bijlage C, punt 3, onder a, van richtlijn 92/65/EEG.
3.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt door de minister ingetrokken, indien na aangifte van
verdenking op één van de ziekten vermeld in de bijlagen A en B van
richtlijn 92/65/EEG het laboratoriumonderzoek voor de verwekkers van
vorenbedoelde ziekten positieve resultaten hebben gegeven.
4.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt, nadat zij door de minister voor bepaalde tijd is
ingetrokken, opnieuw verleend, indien na aangifte van verdenking op
een van de ziekten vermeld in de bijlagen A en B van richtlijn 92/65/EEG
het laboratoriumonderzoek voor de verwekkers van vorenbedoelde ziekten
negatieve resultaten hebben gegeven.
5.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid wordt, nadat zij door de minister is ingetrokken, opnieuw
verleend, indien na de uitroeiing van de besmettingshaarden, opnieuw
wordt voldaan aan punt 1, met uitzondering van onderdeel f, van
bijlage C van richtlijn 92/65/EEG.
Hoofdstuk 10. Embryo's
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 10.1
Onverminderd artikel 1.1. wordt in dit
hoofdstuk verstaan onder:
richtlijn 89/556/EEG:
richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 25 september 1989 tot vaststelling van
veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire
handelsverkeer in embryo's van als huisdier gehouden runderen en de
invoer daarvan uit derde landen (PbEG L 302);
runderembryo:
eerste ontwikkelingsstadium van een als
huisdier gehouden rund, dat geschikt is voor transplantatie naar een
ontvangerdier, dat niet is verkregen door transfer van celkernen en
dat, voor-zover afkomstig uit lid-staten na 31 december 1990 is
verzameld, behandeld en opgeslagen;
embryo van varkens, schapen, geiten of
paardachtigen:
eerste ontwikkelingsstadium van als
huisdier gehouden varkens, schapen, geiten of paardachtigen, dat
geschikt is voor transplantatie naar een ontvangerdier en dat niet is
verkregen door transfer van celkernen;
teamdierenarts:
dierenarts die overeenkomstig bijlage A
van richtlijn 89/556/EEG verantwoordelijk is voor het toezicht op een
runderembryoteam;
runderembryoteam:
overeenkomstig artikel 10.9 erkende
groep technici of organisatievorm onder toezicht van een
teamdierenarts, bevoegd om runderembryo's te verzamelen, te behandelen
of op te slaan;
runderembryo-produktieteam:
runderembryoteam, erkend overeenkomstig
artikel 10.9 voor de bevruchting in vitro;
embryoteam:
overeenkomstig artikel 10.11 erkende
groep technici of organisatievorm, bevoegd om embryo's van schapen,
geiten, varkens of paardachtigen te verzamelen, te behandelen of op te
slaan;
instelling, instituut of centrum:
instelling, instituut of centrum als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 92/65/EEG.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van embryo's, bestemd voor een lid-staat
Artikel 10.2
Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4,
onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in doorvoer buiten
Nederland brengen van een partij embryo's, bestemd voor een lid-staat,
vastgesteld:
a. het gezondheidscertificaat dat op
grond van artikel 6 van richtlijn 89/556/EEG is voorgeschreven,
indien het runderembryo's betreft, of
b. het gezondheidscertificaat dat op
grond van artikel 11, derde lid, derde gedachtenstreepje, van
richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven indien het embryo's van
schapen, geiten, varkens en paardachtigen betreft.
Artikel 10.3
Op grond van het onderzoek, bedoeld in
artikel 2.5, is gebleken dat, indien het een partij runderembryo's
betreft:
a. de bevruchting door kunstmatige
inseminatie of in vitro is geschied, met sperma van een donorstier
uit een spermacentrum dat door de minister, overeenkomstig artikel
9.10, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1, is erkend voor de
winning, behandeling en opslag van rundersperma of met
overeenkomstig hoofdstuk 9, ingevoerd rundersperma;
b. in geval van bevruchting in vitro,
deze bevruchting is geschied door een runderembryoproduktieteam;
c. de runderembryo's zijn verzameld
bij runderen die voldoen aan bijlage B van richtlijn 89/556/EEG;
d. de runderembryo's door een
runderembryoteam zijn verzameld, behandeld, opgeslagen en vervoerd
overeenkomstig bijlage A, hoofdstuk II, van richtlijn 89/556/EEG,
met dien verstande dat de opslag heeft plaatsgevonden in
overeenkomstig artikel 10.10 erkende opslaglokalen en
e. door de keuringsdierenarts een
verklaring is ontvangen van de teamdierenarts dat het
runderembryoteam overeenkomstig het bepaalde in onderdeel d heeft
gehandeld.
Artikel 10.4
1.Op grond van het onderzoek, bedoeld
in artikel 2.5, is gebleken dat, indien het een partij embryo's van
varkens, schapen, geiten of paardachtigen betreft:
a. de embryo's verkregen zijn door
een embryoteam bij vrouwelijke donordieren die voldoen aan bijlage
D, hoofdstuk IV, van richtlijn 92/65/EEG en vervolgens in een
aangepast laboratorium zijn behandeld;
b. de embryo's zijn behandeld en
opgeslagen overeenkomstig bijlage D, hoofdstuk III, van richtlijn
92/65/EEG, en
c. het voor de inseminatie van de
in onderdeel a bedoelde vrouwelijke donordieren gebruikte sperma
voldoet aan artikel 9.3, onderdeel c, en artikel 9.4, onderdeel c.
2.Onverminderd het eerste lid is op
grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, gebleken dat de
partij embryo’s voldoet aan bijlage VIII, hoofdstuk A, deel I, punt
d, van verordening (EG) nr. 999/2001 indien het embryo’s van schapen
of geiten betreffen artikel 2, derde lid, van verordening (EG)
546/2006, indien het embryo’s van schapen of geiten betreft die
worden verzonden naar een in de bijlage bij die verordening genoemde
lidstaat.
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
embryo's uit lid-staten
Artikel 10.5
1.Indien een partij die is verzonden
vanuit een lid-staat en bestemd is voor Nederland of een lid-staat,
gaat zij vergezeld van:
a. het gezondheidscertificaat dat
op grond van artikel 6 van richtlijn 89/556/EEG is voorgeschreven,
indien het runderembryo's betreft, of
b. het gezondheidscertificaat dat
op grond van artikel 11, derde lid, derde gedachtenstreepje, van
richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven indien het embryo's van
schapen, geiten, varkens en paardachtigen betreft.
2.De partij voldoet aan bijlage VIII,
hoofdstuk A, deel I, punt d, van verordening (EG) nr. 999/2001 indien
het embryo’s van schapen of geiten betreft.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
embryo's uit derde landen
Artikel 10.6
1.De partij is verzonden vanuit een
derde land of een deel van een derde land, dat is vermeld op de lijst:
a. bedoeld in artikel 7, eerste
lid, van richtlijn 89/556/EEG, indien het runderembryo's betreft;
b. die voor embryo’s van
paardachtigen is vastgesteld in bijlage I bij beschikking
2004/211/EG, met dien verstande dat eicellen van paardachtigen ook
mag zijn verzonden vanuit een land waaruit de definitieve invoer
als bedoeld in artikel 5 van beschikking 2004/211/EG van
geregistreerde paarden en fok- en gebruikspaarden is toegestaan,
of
c. bedoeld in artikel 17, tweede
lid, onderdeel a, van richtlijn 92/65/EEG, indien het sperma van
varkens, schapen of geiten betreft, met dien verstande dat, indien
vorenbedoelde lijst nog niet is vastgesteld, de partij uit geen
enkel derde land mag zijn verzonden, indien zij voor Nederland is
bestemd, en de partij is verzonden vanuit een derde land of een
deel van een derde land van waaruit de lid-staat van bestemming de
invoer toestaat, indien zij voor een lid-staat is bestemd.
2.De partij is verzameld, behandeld en
opgeslagen door een runderembryoteam of embryoteam dat is vermeld op
de lijst, bedoeld in:
a. artikel 8, eerste lid, van
richtlijn 89/556/EEG, indien het runderembryo's betreft, of
b. artikel 17, derde lid, onderdeel
b, van richtlijn 92/65/EEG, indien het embryo's van varkens,
schapen, geiten of paardachtigen betreft.
3.De partij gaat vergezeld van het
gezondheidscertificaat dat op grond van:
a. artikel 10 van richtlijn 89/556/EEG
is voorgeschreven, indien het runderembryo's betreft, of
b. artikel 17, tweede lid,
onderdeel b, van richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven, indien het
embryo's van varkens, schapen, geiten of paardachtigen betreft,
dan wel, indien vorenbedoeld gezondheidscertificaat nog niet is
vastgesteld, en:
-
de partij voor Nederland is
bestemd, de partij vergezeld gaat van een certificaat dat een
verklarig van de officiële dierenarts behelst dat de embryo's
verkregen, behandeld en opgeslagen zijn op een wijze die
tenminste gelijkwaardig is aan hetgeen hieromtrent op grond
van artikel 11, derde lid, eerste en tweede gedachtenstreepje
van richtlijn 92/65/EEG geldt, dat voldaan is aan artikel 11,
derde lid, tweede alinea van richtlijn 92/65/EEG en aan de
voorschriften voor het brengen in Nederland van vorenbedoelde
embryo's uit derde landen op grond van hoofdstuk 2 van de
onderhavige regeling;
-
de partij voor een lid-staat is
bestemd, de partij vergezeld gaat van het certificaat dat door
de lid-staat van bestemming wordt geëist.
4.De partij voldoet aan:
a. de voorwaarden die zijn
vastgesteld in en, in voorkomend geval, krachtens artikel 9 van
richtlijn 89/556/EEG, indien het runderembryo’s betreft, of
b. de voorwaarden die zijn
vastgelegd in het gezondheidscertificaat, bedoeld in het derde
lid, aanhef en onderdeel b, en aan artikel 5 van beschikking
2004/211/EG, indien het embryo’s van paardachtigen betreft, of
c. bijlage IX, hoofdstuk H, van
verordening (EG) nr. 999/2001 indien het embryo’s van schapen of
geiten betreft.
Afdeling 5. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van embryo's van varkens, schapen, geiten of
paardachtigen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn
92/65/EEG
Artikel 10.7
Embryo's van varkens, schapen, geiten of
paardachtigen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn
92/65/EEG:
a. gaan vergezeld van het
vervoersdocument, dat op grond van artikel 13, eerste lid, van
richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven;
b. zijn afkomstig van een instelling,
instituut of centrum dat is erkend overeenkomstig artikel 9.11 en
zijn bestemd voor een door de bevoegde autoriteit van het land van
bestemming overeenkomstig bijlage C van richtlijn 92/65/EEG erkende
instelling, erkend instituut of erkend centrum.
Afdeling 6. Het brengen in Nederland van
embryo's van varkens, schapen, geiten of paardachtigen als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG
Artikel 10.8
1.Embryo's van varkens, schapen, geiten
of paardachtigen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn
92/65/EEG gaan vergezeld van het in artikel 13, eerste lid, van
richtlijn 92/65/EEG bedoelde vervoersdocument, dan wel, indien de
embryo's zijn verzonden vanuit een derde land en via het grondgebied
van een lid-staat in Nederland worden gebracht, van de documenten,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, eerste en tweede gedachtenstreepje,
van richtlijn 90/675/EEG.
2.De documenten, bedoeld in het eerste
lid, zijn opgesteld en afgegeven in overeenstemming met de regelgeving
van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl
de geldigdheidsduur ervan niet is verstreken.
Afdeling 7. Erkenning van
runderembryoteams, runderembryoproduktieteams, embryoteams en van
opslaglokalen
Artikel 10.9
1.Een runderembryoteam of een
runderembryoproduktieteam wordt door de minister voor de toepassing
van deze regeling erkend indien:
a. uit een door de
keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat het
runderembryoteam of het runderembryoproduktieteam voldoet aan het
voor een dergelijk team bepaalde in bijlage A, hoofdstuk I, van
richtlijn 89/556/EEG, en aan de overige relevante bepalingen van
richtlijn 89/556/EEG;
b. de keuringsdierenarts in verband
met het door hem uit te oefenen toezicht op de naleving van
onderdeel a, praktisch in de gelegenheid wordt gesteld de
werkzaamheden van de teams te controleren;
2.De teamdierenarts draagt er zorg voor
dat elke belangrijke wijziging in de organisatie van de teams of in de
laboratoria en de apparatuur waarover zij beschikken, ter kennis van
de keuringsdierenarts wordt gebracht.
3.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid, wordt door de minister ingetrokken indien:
a. de teamdierenarts wordt
vervangen;
b. zich in de organisatie van het
embryoteam of embryoproduktieteam of in de laboratoria en de
apparatuur waarover het beschikt, belangrijke wijzigingen
voordoen, of
c. blijkt dat niet meer wordt
voldaan aan het eerste lid.
4.Aan een erkend runderembryoteam of
runderembryoproduktieteam wordt in verband met de erkenning een
registratienummer toegekend.
Artikel 10.10
1.Een lokaal voor de opslag van
runderembryo's, bedoeld in bijlage A, hoofdstuk II, van richtlijn
89/556/EEG, wordt door de minister voor de toepassing van deze
regeling erkend, indien:
a. uit een door de
keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat:
1º. het lokaal voldoet aan de
relevante bepalingen van bijlage A van richtlijn 89/556/EEG,
en
2º. een sluitende
administratie overeenkomstig richtlijn 89/556/EEG wordt
gevoerd;
b. de keuringsdierenarts in verband
met het door hem uit te oefenen toezicht op de naleving van
onderdeel a, toegang tot het lokaal, alsmede tot de gevoerde
administratie heeft.
2.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid, wordt door de minister ingetrokken indien niet meer wordt
voldaan aan het eerste lid.
Artikel 10.11
Een embryoteam wordt door de minister
voor de toepassing van deze regeling erkend, indien:
a. uit een door de keuringsdierenarts
ingesteld onderzoek is gebleken dat het team zich houdt aan bijlage
D, hoofdstuk III, van richtlijn 92/65/EEG, en
b. de keuringsdierenarts in verband
met het door hem uit te oefenen toezicht op de naleving door de
teams van bijlage D, hoofdstuk III, van richtlijn 92/65/EEG,
praktisch in de gelegenheid wordt gesteld de werkzaamheden van het
team te controleren.
Hoofdstuk 11. Eicellen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 11.1
Onverminderd artikel 1.1. wordt in dit
hoofdstuk verstaan onder:
erkend team:
overeenkomstig artikel 10.11 erkende
groep technici of organisatievorm, bevoegd om eicellen te verzamelen,
te behandelen of op te slaan;
instelling, instituut of centrum:
instelling, instituut of centrum als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 92/65/EEG.
Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van eicellen, bestemd voor een lid-staat
Artikel 11.2
Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4,
onderdeel a, wordt met het oog op het anders dan in doorvoer buiten
Nederland brengen van een partij eicellen, bestemd voor een lid-staat,
vastgesteld het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 11,
derde lid, derde gedachtenstreepje, van richtlijn 92/65/EEG is
voorgeschreven indien het eicellen van schapen, geiten, varkens en
paardachtigen betreft.
Artikel 11.3
Op grond van het onderzoek, bedoeld in
artikel 2.5, is gebleken dat:
a. de eicellen verkregen zijn door
een erkend team bij vrouwelijke donordieren die voldoen aan bijlage
D, hoofdstuk IV, van richtlijn 92/65/EEG en vervolgens in een
aangepast laboratorium zijn behandeld;
b. de eicellen zijn behandeld en
opgeslagen overeenkomstig bijlage D, hoofdstuk III, van richtlijn
92/65/EEG;
c. het voor de inseminatie van de in
onderdeel a bedoelde vrouwelijke donordieren gebruikte sperma
voldoet aan artikel 9.3, onderdeel c, en artikel 9.4, onderdeel c,
en
d. artikel 2, derde lid, van
verordening (EG) 546/2006, indien het eicellen van schapen of geiten
betreft die worden verzonden naar een in de bijlage bij die
verordening genoemde lidstaat.
Afdeling 3. Het brengen in Nederland van
eicellen uit lid-staten
Artikel 11.4
Indien een partij die is verzonden vanuit
een lid-staat en bestemd is voor Nederland of een lid-staat, gaat zij
vergezeld van het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 11,
derde lid, derde gedachtenstreepje, van richtlijn 92/65 is
voorgeschreven indien het eicellen van schapen, geiten, varkens en
paardachtigen betreft.
Afdeling 4. Het brengen in Nederland van
eicellen uit derde landen
Artikel 11.5
1.De partij is verzonden vanuit een
derde land of een deel van een derde land, dat is vermeld op:
a. de lijst die voor eicellen van
paardachtigen is vastgesteld in bijlage I bij beschikking
2004/211/EG, met dien verstande dat eicellen van paardachtigen ook
mag zijn verzonden vanuit een land waaruit de definitieve invoer
als bedoeld in artikel 5 van beschikking 2004/211/EG van
geregistreerde paarden en fok- en gebruikspaarden is toegestaan,
of
b. de lijst, bedoeld in artikel 17,
tweede lid, onderdeel a, van richtlijn 92/65/EEG, indien het
eicellen van varkens, schapen of geiten betreft, met dien
verstande dat, indien vorenbedoelde lijst nog niet is vastgesteld,
de partij is verzonden vanuit een derde land of een deel van een
derde land van waaruit de lid-staat van bestemming de invoer
toestaat, indien zij voor een lid-staat is bestemd.
2.De partij is verzameld, behandeld en
opgeslagen door een erkend team dat is vermeld op de lijst, bedoeld in
artikel 17, derde lid, onderdeel b, van richtlijn 92/65/EEG.
3.De partij gaat vergezeld van het
gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 17, tweede lid,
onderdeel b, van richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven, dan wel,
indien vorenbedoeld gezondheidscertificaat nog niet is vastgesteld,
en:
-
de partij voor Nederland is
bestemd, de partij vergezeld gaat van een certificaat dat een
verklaring van de officiële dierenarts behelst dat de eicellen
zijn verkregen, behandeld en opgeslagen op een wijze die tenminste
gelijkwaardig is aan hetgeen hieromtrent op grond van artikel 11,
derde lid, eerste en tweede gedachtenstreepje van richtlijn 92/65/EEG
geldt, dat voldaan is aan artikel 11, derde lid, tweede alinea van
richtlijn 92/65/EEG en aan de voorschriften voor het brengen in
Nederland van vorenbedoelde eicellen uit derde landen op grond van
hoofdstuk 2 van de onderhavige regeling;
-
de partij voor een lid-staat is
bestemd, de partij vergezeld gaat van het certificaat dat door de
lid-staat van bestemming wordt geëist.
4.De partij voldoet aan de voorwaarden
die zijn vastgelegd in het gezondheidscertificaat, bedoeld in het
derde lid, en aan artikel 5 van beschikking 2004/211/EG, indien het
eicellen van paardachtigen betreft.
Afdeling 5. Het anders dan in doorvoer
buiten Nederland brengen van eicellen als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van richtlijn 92/65/EEG
Artikel 11.6
Eicellen als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG:
a. gaan vergezeld van het
vervoersdocument, dat op grond van artikel 13, eerste lid, van
richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven;
b. zijn afkomstig van een instelling,
instituut of centrum dat is erkend overeenkomstig artikel 9.11 en
zijn bestemd voor een door de bevoegde autoriteit van het land van
bestemming overeenkomstig bijlage C van richtlijn 92/65/EEG erkende
instelling, erkend instituut of erkend centrum.
Afdeling 6. Het brengen in Nederland van
eicellen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG
Artikel 11.7
1.Eicellen als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG gaan vergezeld van het in artikel
13, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG bedoelde vervoersdocument, dan
wel, indien de eicellen zijn verzonden vanuit een derde land en via
het grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht, van de
documenten, bedoeld in artikel 10, eerste lid, eerste en tweede
gedachtenstreepje, van richtlijn 90/675/EEG.
2.De documenten, bedoeld in het eerste
lid, zijn opgesteld en afgegeven in overeenstemming met de regelgeving
van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl
de geldigdheidsduur ervan niet is verstreken.
Hoofdstuk 11a. Uitvoering Europese
vrijwaringsmaatregelen
Artikel 11a.1
In dit hoofdstuk wordt onder
communautaire vrijwaringsmaatregel verstaan verordening, richtlijn of
beschikking als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap vastgesteld krachtens artikel 18 van
richtlijn nr. 91/496/EEG, artikel 22 van richtlijn nr. 97/78/EG of
artikel 18, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 998/2003.
Artikel 11a.2
Het is verboden dieren, broedeieren,
sperma, embryo’s en eicellen vanuit een derde land, of een deel
daarvan, in Nederland te brengen ingeval op grond van een communautaire
vrijwaringsmaatregel voor lidstaten een verplichting geldt om:
a. de invoer van de desbetreffende
diersoort, dan wel het desbetreffende product, uit het
desbetreffende land of een deel daarvan te schorsen;
b. bijzondere voorwaarden aan de
invoer van desbetreffende dieren, dan wel producten uit het
desbetreffende land of een deel daarvan te stellen, indien niet is
voldaan aan de bij deze communautaire vrijwaringsmaatregel
voorgeschreven voorwaarden.
Artikel 11a.3
1.De bevoegde autoriteit, bedoeld in
een communautaire vrijwaringsmaatregel, is de minister.
2.In afwijking van het eerste lid is,
ingeval een communautaire vrijwaringsmaatregel de bevoegde autoriteit
een taak opdraagt die niet bestaat in het nemen van een besluit, de
bevoegde autoriteit de Voedsel en Waren Autoriteit.
3.De officiële dierenarts, bedoeld in
een communautaire vrijwaringsmaatregel,is een dierenarts, verbonden
aan de Voedsel- en Warenautoriteit.
Artikel 11a.4
Een communautaire vrijwaringsmaatregel,
of een wijziging daarvan, treedt voor de toepassing van deze regeling in
werking met ingang van de dag waarop daaraan uiterlijk uitvoering moet
zijn gegeven, of bij gebreke daarvan, de dag waarop de maatregel is
vastgesteld.
Hoofdstuk 12. Medebewind
Artikel 12.1
1.Ter uitvoering van de artikelen 10,
11, 81, tweede tot en met vierde lid, van de wet en artikel 5 van het
Besluit inzake het in de handel brengen van dieren en producten en de
toepassing van maatregelen met betrekking tot in Nederland gebrachte
dieren en producten wordt medewerking gevorderd van het bestuur van
het Productschap voor Pluimvee en Eieren.
2.De gevorderde medewerking bestaat in
het bij verordening stellen van nadere regelen ter zake van het
verlenen van een officiële erkenning van inrichtingen als bedoeld in
artikel 6.3, onderdeel e, van deze regeling.
3.Het Productschap Pluimvee en Eieren
kan in de Verordening identificatie en registratie van
pluimveebedrijven, broedeieren en levend pluimvee (PPE) 2005 bepalen
dat bij overtreding van artikel 2 van die verordening tuchtrechtelijke
maatregelen worden gesteld.
4.Het Productschap Pluimvee en Eieren
kan in de Verordening productie van en handel in broedeieren en levend
pluimvee 2003 bepalen dat bij overtreding van artikel 3, tweede lid,
van die verordening tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Artikel 13.1
De Regeling in- en doorvoer vee,
veeproducten e.d., de Regeling doorvoer vee 1992, de Regeling
wederinvoer vee 1992, de Regeling invoer vee 1992, de Regeling in- en
doorvoer sperma van runderen 1992, de Regeling in- en doorvoer embryo's
van runderen 1993, de Regeling in- en doorvoer sperma van varkens 1993,
de Regeling in- en doorvoer papagaaien en papagaaiachtigen 1977, de
Regeling invoer levende en dode vossen, de Regeling in en doorvoer
levende konijnen 1984, de Regeling in- en doorvoer nertsen 1977, de
Regeling in- en doorvoer honden en katten, de Regeling in-, uit- en
doorvoer circusdieren 1971, de Regeling in-, door- en vervoer pluimvee,
vogels en broedeieren 1992, de Regeling in- en doorvoer levende dieren
en producten 1993, de Regeling uitvoer vee 1974, de Beschikking vervoer
sperma van runderen, de Beschikking vervoer diepgevroren sperma van
runderen, de Beschikking vervoer embryo's van runderen, de Beschikking
vervoer sperma van varkens, de Regeling vervoer levende dieren en
producten 1993, en de Beschikking vervoer pluimvee en broedeieren, de
Beschikking vervoer geregistreerde paardachtigen en de Regeling
voorschriften slachtkalveren worden ingetrokken.
Artikel 13.1a
Deze regeling berust mede op de artikelen
30 en 105 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Artikel 13.2
Deze regeling treedt in werking met
ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 13.3
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling handel levende dieren en levende producten.
Deze regeling wordt met de toelichting in de
Staatscourant geplaatst.
's-Gravenhage, 30 november 1994.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen.
Bijlage hoofdstuk 3, afdeling 6
Algemene eisen
1.Het verzamelcentrum is gemakkelijk bereikbaar via verharde wegen
en ligt niet in een gebied ten aanzien waarvan op grond van de
regelgeving van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de
Europese Gemeenschappen of op grond van nationale regelgeving
maatregelen zijn genomen, houdende de instelling van een verbod om
dieren uit het betrokken gebied uit te voeren of in de handel te
brengen.
2.Het verzamelcentrum maakt geen deel uit van een bedrijf waar vee
is gehuisvest, van een slachthuis, van een verzamelplaats ten behoeve
van het verzamelen van andere dieren dan runderen dan wel van een
verzamelplaats ten behoeve van het verzamelen van andere soorten
runderen dan die waarvoor het verzamelcentrum is erkend, of van een
bedrijfsruimte, bedoeld in de artikel 3.15. De gebouwen van het
verzamelcentrum zijn gelegen op een minimale afstand van 100 meter van
gebouwen behorende bij één of meer van de bovengenoemde bedrijven.
Het verzamelcentrum is zodanig omheind, dat vrije toegang tot het
verzamelcentrum niet mogelijk is.
3.Het verzamelcentrum beschikt over een door de minister
goedgekeurd opleidingsplan op grond waarvan het personeel dat op het
centrum verantwoordelijk is voor de dieren door de aanbieder wordt
opgeleid in de zorg voor en het welzijn van de dieren alsmede in de
wettelijke eisen die ter zake van het verzamelcentrum worden gesteld.
Voorzieningen
4.Het verzamelcentrum beschikt over laad- en losruimten waar de
runderen worden in- en uitgeladen. De laad- en losvoorzieningen zijn
zodanig dat laad- en loswerkzaamheden ongehinderd kunnen plaatsvinden.
5.Behoudens wanneer ten genoegen van de minister kan worden
aangetoond dat de bedrijfsvoering van het verzamelcentrum zodanig is
dat aankomende en vertrekkende runderen niet met elkaar in contact
komen, is het verzamelcentrum zodanig ingericht dat bij het in- en
uitladen aankomende en vertrekkende runderen niet met elkaar in
contact komen.
6.Op het verzamelcentrum zijn één of meerdere stalruimten
aanwezig voor het onderbrengen van de runderen. Voorzieningen zijn in
de stalruimten aanwezig voor het voeren en drenken van de runderen.
7.In de onmiddellijke nabijheid van de uitlaadruimte, is een
aparte, afsluitbare stalling voor zieke of van een dierziekte
verdachte runderen aanwezig dan wel een stalruimte waarin een
voorziening is getroffen voor de afzondering van runderen zodanig dat
de daartoe bestemde ruimte fysiek door middel van geheel gesloten
wanden gescheiden is van de overige stallingsvoorzieningen binnen de
stalruimte.
8.Op het verzamelcentrum is een voor runderen ontoegankelijke
ruimte aanwezig voor opslag van voeder en strooisel, gescheiden van de
ruimte waar runderen kunnen verblijven alsmede een afsluitbare,
lekvrije, voor vogels of ongedierte ontoegankelijke en goed reinigbare
voorziening aanwezig voor de opslag van kadavers. Deze voorziening is
zodanig op een verharde plaats gesitueerd dat het vanaf de openbare
verharde weg binnen het bereik ligt van de laadkraan van het
vervoermiddel van degene die het materiaal ophaalt.
9.In de nabijheid van de stalruimte is een voorziening aanwezig
voor de opslag van mest en indien een stalruimte geheel of
gedeeltelijk wordt ingestrooid, is tevens in de nabijheid van de
stalruimte een voorziening aanwezig voor de opslag van het gebruikte
strooisel.
10.Op het verzamelcentrum is ten behoeve van de VWA een stoel, een
telefoon en een afsluitbaar bureau of een afsluitbare ruimte aanwezig
ingericht met ten minste een tafel. Indien de rijksdienst een
onafhankelijke telefoonaansluiting wenst, komt deze voor rekening van
de rijksdienst. In of in de nabijheid van de kantoorruimte bevindt
zich een toilet met gelegenheid tot handen wassen.
11.Het verzamelcentrum beschikt over een geschikt opvangsysteem
voor het afvalwater dat zorg draagt dat het afvalwater kan afvloeien
of op andere wijze wordt verwijderd.
12.Bij de laad- en losruimte en in de stalruimte is een voor
inspectie en keuringen passende verlichting aanwezig met een minimale
lichtsterkte van 300 lux.
Reiniging en ontsmetting
13.Voor het personeel en bezoekende personen die uit hoofde van hun
functie het verzamelcentrum, dan wel, indien het verzamelcentrum
beschikt over meerdere epidemiologische bedrijfseenheden, een
epidemiologische bedrijfseenheid dienen te betreden, is een
hygiënesluis gesitueerd, zodanig dat zij deze passeren alvorens zij
op het verzamelcentrum respectievelijk epidemiologische
bedrijfseenheid werkzaamheden verrichten. De hygiënesluis is voorzien
van omkleed-, wasfaciliteiten en van een toilet. Schone
bedrijfskleding en laarzen zijn in de hygiënesluis aanwezig.
14.Het gehele terrein van het verzamelcentrum waar mogelijk met
smetstof verontreinigd materiaal vanaf transportmiddelen op de grond
terecht kan komen, is verhard. Het gehele verharde terrein van het
verzamelcentrum is in goede staat van onderhoud en zonder glooiingen.
15.Alle ruimten kunnen gemakkelijk en grondig worden gereinigd en
ontsmet. De plaats waar runderen worden in- en uitgeladen en de
stalruimte zijn voorzien van een verharde en voor water
ondoordringbare terreinbedekking en zijn zodanig dat zij onder alle
klimatologische omstandigheden deugdelijk en efficiënt gereinigd en
ontsmet kunnen worden. De wanden van de binnenstalruimte bestaan,
voorzover niet hoger dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak geheel, en
voorzover hoger dan 2,5 meter tot een hoogte van 2,5 meter uit voor
water ondoordringbaar materiaal.
16.Alle materialen waarmee de runderen op het verzamelcentrum in
aanraking kunnen komen zijn uitsluitend van duurzaam en voor water
ondoordringbaar materiaal gemaakt dat gemakkelijk en grondig kan
worden gereinigd en ontsmet. De materialen worden goed onderhouden en
eventuele reparaties worden onmiddellijk uitgevoerd. Het gebruik van
corroderende materialen is niet toegestaan. Hout is slechts
toegestaan, wanneer dit is ingebed in kunststof of hars.
17.Het verzamelcentrum is voor vervoermiddelen uitsluitend
toegankelijk via één afsluitbare ingang en uitsluitend te verlaten
via één afsluitbare uitgang, behoudens wanneer gewaarborgd is dat
binnenkomende en uitgaande vervoermiddelen niet met elkaar in contact
kunnen komen. In dat geval kan volstaan worden met één afsluitbare
ingang die tevens als enige uitgang te gebruiken is. De uitgang van
het verzamelcentrum is voorzien van een sproei-installatie die water
levert van voldoende druk voor een deugdelijke en efficiënte
reiniging en ontsmetting voor het reinigen en ontsmetten van de wielen
van de vervoermiddelen.
18.Het verzamelcentrum beschikt over één of meer installaties
voor het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen die water levert
van voldoende druk voor een deugdelijke en efficiënte reiniging en
ontsmetting. De plaatsen waarop deze reiniging en ontsmetting
plaatsvindt zijn voorzien van een verharde en voor water
ondoordringbare terreinbedekking.
19.Het verzamelcentrum beschikt over één of meer installaties
voor het reinigen en ontsmetten van de stalruimten, de laad- en
losplaatsen en van de overige ruimten.
20.Voor de mogelijkheid tot controle op reiniging en ontsmetting
geldt een minimale lichtsterkte van 300 lux.
Administratie
21.Op het verzamelcentrum zijn een in- en uitslagregister dan wel
een elektronische informatiedrager met gegevens over de in- en uitslag
aanwezig waarin onmiddellijk na aankomst onderscheidenlijk vertrek van
de runderen onder vermelding van het aantal runderen, de datum van
aankomst en vertrek, het herkomstbedrijf en de eigenaar, het
bestemmingsadres en de koper van de runderen worden bijgehouden door
middel van registratie van de identificatie van alle runderen die het
verzamelcentrum passeren, zodanig dat een directe koppeling tussen de
in- en uitslag per dier mogelijk is. De voor aan- en afvoer gebruikte
vervoermiddelen worden eveneens onmiddellijk na aankomst
onderscheidenlijk vertrek onder vermelding van de registratienummers
van de vervoerders alsmede van het vervoermiddel in het register dan
wel in de elektronische informatiedrager bijgehouden alsmede bij
export van de runderen het serienummer van het gezondheidscertificaat.
De houder van het verzamelcentrum administreert zodanig, dat de
officiële dierenarts aan de hand van het register alle op het
verzamelcentrum aangevoerde, aanwezige en afgeleverde runderen, de
vervoerders en de vervoermiddelen waarmee de runderen werden
getransporteerd, kan traceren. De gegevens bedoeld in dit onderdeel
worden minimaal drie jaren bewaard.
|
|
|