| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
VRIJSTELLINGSREGELING
DIERENWELZIJN
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
Besluit:
Hoofdstuk I. Ingrepen
Artikel 1
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. jonge moederdieren: moederdieren met een leeftijd van:
1°. maximaal 32 weken wanneer het dieren van
vleeskuikenrassen betreft of
2°. maximaal 30 weken wanneer het dieren van
legkippenrassen betreft;
b. infraroodmethode: methode waarbij de snavel van een dier
wordt verkort door middel van het gebruik van infraroodstraling.
2. Van de verboden ingevolge artikel 40, eerste lid, van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 4, eerste lid, van
het Ingrepenbesluit wordt, voor zover aan artikel 3 van dat besluit
wordt voldaan, vrijstelling verleend tot 1 september 2021 voor het
verrichten van de ingrepen:
a. bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen e en f, van het
Ingrepenbesluit, voor zover het betreft het verwijderen van een
deel van de achterste teen en de sporen bij mannelijke kippen
bestemd voor de fokkerij, waarvan de nakomelingen gewoonlijk
worden gehouden voor de menselijke consumptie;
b. bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van het
Ingrepenbesluit, voor zover het betreft het verkorten van de
boven- en ondersnavel bij kippen of kalkoenen die worden gehouden
of bestemd zijn om te worden gehouden in een huisvestingssysteem
waarin de kippen of kalkoenen zich vrijelijk over de vloer van de
stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen
bewegen of in een aangepast kooihuisvestingssysteem;
c. bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het
Ingrepenbesluit, voor zover het betreft het verwijderen van kammen
bij mannelijke kippen bestemd voor de fokkerij, waarvan de
nakomelingen gewoonlijk worden gehouden voor het leggen van eieren
bestemd voor de menselijke consumptie.
3. Bij het verrichten van de ingreep, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, wordt met ingang van 1 oktober 2011 gebruik gemaakt van
de infraroodmethode om de snavels te verkorten, met uitzondering van
gevallen waarin:
1°. de kuikens zijn geïmporteerd en waarvan in het land van
herkomst de snavel niet is verkort;
2°. de kuikens nakomelingen zijn van jonge moederdieren.
4. In afwijking van het tweede lid wordt van de verboden ingevolge
artikel 40, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
en artikel 4, tweede lid, van het Ingrepenbesluit, voor zover aan
artikel 3 van dat besluit wordt voldaan en voor zover de ingrepen
worden verricht bij dieren die worden gehouden of aantoonbaar bestemd
zijn om te worden gehouden in een huisvestingssysteem waarvan de
gebruiker kan aantonen dat het op 1 september 2001 reeds bestond en
nadien niet is herbouwd of verbouwd, vrijstelling verleend tot 1
september 2021 voor het verrichten van de ingrepen:
a. bedoeld in artikel 2, eerste lid onderdeel g, van het
Ingrepenbesluit, waarbij het derde lid van overeenkomstige
toepassing is;
b. bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het
Ingrepenbesluit.
5. Van de verboden ingevolge artikel 40, eerste lid, van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 4, tweede lid, van
het Ingrepenbesluit, die worden gehouden of aantoonbaar bestemd zijn
om te worden gehouden in een huisvestingssysteem waarvan de gebruiker
kan aantonen dat het op 1 september 2001 reeds bestond en nadien niet
is herbouwd of verbouwd, wordt vrijstelling verleend tot 1 september
2021 voor het verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel s, van het Ingrepenbesluit.
Artikel 1a
Van het verbod ingevolge artikel 40, eerste lid, van de
Gezondheids-en welzijnswet voor dieren wordt, voor zover aan artikel 3
van het Ingrepenbesluit wordt voldaan, vrijstelling verleend tot 1
januari 2012 voor zover het betreft het verwijderen van een deel van de
staart bij ooien, van de rassen Suffolk, Hampshire Down en Clun Forest,
mits:
a. deze ingreep uiterlijk een week na de geboorte plaatsvindt en
b. documenten kunnen worden overgelegd waaruit blijkt dat de
ouderdieren van de ooien zijn ingeschreven bij:
1°. een organisatie die het stamboek van genoemde rassen
bijhoudt, of
2°. een organisatie die niet zelf het stamboek voor genoemde
rassen bijhoudt, maar die aantoont dat zij de beginselen die
zijn vastgelegd door de organisatie of vereniging die het
oorspronkelijke stamboek voor genoemde rassen bijhoudt, in acht
neemt.
Artikel 2
Van de verboden ingevolge artikel 40, eerste lid, van de wet en
artikel 4, derde lid, van het Ingrepenbesluit wordt, voor zover aan
artikel 3 van dat besluit wordt voldaan, vrijstelling verleend:
a. tot 1 januari 2012, voor het verrichten van de ingreep,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het
Ingrepenbesluit voor zover het betreft het aanbrengen van één
oormerk in een oor bij varkens ten behoeve van herkenning van het
dier bij het voederen in groepshuisvesting naast de bij of krachtens
enig ander wettelijk voorschrift voorgeschreven of toegestane
identificatie-ingrepen;
b. tot 1 september 2016 voor de ingreep, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel d, van het Ingrepenbesluit, voor zover het
betreft het subcutaan of intramusculair aanbrengen van
micro-electronica bij honden en katten, naast de bij of krachtens
enig ander wettelijk voorschrift voorgeschreven of toegestane
identificatie-ingrepen;
c. tot 1 juni 2013 voor het verrichten van de ingreep, bedoeld in
artikel 2, tweede lid, onderdeel l, van het Ingrepenbesluit voor
zover het betreft het eenmalig vriesbranden van runderen, naast de
bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voorgeschreven of
toegestane identificatie-ingrepen.
Artikel 3
Van de verboden ingevolge artikel 41 van de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren wordt vrijstelling verleend, voor zover het
paarden betreft waarbij een deel van de staart is verwijderd mits de
ingreep is verricht voor 1 september 2001.
Hoofdstuk II. Honden en katten
Artikel 4
De beheerder van een bedrijfsinrichting of een asiel is vrijgesteld
van de in artikel 20, eerste, tweede en derde lid, van het Honden- en
kattenbesluit 1999 bedoelde verplichtingen.
Artikel 5
De beheerder van een bedrijfsinrichting of een asiel is vrijgesteld
van de in artikel 23, eerste lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999
bedoelde verplichting.
Hoofdstuk III. Varkens
Artikel 6
1. Artikel 4, tweede lid, van het Varkensbesluit, is niet van
toepassing op een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens
en niet in een groep gehouden gelten en zeugen, die na 1 november 1998
in gebruik is genomen of die vóór die datum in gebruik is genomen en
na die datum is verbouwd of herbouwd.
2. De voor varkens beschikbare oppervlakte van een stal als bedoeld
in het eerste lid bedraagt tenminste per varken met een gemiddeld
gewicht:
a. tot 15 kg: 0,20 m²;
b. van 15 tot 30 kg: 0,30 m²;
c. van 30 tot 50 kg: 0,50 m²;
d. van 50 tot 85 kg: 0,65 m²;
e. van 85 tot 110 kg: 0,80 m²;
f. meer dan 110 kg: 1,0 m².
Artikel 7
1.Artikel 5, derde lid, van het Varkensbesluit, is niet van
toepassing op een stal als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
2.Indien de vloer van de in het eerste lid bedoelde stal
gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het
dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer tenminste 40% van de
ingevolge artikel 6, tweede lid, minimaal voorgeschreven beschikbare
oppervlakte.
Artikel 8
1. Artikel 19, tweede lid, van het Varkensbesluit is niet van
toepassing op een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens
en niet in een groep gehouden gelten en zeugen, die voor 1 november
1998 in gebruik is genomen en na die datum niet is verbouwd of
herbouwd.
2. De voor varkens beschikbare oppervlakte van een stal als bedoeld
in het eerste lid bedraagt tot 1 januari 2013 ten minste per varken
met een gemiddeld gewicht:
a. tot 15 kg: 0,20 m2;
b. van 15 tot 30 kg: 0,30 m2;
c. van 30 tot 50 kg: 0,50 m2;
d. van 50 tot 85 kg: 0,60 m2;
e. van 85 tot 110 kg: 0,70 m2;
f. meer dan 110 kg: 1,0 m2.
3. De voor varkens beschikbare oppervlakte van een stal als bedoeld
in het eerste lid bedraagt vanaf 1 januari 2013 ten minste per varken
met een gemiddeld gewicht:
a. tot 15 kg: 0,20 m2;
b. van 15 tot 30 kg: 0,30 m2;
c. van 30 tot 50 kg: 0,50 m2;
d. van 50 tot 85 kg: 0,65 m2;
e. van 85 tot 110 kg: 0,80 m2;
f. meer dan 110 kg: 1,0 m2.
4. Indien de vloer van de in het eerste lid bedoelde stal
gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het
dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer ten minste 40% van
de ingevolge het tweede of derde lid minimaal voorgeschreven
beschikbare oppervlakte.
Hoofdstuk IV. Ritueel Slachten
Artikel 9
1.Artikel 44, vierde tot en met zevende lid en achtste lid,
onderdeel b, voor wat betreft de tweede volzin, van de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren is niet van toepassing op een op grond van
artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europese Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende
vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen
van dierlijke oorsprong (pbEG L 226), door de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit erkende inrichting die voorafgaand aan het
slachten aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
meldt dat in de inrichting dieren volgens de islamitische of
israëlitische ritus zullen worden geslacht.
2.De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan op een
daartoe door de Voedsel en Waren Autoriteit beschikbaar gesteld
formulier, waarvan een model op www.vwa.nl zal worden geplaatst.
3.Inrichtingen die op grond van de Regeling aanwijzing
slachtinrichtingen 2004 zijn aangewezen om dieren zonder voorafgaande
bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus te slachten
en inrichtingen die door de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit in overeenstemming met de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn aangewezen om tijdens het
islamitisch offerfeest in 2006 dieren zonder voorafgaande bedwelming
volgens de islamitische ritus te slachten, hebben een melding als
bedoeld in het eerste lid gemaakt.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op een inrichting waarin,
vanaf de dag waarop is gemeld dat in die inrichting dieren zonder
voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische
ritus zullen worden geslacht, dan wel voor wat betreft een inrichting
als bedoeld in het derde lid vanaf de dag waarop deze regeling in
werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande
bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn
geslacht.
Hoofdstuk V. Dierentuinen
Artikel 10
Van het verbod van artikel 3 van het Dierentuinenbesluit wordt
vrijstelling verleend aan:
a. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:
1°. er worden naast ten hoogste 10 wilde diersoorten, in
hoofdzaak diersoorten, genoemd in de bijlage bij het Besluit
aanwijzing productie dieren, gehouden;
2°. de dieren worden niet tijdelijk of langdurig opgevangen
ten behoeve van de verzorging of de verpleging.
b. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:
1°. er worden ten hoogste 10 wilde diersoorten gehouden;
2°. de dieren worden niet tijdelijk of langdurig opgevangen
ten behoeve van de verzorging of de verpleging;
3°. het tentoonstellen van de dieren aan het publiek is van
ondergeschikt belang voor de inrichting.
c. inrichtingen waar de dieren tijdelijk en ten hoogste 12
maanden worden opgevangen ten behoeve van de verzorging of
verpleging van de dieren en waar de dieren na het verstrijken van de
periode van 12 maanden weer in vrijheid worden gesteld of elders
worden ondergebracht.
Hoofdstuk VI. Sledehondensport
Artikel 11
1.Van het verbod, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt vrijstelling verleend
voor zover het betreft het gebruik van honden als trekkracht, bedoeld
in artikel 36, tweede lid, onder d, in verband met de uitoefening van
de sledehondensport, mits bij de honden geen pijn of letsel wordt
veroorzaakt en de gezondheid of het welzijn van de honden niet wordt
benadeeld.
2.Het eerste lid is slechts van toepassing op het gebruik van
honden behorend tot de volgende rassen:
a. Alaskan Malamute;
b. Eskimohond;
c. Groenlandse hond;
d. Samojeed;
e. Siberian husky.
Hoofdstuk VII. Viskweek
Artikel 12
Van het bepaalde in artikel 34 van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren wordt vrijstelling verleend met betrekking tot de volgende
dieren:
a. steur (Acipenser spp.);
b. tong (Solea spp.);
c. garnaal (Penaeus vannamei);
d. Beluga steur (Huso huso);
e. Heterobranchus longifilis x Clarias gariepinus.
Hoofdstuk VIIa. Biotechnologie
Artikel 12a
Van het verbod, gesteld in artikel 66, eerste lid, van de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren, wordt vrijstelling verleend voor zover de in
dat artikel bedoelde wijzigingen of toe te passen biotechnologische
technieken onderdeel uitmaken van een dierproef als bedoeld in de Wet op
de dierproeven ten behoeve van biomedisch onderzoek ofwel worden
verricht ten behoeve van biomedisch onderzoek op ongewervelde dieren of
embryo’s van dieren.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 september 2001.
Artikel 14
Deze regeling kan worden aangehaald als: Vrijstellingsregeling
dierenwelzijn.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst.
|
|
|