| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
REGELING
PREVENTIE, BESTRIJDING EN MONITORING VAN
BESMETTELIJKE DIERZIEKTEN EN ZOÖNOSEN EN
TSE'S
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van 7 juni 2005, nr. TRCJZ/2005/1411,
houdende regels inzake preventie, bestrijding en monitoring van
besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (Regeling preventie,
bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en
TSE’s)
De Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (titel 4, hoofdstuk 1, paragraaf
1);
Gelet op:
- Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de
bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel
overgedragen zoönoseverwekkers (PbEG L 325);
- Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 houdende vaststelling van
voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde
overdraagbare spongiforme encefalopatieën (PbEG L 147);
- Richtlijn nr. 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van
zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van beschikking
nr. 90/424/EEG van de Raad van de Europese Unie en intrekking van Richtlijn
nr. 92/117/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 325);
- Richtlijn nr. 2003/85/EG van de Raad van de Europese Unie van
29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen
voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn
nr. 85/511/EEG en van de beschikkingen nr. 89/531/EEG en nr. 91/665/EEG,
en tot wijziging van Richtlijn nr. 92/46/EEG (PbEG L 306);
- Richtlijn nr. 2001/89/EG van de Raad van de Europese Unie van
23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter
bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 316);
- Richtlijn nr. 95/70/EG van de Raad van de Europese Unie van
22 december 1995 tot vaststelling van minimale communautaire
maatregelen ter bestrijding van bepaalde ziekten van tweekleppige
weekdieren (PbEG L 332);
- Richtlijn nr. 93/53/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 24 juni 1993 tot vaststelling van minimale
communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde visziekten (PbEG
L 175);
- Richtlijn nr. 92/35/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 29 april 1992 tot vaststelling van
controlevoorschriften en van maatregelen ter bestrijding van paardepest
(PbEG L 157);
- Richtlijn nr. 92/40/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire
maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza (PbEG L
167);
- Richtlijn nr. 92/66/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire
maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG
L 260);
- Richtlijn nr. 92/119/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene
communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten
en van specifieke maatregelen ten aanzien van vesiculaire varkensziekte
(PbEG 1993 L 62);
- Richtlijn nr. 91/68/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke
voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en
geiten (PbEG L 46);
- Richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en
zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in
bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de
totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224);
- Richtlijn nr. 90/426/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van
veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen
en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PbEG L 224);
- Richtlijn nr. 90/539/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 oktober 1990 tot vaststelling van
veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire
handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren
(PbEG L 303);
- Richtlijn nr. 82/894/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 21 december 1982 inzake de melding van
dierziekten in de Gemeenschap (PbEG L 378);
- Richtlijn nr. 78/52/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 13 december 1977 tot vaststelling van de
communautaire criteria voor de nationale programma’s voor de versnelde
uitroeiing van brucellose, tuberculose en endemische leukose bij
runderen (PbEG 1978 L 15);
- Richtlijn nr. 64/432/EEG van inzake veterinairrechtelijke
vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in
runderen en varkens, zoals gewijzigd bij Richtlijn nr. 97/12/EG van de
Raad van de Europese Unie van 17 maart 1997 (PbEG L 109);
- beschikking nr. 90/424/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op
veterinair gebied (PbEG L 224);
- beschikking nr. 2003/100/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 13 februari 2003 tot vaststelling van
minimumeisen voor fokprogramma’s ter verkrijging van resistentie tegen
overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij schapen (PbEG L
041);
Gelet op de artikelen 10, eerste en tweede lid,
onderdeel b en c, 11, eerste lid, 15, 17, 18, 23, 25,
tweede lid, 26, 30, 31, 77, 81, 94, 100 en 107, 108 en 108a van
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 10a van de
Veewet, artikel 19 van de Landbouwwet, artikel 7, tweede en derde lid,
van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, de artikelen 3
en 5 van het Besluit verdachte dieren, de artikelen 3 en 3a van
het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en besmettelijke
dierziekten en de artikelen 2 en 3 van het Besluit gebruik sera en
entstoffen;
Besluit:
Titel 1. Algemeen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
c. VWA: Voedsel en Waren Autoriteit;
d. evenhoevigen: varkens, runderen, schapen, geiten of herten;
e. [vervallen;]
f. [vervallen;]
g. vetweiderijbedrijf: bedrijf waar uitsluitend runderen worden
gehouden die zijn bestemd om rechtstreeks te worden afgevoerd naar
een slachthuis;
h. weiderunderen: vrouwelijke runderen, ouder dan 12 maanden,
die kennelijk zijn bestemd om te worden afgevoerd naar een
vetweiderijbedrijf;
i. [vervallen;]
j. [vervallen;]
k. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie, niet zijnde
Nederland;
l. derde land: land, niet zijnde Nederland en niet zijnde een
lidstaat;
m. [vervallen;]
n. vervoermiddel: voertuig, waaronder mede begrepen een
combinatie van een voertuig met één of meer door dat voertuig
voortbewogen aanhangwagens, opleggers of containers;
o. vervoerseenheid: voertuig dat of aanhangwagen, oplegger of
container die deel uitmaakt van een combinatie als bedoeld in
onderdeel n;
p. vervoeren van een vervoermiddel: het voortbewegen of doen
voortbewegen van een vervoermiddel;
q. varkensverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van
de verzameling van varkens;
r. runderverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van
de verzameling van runderen;
s. schapenverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van
de verzameling van schapen;
t. geitenverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van
de verzameling van geiten;
u. epidemiologische bedrijfseenheid: afgescheiden stalruimte op
een runderverzamelcentrum ten behoeve van de huisvesting van een
beslag dat zodanig is gesitueerd dat geen contact met de overige
op het verzamelcentrum aanwezige beslagen mogelijk is. Ingeval
meer dan een epidemiologische bedrijfseenheden zijn ondergebracht
in een gebouw is de voor elke epidemiologische bedrijfseenheid
bestemde ruimte fysiek door middel van geheel gesloten wanden
gescheiden van de voor de overige epidemiologische
bedrijfseenheden bestemde ruimten;
v. beslag: op een bedrijf als een afzonderlijke
epidemiologische eenheid gehouden varkens of groep varkens
onderscheidenlijk rund of groep runderen met eenzelfde
gezondheidsstatus;
w. eerste verzameling: eerste aanvoer van varkens, runderen,
schapen, of geiten op onderscheidenlijk een varkensverzamelcentrum,
een runderverzamelcentrum, een schapenverzamelcentrum of een
geitenverzamelcentrum, nadat dit is ontvolkt, gereinigd en
ontsmet. Ingeval op een runderverzamelcentrum met meer dan een
epidemiologische bedrijfseenheden fokrunderen worden aangevoerd:
eerste aanvoer van fokrunderen op een epidemiologische
bedrijfseenheid nadat deze is ontvolkt, gereinigd en ontsmet;
x. fokrunderen: runderen, ouder dan 2 maanden en jonger dan 50
maanden, die kennelijk zijn bestemd voor de fokkerij in een land,
niet zijnde Nederland;
y. blokperiode: tijdseenheid, die begint vanaf het tijdstip van
eerste verzameling, van:
1. ten hoogste 120 uur op een schapen- en
geitenverzamelcentrum;
2. ten hoogste 144 uur op een runderverzamelcentrum,
ingeval de runderen die worden verzameld fokrunderen zijn die
zijn bestemd voor de afvoer naar een lidstaat;
3. ten hoogste 30 dagen op een runderverzamelcentrum, in
geval de runderen die worden verzameld fokrunderen zijn die
zijn bestemd voor de afvoer naar een derde land;
4. ten hoogste 48 uur op een varkensverzamelcentrum, in
geval de varkens die worden verzameld slachtvarkens zijn;
5. ten hoogste 24 uur op een:
– varkensverzamelcentrum, in geval de varkens die worden
verzameld geen slachtvarkens zijn,
– runderverzamelcentrum, ingeval de runderen die worden
verzameld geen fokrunderen zijn.
z. slachtvarkens: varkens die kennelijk zijn bestemd voor de
slacht;
aa. slachtrunderen: runderen die kennelijk zijn bestemd voor de
slacht;
ab. slachtschapen: schapen die kennelijk zijn bestemd voor de
slacht;
ac. slachtgeiten: geiten die kennelijk zijn bestemd voor de
slacht;
ad. [vervallen;]
ae. [vervallen;]
af. [vervallen;]
ag. [vervallen;]
ah. [vervallen;]
ai. [vervallen;]
aj. [vervallen;]
ak. mesterij: bedrijf of onderdeel van een bedrijf waar
runderen, jonger dan 12 maanden, worden gehouden die zijn bestemd
om te worden afgevoerd naar een slachthuis;
al. [vervallen;]
am. reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen:
geheel aan installaties en voorzieningen nodig voor het reinigen
en ontsmetten van vervoermiddelen;
an. geringe capaciteit: het aantal behandelde grootvee-eenheden
bedraagt per week ten hoogste 30 en per jaar ten hoogste 1.500,
waarbij het aantal grootvee-eenheden als volgt wordt berekend:
1°. runderen en gedomesticeerde wilde soortgenoten:
– volwassen runderen: 1;
– andere runderen alsmede gedomesticeerde edelherten:
0,5;
2°. andere diersoorten en gedomesticeerde soortgenoten:
– een schaap, een geit of een gedomesticeerd damhert:
0,10;
– een lam, een jonge geit, een big, van minder dan 15 kg
levend gewicht: 0,05;
ao. geaccrediteerde keuringsinstantie: keuringsinstantie, ten
aanzien waarvan:
1°. door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een
gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de
keuringsinstantie voldoet aan de criteria van EN 45004 en ISO
17020 en de relevante criteria van ISO 9001/9002, voorzover
deze verklaring betrekking heeft op het bedrijfsrapport,
bedoeld in artikel 79, tweede lid, onderdeel m.
2°. door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een
gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de
keuringsinstantie voldoet aan de criteria van EN 45004 en ISO
17020 en de relevante criteria van ISO 9001/9002, voorzover
deze verklaring betrekking heeft op verrichtingen in de
veehouderij, en de keuringsinstantie aan de Nederlandse Raad
voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie
heeft verzocht te verklaren dat de keuringsinstantie aan
genoemde criteria voldoet met betrekking tot het
bedrijfsrapport, bedoeld in artikel 79, tweede lid, onderdeel
m.
ap. UBN: UBN als bedoeld in de Regeling identificatie en
registratie van dieren;
aq. AI-gevoelige dieren: gehouden dieren van een soort
behorende tot de orde van de hoenderachtigen (Galliformes), tot de
familie van de eenden, ganzen en zwanen (Anatidae), tot de
families van de struisvogels (Struthionidae), emoes (Dromaiidae)
en nandoes (Rheidae) en voor consumptie gehouden duiven (Columba
Livia);
ar. pluimveebedrijf: inrichting die wordt gebruikt voor het
anders dan voor recreatieve of educatieve doeleinden fokken,
opfokken of houden van fokdieren, vleesdieren of legdieren;
as. koppel: groep dieren met dezelfde gezondheids- en
immuniteitsstatus, die in eenzelfde lokaal of een zelfde
uitloopruimte wordt opgefokt en die een epizoötiologische eenheid
vormen;
at. eendagskuikens: dieren die nog geen 72 uur oud zijn en die
nog niet zijn gevoerd;
au. vleeskuikens: kippen van 72 uur en ouder die worden
opgefokt voor de productie van vlees;
av. vleeskalkoenen: kalkoenen van 72 uur en ouder die worden
opgefokt voor de productie van vlees;
aw. leghennen: dieren bestemd voor productie van
consumptie-eieren;
ax. reproductiedieren: dieren bestemd voor productie van
broedeieren;
ay. keuringsdierenarts: bevoegde, door de VWA met werkzaamheden
belaste dierenarts;
az. assistent: door de VWA met werkzaamheden belaste persoon,
niet zijnde een dierenarts;
ba. verordening (EG) nr. 2160/2003: verordening (EG) nr.
2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en
andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEG
L 325);
bb. verordening (EG) nr. 178/2002: verordening (EG) nr.
178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene
beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot
oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en
tot vaststelling van procedures voor
voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31);
bc. verordening (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr.
1069/2009 van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober
2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet
voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en
afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr.
1774/2002 (PbEU L 300);
bd. verordening nr. (EG) 1760/2000: verordening (EG) nr.
1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en
registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van
rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening
(EG) nr. 820/97 van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 204);
be. richtlijn nr. 2003/99/EG: richtlijn nr. 2003/99/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november
2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en
houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad van de
Europese Unie en intrekking van richtlijn nr. 92/117/EEG van de
Raad van de Europese Unie (PbEG L 325);
bf. richtlijn nr. 92/65/EEG: richtlijn nr. 92/65/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juli 1992 tot
vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het
handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma,
eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de
veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire
regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van richtlijn nr.
90/425/EEG geldt (PbEG L 268);
bg. richtlijn nr. 92/66/EEG: richtlijn nr. 92/66/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 tot
vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van
de ziekte van Newcastle (PbEG L 260);
bh. verordening (EG) nr. 599/2004: verordening (EG) nr.
599/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30
maart 2004 tot vaststelling van een geharmoniseerd model voor een
certificaat en inspectieverslag voor het intracommunautaire
handelsverkeer in dieren en producten van dierlijke oorsprong (Pb
L EU 94);
bi. richtlijn nr. 92/117/EEG: richtlijn nr. 92/117/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake
maatregelen voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en
bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren en in producten van
dierlijke oorsprong teneinde door voedsel overgedragen infecties
en vergiftigingen te voorkomen (PbEG 1993 L 62);
bj. verordening (EG) nr. 854/2004: Verordening (EG) nr.
854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de
organisatie van de officiële controles van voor menselijke
consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong;
bk. richtlijn nr. 91/68/EEG: richtlijn nr. 91/68/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake
veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire
handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46);
bl. [vervallen;]
bm. richtlijn nr. 64/432/EEG: richtlijn nr. 64/432/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake
veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het
intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L
121);
bn. verordening (EG) nr. 999/2001: verordening (EG) nr.
999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften
inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde
overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEU L 147);
bo. verordening (EG) nr. 1/2005: verordening (EG) nr. 1/2005
van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de
bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee
samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen
64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU
L 3);
bp. richtlijn nr. 2006/88/EG: richtlijn nr. 2006/88/EG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 oktober 2006,
betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor
aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de
preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (PbEG
L 328);
bq. waterdier: waterdier als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel e, van richtlijn nr. 2006/88/EG, met uitzondering van de
waterdieren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van richtlijn nr.
2006/88/EG;
br. kwekerij: kwekerij als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel h, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
bs. kweekgebied van weekdieren: kweekgebied van weekdieren als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, van richtlijn nr.
2006/88/EG;
bt. waterdier voor sierdoeleinden: waterdier voor
sierdoeleinden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k,
van richtlijn nr. 2006/88/EG;
bu. compartiment: compartiment als bedoeld in bijlage I,
onderdeel a, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
bv. gevoelige soort: gevoelige soort als bedoeld in bijlage I,
onderdeel n, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
bw. gebied: gebied als bedoeld in bijlage I, onderdeel p, van
richtlijn nr. 2006/88/EG;
bx. verordening (EG) nr. 616/2009: verordening (EG) nr.
616/2009 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13
juli 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/94/EG
wat betreft de goedkeuring van compartimenten voor pluimvee en
compartimenten voor andere in gevangenschap levende vogels ten
aanzien van aviaire influenza en aanvullende voorzorgsmaatregelen
op het gebied van de bioveiligheid in dergelijke compartimenten (PbEU
L 181);
by. verordening (EG) nr. 175/2010: verordening (EG) nr.
175/2010 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2
maart 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat
betreft maatregelen ter bestrijding van de verhoogde mortaliteit
bij oesters van de soort Crassostrea gigas in samenhang met de
detectie van het Ostreid herpesvirus 1 µvar (OsHV-1µvar);
bz. Verordening (EG) nr. 998/2003: Verordening (EG) nr.
998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften
voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en
houdende wijziging van Richtlijn 92/95/EEG van de Raad (PbEU L
146).
2. Voor de toepassing van artikel 13 wordt onder abortus verstaan:
het spontaan meer dan 21 dagen eerder dan de gemiddelde draagtijd van
het desbetreffende runderras ter wereld brengen van een vrucht of
vruchten door een rund, ingeval de dracht meer dan 100 dagen heeft
geduurd.
3. Voor de toepassing van titel 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, wordt
verstaan onder werkzaamheden: controle als bedoeld in artikel 18,
tweede lid, van de wet.
Hoofdstuk 2. Besmettelijke dierziekten
§ 1. Aanwijzing besmettelijke dierziekten
Artikel 2
Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet
bij vee worden aangewezen:
a. runderpest;
b. mond- en klauwzeer;
c. klassieke varkenspest;
d. Afrikaanse varkenspest;
e. rabies;
f. dourine;
g. kwade droes;
h. virale paardenencefalomyelitiden;
i. infectieuze anemie;
j. miltvuur;
k. Afrikaanse paardepest;
l. vesiculaire stomatitis;
m. trichinellose;
n. brucellose;
o. endemische leukose bij runderen;
p. tuberculose ten gevolge van Mycobacterium tuberculosis
complex;
q. [vervallen;]
r. bovine spongiforme encefalopathie, scrapie en andere
overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s);
s. besmettelijke bovine pleuropneumonie;
t. Teschener-ziekte (besmettelijke varkensverlamming);
u. vesiculaire varkensziekte;
v. ziekte van Aujeszky;
w. blue tongue;
x. pest van de kleine herkauwer;
y. Rift Valley koorts;
z. schape- en geitepokken;
aa. nodulaire dermatose (lumpy skin disease);
ab. enzoötische hemorraghische ziekte bij herten;
ac. Q-koorts.
Artikel 3
Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet
bij pluimvee worden aangewezen:
a. vogelpest (Aviaire Influenza);
b. pseudo-vogelpest (Newcastle Disease).
Artikel 4
Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet
bij bijen worden aangewezen:
a. Amerikaans vuilbroed;
b. kleine bijenkastkever (Aethina tumida);
c. Tropilaelapsmijt (Tropilaelaps spp).
Artikel 5
Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet
bij nertsen worden aangewezen:
a. rabies;
b. ziekte van Aujeszky;
c. overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s);
d. brucellose;
e. tuberculose ten gevolge van Mycobacterium tuberculosis
complex;
f. miltvuur;
Artikel 6
Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet
bij zoogdieren niet zijnde vee en nertsen worden aangewezen:
a. rabies;
b. mond- en klauwzeer;
c. vesiculaire stomatitis;
d. ziekte van Aujeszky;
e. overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s);
f. brucellose;
g. tuberculose ten gevolge van Mycobacterium tuberculosis
complex;
h. hemorragische koortsen, Ebola en Marburg, veroorzaakt door
virussen van de familie Filoviridae;
i. simian immunodeficiency virusinfecties;
j. tularaemie;
k. miltvuur;
l. apenpokken.
Artikel 7
Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet
bij andere vogels dan pluimvee worden aangewezen:
a. psittacose;
b. pseudo-vogelpest (Newcastle Disease);
c. vogelpest (Aviaire Influenza).
Artikel 8
Als besmettelijke dierziekten, bedoeld in artikel 15 van de wet, bij
gevoelige soorten van aquacultuurdieren worden aangewezen:
a. de exotische ziekten vermeld in bijlage IV, deel II van
richtlijn nr. 2006/88/EG voor de bijbehorende, in dezelfde bijlage
vermelde gevoelige soorten,
b. de niet-exotische ziekten vermeld in bijlage IV, deel II van
richtlijn nr. 2006/88/EG voor de bijbehorende, in dezelfde bijlage
vermelde gevoelige soorten;
c. OsHV-1µvar als bedoeld in verordening (EG) nr. 175/2010.
Artikel 9 [Vervallen per 01-08-2008]
§ 2. Verplichting tot kennisgeving door de dierenarts
Artikel 10
Als andere besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 100 van
de wet worden aangewezen:
a. salmonellose;
b. campylobacteriose;
c. listeriose;
d. toxoplasmose;
e. echinococcose;
f. yersiniose;
g. leptospirose ten gevolge van Leptospira hardjo;
h. zwoegerziekte.
Artikel 11
1.De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in artikel 100 van de
wet, van verschijnselen van BSE geldt in elk geval met betrekking tot
runderen ouder dan twintig maanden, die gedragsstoornissen of
neurologische symptomen vertonen en waarbij de ziekte op grond van een
reactie op een behandeling of op grond van een laboratoriumonderzoek
niet kan worden uitgesloten.
2.De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in artikel 100 van de
wet, van verschijnselen van scrapie geldt in elk geval met betrekking
tot schapen en geiten ouder dan twaalf maanden, die gedragsstoornissen
of neurologische symptomen vertonen en waarbij de ziekte op grond van
een reactie op een behandeling of op grond van een
laboratorium-onderzoek niet kan worden uitgesloten.
Artikel 11a
De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in de artikelen 19 en 100
van de wet, geldt in elk geval indien uit het onderzoek, bedoeld in
artikel 5.1.4 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten, de
aanwezigheid van de bacterie Coxiella burnetii, die Q-koorts
veroorzaakt, is aangetoond in de schapen- of geitenmelk die wordt
bewaard in een melkkoeltank.
§ 2a. Melding van ziekten
Artikel 11b
1.De personen, bedoeld in het tweede lid, doen onmiddellijk melding
aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet
van de volgende situaties:
a. een waterdier vertoont verschijnselen van een ziekte,
bedoeld in artikel 8;
b. er kan redelijkerwijs worden aangenomen dat een waterdier in
de gelegenheid is geweest om te worden besmet met een ziekte,
bedoeld in onderdeel a;
c. besmetting van een waterdier met een ziekte, bedoeld in
onderdeel a, en
d. een verhoogde sterfte onder aquacultuurdieren.
2.De personen, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. de eigenaar van het dier;
b. personen die het dier verzorgen;
c. personen die het dier tijdens vervoer begeleiden;
d. dierenartsen en andere bij diensten voor de gezondheid van
waterdieren werkzame personen;
e. officiële dierenartsen;
f. leidinggevend personeel van veterinaire of andere officiële
of particuliere laboratoria, en
g. andere personen die beroepshalve betrokken zijn bij
waterdieren van gevoelige soorten of de producten van dergelijke
dieren.
Artikel 11c
De verplichting, bedoeld in artikel 19, eerste lid, en de
verplichting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van misvormde nieuwgeboren herkauwers.
§ 3. Vrijstellingen
Artikel 12 [Vervallen per 13-04-2007]
Artikel 13
1.Aan de houder van een rund wordt ingeval een rund abortus
ondergaat vrijstelling verleend van de verplichting tot kennisgeving
van dit verschijnsel van brucellose, bedoeld in artikel 19 van de wet,
indien wordt voldaan aan het tweede en derde lid.
2.De houder stuurt binnen 7 dagen na de abortus een door een
dierenarts bij dat rund genomen bloedmonster aan een door de minister
van LNV aangewezen laboratorium ten behoeve van overeenkomstig bijlage
C bij richtlijn nr. 64/432/EEG uit te voeren serologisch onderzoek.
3.Zodra de houder ervan op de hoogte is gesteld dat de abortus
blijkens het in het tweede lid bedoelde onderzoek vermoedelijk aan
brucellose te wijten is, geeft de houder terstond kennis van dit
vermoeden aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de
wet.
4.Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de verplichting tot kennisgeving door de dierenarts,
bedoeld in artikel 100 van de wet, van brucellose bij een rund.
Artikel 13a
1. Vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving, bedoeld in
artikel 19 van de wet, van verschijnselen van Q-koorts, wordt verleend
aan:
a. de houder van een rund;
b. de houder van een eenhoevige, en
c. de houder van een varken.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
verplichting tot kennisgeving, bedoeld in artikel 100 van de wet, van
verschijnselen van Q-koorts door de dierenarts.
§ 4. De termijnen, bedoeld in de artikelen 3, laatste onderdeel oo,
en 5, eerste lid, laatste onderdeel mm, van het Besluit verdachte dieren
Artikel 14
De termijn, bedoeld in artikel 3, onderdeel hh, van het Besluit
verdachte dieren is bij TSE’s bij schapen en geiten 7 jaar.
Artikel 15
De termijn, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel ff, van het
Besluit verdachte dieren is bij TSE’s bij schapen en geiten 2 jaar.
Titel 2. Preventie van besmettelijke dierziekten
Hoofdstuk 1. Algemene voorschriften
Artikel 16
Het is verboden om in strijd te handelen met de bepalingen van deze
titel.
Artikel 17
1.Degene die ingevolge deze titel gegevens moet bijhouden of
vermelden op daartoe bestemde bescheiden, doet dit volledig, juist en
naar waarheid.
2.Het bijhouden of vermelden van de in het eerste lid bedoelde
gegevens geschiedt onverwijld nadat de gegevens bekend zijn bij degene
die zij ingevolge deze regeling moet bijhouden of vermelden.
Artikel 18
1.Indien een of meer evenhoevigen worden aangevoerd op een
verzamelcentrum dient het verzamelcentrum te zijn erkend ingevolge
artikel 21, eerste of vierde lid.
2.Indien een of meer evenhoevigen worden aangevoerd op een
slachthuis dient deze te beschikken over een reinigings- en
ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen die is erkend ingevolge
artikel 26, eerste lid.
3.In afwijking van het tweede lid mogen een of meer evenhoevigen
worden aangevoerd op een slachthuis met geringe capaciteit indien deze
beschikt over een voorziening met voldoende capaciteit in relatie tot
de werkzaamheden van het slachthuis, die zodanig is ingericht dat een
deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting van
vervoermiddelen kan plaatsvinden ongeacht het type vervoermiddel en
voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 9. De reiniging en
ontsmetting wordt overeenkomstig een door de minister goedgekeurd
protocol op zodanige wijze uitgevoerd dat de bioveiligheid niet in
gevaar komt.
4.De eigenaar of exploitant van een slachthuis met geringe
capaciteit als bedoeld in het derde lid, houdt een register bij met
daarin de gegevens, bedoeld in artikel 28, tweede lid en bewaart dit
overeenkomstig artikel 28, derde lid.
5.De eigenaar of exploitant van een slachthuis met geringe
capaciteit als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Regeling
preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en
zoönosen en TSE’s zoals deze luidde op het moment van
inwerkingtreding van deze regeling, dient uiterlijk binnen drie
maanden het protocol, bedoeld in het derde lid, ter goedkeuring in bij
de VWA en werkt uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van deze
regeling overeenkomstig het door de minister goedgekeurde protocol.
6.In afwijking van het tweede lid mogen een of meer evenhoevigen
worden aangevoerd op een slachthuis met geringe capaciteit die bij
inwerkingtreding van deze regeling over een vergunning beschikt die is
afgegeven op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Regeling
preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en
zoönosen en TSE’s deze zoals deze luidde op het moment van
inwerkingtreding van deze regeling.
Artikel 19
De eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van een
plaats of een bedrijf waar evenhoevigen worden aangevoerd, verleent alle
medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel
waarmee de evenhoevigen naar zijn plaats of bedrijf zijn vervoerd.
Artikel 20
1. Een plaats of bedrijf waar tien of meer evenhoevigen worden
gehouden dient te beschikken over een eenvoudige reinigings- en
ontsmettingsplaats die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 9.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een plaats of bedrijf
waar vanaf 1 januari 2010 geen evenhoevigen, niet zijnde varkens, zijn
aangevoerd.
Hoofdstuk 2. Erkenningen
§ 2.1. Verzamelcentra
Artikel 21
1.Een varkensverzamelcentrum of een runderverzamelcentrum kan door
de minister worden erkend indien:
a. het verzamelcentrum voldoet aan de eisen, genoemd in artikel
11, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn nr. 64/432/EEG;
b. het verzamelcentrum zodanig is gelegen, ontworpen en
geconstrueerd en op zodanige wijze wordt geëxploiteerd dat de
bioveiligheid groot genoeg is om te voorkomen dat er ernstige
besmettelijke dierziekten naar andere bedrijven of tussen
opeenvolgende partijen dieren die het verzamelcentrum passeren,
verspreid worden;
c. op het verzamelcentrum een of meer reinigings- en
ontsmettingsplaatsen die allen voldoen aan de eisen, genoemd in
artikel 26, aanwezig zijn om vervoermiddelen te reinigen en
ontsmetten.
2.Indien een runderverzamelcentrum bestaat uit meer
epidemiologische bedrijfseenheden, voldoen al deze eenheden aan
artikel 1, onderdeel u, en wordt het aantal eenheden vermeld in de
erkenning.
3.Indien het varkensverzamelcentrum subsidie heeft ontvangen op
grond van de Subsidieregeling sanering verzamelcentra varkens wordt
het verzamelcentrum niet erkend.
4.Een schapen- en geitenverzamelcentrum wordt door de minister
erkend indien:
a. het verzamelcentrum voldoet aan de eisen, genoemd in artikel
8bis, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn nr. 91/68/EEG;
b. het verzamelcentrum zodanig is gelegen, ontworpen en
geconstrueerd en op zodanige wijze wordt geëxploiteerd dat de
bioveiligheid groot genoeg is om te voorkomen dat er ernstige
besmettelijke dierziekten naar andere bedrijven of tussen
opeenvolgende partijen dieren die het verzamelcentrum passeren,
verspreid worden;
c. op het verzamelcentrum een of meer reinigings- en
ontsmettingsplaatsen die allen voldoen aan de eisen, genoemd in
artikel 26, aanwezig zijn om vervoermiddelen te reinigen en
ontsmetten.
5.Bij de verlening van de erkenning, bedoeld in het eerste en
vierde lid, kan door de minister rekening gehouden worden met de
antecedenten van de eigenaar of exploitant van het verzamelcentrum met
betrekking de voorschriften, genoemd in artikel 23 of 24.
6.De wijze waarop een verzamelcentrum wordt geëxploiteerd, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel b, en de
wijze van reiniging en ontsmetting worden vastgelegd in een protocol
dat door de minister wordt goedgekeurd.
Artikel 22
1.Een aanvraag om een erkenning als bedoeld in artikel 21, eerste
en vierde lid, wordt ingediend bij de VWA.
2.De aanvraag gaat vergezeld van een protocol als bedoeld in
artikel 21, zesde lid.
3.Indien een runderverzamelcentrum bestaat uit meer
epidemiologische bedrijfseenheden, wordt op de aanvraag het aantal
eenheden vermeld.
Artikel 23
1.Een verzamelcentrum dat is erkend ingevolge artikel 21, eerste
lid:
a. voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 11, eerste lid,
onderdelen c en e, van richtlijn nr. 64/432/EEG;
b. voldoet aan de artikelen 9 en 17 van verordening (EG) nr.
1/2005, de artikelen 36 en 37 van de wet en de artikelen 3 en 4
van het Besluit welzijn productiedieren;
c. wordt geëxploiteerd conform het door de minister
goedgekeurde protocol;
d. verleent de toezichthouder de medewerking die nodig is voor
de uitoefening van zijn taken;
e. voldoet aan:
– de artikelen 36, 37, 38, 41 en 42, voor zover het een
varkensverzamelcentrum betreft;
– de artikelen 36, 37, 38, 41 en 43 tot en met 46, voor
zover het een runderverzamelcentrum betreft;
– de artikelen 30, eerste lid, 31, 32 en 39 van de
Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover
het een varkensverzamelcentrum betreft;
– de artikelen 19 en 20, eerste lid, 21 en 39 van de
Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover
het een runderverzamelcentrum betreft.
2.De eigenaar of exploitant van een verzamelcentrum dat is erkend
ingevolge artikel 21, houdt een voor de toezichthouder toegankelijk
register bij met daarin de gegevens, bedoeld in artikel 11, tweede
lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG, en de gegevens, bedoeld in artikel
28, tweede lid.
3.Het register, bedoeld in het tweede lid, wordt minimaal drie
jaren bewaard.
Artikel 24
1. Een verzamelcentrum dat is erkend ingevolge artikel 21, vierde
lid:
a. voldoet aan de eisen genoemd in artikel 8bis, eerste lid,
onderdeel c en e, van richtlijn nr. 91/68/EEG;
b. voldoet aan de artikelen 9 en 17 van verordening (EG) nr.
1/2005, de artikelen 36 en 37 van de wet en de artikelen 3 en 4
van het Besluit welzijn productiedieren;
c. wordt geëxploiteerd conform het door de minister
goedgekeurde protocol;
d. verleent de toezichthouder de medewerking die nodig is voor
de uitoefening van zijn taken;
e. voldoet aan:
– de artikelen 36, 37, 38, 41 en 47;
– de artikelen 38b, 38d, 39 en 44c, vijfde lid, van de
Regeling identificatie en registratie van dieren.
2. De eigenaar of exploitant van een verzamelcentrum dat is erkend
ingevolge artikel 21, vierde lid, houdt een voor de toezichthouder
toegankelijk register bij met daarin de gegevens, bedoeld in artikel
8bis, tweede lid, van richtlijn nr. 91/68/EEG, en de gegevens, bedoeld
in artikel 28, tweede lid.
3. Het register, bedoeld in het tweede lid, wordt minimaal drie
jaren bewaard.
Artikel 25
1.Indien een verzamelcentrum niet of niet meer aan de eisen,
bedoeld in artikel 21, eerste tot en met vierde en zesde lid, voldoet,
of niet aan de verplichtingen opgenomen in artikel 23, respectievelijk
24 voldoet, kan de minister:
a. nadere voorschriften verbinden aan de erkenning;
b. de erkenning met onmiddellijke ingang schorsen of intrekken.
2.De minister kan de nadere voorschriften intrekken of een
schorsing beëindigen indien ten genoegen van de minister is
aangetoond dat het verzamelcentrum volledig aan alle eisen voldoet.
3.De minister kan bepalen dat aan een verzamelcentrum voor een
bepaalde periode volgend op de intrekking van een erkenning, geen
nieuwe erkenning wordt verleend.
§ 2.2. Reinigings- en ontsmettingsplaats
Artikel 26
1.Erkenning van een reinigings- en ontsmettingsplaats door de
minister vindt plaats, indien:
a. de plaats zodanig is ingericht en wordt geëxploiteerd dat een
deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting van
vervoermiddelen kan plaatsvinden ongeacht het type vervoermiddel en
onder alle klimatologische omstandigheden. De reiniging en ontsmetting
wordt zodanig uitgevoerd dat de bioveiligheid niet in gevaar komt.
2.De wijze van exploitatie en van reiniging en ontsmetting wordt
vastgelegd in een protocol dat moet worden goedgekeurd door de
minister.
3.Een reinigings- en ontsmettingsplaats die onderdeel uitmaakt van
een ingevolge artikel 21, eerste of vierde lid, erkende
verzamelplaats, wordt beschouwd als een ingevolge het eerste lid
erkende reinigings- en ontsmettingsplaats.
Artikel 27
1.De aanvraag om een erkenning als bedoeld in artikel 26, eerste
lid, wordt schriftelijk ingediend bij de VWA.
2.De aanvraag gaat vergezeld van het protocol, bedoeld in artikel
26, tweede lid.
3.De minister houdt een register bij van erkende reinigings- en
ontsmettingsplaatsen dat ter inzage ligt bij de VWA.
Artikel 28
1.De eigenaar of exploitant van een ingevolge artikel 26 erkende
reinigings- en ontsmettingsplaats:
a. draagt er zorg voor dat de exploitatie en de reiniging en
ontsmetting van de vervoermiddelen geschiedt overeenkomstig het
door de minister goedgekeurde protocol;
b. draagt er zorg voor dat elke reiniging en ontsmetting
plaatsvindt onder zijn toezicht of onder toezicht van een
vertegenwoordiger van de eigenaar of exploitant;
c. voorziet het register van de vervoerder, bedoeld in artikel
32, van een stempel en handtekening. Indien de reiniging en
ontsmetting onder toezicht van een vertegenwoordiger wordt
uitgevoerd als bedoeld in onderdeel b, voorziet deze het register
van een stempel en een handtekening.
2.De eigenaar of exploitant van een reinigings- en
ontsmettingsplaats die is erkend ingevolge artikel 26, eerste lid,
houdt een register bij waarin ten aanzien van elke reiniging en
ontsmetting van een vervoermiddel wordt vermeld:
a. de datum en het tijdstip waarop de reiniging en ontsmetting
heeft plaatsgevonden;
b. het kenteken van het desbetreffende vervoermiddel en bij
gebreke daarvan de naam, het adres en de woonplaats van de
vervoerder.
3.De eigenaar of exploitant van een reinigings- en
ontsmettingsplaats bewaart de gegevens die zijn opgenomen in het
register, bedoeld in het tweede lid, gedurende drie jaren.
Artikel 29
1.Indien een reinigings- en ontsmettingsplaats niet of niet meer
aan de eisen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, voldoet, of niet aan
de verplichtingen opgenomen in artikel 28 voldoet, kan de minister de
erkenning met onmiddellijke ingang schorsen of intrekken.
2.De minister kan een schorsing beëindigen indien ten genoegen van
de minister is aangetoond dat de reinigings- en ontsmettingsplaats
volledig aan alle eisen voldoet.
Hoofdstuk 3. Voorschriften voor het vervoeren van evenhoevigen
§ 3.1. Algemeen
Artikel 30
1.Het is verboden om een ongeladen vervoermiddel waarmee een of
meer evenhoevigen zijn vervoerd, op de openbare weg te brengen, dan
wel op een plaats of bedrijf waar evenhoevigen worden gehouden, op een
slachthuis of op een verzamelcentrum voor evenhoevigen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het vervoermiddel is
gereinigd en ontsmet overeenkomstig de artikelen 31, 34 of 35.
3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op
het vervoer, bedoeld in artikel 31, tweede tot en met vierde lid.
Artikel 31
1.De vervoerder is verplicht een vervoerseenheid, met inbegrip van
de daarbij behorende voorwerpen, waarmee een of meer evenhoevigen zijn
vervoerd terstond na de lossing, in ieder geval voordat de
vervoerseenheid op de openbare weg wordt gebracht, op de plaats van
lossing te reinigen en te ontsmetten met een toegelaten
ontsmettingsmiddel op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in
gevaar komt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van
evenhoevigen, niet zijnde varkens, die rechtstreeks van de stal of de
weide naar een andere weide van hetzelfde bedrijf worden vervoerd met
een vervoermiddel, voor zover het vervoermiddel zo spoedig mogelijk na
dit vervoer wordt gereinigd en ontsmet.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van
evenhoevigen, niet zijnde varkens, die rechtstreeks van een bedrijf
naar een weide van ander bedrijf worden vervoerd met een
vervoermiddel, voor zover het vervoermiddel zo spoedig mogelijk na dit
vervoer wordt gereinigd en ontsmet.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van een
vervoermiddel over de openbare weg vanaf een slachtplaats met geringe
capaciteit, waarvan de eigenaar of exploitant beschikt over een
vergunning als bedoeld in artikel 18, zesde lid, indien het
vervoermiddel direct na lossing op de slachtplaats rechtstreeks, langs
de kortste weg naar de in de vergunning aangewezen reinings- en
ontsmettingsplaats rijdt om aldaar gereinigd en ontsmet te worden.
Artikel 32
1.De vervoerder van een vervoermiddel waarmee evenhoevigen worden
vervoerd, houdt een register bij met daarin de volgende gegevens:
a. een aantekening van de datum en het tijdstip van elke
reiniging en ontsmetting die heeft plaatsgevonden ingevolge de
artikelen 31, 34 of 35;
b. voor zover de reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden
op een erkende reinigings- en ontsmettingsplaats als bedoeld in
artikel 26, is de aantekening, bedoeld in onderdeel a, voorzien
van het stempel van de eigenaar of exploitant van de plaats,
alsmede van een de handtekening van de eigenaar of exploitant of
zijn vertegenwoordiger;
c. in het geval het vervoer van runderen of varkens betreft, de
gegevens, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van richtlijn nr.
64/432/EEG;
d. in het geval het vervoer van schapen of geiten betreft de
gegevens, bedoeld in artikel 8 quater, tweede lid, van richtlijn
nr. 91/68/EEG.
2.Uit het register, bedoeld in het eerste lid, blijkt op welk
vervoermiddel het register betrekking heeft.
3.De vervoerder draagt er zorg voor dat de gegevens met betrekking
tot de reiniging en ontsmetting die laatstelijk heeft plaatsgevonden
op het desbetreffende vervoermiddel aanwezig zijn.
4.De vervoerder bewaart de gegevens die zijn opgenomen in het
register, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie jaren.
Artikel 33
1.Een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen worden
vervoerd, wordt na aankomst op de plaats van bestemming geheel gelost.
2.Indien een vervoermiddel bestaat uit twee of meer
vervoerseenheden, mogen de vervoerseenheden in afwijking van het
eerste lid op verschillende plaatsen worden gelost, mits iedere
vervoerseenheid in één keer geheel wordt gelost.
3.In afwijking van het eerste en tweede lid, mag een
vervoersmiddel, onderscheidenlijk een vervoerseenheid op twee
verschillende plaatsen worden gelost, indien de vervoerder deelneemt
aan een ingevolge artikel 56 erkend kwaliteitssysteem.
4.Het tweede lid is niet van toepassing op varkens, voor zover het
gaat om het lossen op een varkenshouderijbedrijf.
§ 3.2. Veewagens afkomstig uit het buitenland
Artikel 34
1.Een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen in Nederland
worden gebracht, afkomstig uit een lidstaat of een derde land, en dat
wordt gelost op een plaats die niet beschikt over een ingevolge
artikel 26, eerste lid, erkende reinigings- en ontsmettingsplaats,
wordt na reiniging en ontsmetting als bedoeld in artikel 31, eerste
lid, onmiddellijk vervoerd naar een ingevolge artikel 26, eerste lid,
erkende reinigings- en ontsmettingsplaats, om aldaar te worden
gereinigd en ontsmet.
2.Indien het vervoermiddel, bedoeld in het eerste lid, afkomstig is
vanuit een lidstaat waar een uitbraak van een besmettelijke dierziekte
als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, b, c, d, l, s, t, u, v, x, y,
z, is bevestigd, overlegt de vervoerder binnen 24 uur na binnenkomst
in Nederland aan de VWA een bewijs van de reiniging en ontsmetting
waaruit in ieder geval blijkt welk lokaal referentienummer en voor
zover van toepassing welk referentienummer van het certificaat,
bedoeld in verordening (EG) nr. 599/2004, het meest recentelijk voor
het desbetreffende vervoermiddel is afgegeven.
Artikel 35
Een vervoermiddel dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van
evenhoevigen in derde landen, alsmede in lidstaten waar een uitbraak van
een besmettelijke dierziekte als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, b,
c, d, l, s, t, u, v, x, y, z, is bevestigd, en vanuit deze derde landen
of lidstaten, anders dan in doorvoer leeg in Nederland wordt gebracht,
wordt onmiddellijk gereinigd en ontsmet op een ingevolge artikel 26,
eerste lid, erkende reiniging- en ontsmettingsplaats voor
vervoermiddelen. De vervoerder overlegt binnen 24 uur na binnenkomst in
Nederland aan de VWA een bewijs van de reiniging en ontsmetting waaruit
in ieder geval blijkt welk lokaal referentienummer en voor zover van
toepassing welk referentienummer van het certificaat, bedoeld in
verordening (EG) nr. 599/2004, het meest recentelijk voor het
desbetreffende vervoermiddel is afgegeven.
Hoofdstuk 4. Voorschriften voor het bijeenbrengen van evenhoevigen
§ 4.1. Bijeenbrengen van evenhoevigen
Artikel 36
1.Het is verboden evenhoevigen afkomstig van verschillende plaatsen
bijeen te brengen.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien het bijeenbrengen betreft van diersoorten en diercategorieën
genoemd in de artikelen 37 tot en met 52 en deze dieren worden
aangevoerd, vervoerd en afgevoerd overeenkomstig die artikelen en
wordt voldaan aan de verplichtingen opgenomen in die artikelen.
3.Het is verboden evenhoevigen aan te voeren die in strijd met de
in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen zijn bijeengebracht, afgevoerd
of vervoerd.
Artikel 37
1.Evenhoevigen afkomstig van verschillende plaatsen mogen bijeen
worden gebracht op:
a. een vervoerseenheid of vervoermiddel;
b. een slachthuis;
c. een bedrijf of elke andere plaats, niet zijnde een plaats
als bedoeld in de onderdelen b, d of e;
d. een ingevolge artikel 21 voor de desbetreffende diersoort
erkend verzamelcentrum, of
e. een tentoonstelling of een keuring.
2.Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op varkens,
niet zijnde slachtvarkens.
3.Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op runderen,
niet zijnde fokrunderen, slachtrunderen of runderen jonger dan 12
maanden en op schapen en geiten, niet zijnde slachtschapen of
slachtgeiten.
4.Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op varkens,
niet zijnde slachtvarkens.
5.Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op varkens.
Artikel 38
1.Op een verzamelcentrum worden niet tegelijkertijd verschillende
diersoorten, diercategorieën of evenhoevigen met een verschillende
gezondheidsstatus bijeen gebracht.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op slachtschapen en
slachtgeiten met dezelfde gezondheidsstatus.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd
bijeenbrengen op een runderverzamelcentrum van fokrunderen met een
verschillende gezondheidsstatus, mits de fokrunderen met een
verschillende gezondheidsstatus in afzonderlijke epidemiologische
eenheden afgescheiden van elkaar worden gehouden.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd
bijeenbrengen op een runderverzamelcentrum van fokrunderen met een
verschillende gezondheidsstatus en runderen, jonger dan 12 weken, mits
de fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus en de runderen,
jonger dan 12 weken, in afzonderlijke epidemiologische eenheden
afgescheiden van elkaar worden gehouden en er gedurende de blokperiode
van de laatstgenoemde dieren geen fokrunderen worden aan- of
afgevoerd.
5.Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd
bijeenbrengen van runderen, schapen en geiten op een tentoonstelling
of een keuring, mits deze zodanig is ingericht dat de verschillende
diersoorten niet met elkaar in contact kunnen komen.
§ 4.2. Bijeenbrengen van evenhoevigen op een slachthuis
Artikel 39
1.Indien evenhoevigen bijeen worden gebracht op een slachthuis,
worden de evenhoevigen niet van het slachthuis afgevoerd.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien een besluit is
genomen als bedoeld in bijlage I, sectie II, Hoofdstuk III, onderdeel
8, van verordening (EG) nr. 854/2004.
§ 4.3. Bijeenbrengen van evenhoevigen op een bedrijf of plaats
Artikel 40
1.Indien evenhoevigen, met uitzondering van varkens, bijeen worden
gebracht op een bedrijf of plaats, als bedoeld in artikel 37, eerste
lid, onderdeel c, verblijven die evenhoevigen ten minste 21 dagen op
het bedrijf of de plaats alvorens zij worden afgevoerd.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op evenhoevigen die na
afloop van een tentoonstelling of keuring worden aangevoerd op een
bedrijf of plaats en weer van dat bedrijf of die plaats worden
afgevoerd ten behoeve van een tentoonstelling of keuring.
§ 4.4. Bijeenbrengen van evenhoevigen op een erkend verzamelcentrum
§ 4.4.1. Algemeen
Artikel 41
De aanbieder meldt de aanvang en het einde van een blokperiode
uiterlijk om 7.00 uur op de werkdag voorafgaande aan de blokperiode aan
de VWA.
§ 4.4.2. Varkens
Artikel 42
Varkens worden van een ingevolge artikel 21 erkend
varkensverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar:
a. een in Nederland gelegen slachthuis;
b. ingeval de varkens fok- en gebruiksvarkens zijn en afkomstig
zijn uit een andere lidstaat, naar een in Nederland gelegen bedrijf;
c. naar een of meer bestemmingen buiten Nederland onder de
volgende voorwaarden,
ingeval de varkens afkomstig zijn:
– uit Nederland gaan deze vergezeld van een of meer
bewijsstukken als bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet;
– uit een lidstaat gaan deze vergezeld van de
gezondheidscertificaten, bedoeld in artikel 5, eerste en vijfde
lid, van richtlijn nr. 64/432/EEG.
§ 4.4.3. Runderen
Artikel 43
1.Fokrunderen worden van een ingevolge artikel 21 erkend
runderverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar één of meer niet
in Nederland gelegen bedrijven.
2.In afwijking van het eerste lid, worden de runderen, indien aan
het einde van een blokperiode de fokrunderen niet zijn afgevoerd, na
voorafgaande kennisgeving aan de VWA met gebruikmaking van een daartoe
ter beschikking gesteld formulier:
a. door de aanbieder rechtstreeks afgevoerd naar een
slachthuis;
b. op het verzamelcentrum voor een periode van 21 dagen in een
epidemiologische bedrijfseenheid gescheiden gehouden van andere
fokrunderen waarna de fokrunderen rechtstreeks worden vervoerd
naar een in Nederland gelegen bedrijf.
3.De periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vangt aan
nadat het laatste fokrund aan de epidemiologische eenheid is
toegevoegd.
Artikel 44
1.Slachtrunderen worden van een ingevolge artikel 21 erkend
runderverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar een, al dan niet in
Nederland gelegen slachthuis.
2.In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om
slachtrunderen, alvorens deze worden afgevoerd naar het slachthuis, te
vervoeren van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum
naar een ander ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum,
indien de betrokken vervoerder alsmede de betrokken eigenaren of
exploitanten van de runderverzamelcentra deelnemen aan een ingevolge
artikel 56 erkend kwaliteitssysteem.
3.Indien op het andere runderverzamelcentrum, bedoeld in het tweede
lid, slachtrunderen afkomstig van meer verzamelcentra of andere
plaatsen tegelijkertijd in een blokperiode worden bijeen gebracht,
worden alle in die blokperiode bijeengebrachte slachtrunderen
afgevoerd naar een slachthuis.
Artikel 45
1.Runderen, jonger dan 12 maanden, worden van een ingevolge artikel
21 erkend verzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar:
a. één of meer niet in Nederland gelegen bedrijven;
b. een in Nederland gelegen mesterij, onder de voorwaarde dat
deze mesterij uitsluitend:
1. runderen rechtstreeks afvoert naar een slachthuis, of
2. runderen afvoert naar een andere in Nederland gelegen
mesterij, die uitsluitend runderen houdt bestemd voor de
afvoer naar de slacht;
2.Indien runderen, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de
blokperiode kunnen worden afgevoerd naar een bestemming genoemd in het
eerste lid, onderdelen a of b, worden de runderen rechtstreeks
afgevoerd naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis.
3.De runderen, bedoeld in het eerste lid, die zijn aangevoerd op
een mesterij als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°,
worden vanaf die mesterij uitsluitend rechtstreeks naar een al dan
niet in Nederland gelegen slachthuis afgevoerd.
4.In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om runderen,
jonger dan 12 weken, alvorens deze worden afgevoerd naar de
bestemmingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, te
vervoeren van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum
naar een ander ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum
indien de betrokken vervoerder alsmede de betrokken eigenaar of
exploitant van het runderverzamelcentrum deelnemen aan een ingevolge
artikel 56 erkend kwaliteitssysteem.
Artikel 46
1.Weiderunderen worden van een ingevolge artikel 21 erkend
runderverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar een al dan niet in
Nederland gelegen slachthuis.
2.In afwijking van het eerste lid, mogen weiderunderen van een
ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum, worden afgevoerd
naar een in Nederland gelegen vetweiderijbedrijf dat uitsluitend
runderen rechtstreeks afvoert naar een al dan niet in Nederland
gelegen slachthuis indien de betrokken vervoerder, de eigenaar of
exploitant van het verzamelcentrum en de eigenaar of exploitant van
het vetweiderijbedrijf deelnemen aan een ingevolge artikel 56 erkend
kwaliteitssysteem.
3.Weiderunderen worden van een vetweiderijbedrijf rechtstreeks
afgevoerd naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis.
§ 4.4.4. Schapen en geiten
Artikel 47
1.Slachtschapen of slachtgeiten worden van een ingevolge artikel 21
erkend schapen- en geitenverzamelcentrum afgevoerd naar een al dan
niet in Nederland gelegen slachthuis.
2.In afwijking van het eerst lid is het toegestaan om slachtschapen
en slachtgeiten, alvorens deze worden afgevoerd naar het slachthuis,
te vervoeren van een ingevolge artikel 21 erkend schapen- en
geitenverzamelcentrum naar een ander erkend schapen- en
geitenverzamelcentrum, indien de betrokken vervoerder alsmede de
betrokken eigenaren of exploitanten van de schapen- en
geitenverzamelcentra deelnemen aan een ingevolge artikel 56 erkend
kwaliteitssysteem.
3.In geval van afvoer als bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan
aan artikel 4 quater, derde lid, onderdeel a, van richtlijn nr. 91/68/EEG.
4.Indien op het schapen- en geitenverzamelcentrum, bedoeld in het
tweede lid, schapen of geiten afkomstig van meer verzamelcentra of
andere plaatsen tegelijkertijd in een blokperiode worden bijeen
gebracht, worden alle in die blokperiode bijeengebrachte schapen en
geiten afgevoerd overeenkomstig de voorwaarden genoemd in het derde
lid.
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-2010]
§ 4.5. Bijeenbrengen van evenhoevigen, met uitzondering van varkens,
op tentoonstellingen en keuringen
Artikel 49
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. organisator: organisator van een tentoonstelling of keuring;
b. plaats: plaats waar tentoonstelling of keuring wordt gehouden;
c. schapen of geiten: schapen of geiten, die individueel
geregistreerd staan bij het Individuele Dier Registratiesysteem van
de Gezondheidsdienst voor Dieren.
Artikel 50
1.De organisator stelt ten minste 30 dagen voorafgaand aan de datum
waarop de tentoonstelling of keuring zal plaatsvinden de VWA
schriftelijk in kennis van naam, adres en telefoonnummer van de
organisator van de tentoonstelling of keuring, de datum en plaats,
alsmede het UBN van de plaats, en het aantal runderen, schapen of
geiten dat wordt tentoongesteld of gekeurd.
2.De houder of eigenaar van de tentoon te stellen of te keuren
runderen, schapen of geiten laat deze binnen vijf dagen voorafgaand
aan de tentoonstelling of keuring door een dierenarts klinisch
onderzoeken.
3.Van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt door de
dierenarts en de houder of eigenaar van de runderen, schapen of geiten
een verklaring opgesteld volgens het model in bijlage 8.
4.De organisator stelt voor aanvang van de tentoonstelling of
keuring zeker dat de schapen of geiten individueel geregistreerd staan
bij de Gezondheidsdienst voor Dieren en laat runderen, schapen of
geiten toe tot de plaats indien zij vergezeld gaan van de door de
dierenarts en de houder of eigenaar ondertekende verklaring, bedoeld
in het derde lid.
5.De tentoon te stellen of te keuren runderen, schapen of geiten
worden uitsluitend op de plaats aangevoerd en van de plaats afgevoerd
met vervoermiddelen waarvoor krachtens de Wegenverkeerswet 1994 een
kentekenbewijs of registratiebewijs is afgegeven.
6.Runderen, schapen of geiten worden zo spoedig mogelijk na afloop
van de tentoonstelling of keuring rechtstreeks vervoerd naar:
a. een in Nederland gelegen slachthuis, of
b. het bedrijf van herkomst.
Artikel 51
1.Eenieder, die het deel van de plaats, waar runderen, schapen of
geiten verblijven, betreedt of verlaat, ontsmet zijn schoeisel door
middel van voorzieningen, die duidelijk zichtbaar aanwezig zijn bij
elke in- en uitgang van voornoemd deel van de plaats.
2.Op de plaats zijn voor de reiniging en ontsmetting van
vervoermiddelen, waarmee evenhoevigen worden vervoerd, één of meer
installaties aanwezig die water leveren van voldoende druk voor een
deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting.
3.Artikel 31, eerste lid, is niet van toepassing bij het uitladen
van evenhoevigen op een plaats, onder de voorwaarde dat het
vervoermiddel na het uitladen op de plaats aanwezig blijft en met
dezelfde evenhoevigen wordt geladen.
4.Voordat een vervoermiddel, dat geladen is met runderen, schapen
of geiten, de plaats verlaat, reinigt en ontsmet de bestuurder de
wielen en wielkasten van dat vervoermiddel met een toegelaten
ontsmettingsmiddel op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in
gevaar komt.
Artikel 52
1. De organisator houdt een administratie bij overeenkomstig de
artikelen 19, 38b en 38d, derde, zesde en zevende lid van de Regeling
identificatie en registratie van dieren en van de originele
gezondheidsverklaringen, bedoeld in artikel 50, derde lid, en de
kentekens van de vervoermiddelen waarmee runderen zijn aan- en
afgevoerd.
2. De organisator bewaart de administratie, bedoeld in het eerste
lid, tot ten minste drie maanden na afloop van de tentoonstelling of
keuring.
3. De organisator houdt de administratie zodanig bij dat de
ambtenaren als bedoeld in artikel 114 van de wet op basis hiervan alle
aan- en afgevoerde dieren en de gebruikte vervoermiddelen eenvoudig
kunnen traceren.
Hoofdstuk 5. Bijeenbrengen van pluimvee, loopvogels en postduiven
Artikel 53
1.Markten waarop pluimvee, loopvogels of postduiven worden
verhandeld zijn verboden.
2.Het tijdelijk verzamelen op één plaats van pluimvee, loopvogels
of postduiven die afkomstig zijn van verschillende plaatsen en
vervolgens naar verschillende plaatsen, niet zijnde slachterijen,
worden afgevoerd, is verboden.
3.Het organiseren van wedvluchten met postduiven is verboden.
Artikel 54
1.De verboden, bedoeld in artikel 53, tweede en derde lid, zijn
niet van toepassing op een keuring of tentoonstelling van
sierpluimvee, loopvogels of postduiven of op een wedvlucht van
postduiven indien wordt voldaan aan het tweede of derde lid.
2.Op de tentoonstelling of keuring worden slechts pluimvee,
loopvogels of postduiven toegelaten en tot de wedvlucht worden slechts
postduiven toegelaten, die vergezeld gaan van een op hen betrekking
hebbende, volledig ingevulde en ondertekende verklaring van enting
tegen Newcastle Disease.
3.Uit de in het tweede lid bedoelde verklaring, waarvan het model
als bijlage 6 en bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd, blijkt dat:
a. de hoenderachtigen en loopvogels van de desbetreffende
houder, voorzover de dieren ouder zijn dan 30 dagen, ten minste
twee weken en ten hoogste vijf maanden voor het begin van de
tentoonstelling of de keuring op de in bijlage 6 omschreven wijze
zijn geënt tegen Newcastle Disease;
b. de postduiven van de betreffende houder ten minste twee
weken voor het begin van de tentoonstelling, keuring of wedvlucht
op de in bijlage 7 omschreven wijze zijn geënt tegen Newcastle
Disease overeenkomstig de bij de registratie van de entstof
gegeven voorschriften betreffende het entschema en de dosering.
Artikel 55
1.Onverminderd de artikelen 53 en 54 is het tijdelijk op één
plaats bijeenbrengen van pluimvee, loopvogels of postduiven afkomstig
van verschillende plaatsen toegestaan, indien is voldaan aan het
tweede of derde lid.
2.Degene, die voornemens is pluimvee, loopvogels of postduiven
afkomstig van verschillende plaatsen tijdelijk op één plaats te
bijeen te brengen, is gehouden:
a. van dit voornemen ten minste acht dagen van tevoren kennis
te gegeven aan de VWA;
b. de dieren, alvorens deze toe te laten, bij de plaats van
aanvoer op zijn kosten te laten onderzoeken door één of meer
dierenartsen.
3.In afwijking van het tweede lid is degene die voornemens is
postduiven voor een wedvlucht bijeen te brengen gehouden van dit
voornemen jaarlijks een overzicht aan de VWA te doen toekomen. De
minister kan besluiten de postduiven, alvorens deze bij de wedvlucht
worden toegelaten, bij de plaats van aanvoer te laten onderzoeken door
één of meer dierenartsen, op kosten van degene die de postduiven
voor de wedvlucht heeft bijeengebracht.
Hoofdstuk 6. Kwaliteitssystemen preventie
Artikel 56
Een kwaliteitssysteem kan door de minister worden erkend indien door
een rechtspersoon als bedoeld in artikel 59, eerste lid, wordt
aangetoond dat:
a. het beheer en de inrichting in handen is van een rechtspersoon
die voldoet aan de voorschriften, bedoeld in de artikelen 59 en 62;
b. voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in de artikelen 60
en 61;
c. voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in artikel 63.
Artikel 57
1.De erkenning van een kwaliteitssysteem geschiedt op aanvraag van
de in artikel 59, eerste lid, bedoelde rechtspersoon.
2.De aanvraag wordt schriftelijk bij de VWA ingediend.
3.Op de aanvraag wordt binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag
een besluit genomen.
4.Bij de aanvraag worden in elk geval de volgende gegevens
verstrekt:
a. de naam en het adres van de rechtspersoon;
b. de naam en het adres van de in artikel 60, vierde lid,
bedoelde instanties;
c. een opgave van de namen en adressen van de deelnemende
personen, rechtspersonen en samenwerkingsverbanden;
d. een overzicht van:
1. de wijze waarop de controles, bedoeld in artikel 60,
eerste lid, worden uitgevoerd;
2. de wijze waarop en welke sancties, bedoeld in artikel
61, eerste lid, worden opgelegd;
3. de wijze waarop de geïnde boetes, bedoeld in artikel
61, tweede lid, onderdeel a, zullen worden besteed;
4. de wijze waarop wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in
artikel 63.
Artikel 58
1.Indien een kwaliteitssysteem niet meer aan de eisen, bedoeld in
artikel 56, voldoet kan de minister:
a. nadere voorwaarden verbinden aan de erkenning;
b. de erkenning met onmiddellijke ingang schorsen of intrekken.
2.De minister kan de nadere voorwaarden opheffen of een schorsing
beëindigen indien ten genoegen van de minister is aangetoond dat het
kwaliteitssysteem weer volledig aan alle eisen voldoet.
Artikel 59
1.Een kwaliteitssysteem wordt opgesteld en beheerd door een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:3 van het Burgerlijk Wetboek.
2.De wijze van de inrichting en het beheer en alle overige
werkprocessen van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon zijn
overzichtelijk, duidelijk en volledig beschreven in één of meer
schriftelijke stukken.
3.De inrichting en het beheer van het kwaliteitssysteem voldoen aan
de criteria van ISO 9001 zoals die zijn gedeponeerd bij het Nederlands
Normalisatie-instituut te Delft.
Artikel 60
1.De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, verplicht de
deelnemers om de eisen, bedoeld in artikel 63, en de daarop gebaseerde
inhoudelijke normen, na te leven.
2.De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, voorziet in
een doeltreffend systeem van controle op de naleving van de in het
kwaliteitssysteem vastgelegde verplichtingen.
3.Het controlesysteem zal in elk geval bestaan uit adequate
controles op de eisen, bedoeld in artikel 63, en de daarop gebaseerde
inhoudelijke normen van het kwaliteitssysteem.
4.De controles worden uitgevoerd door één of meer onafhankelijke,
deskundige instanties.
5.Een instantie als bedoeld in het vierde lid, is geaccrediteerd
door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of door een gelijkwaardige
buitenlandse instantie is verklaard dat de instantie voldoet aan de
relevante criteria van ISO 17021 zoals die zijn gedeponeerd bij het
Nederlands Normalisatie-instituut te Delft.
Artikel 61
1.De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, voorziet in
een doeltreffend systeem van oplegging van sancties bij niet-naleving
van de eisen, bedoeld in artikel 63.
2.De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, voorziet er in elk geval
in dat de mogelijkheid bestaat om bij niet-naleving de volgende
sancties op te leggen:
a. oplegging van een boete;
b. schorsing of uitsluiting van deelname het kwaliteitssysteem.
3.Gedurende de schorsing, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
zijn de afwijkende voorschriften, bedoeld in artikel 33, derde lid,
44, tweede lid, 45, vierde lid, artikel 46, tweede lid, en 47, tweede
lid, niet van toepassing op de desbetreffende deelnemer.
Artikel 62
1. De instantie, bedoeld in artikel 60, vierde lid, verstrekt
maandelijks een overzicht van de uitgevoerde controles als bedoeld in
artikel 60, eerste lid, voor zover deze betrekking hebben op de eisen,
bedoeld in artikel 63, aan de minister.
2. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, verstrekt
maandelijks een overzicht van de opgelegde sancties, bedoeld in
artikel 61, eerste lid, voor zover deze betrekking hebben op de eisen,
bedoeld in artikel 63, waaronder de aanleiding en aard van de sanctie,
aan de minister.
3. Indien als gevolg van een beëindiging van de deelname aan een
kwaliteitssysteem met wederzijds goedvinden een deelnemer niet langer
deelneemt aan dat kwaliteitssysteem, maakt de rechtspersoon, bedoeld
in artikel 59, eerste lid, daarvan onverwijld melding aan de minister.
4. Indien als gevolg van een sanctie als bedoeld in artikel 61,
eerste lid, een deelnemer is geschorst of uitgesloten van deelname aan
een kwaliteitssysteem, maakt de rechtspersoon, bedoeld in artikel 59,
eerste lid, daarvan onverwijld melding aan de minister.
5. Het kwaliteitssysteem dient te beschikken over een
geautomatiseerd systeem waarmee de minister op ieder moment inzage kan
hebben in de deelnemers aan de kwaliteitssysteem.
6. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 59, eerste lid, geeft
wijzigingen van de gegevens, bedoeld in artikel 57, vierde lid,
onverwijld door aan de minister.
Artikel 63
1.Het doel van een kwaliteitssysteem is:
a. de preventie van insleep en verspreiding van besmettelijke
dierziekten;
b. het waarborgen van de gezondheid van te vervoeren
evenhoevigen;
c. het waarborgen van het welzijn van de evenhoevigen.
2.Om het doel, bedoeld in het eerste lid, te bereiken dient het
kwaliteitssysteem tenminste de volgende aspecten te omvatten:
a. de belading van vervoermiddelen;
b. de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen;
c. het bijhouden van registers van aantallen evenhoevigen en de
identificatiegegevens van deze evenhoevigen;
d. welke maatregelen worden genomen indien het vermoeden
bestaat van ziekte van te vervoeren evenhoevigen;
e. op welke wijze er wordt voldaan aan de voorschriften van
Verordening (EG) nr. 1/2005;
3.Voor zover het kwaliteitssysteem betrekking heeft op artikel 33,
derde lid, dienen er minimaal 100 vervoerders deel te nemen.
4.Voor zover het kwaliteitssysteem betrekking heeft op de artikelen
44, tweede lid, 45, vierde lid, artikel 46, tweede lid, of 47, tweede
lid, dienen er minimaal 10 personen, rechtspersonen of
samenwerkingsverbanden bestaande uit vervoerders en eigenaren of
exploitanten van verzamelcentra, deel te nemen.
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 65 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 67 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 73 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 81 [Vervallen per 01-01-2009]
Titel 3. Monitoring
Hoofdstuk 1. Monitoring/controle dierziekten
§ 1. Varkensziekten
Artikel 82
1.Het is verboden:
a. een of meer varkens te ontvangen op een
varkenshouderijbedrijf;
b. een of meer varkens op een varkenshouderijbedrijf te houden,
of
c. een of meer varkens die zich op een varkenshouderijbedrijf
bevinden, af te voeren.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien:
a. de eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens
vertegenwoordiger, dan wel degene die op dat bedrijf een of meer
varkens houdt, varkens die verschijnselen van een besmettelijke
dierziekte vertonen, behandelt of laat behandelen, binnen 24 uur
nadat die behandeling is ingesteld, bloed is afgenomen en is
ingestuurd ten behoeve van onderzoek op de aanwezigheid van een
besmettelijke dierziekte;
b. de eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens
vertegenwoordiger, dan wel degene die op dat bedrijf een of meer
varkens houdt, voorzover op dat bedrijf varkens mogelijk ten
gevolge van een besmettelijke dierziekte zijn gestorven, een
representatief aantal van die dieren ter sectie heeft ingestuurd
ten behoeve van onderzoek op de aanwezigheid van klassieke
varkenspest.
Artikel 83 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 84 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-2006]
§ 2. Aviaire Influenza
Artikel 88
1.Het is verboden, onverminderd de artikelen 19 en 100 van de wet,
AI-gevoelige dieren op een bedrijf te houden.
2.Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien wordt
voldaan aan artikel 89 en 90.
Artikel 89
1.De ondernemer meldt onverwijld aan het Landelijk LNV dierziekten
meldnummer elke verhoogde sterfte:
a. van leghennen, reproductiedieren of vleeskuikens, die ouder
zijn dan 10 dagen op twee opeenvolgende dagen van 0,5% of meer per
dag;
b. van vleeskalkoenen op twee opeenvolgende dagen van 1% of
meer per dag, en
c. van AI-gevoelige dieren van meer dan 3% per week.
2.De ondernemer consulteert een dierenarts indien bij AI-gevoelige
dieren:
a. een klinisch probleem zichtbaar is;
b. er op twee opeenvolgende dagen een reductie van voer- of
drinkwateropname is van meer dan 5% per dag, en
c. voor zover het leghennen of reproductiedieren betreft, er op
twee opeenvolgende dagen een reductie van de eiproductie is van 5%
of meer per dag.
3.Indien er geen sprake is van Aviaire Influenza of Newcastle
Disease doet de dierenarts binnen acht uur melding van het klinische
probleem van de desbetreffende dieren of van de omstandigheden,
bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, en van de naam- en
adresgegevens van het bedrijf aan de Gezondheidsdienst voor Dieren.
Artikel 90 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 91
1.Ter uitvoering van de artikelen 17, 18 en 30 van de wet wordt
medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren.
2.De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het
verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden, het aanwijzen van
laboratoria en het bij verordening stellen van regels, inzake het
laten afnemen van bloed bij pluimvee teneinde dit te laten onderzoeken
op de aanwezigheid van Aviaire Influenza.
3.Het Productschap Pluimvee en Eieren kan bepalen dat bij
overtreding van de artikelen 2, eerste lid, 3, 4, 5, eerste lid, 6 en
7, tweede lid, van de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE)
2005 tuchtrechtelijke maatregelen worden toegepast.
4.Het Productschap Pluimvee en Eieren kan personen aanwijzen die
zijn belast met het toezicht op de naleving van de regels waarvoor,
overeenkomstig het derde lid, tuchtrechtelijke maatregelen worden
gesteld.
5.Het Productschap Pluimvee en Eieren kan voor de onderzoeken of
verrichtingen die het productschap uitvoert in het kader van het
eerste en tweede lid, een vergoeding van kosten heffen.
§ 3. Newcastle Disease
Artikel 92
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
dieren: kippen en kalkoenen.
Artikel 93
1.Ter uitvoering van de artikelen 17, 18 en 30 van de wet wordt
medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren.
2.De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het stellen
van regels met betrekking tot:
a. vaccinatie van dieren ter voorkoming van een besmetting met
Newcastle Disease;
b. het nemen van bloedmonsters van dieren en het doen van
bloedonderzoek ten behoeve van de controle van de effectiviteit
van de gebruikte vaccins en de wijze van vaccinatie ter voorkoming
van een besmetting met Newcastle Disease;
c. de minimumwaarden van de immuniteit van het gevaccineerde
pluimvee tegen Newcastle Disease;
d. het treffen van maatregelen bij te lage weerstand tegen
Newcastle Disease van pluimvee;
e. de verplaatsing van gevaccineerde of nog te vaccineren
dieren ter voorkoming van een besmetting met Newcastle Disease;
f. de te voeren administratie betreffende de vaccinatie van
dieren ter voorkoming van besmetting met Newcastle Disease.
3.Het Productschap Pluimvee en Eieren kan bepalen dat bij
overtreding van de artikelen 2 tot en met 10 van de Verordening
Vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006 tuchtrechtelijke maatregelen
worden toegepast.
4.Het Productschap Pluimvee en Eieren kan personen aanwijzen die
zijn belast met het toezicht op de naleving van de regels waarvoor,
overeenkomstig het derde lid, tuchtrechtelijke maatregelen worden
gesteld.
5.Het Productschap voor Pluimvee en Eieren kan voor de onderzoeken
of verrichtingen die het productschap uitvoert in het kader van het
eerste en tweede lid, een vergoeding van kosten heffen.
Artikel 94 [Vervallen per 22-10-2006]
Titel 4. Zoönosen, TSE’s en ziekte van Aujeszky
Hoofdstuk 1. Zoönosen
§ 1. Monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en
zoönoseverwekkers bij dieren
Artikel 95
1.Ter uitvoering van artikel 3a van het Besluit bescherming tegen
bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten wordt
medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren, het
Productschap Vee en Vlees, het Productschap Diervoeder en het
Productschap Zuivel.
2.De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit het
stellen van regels ten behoeve van onderzoek naar de aanwezigheid van
zoönosen, zoönoseverwekkers, antimicrobiële resistentie bij
zoönoseverwekkers en bij andere verwekkers, wanneer deze een gevaar
opleveren voor de volksgezondheid, overeenkomstig richtlijn nr.
2003/99/EG;
3.Het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en
Vlees, het Productschap Diervoeder en het Productschap Zuivel
verstrekken de minister de gegevens die zij hebben verzameld in het
kader van het tweede lid.
4.Het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en
Vlees, het Productschap Diervoeder en het Productschap Zuivel kunnen
voor de onderzoeken of verrichtingen die de productschappen uitvoeren
in het kader van het eerste en tweede lid een vergoeding van kosten
heffen.
5.Het Productschap Diervoeder kan in de artikelen 2 en 3 van de
Verordening PDV monitoring zoönosen en zoönosenverwekkers
diervoedersector 2005 bepalen dat bij overtreding van deze artikelen
tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.
6.Het Productschap Diervoeder kan personen aanwijzen die zijn
belast met het toezicht op de naleving van de regels, waarvoor
overeenkomstig het vijfde lid, tuchtrechtelijke maatregelen worden
gesteld.
Artikel 96
1. Ter uitvoering van artikel 3a van het Besluit bescherming tegen
bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten wordt
medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren.
2. De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit:
a. het stellen van regels met betrekking tot het verrichten van
onderzoek ten behoeve van de monitoring van zoönosen,
zoönoseverwekkers, antimicrobiële resistentie bij
zoönoseverwekkers en bij andere verwekkers, wanneer deze een
gevaar opleveren voor de volksgezondheid, ter uitvoering van de
door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde
voorschriften ter uitvoering van artikel 4 verordening (EG) nr.
2160/2003;
b. het stellen van regels met betrekking tot de uitvoering van
het nationale bestrijdingsprogramma zoönosen en
zoönoseverwekkers, bedoeld in artikel 5 van verordening (EG) nr.
2160/2003, voorzover het gaat om:
1°. hygiënemaatregelen en vervoersbeperkingen op
pluimveebedrijven en bedrijven die producten van pluimvee
verwerken ter voorkoming van een besmetting met, naar
aanleiding van een verdenking van een besmetting met en naar
aanleiding van een besmetting met een zoönose of een
zoönoseverwekker;
2°. het doen van onderzoek ten behoeve van de controle op
een besmetting met een zoönose of een zoönoseverwekker;
3°. het traceren van de dieren en dierlijke producten die
aanwezig zijn of zijn geweest op een pluimveebedrijf en worden
verdacht van of zijn besmet met een zoönose of een
zoönoseverwekker;
4°. het afvoeren, vernietigen en behandelen van de dieren
en dierlijke producten die aanwezig zijn op een
pluimveebedrijf en worden verdacht van of zijn besmet met een
zoönose of een zoönoseverwekker;
5°. het vergoeden van de kosten van het afvoeren,
vernietigen en behandelen van de dieren en dierlijke
producten, bedoeld onder 4°;
6°. het vergoeden van de kosten voor de aankoop van
vaccins;
7°. het vergoeden van de kosten voor bacteriologische
tests;
8°. het erkennen van laboratoria als bedoeld in artikel 12
van verordening (EG) nr. 2160/2003.
c. het stellen van regels met betrekking tot de uitvoering van
de speciale bestrijdingsmethoden die de Commissie van de Europese
Gemeenschappen op basis van artikel 8 van verordening (EG) nr.
2160/2003 voorschrijft;
d. het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden ter
uitvoering en controle van de regels die op grond van de
onderdelen a, b en c worden gesteld;
e. het verrichten of doen verrichten van de bemonstering als
bedoeld in artikel 4 van verordening (EG) nr. 2160/2003.
3. Het Productschap Pluimvee en Eieren verstrekt de minister de
gegevens die het productschap verzamelt in het kader van het tweede
lid.
4. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan op grond van artikel 23
van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in
pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011, artikel 19 van de
Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in de
kalkoensector (PPE) 2011 en artikel 10 van de Verordening
hygiënemaatregelen pluimveeverwerkende industrie (PPE) 2007 bepalen
dat tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld bij overtreding van
respectievelijk:
(i) de artikelen 2, 3, 4, 5, zesde, achtste, negende en tiende
lid, 6, 7, 9, 10, 11, zesde, achtste, negende, tiende en elfde
lid, 12, 13, 14, derde, vierde en zesde lid, 15, tweede lid, 17,
18, 19, 21, eerste en tweede lid en 22, tweede lid, van de
Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in
pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011,
(ii) de artikelen 2, 3, 4, 5, zesde, achtste en negende lid, 6,
7, 9, 10, 11, derde, vierde en vijfde lid, 12, tweede lid, 14, 15,
16, 17, eerste en tweede lid, en 18, tweede lid van de Verordening
hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in de kalkoensector (PPE)
2011,
(iii) de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 8, eerste lid en 9, tweede
lid van de Verordening Hygiënevoorschriften pluimveeverwerkende
industrie (PPE) 2007.
5. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan personen aanwijzen die
zijn belast met het toezicht op de naleving van de regels waarvoor,
overeenkomstig het vierde lid, tuchtrechtelijke maatregelen worden
gesteld.
6. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan voor de onderzoeken of
verrichtingen die het productschap uitvoert in het kader van het
eerste en tweede lid een vergoeding van kosten heffen.
Artikel 97
De termijn, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het
Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding
besmettelijke dierziekten bedraagt twee jaar.
Artikel 98
1.Artikel 95 en artikel 96 zijn van toepassing vanaf het moment dat
de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 5
van verordening (EG) nr. 2160/2003 het nationale bestrijdingsprogramma
zoönosen en zoönoseverwekkers heeft goedgekeurd.
2.Van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, doet de Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mededeling in de
Staatscourant.
3.Overeenkomstig artikel 15 van richtlijn nr. 2003/99/EG zijn tot
het moment van goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, de maatregelen
van toepassing die zijn vastgesteld en uitgevoerd overeenkomstig
richtlijn nr. 92/117/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 17 december 1992 inzake maatregelen voor de bescherming tegen
bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren en in
producten van dierlijke oorsprong teneinde door voedsel overgedragen
infecties en vergiftigingen te voorkomen (PbEG 1993 L 62).
Hoofdstuk 2. Tse’s
§ 1. Het fokken van schapen
Artikel 99
1.Ter uitvoering van artikel 6 bis en bijlage VII, hoofdstuk B, van
verordening (EG) nr. 999/2001 wordt medewerking gevorderd van het
Productschap Vee en Vlees.
2.De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit:
a. het bij verordening stellen van regels ten aanzien van het
fokken van schapen ter voorkoming van overdraagbare spongiforme
encefalopathieën, waaronder in elk geval wordt begrepen:
1°. het stellen van regels ten aanzien van de erkenning
van een fokprogramma om te selecteren op resistentie tegen
overdraagbare spongiforme encefalopathieën in de
schapenpopulatie;
2°. het stellen van regels ten aanzien van de erkenning
van de TSE-resistente status van koppels schapen, bedoeld in
bijlage VII, hoofdstuk B, deel 3, onder 1, van verordening
(EG) nr. 999/2001;
b. het stellen van regels ten aanzien een tegemoetkoming in de
kosten van genotypering als bedoeld in bijlage VII, hoofdstuk B,
deel 1, onder 5, van verordening (EG) nr. 999/2001;
c. het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden ter
uitvoering van de regels die op grond van de onderdelen a en b
worden gesteld.
3.Het Productschap Vee en Vlees verstrekt de Minister de gegevens
die het productschap verzamelt in het kader van het tweede lid.
4.De Minister kan beleidsregels stellen met betrekking tot de in
het eerste lid gevorderde medewerking.
5.Het Productschap Vee en Vlees kan voor de verrichtingen die het
productschap uitvoert in het kader van het eerste en tweede lid, een
vergoeding van kosten heffen.
§ 2. Producten van dierlijke oorsprong
Artikel 100
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 9, eerste lid,
tweede lid, en bijlage VI, van verordening (EG) nr. 999/2001.
Artikel 101 [Vervallen per 01-06-2008]
Hoofdstuk 3. Ziekte van Aujeszky
Artikel 101a
1.Ter uitvoering van de artikelen 17, 21, 22, 24, 29, 30, 31b, 106
en 107 van de wet wordt medewerking gevorderd van het Productschap Vee
en Vlees.
2.De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het stellen
van regels met betrekking tot de preventie, monitoring en bestrijding
van de ziekte van Aujeszky, welke regels onder meer kunnen betreffen:
a. het houden van varkens die besmet zijn met de ziekte van
Aujeszky, hiervan verdacht zijn of gevaccineerd zijn tegen de
ziekte van Aujeszky;
b. het monitoren en uitvoeren van onderzoeken op het bedrijf of
de locatie waar varkens gehouden worden naar de aanwezigheid van
een besmetting met de ziekte van Aujeszky, waaronder klinische
inspecties ter plaatse en het nemen van bloedmonsters of keelswabs
van varkens en de aanlevering daarvan aan laboratoria ten behoeve
van onderzoek op de aanwezigheid van de ziekte van Aujeszky;
c. de ten aanzien van de in onderdeel b bedoelde bloedmonsters
en keelswabs te verrichten onderzoeken ten behoeve van de
constatering van een besmetting met de ziekte van Aujeszky;
d. vaccinatie van varkens tegen de ziekte van Aujeszky;
e. de aanvoer naar, onderscheidenlijk de afvoer van varkens van
bedrijven en de bestemming na afvoer van die dieren, ingeval van
een besmetting met de ziekte van Aujeszky in Nederland of een
buurland of een redelijke verdenking daarvan bestaat;
f. de adequate preventie en bestrijding van de ziekte van
Aujeszky, waaronder in ieder geval:
(i) het vervoer van al dan niet gevaccineerde varkens en de
producten daarvan, ingeval van een besmetting met de ziekte
van Aujeszky in Nederland of een buurland of een redelijke
verdenking daarvan bestaat;
(ii) de opslag van mest van de varkens, ingeval in
Nederland of een buurland een besmetting met de ziekte van
Aujeszky is geconstateerd of een redelijke verdenking daarvan
bestaat;
(iii) de reiniging en ontsmetting van stallen, terreinen en
transportmiddelen bestemd voor varkens en de producten
daarvan, ingeval in Nederland een besmetting met de ziekte van
Aujeszky is geconstateerd of een redelijke verdenking daarvan
bestaat;
g. het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen.
3.De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat voorts uit het
doen toepassen van bestuursdwang of het doen opleggen van een last
onder dwangsom ter handhaving van de in het tweede lid bedoelde
regels.
Artikel 101b
1.Het Productschap Vee en Vlees verstrekt de Minister de gegevens
die het productschap verzamelt in het kader van het tweede lid van
artikel 101a.
2.Het Productschap Vee en Vlees kan bepalen dat bij overtreding van
het bij of krachtens artikel 3 van de Verordening bestrijding ziekte
van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008 tuchtrechtelijke maatregelen
worden toegepast.
3.Het Productschap Vee en Vlees kan personen aanwijzen die zijn
belast met het toezicht op de naleving van de regels waarvoor,
overeenkomstig het tweede lid, tuchtrechtelijke maatregelen worden
gesteld.
4.Het Productschap Vee en Vlees kan voor de onderzoeken of
verrichtingen die het productschap uitvoert in het kader van artikel
101a, tweede lid, een vergoeding van kosten heffen.
5.Indien het Productschap Vee en Vlees bij verordening regels stelt
als bedoeld in artikel 101a, tweede lid, kan bij die verordening de
bevoegdheid tot het stellen van dergelijke regels worden overgedragen
aan een ander orgaan van het Productschap Vee en Vlees.
Titel 5. Bestrijding besmettelijke dierziekten
Hoofdstuk 1. Uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke
dierziekten
§ 1. Kentekenen en waarschuwingsborden
Artikel 102
Als modellen van waarschuwingsborden als bedoeld in artikel 22,
eerste lid, onderdeel c, van de wet, die worden geplaatst ter aanduiding
van een gebied waar ingevolge artikel 30 van de wet een verbod tot
vervoeren van kracht is, worden vastgesteld de in bijlage 21 opgenomen
modellen.
Artikel 103
1.Als modellen van kentekenen als bedoeld in artikel 22, eerste
lid, onderdeel d, van de wet, die worden geplaatst bij een gebouw of
terrein dat besmet is of van besmetting is verdacht worden vastgesteld
de in bijlage 22, onder a, opgenomen modellen.
2.Als model van het kenteken, bedoeld in artikel 22, tweede lid,
onderdeel c, van de wet, dat wordt gehecht aan een bijenwoning, wordt
vastgesteld het in bijlage 22, onder b, opgenomen model.
Artikel 104
1.De kentekenen of waarschuwingsborden worden aan de ingang van de
besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen, aan de
bijenwoning of rondom het krachtens artikel 30 van de wet aangewezen
gebied aangebracht, gehecht of geplaatst en wel zodanig dat zij
duidelijk van de openbare weg af zichtbaar zijn.
2.Waarschuwingsborden kunnen langs de openbare weg vooraangekondigd
worden.
§ 2. Het onschadelijk maken van of vernietigen van gedode of
gestorven, zieke en verdachte dieren en van producten en voorwerpen die
besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor
verspreiding van smetstof
Artikel 105
Het onschadelijk maken, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel
g, van de wet, en het vernietigen, bedoeld in artikel 22, tweede lid,
onderdelen f en g, van de wet, geschiedt:
a. overeenkomstig verordening (EG) nr. 1069/2009;
b. indien verordening (EG) nr. 1069/2009 niet van toepassing is:
1°. door verbranden, onderploegen, broeien, vermenging met
een ontsmettingsmiddel als bedoeld in artikel 108 of bij mest
door verwerken in een mestverwerkingsinrichting, onverminderd de
bepalingen van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen op
grond waarvan de mest tijdelijk wordt opgeslagen;
2°. door droge sterilisatie.
§ 3. Het reinigen en ontsmetten
Artikel 106
1.Aan ontsmetting gaat reiniging vooraf, behoudens die gevallen
waarbij, ter beoordeling van de minister, wegens besmettingsgevaar
voor de personen die met de reiniging zijn belast, voor de reiniging
en ontsmetting eerst een voorlopige ontsmetting plaatsvindt. De
reiniging vindt plaats binnen de door de minister aangegeven termijn.
2.Het reinigen van dieren, gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van
mest, voorwerpen en producten geschiedt overeenkomstig bijlage 23.
3.Onverminderd het tweede lid geschiedt reiniging en ontsmetting
overeenkomstig de voor de desbetreffende dierziekte geldende
communautaire bestrijdingsrichtlijn.
Artikel 107
Het ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest,
bijenwoning en dieren, voorwerpen en producten is gericht op het
effectief en efficiënt onschadelijk maken van smetstof, waarbij elk
geval op zichzelf wordt beoordeeld en geschiedt op de in de bijlage 23
beschreven wijze.
Artikel 108
Het ontsmetten geschiedt met een van de volgende middelen:
a. hitte in de vorm van:
1. vuur;
2. hete lucht;
3. stoom;
4. kokend water;
b. ontsmettingsmiddelen die voor dat doel zijn toegelaten op
grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
c. andere door de minister vast te stellen ontsmettingsmiddelen.
§ 4. Overige bepalingen
Artikel 109
De minister beslist in elk bijzonder geval op welke wijze het
onschadelijk maken, het vernietigen en het reinigen en ontsmetten
geschiedt en welke reinigings- en ontsmettingsmiddelen daarbij worden
gebruikt.
Artikel 110
1.Na afloop van de reiniging vindt controle plaats door de
ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet.
2.Het onschadelijk maken, het vernietigen en de ontsmetting
geschieden onder leiding en toezicht van de in eerste lid bedoelde
persoon.
3.De reiniging en ontsmetting wordt door de ambtenaar
geregistreerd.
Artikel 111
In gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de minister.
Hoofdstuk 2. Toegang van personen of groepen van personen tot
besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen
Artikel 112
Als personen of groepen van personen die toegang hebben tot gebouwen,
terreinen of gedeelten van gebouwen of terreinen waar een kenteken als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet is geplaatst, worden
aangewezen:
a. de houder van de dieren die zich in de gebouwen, op de
terreinen dan wel de gedeelten van gebouwen of terreinen bevinden;
b. de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
c. de ambtenaren van de VWA;
d. de dierenarts die de dieren behandelt;
e. de medewerkers van de Gezondheidsdienst voor dieren.
Hoofdstuk 3. Het verlaten van besmette of van besmette verdachte
gebouwen en terreinen
Artikel 113
1.Personen die gebouwen of terreinen verlaten waar een kenteken als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet is geplaatst:
a. reinigen hun handen en, voorzover de ambtenaar aangeeft dit
noodzakelijk te achten, hun overige lichaamsdelen met warm water
en zeep;
b. laten hun bedrijfskleding en schoeisel achter en reinigen of
vernietigen deze en
c. ontsmetten hun handen, bedrijfskleding en schoeisel met het
door de ambtenaar ter beschikking gestelde ontsmettingsmiddel.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde personen dieren met zich
voeren, reinigen ze de hoeven, de klauwen en de huid van deze dieren
zorgvuldig door borstelen en wassen. Voorzover de ambtenaar aangeeft
dit noodzakelijk te achten worden de dieren vervolgens ontsmet met het
door de ambtenaar ter beschikking gesteld ontsmettingsmiddel.
3.Indien de in het eerste lid bedoelde personen voertuigen,
producten of andere voorwerpen met zich voeren, reinigen zij deze
zorgvuldig en ontsmetten zij deze vervolgens met het door de ambtenaar
ter beschikking gestelde ontsmettingsmiddel.
4.De in het eerste lid bedoelde personen nemen steeds de
aanwijzingen van de ambtenaar in acht.
Titel 5a. Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen
Artikel 113a
1.Het is exploitanten van een levensmiddelenbedrijf dat actief is
in het stadium van de productie van landbouwhuisdieren verboden in
strijd te handelen met artikel 18 van verordening (EG) nr. 178/2002.
2.Het eerste lid is alleen van toepassing ten aanzien van
voedselproducerende dieren.
Artikel 113b
1. De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen
3, 4, 5, 6, 7 en 8 van verordening (EG) nr. 616/2009.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 5 en 7,
eerste lid, van verordening (EG) nr. 616/2009.
Artikel 113c
Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit gebruik sera en
entstoffen wordt ter behandeling tegen rabiës een recombinant vaccin
als bedoeld in bijlage Iter, onderdeel 1, onder a, onder ii, van
Verordening (EG) nr. 998/2003 aangewezen.
Titel 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 114
De volgende regelingen worden ingetrokken:
1. de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000;
2. de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke
dierziekten 2000;
3. de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit van 25 september 2003, TRCJZ/2003/5103, houdende
wijziging van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke
dierziekten 2000 (Stcrt. 192);
4. de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke
dierziekten;
5. de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 8 juni 2001, TRCJZ/2001/8357, houdende wijziging van de
Regeling bijeenbrengen van dieren 2000 (Stcrt. 109);
6. de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993;
7. de Regeling monitoring Aviaire Influenza 2003;
8. de Regeling vaccinatie Newcastle Disease;
9. de Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten;
10. de Regeling inzake het verlaten van besmette of van
besmetting verdachte gebouwen en terreinen;
11. de Regeling toegang van personen of groepen van personen tot
besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen;
12. de Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen
besmettelijke dierziekten;
13. de Regeling slachten voor huishoudelijk gebruik.
Artikel 115
1.De krachtens de artikelen 4, 9b en 9l van de Regeling betreffende
het bijeenbrengen van dieren 2000 verleende erkenningen worden geacht
te zijn verleend op grond van respectievelijk de artikelen 21, 29 en
39 van deze regeling.
2.Geschriften die ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Regeling
inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 zijn
verleend, zijn geschriften als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van
deze regeling.
3.De krachtens artikel 23 van de Regeling inzake
hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 verleende
registraties worden geacht te zijn verleend op grond van artikel 78
van deze regeling.
4.De krachtens de artikelen 8, 9a en 9b van de Regeling aanvullende
voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen vastgestelde
medebewindsverordeningen worden geacht te zijn vastgesteld op grond
van de artikelen 95, 96 onderscheidenlijk 99 van deze regeling.
5.De krachtens artikel 5b, tweede lid, van de Regeling inzake
hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 verleende
vergunningen worden geacht te zijn verleend op grond van artikel 61,
tweede lid, van deze regeling.
Artikel 115a
Deze regeling berust mede op de artikelen 2b van de Visserijwet en 3
van het Reglement zee- en kustvisserij.
Artikel 115b
1.Een varkensverzamelcentrum, runderverzamelcentrum,
schapenverzamelcentrum of geitenverzamelcentrum dat op het moment van
inwerkingtreding van deze regeling, zoals die luidde onmiddellijk voor
inwerkingtreding van de regeling van de Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit houdende wijziging van de Regeling preventie,
bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen
en TSE’s in verband met de herziening van preventieregels voor
evenhoevigen (TRCJZ/2008/2676), is erkend:
a. wordt geacht te zijn erkend ingevolge artikel 21, waarbij
een verzamelcentrum met een erkenning voor een bepaalde categorie
runderen wordt geacht te zijn erkend als runderverzamelcentrum, en
een schapenverzamelcentrum of een geitenverzamelcentrum wordt
geacht te zijn erkend als schapen- en geitenverzamelcentrum;
b. dient uiterlijk binnen drie maanden na inwerkingtreding van
deze regeling het protocol, bedoeld in artikel 21, zesde lid, in
bij de VWA ter goedkeuring en werkt uiterlijk binnen zes maanden
na inwerkingtreding van deze regeling overeenkomstig het door de
minister goedgekeurde protocol.
2.Een reinigings- en ontsmettingsplaats die op het moment van
inwerkingtreding van deze regeling, zoals die luidde onmiddellijk voor
inwerkingtreding van de regeling van de Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit houdende wijziging van de Regeling preventie,
bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen
en TSE’s in verband met de herziening van preventieregels voor
evenhoevigen (TRCJZ/2008/2676), is geregistreerd:
a. wordt geacht te zijn erkend ingevolge artikel 26;
b. dient uiterlijk binnen drie maanden na inwerkingtreding van
deze regeling het protocol, bedoeld in artikel 26, tweede lid, in
bij de VWA ter goedkeuring en werkt uiterlijk binnen zes maanden
na inwerkingtreding van deze regeling overeenkomstig het door de
minister goedgekeurde protocol.
Artikel 116
[Wijzigt de Regeling toegelaten handelingen]
Artikel 117
[Wijzigt de Regeling zekerheidsstelling en betaling VWA-keurlonen]
Artikel 118
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling preventie, bestrijding
en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.
Artikel 119
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|