|
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van
5 december 2007, nr. TRCJZ/2007/3828, houdende tijdelijke
maatregelen bij het weren, de preventie en de bestrijding van
dierziekten (Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten)
De Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
Gelet op:
- Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van de Europese Unie van
20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter
bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40
(PbEU L 10);
- Beschikking 2005/734/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 19 oktober 2005 tot vaststelling van
bioveiligheidsmaatregelen ter beperking van het risico van overdracht
van hoogpathogene aviaire influenza, veroorzaakt door het influenza
A-virus subtype H5N1, van in het wild levende vogels naar pluimvee en
andere in gevangenschap gehouden vogels en tot instelling van een
systeem voor vroege opsporing in risicogebieden (PbEU L 274);
- Beschikking 2006/474/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 6 juli 2006 tot vaststelling van maatregelen ter
preventie van de verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza,
veroorzaakt door influenza A-virus subtype H5N1, naar vogels in
dierentuinen en officieel erkende instellingen, instituten of centra in
de lidstaten en tot intrekking van Beschikking 2005/744/EG (PbEU L 187);
- Richtlijn 2000/75/EG van de Raad van de Europese Unie van
20 november 2000 tot vaststelling van specifieke bepalingen inzake
de bestrijding en uitroeiing van bluetongue (PbEU L 327);
- Verordening (EG) nr. 1266/2007 van de Commissie van
26 oktober 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor
richtlijn 2000/75/EG van de Raad wat betreft bestrijding, monitoring,
surveillance en beperkingen op de verplaatsingen van bepaalde dieren van
vatbare soorten in verband met bluetongue (PbEU L 283);
- artikel 10, eerste lid, van richtlijn 90/425 van de Raad van de
Europese Unie van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische
controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende
dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de
interne markt (PbEU L 224);
- de artikelen 10, 17, 18, 19, 29, 30, eerste en derde lid, 31, 32,
100, 107 en 114 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
- de Regeling aanwijzing ambtenaren Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. dierentuin: dierentuin als bedoeld in artikel 2, tweede
alinea, van beschikking 2006/474/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 6 juli 2006 tot vaststelling van maatregelen ter
preventie van de verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza,
veroorzaakt door influenza A-virus subtype H5N1, naar vogels in
dierentuinen en officieel erkende instellingen, instituten of centra
in de lidstaten en tot intrekking van Beschikking 2005/744/EG (PbEU
L 187);
b. evenhoevigen: herkauwers en varkens;
c. gevogelte: pluimvee, alsmede andere gehouden dieren van een
soort behorende tot de orde van de eendvogels ( Anseriformes), tot
de families van de struisvogels ( Struthionidae), emoes ( Dromaiidae)
en nandoes ( Rheidae) en de familie van de duiven ( Columbidae);
d. hobbypluimvee: gevogelte als bedoeld in artikel 1, onderdeel
c, van de Tijdelijke vrijstellingsregeling vaccinatie hobbypluimvee,
biologische legkippen en legkippen met vrije uitloop;
e. richtlijn 2000/75/EG: richtlijn 2000/75/EG van de Raad van de
Europese Unie van 20 november 2000 tot vaststelling van specifieke
bepalingen inzake de bestrijding en uitroeiing van bluetongue (PbEU
L 327);
f. richtlijn 2005/94/EG: Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van de
Europese Unie van 20 december 2005 betreffende communautaire
maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking
van Richtlijn 92/40 (PbEG L10);
g. verordening (EG) nr. 1266/2007: verordening (EG) nr. 1266/2007
van de Commissie van 26 oktober 2007 tot vaststelling van
uitvoeringsbepalingen voor richtlijn 2000/75/EG van de Raad wat
betreft bestrijding, monitoring, surveillance en beperkingen op de
verplaatsingen van bepaalde dieren van vatbare soorten in verband
met bluetongue;
h. vervoermiddel: voertuig, waaronder mede begrepen een
combinatie van een voertuig met één of meer door dat voertuig
voortbewogen aanhangwagens, opleggers of containers;
i. VWA: Voedsel en Waren Autoriteit;
j. Minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
k. DR: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit;
l. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
m. derde land: land, niet zijnde Nederland en niet zijnde een
lidstaat;
n. GD: Gezondheidsdienst voor Dieren;
o. verordening (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr. 1069/2009
van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot
vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor
menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide
producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU
L300);
§ 2. Aviaire Influenza
Artikel 2.1
1.Het is verboden bedrijfsmatig gevogelte te houden.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien wordt voldaan aan artikel 2.2.
Artikel 2.2
1.De houder van bedrijfsmatig gehouden gevogelte draagt ervoor zorg
dat:
a. voedsel en water aan het gevogelte wordt verstrekt in een
ruimte die ten minste aan de bovenzijde ondoorlaatbaar is
afgedekt, en
b. het gevogelte geen water krijgt dat afkomstig is van
oppervlaktewateren waartoe wilde vogels toegang hebben, tenzij dat
water behandeld is om eventueel aanwezig virus te inactiveren.
2.De houder die zowel bedrijfsmatig gehouden gevogelte als
niet-bedrijfsmatig gehouden eenden of ganzen houdt, neemt passende
maatregelen om te voorkomen dat zijn eenden of ganzen in contact komen
met het bedrijfsmatig gehouden gevogelte.
Artikel 2.3 [Vervallen per 28-01-2008]
Artikel 2.4 [Vervallen per 28-01-2008]
Artikel 2.5
1.In afwijking van de artikelen 53 tot en met 55 van de Regeling
preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en
zoönosen en TSE’s is het verboden gevogelte, met uitzondering van
sierduiven, afkomstig van verschillende plaatsen tijdelijk op één
plaats te verzamelen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op het tijdelijk op één
plaats verzamelen ten behoeve van wedvluchten, culturele evenementen,
tentoonstellingen, keuringen of andere tijdelijke verzamelingen,
anders dan markten waar gevogelte worden verhandeld, indien:
a. degene, die voornemens is gevogelte van verschillende
plaatsen tijdelijk op één plaats te verzamelen de VWA van dit
voornemen ten minste 8 dagen van tevoren kennis heeft gegeven;
b. [vervallen;]
c. het gevogelte, alvorens dit wordt toegelaten bij de plaats
van aanvoer, op de kosten van degene, die voornemens is gevogelte
van verschillende plaatsten tijdelijk op één plaats te
verzamelen, wordt onderzocht door één of meer dierenartsen, en
d. voor zover het een wedvlucht voor postduiven, of een
tentoonstelling of keuring van gevogelte betreft, slechts
gevogelte wordt toegelaten dat vergezeld gaat van een op deze
vogels betrekking hebbende, volledig ingevulde en ondertekende
verklaring van enting tegen Newcastle Disease zoals bedoeld in
artikel 54, tweede lid, van de Regeling preventie, bestrijding en
monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.
3.In afwijking van het tweede lid is degene die voornemens is
postduiven voor een wedvlucht te verzamelen, gehouden van dit
voornemen jaarlijks een overzicht aan de VWA te doen toekomen. De
Minister kan besluiten de postduiven, alvorens deze bij de wedvlucht
worden toegelaten, bij de plaats van aanvoer te laten onderzoeken door
één of meer dierenartsen, op kosten van degene die de postduiven
voor de wedvlucht heeft verzameld.
Artikel 2.6
1.Een vervoermiddel dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren
van gevogelte of broedeieren in derde landen, alsmede in lidstaten van
de Europese Unie waar een uitbraak van hoogpathogene aviaire Influenza
is bevestigd, en vanuit deze derde landen of lidstaten, anders dan in
doorvoer leeg in Nederland wordt gebracht, wordt gereinigd en ontsmet
op een reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen die is
geregistreerd overeenkomstig artikel 26 van de Regeling preventie,
bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen
en TSE’s. De vervoerder overlegt binnen 24 uur na binnenkomst in
Nederland aan de VWA een bewijs van de reiniging en ontsmetting.
2.Voor de werking van dit artikel wordt onder een uitbraak van
hoogpathogene aviaire Influenza in een lidstaat niet verstaan een
uitbraak in een circus, een dierentuin, een vogelwinkel, een wildpark,
een omheind terrein waar gevogelte voor wetenschappelijke doeleinden
of met het oog op de bescherming van zeldzame pluimveerassen wordt
gehouden, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn
2005/94/EG.
3.Het bewijs van de laatste reiniging en ontsmetting, bedoeld in
het eerste lid, dient in ieder geval een datum, tijdstip van reiniging
en ontsmetting en kenteken van het gereinigde vervoermiddel te
bevatten en is ten allen tijde in het vervoermiddel aanwezig.
4.De reiniging en ontsmetting, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
met een toegelaten ontsmettingsmiddel en op zodanige wijze dat de
bioveiligheid niet in gevaar komt.
5.In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan
vervoermiddelen te reinigen en te ontsmetten op andere plaatsen dan
die, bedoeld in het eerste lid, indien deze plaatsen zodanig zijn
ingericht en uitgerust dat de reiniging en ontsmetting met het oog op
de wering van aviaire Influenza op adequate wijze plaatsvinden.
6.De plaatsen, bedoeld in het vijfde lid, worden door de Minister
geregistreerd nadat is gebleken dat aan de voorwaarden, genoemd in het
vijfde lid, is voldaan. Artikel 26, eerste en tweede lid, van de
Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke
dierziekten en zoönosen en TSE’s, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.6a [Vervallen per 11-02-2009]
Artikel 2.7
1.Het is verboden een vervoermiddel als bedoeld in artikel 2.6,
eerste lid, dat in een derde land is gebruik om gevogelte of
broedeieren te vervoeren, alsmede in lidstaten van de Europese Unie
waar een uitbraak van hoogpathogene aviaire Influenza is bevestigd,
vanuit deze derde landen en lidstaten, anders dan in doorvoer, leeg in
Nederland te brengen.
2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien wordt
voldaan aan het bepaalde in artikel 2.6.
Artikel 2.8
In afwijking van artikel 50, eerste lid, onderdelen d en e, van de
Flora- en Faunawet is het gebruik van gehouden eenden als lokvogels als
middel tot jagen verboden.
Artikel 2.9
Deze paragraaf is niet van toepassing op gevogelte, gehouden in
dierentuinen.
§ 2.1 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.1 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.2 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.3 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.4 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.5 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.6 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.7 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.8 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.9 [Vervallen per 18-11-2011]
Artikel 2.1.10 [Vervallen per 18-11-2011]
§ 3. Bluetongue
Artikel 3.1
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt geheel Nederland
aangemerkt als beperkingsgebied voor bluetongue serotype 8.
Artikel 3.2
De Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in:
a. artikel 7, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr.
1266/2007;
b. artikel 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1266/2007;
c. artikel 9, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1266/2007;
d. bijlage III, hoofdstuk A, onderdeel 5, van verordening (EG)
nr. 1266/2007.
Artikel 3.3
De VWA is de bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 8, derde lid,
vierde lid, onderdeel c, en vijfde lid, van verordening (EG) nr.
1266/2007.
Artikel 3.4
1.Het is verboden herkauwers te verplaatsen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien de te verplaatsen
dieren op de dag van vervoer geen klinische tekenen van bluetongue
vertonen.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op een verplaatsing vanuit
een beschermingsgebied, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a,
van richtlijn 2000/75/EG naar een toezichtsgebied, bedoeld in artikel
8, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2000/75/EG, mits voldaan is
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van verordening
(EG) nr. 1266/2007.
Artikel 3.5
1. Het is verboden in strijd te handelen met de voorwaarden van
artikel 8, eerste, derde, vierde, vijfde lid en lid 5 bis en artikel 9
bis van verordening (EG) nr. 1266/2007.
2. Het is verboden herkauwers die oorspronkelijk afkomstig zijn uit
gebieden waar een ander bluetongue serotype voorkomt dan serotype 8 in
Nederland te brengen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op herkauwers indien wordt
voldaan aan:
a. voor zover het gaat om herkauwers, jonger dan 90 dagen, de
voorwaarden van artikel 9 bis, eerste lid, onderdelen b en c, en
vierde lid, van verordening (EG) nr. 1266/2007, of
b. de toepasselijke voorwaarden van artikel 8 van verordening
(EG) nr. 1266/2007 en voor zover hierop van toepassing de
voorwaarden van artikel 9 bis van verordening (EG) nr. 1266/2007.
4. Het is verboden herkauwers te houden die niet overeenkomstig het
derde lid in Nederland zijn binnengebracht.
5. Het tweede, derde en vierde lid zijn van toepassing tot en met
30 juni 2011.
Artikel 3.6
1. De doorvoer van herkauwers is verboden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien is voldaan aan de
voorwaarden:
a. genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdelen a, b of c, en
vierde lid, van verordening (EG) nr. 1266/2007;
b. genoemd in artikel 9, derde lid, van verordening (EG) nr.
1266/2007.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien wordt
voldaan aan artikel 9, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1266/2007.
Artikel 3.7 [Vervallen per 23-01-2009]
Artikel 3.7a [Vervallen per 23-01-2009]
Artikel 3.7b [Vervallen per 23-01-2009]
Artikel 3.7c [Vervallen per 23-01-2009]
Artikel 3.7d [Vervallen per 23-01-2009]
Artikel 3.7e [Vervallen per 23-01-2009]
Artikel 3.8 [Vervallen per 23-01-2009]
Artikel 3.9 [Vervallen per 23-01-2009]
Artikel 3.10 [Vervallen per 23-01-2009]
§ 3.1. Vaccinatie bluetongue
Artikel 3.1.1 [Vervallen per 23-07-2009]
Artikel 3.1.2 [Vervallen per 23-07-2009]
Artikel 3.1.3
Van het verbod in artikel 3 van het Besluit gebruik sera en
entstoffen wordt vrijstelling verleend tot 1 juli 2014 voor het
overeenkomstig deze regeling vaccineren van herkauwers of
kameelachtigen.
Artikel 3.1.4
1. Ingeval van vaccinatie van herkauwers of kameelachtigen tegen
bluetongue past de dierenarts het diergeneesmiddel toe, overeenkomstig
de gebruiksvoorschriften en de instructies van de fabrikant van het
middel.
2. Indien runderen op grond van deze regeling worden gevaccineerd,
draagt de houder van de runderen ervoor zorg dat zijn dieren tweemaal
worden gevaccineerd, waarbij de tweede vaccinatie minimaal drie weken
nadat de eerste vaccinatie is verricht, wordt uitgevoerd.
3. In afwijking van lid 2, worden runderen ingeval van
hervaccinatie eenmaal gevaccineerd.
§ 3.2. Export gevaccineerde dieren
Artikel 3.2.1
1. Export van gevaccineerde runderen overeenkomstig de voorwaarden,
bedoeld in bijlage III, punt 5, van verordening (EG) nr. 1266/2007
vindt plaats:
a. vanaf de locatie waar de dieren zijn gevaccineerd
rechtstreeks naar een buiten Nederland gelegen locatie, of
b. vanaf een exportverzamelcentrum.
2. Export van gevaccineerde schapen en geiten overeenkomstig de
voorwaarden, bedoeld in bijlage III, punt 5, van verordening (EG) nr.
1266/2007 vindt plaats vanaf de locatie waar de dieren zijn
gevaccineerd rechtstreeks naar een buiten Nederland gelegen locatie.
Artikel 3.2.2
1. Ten aanzien van export als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid,
aanhef en onderdeel a, wordt voldaan aan het bepaalde in artikel
3.2.3.
2. Ten aanzien van export als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid,
aanhef en onderdeel b, wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen
3.2.4 en3.2.5.
3. Ten aanzien van export als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid,
wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.2.3.
Artikel 3.2.3
1. De houder van gevaccineerde herkauwers die bestemd zijn voor
export overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in bijlage III, punt 5,
van verordening (EG) nr. 1266/2007, ondertekent terstond na de
vaccinatie van deze dieren een volledig en naar waarheid ingevuld door
het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstrekt
exportformulier en laat dit exportformulier mede ondertekenen door de
dierenarts die dieren heeft gevaccineerd.
2. De houder vermeldt op het formulier, bedoeld in het eerste lid,
tenminste de locatie waar de dieren zijn gevaccineerd en gegevens over
de identificatie van de gevaccineerde herkauwers.
Artikel 3.2.4
1. De dierenarts die de runderen, die bestemd zijn voor export
overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in bijlage III, punt 5, van
verordening (EG) nr. 1266/2007, heeft gevaccineerd, ondertekent
terstond na de vaccinatie van deze dieren een volledig en naar
waarheid ingevulde vaccinatielijst en laat deze vaccinatielijst
medeondertekenen door de houder.
2. Op de vaccinatielijst, bedoeld in het eerste lid, worden in elk
geval de volgende gegevens vermeld:
a. de identificatiecode van het gevaccineerde dier;
b. de geboortedatum van het dier;
c. de datum van vaccinatie;
d. het type vaccin dat is toegediend.
3. De dierenarts, bedoeld in het eerste lid, draagt zorg voor
verwerking bij de GD van de vaccinatielijst waarop de gegevens,
bedoeld in het tweede lid, zijn opgenomen.
Artikel 3.2.5
De GD geeft onverwijld op aanvraag aan de houder van runderen een
vaccinatieverklaring af voor de overeenkomstig artikel
3.2.4gevaccineerde runderen, die op een ter identificatie van zijn
bedrijf toegekend UBN als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
Regeling identificatie en registratie van dieren, zijn geregistreerd.
Artikel 3.2.6 [Vervallen per 01-10-2009]
Artikel 3.2.7 [Vervallen per 01-10-2009]
§ 3.3. Subsidie vaccinatie bluetongue
Artikel 3.3.1 [Vervallen per 23-07-2009]
Artikel 3.3.2 [Vervallen per 23-07-2009]
Artikel 3.3.3 [Vervallen per 23-07-2009]
Artikel 3.3.4
De houder van de gevaccineerde herkauwers of kameelachtigen bewaart
de factuur van de dierenarts, die betrekking heeft op de vaccinatie
overeenkomstig deze regeling, zoals deze luidde op 1 januari 2009,
gedurende drie jaren vanaf de dagtekening.
Artikel 3.3.5 [Vervallen per 23-07-2009]
Artikel 3.3.6 [Vervallen per 23-07-2009]
§ 4. Mond- en klauwzeer
Artikel 4.1 [Vervallen per 18-01-2008]
Artikel 4.2 [Vervallen per 18-01-2008]
§ 5.1. Q-koorts
Artikel 5.1.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. tankmelk: schapen-of geitenmelk die wordt bewaard in een
melkkoeltank en die geen behandeling heeft ondergaan;
b. Coxiella burnetii: bacterie die Q-koorts veroorzaakt;
c. lammerperiode: periode waarin schapen of geiten jongen werpen;
d. mest: mest geproduceerd door een schaap of geit;
e. composteren: proces waarin mest wordt afgebroken met behulp
van micro-organismen om te worden omgezet in een homogeen en zodanig
stabiel eindproduct waarin alleen nog een langzame afbraak van
humeuze verbindingen plaatsvindt;
f. locatie met een publieksfunctie: locatie waar schapen of
geiten worden gehouden en die is opengesteld voor publiek met het
oogmerk om direct contact tussen publiek en dieren te faciliteren.
§ 5.1.1. Monitoring Q-koorts
Artikel 5.1.2
1. Het is verboden meer dan 50 schapen of geiten te houden ten
behoeve van de bedrijfsmatige melkproductie.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.1.3.
Artikel 5.1.3
1. Iedere twee weken, of zoveel vaker als de Minister verzoekt,
wordt een monster van de tankmelk van de houder van de dieren, bedoeld
in artikel 5.1.2, eerste lid, in een daartoe aangewezen laboratorium
onderzocht.
2. In afwijking van het eerste lid wordt gedurende de periode van 1
juli tot 1 december op bedrijven als bedoeld in artikel 5.1.5, derde
lid, iedere maand een monster van de tankmelk, bedoeld in het eerste
lid, in een daartoe aangewezen laboratorium onderzocht.
3. De monsters, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden door
Qlip N.V., onderscheidenlijk de GD uit de tankmelk genomen en bij het
laboratorium, bedoeld in het eerste lid, aangeleverd.
Artikel 5.1.4
1. Het laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste en tweede
lid, onderzoekt de monsters door middel van een PCR-test op de
aanwezigheid van Coxiella burnetii.
2. Het laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste en tweede
lid, stelt het bedrijf waarvan het monster afkomstig is op de hoogte
van de uitslag van het onderzoek, wanneer de aanwezigheid van Coxiella
burnetii geconstateerd is.
3. Het laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste en tweede
lid, voorziet het bedrijf waarvan de monsters afkomstig zijn jaarlijks
van een overzicht waarin de uitslagen van het onderzoek zijn
opgenomen.
4. Het laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste en tweede
lid, rapporteert in ieder geval jaarlijks aan de Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de uitslagen van het
onderzoek.
§ 5.1.2. Maatregelen Q-koorts ten aanzien van bedrijven
Artikel 5.1.5
1. De artikelen 5.1.5a, 5.1.5b, 5.1.7, 5.1.9, met uitzondering van
het tweede lid, onderdeel b, 5.1.10 en5.1.11 zijn van toepassing op
bedrijven in de periode vanaf het tijdstip waarop de verdenking van
besmetting met Q-koorts op grond van artikel 24 van de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren in samenhang met artikel 2 van het Besluit
verdachte dieren is ontstaan tot het moment waarop de verdenking is
beëindigd op grond van artikel 24 van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren in samenhang met artikel 4, onderdeel b, van het Besluit
verdachte dieren.
2. De artikelen 5.1.5a, 5.1.5b, 5.1.7, 5.1.9, met uitzondering van
het tweede lid, onderdeel b, 5.1.10 en5.1.11a zijn van toepassing op
bedrijven in de periode vanaf het tijdstip waarop op het bedrijf een
besmetting met Q-koorts op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel
d, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is geconstateerd tot
het moment waarop het bedrijf op grond van artikel 22, eerste lid,
onderdeel d, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren vrij van
de besmetting met Q-koorts is verklaard.
3. Deartikelen 5.1.5a, 5.1.5b, 5.1.7 en 5.1.9 zijn van toepassing
op andere bedrijven, dan bedoeld in het eerste en tweede lid, waar
meer dan 50 schapen of geiten gehouden worden ten behoeve van de
bedrijfsmatige melkproductie.
4. De artikelen 5.1.5a en 5.1.5b zijn van toepassing op andere
bedrijven, dan bedoeld in het eerste en tweede lid, waar meer dan 50
schapen of geiten worden opgefokt ten behoeve van de melkproductie.
Artikel 5.1.5a
Het is verboden schapen of geiten te houden, tenzij alle schapen of
geiten op het bedrijf zijn gevaccineerd overeenkomstig§ 5.2.
Artikel 5.1.5b
1. Het is verboden geiten of schapen:
a. te insemineren of te laten bevruchten, of
b. op zodanige wijze te houden dat bevruchting van geiten of
schapen kan plaatsvinden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien alle geiten of
schapen op het bedrijf zijn gevaccineerd overeenkomstig§ 5.2.
3. Het is verboden op een bedrijf waar geiten of schapen aanwezig
zijn of dat bestemd is om geiten of schapen te houden, sperma van
geiten of schapen voorhanden te hebben, in voorraad te hebben, te
bewaren, op te slaan, te gebruiken, te ontvangen of af te leveren,
tenzij alle geiten of schapen op dat bedrijf zijn gevaccineerd
overeenkomstig§ 5.2.
Artikel 5.1.6 [Vervallen per 10-11-2010]
Artikel 5.1.7
1. Het is verboden schapen of geiten op het bedrijf aan te voeren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien alle schapen of
geiten op dat bedrijf en alle schapen of geiten die worden aangevoerd
zijn gevaccineerd overeenkomstig§ 5.2.
Artikel 5.1.8 [Vervallen per 28-10-2011]
Artikel 5.1.9
1. Het is verboden mest, afkomstig uit een stal waar schapen of
geiten worden gehouden, uit te rijden of af te voeren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. de mest gedurende 30 dagen na verwijdering uit de stal
luchtdoorlatend afgedekt is opgeslagen of
b. de mest rechtstreeks en afgedekt naar een erkende
composteerinrichting of erkend composteerbedrijf als bedoeld in
artikel 24, eerste lid, onderdeel g, van Verordening (EG) nr.
1069/2009 wordt afgevoerd.
3. De houder houdt een administratie bij van:
a. de datum waarop de mest uit de stal is verwijderd;
b. de begin- en einddatum van de composteringsperiode op de
locatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en
c. de datum van het uitrijden van de mest op het eigen bedrijf.
4. In de administratie, bedoeld in het derde lid, wordt telkens de
desbetreffende hoeveelheid mest, uitgedrukt in kubieke meters,
vermeld.
5. De administratie, bedoeld in het derde lid, wordt gedurende twee
jaar bewaard.
Artikel 5.1.10
De houder draagt er zorg voor dat:
a. ongedierte op zijn bedrijf adequaat wordt bestreden, en
b. er voldoende bakken beschikbaar zijn in de stallen waar
schapen of geiten worden gehouden, waarin categorie 1-materiaal of
categorie 2-materiaal als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van
verordening (EG) nr. 1069/2009, overeenkomstig de Regeling dierlijke
bijproducten 2011 wordt verzameld.
Artikel 5.1.11
1. Het is voor veehouders verboden bezoekers tot een stal, waar
schapen en geiten worden gehouden, toe te laten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het toelaten van
personen voor wie het met het oog op de uitoefening van beroep of
bedrijf, noodzakelijk is de stal te betreden.
Artikel 5.1.11a
1. Als gedeelte van een gebouw of terrein als bedoeld in artikel
25, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn
aangewezen stallen waar schapen of geiten worden gehouden.
2. In afwijking van artikel 112 Regeling preventie, bestrijding en
monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s
worden als personen of groepen van personen die toegang hebben tot
stallen als bedoeld in het eerste lid aangewezen:
a. de houder van de schapen of geiten en
b. personen voor wie het met het oog op de uitoefening van
beroep of bedrijf noodzakelijk is de stal te betreden.
§ 5.1.3. Aanvullende maatregelen Q-koorts ten aanzien van dieren
Artikel 5.1.12
1. Onverminderdartikel 5.1.5b is het verboden geiten of schapen te
insemineren of te laten bevruchten of op zodanige wijze te houden dat
bevruchting van geiten of schapen kan plaatsvinden:
a. die tussen het tijdstip waarop op het bedrijf een besmetting
met Q-koorts op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel d, van
de Gezondheids-en welzijnswet voor dieren is geconstateerd en 1
juni 2010 aanwezig zijn geweest op dat bedrijf, indien de
besmetting is geconstateerd voor 1 juni 2010;
b. die tussen het tijdstip waarop op het bedrijf een besmetting
met Q-koorts op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel d, van
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is geconstateerd en het
moment dat alle geiten of schapen op het bedrijf zijn gevaccineerd
§ 5.2, aanwezig zijn geweest op dat bedrijf, indien die
besmetting op of na 1 juni 2010 is geconstateerd en op dat moment
nog niet alle geiten of schapen op het bedrijf waren
gevaccineerd§ 5.2.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vrouwelijke geiten of
vrouwelijke schapen geboren op of na 1 juli 2009.
Artikel 5.1.12a [Vervallen per 28-10-2011]
Artikel 5.1.12b [Vervallen per 28-10-2011]
Artikel 5.1.12c [Vervallen per 28-10-2011]
Artikel 5.1.12d [Vervallen per 28-10-2011]
Artikel 5.1.12e [Vervallen per 28-10-2011]
Artikel 5.1.12f [Vervallen per 28-10-2011]
Artikel 5.1.12g [Vervallen per 28-10-2011]
Artikel 5.1.13
1. Van het verbod, bedoeld in artikel 29 van de wet, wordt
vrijstelling verleend voor de afvoer van schapen of geiten:
a. rechtstreeks naar het slachthuis;
b. indien het lammeren jonger dan vier weken betreft, naar een
bedrijf waar lammeren worden afgemest ten behoeve van de slacht,
of
c. indien het lammeren jonger dan vier maanden betreft, naar
een bedrijf waar deze dieren worden opgefokt ten behoeve van de
melkproductie, mits:
1°. op dit bedrijf geen schapen of geiten aanwezig zijn
die afkomstig zijn van andere bedrijven, en
2°. deze dieren van het bedrijf waar ze worden opgefokt
ten behoeve van de melkproductie slechts worden afgevoerd naar
het bedrijf waarvan ze afkomstig waren of rechtstreeks naar
het slachthuis.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is het toegestaan
om overeenkomstig artikel 37 van de Regeling preventie, bestrijding en
monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s,
schapen of geiten afkomstig van verschillende plaatsen bijeen te
brengen op een vervoerseenheid of vervoermiddel.
Artikel 5.1.14 [Vervallen per 15-07-2010]
§ 5.1.4. Maatregelen voor locaties met een publieksfunctie,
evenementen, tentoonstellingen en keuringen
Artikel 5.1.15
1. Deze paragraaf is van toepassing op locaties met een
publieksfunctie, evenementen, tentoonstellingen en keuringen.
2. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van
toepassing op:
a. bedrijven als bedoeld in artikel 5.1.5, eerste en tweede
lid;
b. bedrijven als bedoeld in artikel 5.1.5, derde lid, met
uitzondering van het bepaalde in artikel 5.1.19.
Artikel 5.1.16
Het is verboden schapen of geiten te houden op locaties met een
publieksfunctie, tenzij alle schapen of geiten op de locatie zijn
gevaccineerd overeenkomstig§ 5.2.
Artikel 5.1.17
Het is verboden schapen of geiten aan te voeren op een locatie met
een publieksfunctie, evenement, tentoonstelling of keuring, tenzij de
schapen of geiten zijn gevaccineerd overeenkomstig§ 5.2.
Artikel 5.1.18
Het is verboden schapen of geiten bijeen te brengen op evenementen,
tentoonstellingen en keuringen, tenzij de schapen of geiten zijn
gevaccineerd overeenkomstig§ 5.2.
Artikel 5.1.19
1. Houders van geiten of schapen houden geiten en schapen die
aflammeren volledig afgezonderd van het publiek.
2. Onder het afgezonderd houden van het publiek wordt in ieder
geval verstaan dat de houder zorg draagt dat bezoekers de stal waar
geiten of schapen aflammeren, niet kunnen betreden.
3. Indien het niet mogelijk is de dieren die aflammeren afgezonderd
te houden van het publiek voert de houder de drachtige dieren af naar
een locatie, niet zijnde een locatie als bedoeld in artikel 5.1.15,
eerste lid.
4. Het tweede lid is niet van toepassing op het toelaten van
personen voor wie met het oog op de uitoefening van beroep of bedrijf
noodzakelijk is de stal te betreden.
Artikel 5.1.20
De houder houdt een administratie bij van:
a. de datum waarop een dier als bedoeld in artikel 5.1.19, eerste
lid, is gedekt of geïnsemineerd;
b. de datum waarop een lam of lammeren van een dier als bedoeld
in artikel 5.1.19, eerste lid, is geboren.
§ 5.2. Vaccinatie Q-koorts
Artikel 5.2.1
1. De houder van schapen of geiten op een bedrijf als bedoeld in
artikel 5.1.2 en artikel 5.1.5, vierde lid, laat de schapen of geiten
elk kalenderjaar voor 1 augustus tegen Q-koorts vaccineren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. schapen of geiten die in het eerste levensjaar worden
geslacht en geen ander dier dekken dan wel zelf niet gedekt
worden;
b. schapen of geiten jonger dan drie maanden.
3. Onverminderd het eerste lid laat de houder schapen of geiten die
nog niet eerder tegen Q-koorts gevaccineerd zijn, vaccineren uiterlijk
drie weken voordat deze dieren:
a. een ander dier dekken dan wel zelf gedekt worden;
b. geïnsemineerd worden of
c. naar een ander bedrijf als bedoeld in artikel 5.1.2 en
5.1.5, vierde lid, locatie met een publieksfunctie, evenement,
tentoonstelling of keuring afgevoerd worden.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op schapen of
geiten die langer dan een jaar geleden voor de in het derde lid,
onderdelen a, b, en c, genoemde handelingen gevaccineerd zijn.
Artikel 5.2.2
1. De houder van schapen of geiten op een locatie met een
publieksfunctie laat de schapen of geiten uiterlijk voor 1 januari
2012 tegen Q-koorts vaccineren en vervolgens elk jaar voor 1 augustus.
2. Artikel 5.2.1, tweede tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.2.3
1. Een houder van schapen of geiten laat schapen of geiten die
ouder zijn dan drie maanden en aangevoerd worden op een evenement,
tentoonstelling of keuring uiterlijk drie weken voor die aanvoer tegen
Q-koorts vaccineren.
2. In afwijking van het eerste lid voert een houder drachtige
schapen of geiten slechts aan op een evenement, tentoonstelling of
keuring indien de dieren gevaccineerd zijn uiterlijk drie weken
voordat het dier gedekt of geïnsemineerd is.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op schapen of
geiten die samen met hun lammeren op een evenement, tentoonstelling of
keuring aangevoerd worden.
Artikel 5.2.4
1. De houder als bedoeld in de artikelen 5.2.1 tot en met 5.2.3
houdt een administratie bij van de uitgevoerde vaccinaties.
2. In de administratie wordt in elk geval opgenomen:
a. het bij het vaccin geleverde formulier en
b. de factuur van de dierenarts voor het uitvoeren van de
vaccinatie.
3. Het formulier, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt
ondertekend door de dierenarts die de vaccinatie heeft uitgevoerd en
door de houder, bedoeld in het eerste lid.
4. De houder, bedoeld in het eerste lid, doet na iedere uitgevoerde
vaccinatie een kennisgeving overeenkomstig artikel 38ea van de
Regeling identificatie en registratie van dieren.
5. De administratie, bedoeld in het eerste lid, wordt gedurende
twee jaar bewaard.
Artikel 5.2.5
Van het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, van de
Diergeneesmiddelenwet, wordt vrijstelling verleend voor het met
inachtneming van de artikelen 5.2.7 en 5.2.8 en de bijsluiter toepassen
van het diergeneesmiddel ‘Coxevac’ van de firma CEVA SANTE ANIMALE
B.V. te Naaldwijk voor het vaccineren van schapen tegen Q-koorts en met
het oog daarop het voorhanden of in voorraad hebben en het afleveren van
dit middel.
Artikel 5.2.6
Van het verbod in artikel 3 van het Besluit gebruik sera en
entstoffen wordt vrijstelling verleend voor het overeenkomstig deze
paragraaf vaccineren van schapen en geiten.
Artikel 5.2.7
Het diergeneesmiddel, genoemd in artikel 5.2.5, wordt niet toegepast
bij drachtige schapen of geiten.
Artikel 5.2.8
Schapen of geiten die al eerder overeenkomstig deze paragraaf zijn
gevaccineerd worden gevaccineerd door middel van een enkele
herhalingsvaccinatie, mits de hervaccinatie plaatsvindt binnen een jaar
na de vorige vaccinatie.
§ 6. Vaccinatie tegen bepaalde virale paardenencefalomyelitiden
Artikel 6.1
Van het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, van de
Diergeneesmiddelenwet, wordt vrijstelling verleend voor het toepassen
bij paarden die genomineerd zijn voor deelname aan de Alltech FEI World
Equestrian Games, Kentucky 2010, van het diergeneesmiddel West
Nile-Innovator®+EW van Fort Dodge Animal Health ten behoeve van actieve
immunisatie tegen virale paardenencefalomyelitiden, veroorzaakt door het
Western- of Eastern equine encephalomyelitis virus, en met het oog
daarop het voorhanden of in voorraad hebben en het afleveren van dit
middel onder de voorwaarden, gesteld in de artikelen 6.4 tot en met 6.6.
Artikel 6.2
Van het verbod gesteld in artikel 3 van het Besluit gebruik sera en
entstoffen wordt ontheffing verleend voor het enten overeenkomstig deze
regeling van de in artikel 6.1 bedoelde paarden met het in dat artikel
bedoelde diergeneesmiddel tegen de in dat artikel bedoelde virale
paardenencefalomyelitiden.
Artikel 6.3
Het diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 6.1, wordt voor de
toepassing van deze regeling aangewezen als een middel als bedoeld in
artikel 29, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet.
Artikel 6.4
1. De vermeldingen op de verpakking en het etiket zijn in goed
leesbaar en onuitwisbaar schrift en in begrijpelijke bewoordingen
gesteld.
2. Toediening van het diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 6.1,
geschiedt door een op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet op
de uitoefening van de Diergeneeskunde 1990 geregistreerde dierenarts,
in overeenstemming met de op het etiket en de verpakking vermelde
voorwaarden.
Artikel 6.5
Toediening bij een paard van de op de verpakking en het etiket van
het in artikel 6.1 bedoelde diergeneesmiddel bedoelde tweede dosis,
vindt plaats uiterlijk 21 dagen voorafgaand aan het vervoer van dat
paard naar het in artikel 6.1 bedoelde evenement.
Artikel 6.6
De op 19 september 2010 aanwezige voorraad van het in artikel 6.1
bedoelde diergeneesmiddel wordt onverwijld vernietigd of teruggestuurd
naar de fabrikant van het diergeneesmiddel.
Artikel 6.7
De vrijstelling, bedoeld in artikel 6.1, en de ontheffing, bedoeld
inartikel 6.2, zijn van kracht tot en met 18 september 2010.
§ 7
[GERESERVEERD]
§ 8. Slotbepalingen
Artikel 8.1
De volgende regelingen worden ingetrokken:
a. Tijdelijke regeling maatregelen ter wering van Aviaire
Influenza;
b. Regeling beperkingsgebieden bluetongue 2006;
c. Tijdelijke regeling maatregelen mond- en klauwzeer Verenigd
Koninkrijk 2007 (II).
Artikel 8.2
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tijdelijke maatregelen
dierziekten.
Artikel 8.3
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 5 december 2007.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg.
Bijlage I [Vervallen per 18-11-2011]
Bijlage II [Vervallen per 03-06-2011]
|