| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
VARKENSBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
26 juli 2010
|
|
|
BESLUIT van 7 juli 1994, houdende regelen ter zake van
het houden en huisvesten van varkens
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 23 december 1993, nr. J. 9319898, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken;
Gelet op Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 19 november 1991 tot vaststelling van
minimumnormen ter bescherming van varkens (PbEG 1991, L 340) en
op de artikelen 35, 38, 39, 45 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren;
Gezien de adviezen van de Raad voor
Dierenaangelegenheden, het Landbouwschap, de Nederlandse Vereniging tot
Bescherming van Dieren, het Produktschap Vee en Vlees en de Bond van
Verenigingen voor Kunstmatige Inseminatie van Varkens;
De Raad van State gehoord (advies van 20 mei
1994, nr. W11.94.0003);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 30 juni
1994, nr. J. 949686, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische
Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
b. varken: varken dat kennelijk wordt gehouden voor de fokkerij
of voor de mesterij;
c. beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht dat
kennelijk bestemd is voor de fokkerij;
d. volwassen beer: beer van 18 maanden of ouder;
e. gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht,
kennelijk bestemd voor de fokkerij, dat nog niet heeft geworpen;
f. gebruiksvarken: varken met een leeftijd van ten minste tien
weken tot aan het moment waarop het wordt geslacht dan wel een beer
of gelt is geworden;
g. big: varken vanaf zijn geboorte tot aan het spenen;
h. spenen: blijvend onttrekken van biggen aan een zogende zeug;
i. zeug: varken van het vrouwelijk geslacht, kennelijk bestemd
voor de fokkerij, na de worp van haar eerste biggen;
j. zogende zeug: zeug tot aan het spenen van de biggen;
k. gespeend varken: gespeend varken met een leeftijd tot 10
weken;
l. stal: ruimte bestemd voor het houden van één of meer
varkens;
m. derde land: land waarop het Verdrag betreffende de Europese
Unie niet van toepassing is.
§ 2. Houden en huisvesten van varkens
Artikel 2
1. Het houden van varkens geschiedt overeenkomstig de artikelen
2a, 2aa, 2b en 3 van dit besluit.
2. Het huisvesten van varkens geschiedt overeenkomstig de
artikelen 4 tot en met 11 van dit besluit.
3. Het verzorgen van varkens geschiedt overeenkomstig de
artikelen 12 en 13 van dit besluit.
Artikel 2a
1. Gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen worden
in afzonderlijke groepen gehouden.
2. Aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of
gebruiksvarkens worden geen varkens toegevoegd.
3. Een groep gespeende varkens wordt uiterlijk één week na het
spenen gevormd.
4. Een groep gebruiksvarkens wordt gevormd uit varkens afkomstig
uit één groep gespeende varkens.
Artikel 2aa
1. Er worden maatregelen getroffen om de agressie in groepen,
bedoeld in artikel 2a, eerste lid, zoveel mogelijk te beperken. Onder
maatregelen wordt in ieder geval verstaan het verstrekken van stro of
ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens.
2. Bij tekenen van ernstige gevechten vindt onmiddellijk
onderzoek plaats naar de oorzaken hiervan.
Artikel 2b
1. In afwijking van artikel 2a, eerste lid, is het toegestaan:
a. een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de
biggen, individueel te houden;
b. een gelt of zeug individueel te houden vanaf:
1°. één week vóór het berekende tijdstip van werpen tot het
tijdstip van werpen;
2°. vanaf het spenen tot en met vier dagen na de dag van
natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie;
c. gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk
af te zonderen van de groep voor de tijdspanne die nodig is:
1°. voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van
het varken;
2°. voor het drachtigheidsonderzoek of het collecteren van
sperma;
3°. voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het
varken;
4°. voor voeropname;
5°. om de stal te reinigen;
d. varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens
buitengewoon agressief zijn, of ziek of gewond zijn, dan wel door
andere varkens zijn aangevallen.
2. Bij een tijdelijke afzondering van de groep als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, beschikken de varkens over voldoende ruimte om
zich te kunnen omdraaien, voor zover specifiek veterinair advies niet
anders luidt.
Artikel 2c
1. Met het oog op de uitvoering van de artikelen 2a en 2b wordt
medewerking gevorderd van het bestuur van het Produktschap voor Vee en
Vlees.
2. De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het
verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden en het bij verordening
stellen van regels.
3. De krachtens de in het tweede lid bij verordening vastgestelde
voorschriften en genomen besluiten behoeven de goedkeuring van Onze
Minister.
4. Onze Minister kan met betrekking tot het verlenen van de in
het eerste lid bedoelde medewerking beleidsregels stellen.
5. De in het tweede bedoelde regels kunnen onder meer betrekking
hebben op de instelling van de plicht tot identificatie van varkens, de
registratie daarvan, alsmede op de melding daarvan aan een daarbij aan
te wijzen instantie.
Artikel 3
1. Zeugen en gelten worden niet aangebonden gehouden.
2. Varkensstallen zijn op zodanige wijze ingericht dat de
varkens:
a. toegang hebben tot een schone en comfortabele ruimte met een
adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk kunnen liggen;
b. kunnen rusten en ongehinderd kunnen opstaan;
c. andere varkens kunnen zien.
3. Een stal bestemd voor een zeug of een gelt is zodanig
ingericht dat achter de zeug of de gelt voldoende vrije ruimte
beschikbaar is voor het natuurlijke of het begeleide werpen.
4. Een stal bestemd voor een zogende zeug met biggen, waarin de
zeug zich vrij kan bewegen en kan omdraaien, is voorzien van een
bescherming voor de biggen. In een stal waarin een zogende zeug met
biggen zich niet vrij kan bewegen of omdraaien, beschikken de biggen
over voldoende ruimte om ongehinderd te kunnen worden gezoogd.
Artikel 4
1. De beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten
na dekking of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden,
bedraagt tenminste per gelt of zeug 2,25 m2.
2. De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal
bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep
gehouden gelten of zeugen bedraagt ten minste per varken met een
gemiddeld gewicht:
a. tot 15 kg: 0,20 m2;
b. van 15 tot 30 kg: 0,40 m2;
c. van 30 tot 50 kg: 0,60 m2;
d. van 50 tot 85 kg: 0,80 m2;
e. van 85 tot 110 kg: 1 m2;
f. van meer dan 110 kg: 1,3 m2.
3. De zijden van de stal waarin een groep zeugen en gelten
wordt gehouden, zijn langer dan 2,8 meter. Indien minder dan zes
gelten of zeugen in een groep worden gehouden, zijn de zijden van de
stal waarin deze groep wordt gehouden langer dan 2,4 meter.
4. De in het eerste lid bedoelde beschikbare oppervlakte
a. wordt per gelt of zeug met 10% vergroot indien deze dieren in
groepen van minder dan zes varkens worden gehouden en
b. kan per gelt of zeug met 10% worden verkleind indien deze
dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.
5. De in het tweede lid bedoelde beschikbare oppervlakte kan
per gespeend varken of gebruiksvarken met een gemiddeld gewicht van
meer dan 15 kg, met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen
van meer dan 40 varkens worden gehouden.
Artikel 4a
1. Onverminderd artikel 3, tweede lid, wordt een beer op
zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en de andere
varkens kan horen en ruiken.
2. De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer
bedraagt ten minste:
a. voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m²;
b. voor een beer van 12 maanden of ouder en jonger dan 18 maanden:
5 m²;
c. voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m²;
d. ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m².
3. De beschikbare oppervlakte in een stal als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel d, is voor een beer vrij beschikbaar.
Artikel 5
1. De voor de varkens beschikbare vloer van een stal bestaat
niet geheel uit roostervloer, tenzij de vloer is bestemd voor
gespeende varkens of zogende zeugen met biggen en niet is vervaardigd
van beton.
2. Indien de vloer van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde stal
gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het
dichte deel van de voor gelten of zeugen zonder biggen beschikbare vloer
tenminste per gelt of zeug 1,3 m2.
3. Indien de vloer van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde stal
gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het
dichte deel van de vloer per varken tenminste 40% van de ingevolge
artikel 4 voorgeschreven beschikbare oppervlakte per varken.
4. Indien de vloer van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde stal
gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt, in afwijking van het
derde lid, vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de
oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer
tenminste per varken met een gemiddeld gewicht:
a. tot 30 kg: 0,24 m2;
b. van 30 tot 50 kg: 0,35 m2;
c. van 50 tot 85 kg: 0,45 m2;
d. van 85 tot en met 110 kg: 0,60 m2;
e. van meer dan 110 kg: 0,75 m2.
5. Indien de vloer van de in artikel 4a, bedoelde stal
gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het
dichte deel van de vloer tenminste twee derden van de totale
vloeroppervlakte.
6. In een stal, bestemd voor één of meer zogende zeugen met
biggen, beschikken de biggen over een dichte vloer of een vloer bedekt
met een rubber mat waarvan de oppervlakte ten minste 0,6 m2 per toom
biggen bedraagt.
7. De vloeren van de stal zijn op zodanige wijze ontworpen,
gebouwd en onderhouden dat bij de varkens geen letsel of pijn wordt
veroorzaakt.
Artikel 6
Een vloer of een gedeelte daarvan, voorzien van gierdoorlatende
openingen, wordt als dicht beschouwd indien:
a. het totaal aan gierdoorlatende openingen niet meer bedraagt
dan 5% van de totale oppervlakte van het dichte deel van de vloer,
en
b. de breedte van gierdoorlatende spleten ten hoogste 10 mm en de
doorsnede van ronde gierdoorlatende openingen ten hoogste 20 mm
bedraagt.
Artikel 7
Onverminderd artikel 3, tweede lid, heeft in een stal waarin gelten
of zeugen zonder biggen in voerligboxen worden gehouden elk varken de
beschikking over een vrije ruimte met een lengte van ten minste 2 meter.
Artikel 8
1. Onverminderd artikel 5, zevende lid, is de spleetbreedte
tussen de roosterbalken van een roostervloer over de gehele
oppervlakte van de roostervloer gelijk en bedraagt deze bij stallen
bestemd voor:
a. zeugen zonder biggen en gelten na dekking: ten hoogste 20 mm;
b. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij
betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren;
c. gespeende varkens: ten hoogste 14 mm bij betonroostervloeren en
15 mm bij andere roostervloeren;
d. gebruiksvarkens: ten hoogste 18 mm bij betonroostervloeren en 20
mm bij andere roostervloeren.
2. De balkbreedte van de roosterbalken van een betonroostervloer
bedraagt bij een stal bestemd voor:
a. biggen en gespeende varkens: ten minste 50 mm
b. gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen: ten minste 80 mm.
Artikel 9
1. Het dichte deel van de vloer van een stal bestemd voor een
beer of een zogende zeug met biggen is voorzien van strooisel
bestaande uit stro, hooi, houtkrullen, zaagsel, compost, turf of een
mengsel daarvan, dan wel, ingeval van een zogende zeug met biggen,
bedekt met een rubber mat.
2. Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te
onderzoeken en mee te spelen. Het materiaal is niet schadelijk voor de
gezondheid van de varkens.
3. Onverminderd het tweede lid, beschikken zeugen en gelten in de
laatste week voor het werpen over voldoende los materiaal dat voldoet
als adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf
gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.
Artikel 10
1. De lichtintensiteit in een stal bestemd voor varkens
bedraagt verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 40 lux gedurende
ten minste 8 uur per dag.
2. In een stal bestemd voor varkens wordt een continue
geluidsniveau van 85 dBA of hoger alsmede constant of plotseling lawaai
vermeden.
Artikel 11
1. Het voedersysteem in groepshuisvesting waarborgt dat alle
varkens voldoende voedsel tot zich kunnen nemen, zelfs in aanwezigheid
van concurrenten.
2. Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum
of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de
lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen
eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per
geslachtsrijp varken.
§ 3. De verzorging van varkens
Artikel 12
Drachtige zeugen en gelten worden zo nodig tegen uitwendige en
inwendige parasieten behandeld en worden voordat zij in het kraamhok
worden gebracht grondig schoongemaakt.
Artikel 13
1. Alle varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd.
2. Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over
voldoende vers water.
3. Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende
hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun
honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien.
§ 4. Ingrepen bij varkens
Artikel 14 [Vervallen per 01-09-1996]
Artikel 15
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wet uitoefening
diergeneeskunde is het castreren van mannelijke varkens, die ouder zijn
dan zeven dagen, uitsluitend toegestaan als deze ingreep onder
anesthesie en met aanvullende langdurige analgesie wordt uitgevoerd door
een dierenarts.
§ 5. Scheiden van het ouderdier
Artikel 16
1. Het spenen van biggen geschiedt niet voordat de biggen 28
dagen oud zijn.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen de biggen eerder worden
gespeend, indien het welzijn of de gezondheid van de zeug of van de
biggen in het gedrang komen.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen de biggen ten hoogste
zeven dagen eerder worden gespeend, indien de biggen naar
gespecialiseerde voorzieningen worden gebracht die a. volledig worden
leeggemaakt en grondig worden gereinigd en ontsmet vóórdat een nieuwe
groep biggen wordt binnengebracht, en b. gescheiden zijn van de
voorzieningen waar zeugen worden gehouden om het overdragen van ziekten
op de biggen zo veel mogelijk te beperken.
Artikel 16a [Vervallen per 01-09-1998]
Artikel 16b [Vervallen per 01-09-1998]
Artikel 16c [Vervallen per 01-09-1998]
Artikel 16d [Vervallen per 01-09-1998]
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 17
Onverminderd het overigens ten aanzien van de invoer bepaalde
geschiedt de invoer van varkens die vanuit een derde land via Nederland
voor het eerst op het grondgebied van de Europese Gemeenschappen worden
gebracht, slechts indien de varkens vergezeld gaan van een geldig, door
de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld
en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn
91/630/EEG.
Artikel 18 [Vervallen per 01-08-2003]
Artikel 19
1. Artikel 2a, eerste lid, voorzover van
toepassing op gelten en zeugen, is tot 1 januari 2013 niet van
toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:
a. de stal voor 1 november 1998 in gebruik is genomen, en
b. de stal of de vloer van de stal na 1 november 1998 niet is
verbouwd of herbouwd.
2. De artikelen 4, eerste en tweede lid, en 5, tweede lid, zijn
tot 1 januari 2013 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal
kan aantonen dat:
a. de stal vóór 1 november 1998 in gebruik is genomen;
b. de stal vanaf 1
november 1998 voldoet aan de artikelen 4, eerste lid, en 5, tweede lid,
van het Varkensbesluit zoals dat luidde vóór 1 september 1998, en
c. de stal of de vloer van de stal na 1 november 1998 niet is
verbouwd of herbouwd.
3. De artikelen 2b, tweede lid, 4, derde lid en vierde lid,
onderdeel a, 8, eerste lid, onderdelen c en d, voor zover van toepassing
op betonroostervloeren, en 8, tweede lid, zijn tot 1 januari
2013 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen
dat:
a. de stal voor de inwerkingtreding van het Besluit van 28 april
2003, houdende wijziging van het Varkensbesluit (implementatie
richtlijnen nr. 2001/88/EG en nr. 2001/93/EG) in gebruik is genomen;
b. de stal vanaf 1 januari
2003 voldoet aan artikel 8, eerste lid, onderdeel c en d, van het
Varkensbesluit zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het
besluit, bedoeld in onderdeel a, en
c. de stal of de vloer van de stal na de inwerkingtreding van het
besluit, bedoeld in onderdeel a, niet is verbouwd of herbouwd.
4. Artikel 4a, tweede lid, onderdeel d en derde lid is tot 1
januari 2005 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan
aantonen dat:
a. de stal voor de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het
vierde lid, onderdeel a, onder 1°, in gebruik is genomen;
b. de stal voldoet aan artikel 4a, onderdeel c,van het
Varkensbesluit zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het
besluit, bedoeld in onderdeel a, en
c. de stal of de vloer van de stal na de inwerkingtreding van het
besluit, bedoeld in onderdeel a, niet is verbouwd of herbouwd.
5. Artikel 5, vierde lid, is gedurende 10 jaar na het in dat lid
bedoelde tijdstip niet van toepassing indien de gebruiker van de stal
kan aantonen dat:
a. de stal vóór het in artikel 5, vierde lid, bedoelde tijdstip
in gebruik is genomen, en
b. de stal of de vloer van de stal na het in artikel 5, vierde lid,
bedoelde tijdstip niet is verbouwd of herbouwd.
Artikel 19a [Vervallen per 01-08-2005]
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 21
Dit besluit kan worden aangehaald als: Varkensbesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad worden geplaatst.
's-Gravenhage, 7 juli
1994
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.D. Gabor
Uitgegeven de negende
augustus 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|
|
|