| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
REGELING
AQUACULTUUR
Tekst zoals deze geldt op
25 juli 2010
|
|
|
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van
11 juli 2008, nr. TRCJZ/2008/2015, houdende regels inzake aquacultuur
(Regeling aquacultuur)
De Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
Gelet op Verordening (EG) nr. 136/2004 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 januari 2004 tot
vaststelling van procedures voor de veterinaire controles in de
grensinspectieposten van de Gemeenschap bij het binnenbrengen van
producten uit derde landen (PbEU 21), Verordening (EG) nr.
282/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 februari
2004 betreffende de vaststelling van een document voor de aangifte en de
veterinaire controle van uit derde landen afkomstige dieren die in de
Gemeenschap worden binnengebracht (PbEU L 49), Richtlijn nr.
89/662/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 december
1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire
handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de
interne markt (PbEG L 395/13), Richtlijn nr. 90/425/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire
en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in
bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de
totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224/29), Richtlijn
nr. 91/496/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli
1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de
veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap
worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen nrs.
89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PbEG L 268/56), Richtlijn
nr. 96/22/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april
1996 betreffende het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen
met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking
van de Richtlijnen nrs. 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG
L 125), Richtlijn nr. 97/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 18
december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van
de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de
Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 24) en Richtlijn nr.
2006/88/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 oktober
2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor
aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en
bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (PbEG L 328);
Gelet op artikel 2b van de Visserijwet
1963, artikel 19 van de Landbouwwet en de artikelen 10, 11, 13, 15, 19,
tweede lid, 25, 26, 30, 78, 100, 102, 107 en 111 van de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren;
Gelet op artikel 3 van het Reglement zee- en
kustvisserij, de artikelen 2 en 4 van het Besluit inzake het in de
handel brengen van dieren en producten en de toepassing van maatregelen
met betrekking tot in Nederland gebrachte dieren en producten, artikel
3, onderdeel hh, en artikel 5, eerste lid, onderdeel ff,
van het Besluit verdachte dieren;
Besluit:
Titel 1. Algemeen
§ 1.1. Definities
Artikel 1.1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. richtlijn nr. 89/662/EEG: Richtlijn nr. 89/662/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 11 december 1989 inzake
veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in
het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG
L 395/13);
b. richtlijn nr. 90/425/EEG: Richtlijn nr. van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en
zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in
bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de
totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224/29);
c. richtlijn nr. 91/496/EEG: Richtlijn nr. 91/496/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 tot vaststelling van
de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor
dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht
en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en
90/675/EEG (PbEG L 268/56);
d. richtlijn nr. 96/22/EG: Richtlijn nr. 96/22/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1996 betreffende het
gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met thyreostatische
werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de
Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG L 125);
e. richtlijn nr. 97/78/EG: Richtlijn nr. 97/78/EG van de Raad van
de Europese Unie van 18 december 1997 tot vaststelling van de
beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor
producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden
binnengebracht (PbEG L 24);
g. richtlijn nr. 2006/88/EG: Richtlijn nr. 2006/88/EG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 24 oktober 2006, betreffende
veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de
producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van
bepaalde ziekten bij waterdieren (PbEG L 328);
h. verordening nr. 136/2004: Verordening (EG) nr. 136/2004 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 januari 2004 tot
vaststelling van procedures voor de veterinaire controles in de
grensinspectieposten van de Gemeenschap bij het binnenbrengen van
producten uit derde landen (PbEU 21);
i. verordening nr. 282/2004: Verordening (EG) nr. 282/2004 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 februari 2004
betreffende de vaststelling van een document voor de aangifte en de
veterinaire controle van uit derde landen afkomstige dieren die in
de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEU L 49);
j. verordening nr. 882/2004: Verordening (EG) nr. 882/2004 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april
2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving
inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake
diergezondheid en dierenwelzijn (PbEU L 165);
k. verordening nr. 853/2004: Verordening (EG) nr. 853/2004 van
het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende
vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor
levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Pb L 139);
l. beschikking 93/444/EEG: Beschikking van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 houdende
toepassingsbepalingen inzake het intracommunautaire handelsverkeer
van bepaalde levende dieren en produkten die bestemd zijn voor
uitvoer naar derde landen (PbEG L 208).
Artikel 1.1.2
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister: de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
b. VWA: Voedsel en Waren Autoriteit;
c. ambtenaar: ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid,
van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
d. lidstaat: land, niet zijnde Nederland, dat lid is van de
Europese Gemeenschappen;
e. derde land: land, niet zijnde Nederland en niet zijnde een
lidstaat;
f. communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking
als bedoeld in artikel 249 van het EG-verdrag;
g. communautaire uitvoeringsmaatregel: verordening, richtlijn of
beschikking als bedoeld in artikel 249 van het EG-verdrag,
vastgesteld krachtens een communautaire maatregel, genoemd in
artikel 1.1.1;
h. aquacultuurdier: aquacultuurdier als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel b, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
i. aquacultuurproductiebedrijf: aquacultuurproductiebedrijf als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn nr.
2006/88/EG;
j. waterdier: waterdier als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel e, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
k. aquacultuurverwerkingsbedrijf: levensmiddelenbedrijf dat
overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 erkend is
met het oog op het verwerken van aquacultuurdieren voor
voedingsdoeleinden;
l. kwekerij: kwekerij als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel h, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
m. kweekgebied van weekdieren: kweekgebied van weekdieren als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, van richtlijn nr.
2006/88/EG;
n. waterdier voor sierdoeleinden: waterdier voor sierdoeleinden
als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, van richtlijn nr.
2006/88/EG;
o. in de handel brengen: de verkoop, met inbegrip van het te koop
aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht,
alsmede iedere vorm van verplaatsing van aquacultuurdieren in
Nederland en in een lidstaat;
p. put-en-take-visbedrijven: put-en-take-visbedrijven als bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onderdeel n, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
q. wild waterdier: wild waterdier als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel p, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
r. compartiment: compartiment als bedoeld in bijlage I, onderdeel
a, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
s. epizoötiologische eenheid: epizoötiologische eenheid als
bedoeld in bijlage I, onderdeel g, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
t. verdere verwerking: verdere verwerking als bedoeld in bijlage
I, onderdeel i, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
u. verhoogde sterfte: een onverklaarbaar aantal sterfgevallen dat
aanzienlijk boven het onder gegeven omstandigheden voor de kwekerij
of het kweekgebied van weekdieren in kwestie normale niveau ligt;
v. quarantaine: quarantaine als bedoeld in bijlage I, onderdeel
m, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
w. gevoelige soort: gevoelige soort als bedoeld in bijlage I,
onderdeel n, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
x. gebied: gebied als bedoeld in bijlage I, onderdeel p, van
richtlijn nr. 2006/88/EG;
y. erkende inspectiepost: op Nederlands grondgebied gelegen
inspectiepost die is aangewezen en erkend overeenkomstig het
bepaalde in artikel 6 van richtlijn nr. 91/496/EEG voor zover het de
in- of doorvoer van aquacultuurdieren betreft onderscheidenlijk het
bepaalde in artikel 6 van richtlijn nr. 97/78/EG voor zover het de
in- of doorvoer van producten van aquacultuurdieren betreft;
z. importeur: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die
aquacultuurdieren of producten daarvan met het oog op de invoer of
doorvoer bij een erkende inspectiepost ten onderzoek aanbiedt dan
wel zijn gemachtigde;
aa. partij aquacultuurdieren: hoeveelheid aquacultuurdieren van
dezelfde soort die met een zelfde vervoermiddel wordt vervoerd en
afkomstig is uit een zelfde land;
bb. partij producten van aquacultuurdieren: hoeveelheid
aquacultuurprodukten van dezelfde soort die met een zelfde
vervoermiddel wordt vervoerd en afkomstig is uit een zelfde land;
cc. doorvoer: vervoer over Nederlands grondgebied van een partij
afkomstig uit een lidstaat of een derde land, naar een lidstaat of
derde land;
dd. punt van uitgang: douanekantoor van uitgang, of een in een
andere lidstaat gelegen plaats als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
onderdeel a, van beschikking 93/444/EEG, van waaruit de betrokken
partij aquacultuurdieren of producten daarvan rechtstreeks naar het
derde land van bestemming worden doorgevoerd;
ee. douane-entrepot: opslagruimte als bedoeld in Verordening (EEG)
nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12
oktober 1992 (PbEG L 302);
ff. vrij entrepot: opslagruimte als bedoeld in Verordening (EEG)
nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12
oktober 1992 (PbEG L 302);
gg. belanghebbende bij de lading: belanghebbende bij de lading
als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van richtlijn nr.
97/78/EG;
hh. diergezondheidscertificaat: certificaat als bedoeld in
artikel 14 van richtijn nr. 2006/88/EG.
§ 1.2. Communautaire aspecten
Artikel 1.2.1
1.De bevoegde autoriteit, bedoeld in een communautaire maatregel,
die is genoemd in artikel 1.1.1, en in een communautaire
uitvoeringsmaatregel, is de Minister.
2.In afwijking van het eerste lid, is ingeval een communautaire
maatregel of een communautaire uitvoeringsmaatregel de bevoegde
autoriteit een taak opdraagt die niet bestaat uit het nemen van een
besluit, de bevoegde autoriteit de VWA.
3.De officiële dierenarts, bedoeld in een communautaire
uitvoeringsmaatregel en in deze regeling, is een dierenarts, verbonden
aan de VWA.
Artikel 1.2.2
Ingeval in een bepaling van deze regeling is verwezen naar een
communautaire uitvoeringsmaatregel, maar niet een dergelijke
communautaire uitvoeringsmaatregel geldt, geldt voor de toepassing van
deze regeling dat er is voldaan aan de desbetreffende bepaling van deze
regeling.
Artikel 1.2.3
Een communautaire uitvoeringsmaatregel, of een wijziging daarvan,
treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met ingang van de
dag waarop daaraan uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, of bij
gebreke daarvan, de dag waarop de maatregel is vastgesteld.
§ 1.3. Overige algemene bepalingen
Artikel 1.3.1
Op het brengen in en buiten Nederland van aquacultuurdieren en de
producten daarvan vanuit, onderscheidenlijk naar Noorwegen en IJsland
zijn:
a. de bepalingen inzake de handel met derde landen niet van
toepassing;
b. de bepalingen inzake de intracommunautaire handel van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.2
Deze regeling is niet van toepassing op:
a. waterdieren voor sierdoeleinden gekweekt in niet-commerciële
aquaria;
b. waterdieren uit het wild verzameld of gevangen die
rechtstreeks voor de voedselketen bestemd zijn, en
c. waterdieren gevangen voor de productie van vismeel, visvoer,
visolie en soortgelijke producten.
Artikel 1.3.3
Titel 2, 3, 5, paragrafen 5.1 tot en met 5.4, en 5.6 zijn niet van
toepassing wanneer waterdieren voor sierdoeleinden worden gehouden in
dierenwinkels, tuincentra, tuinvijvers, commerciële aquaria of bij
groothandelaren:
a. waarvan het water niet in rechtstreeks contact staat met
natuurlijke wateren, of
b. die over een systeem voor de behandeling van effluenten
beschikken waardoor het risico van de overdracht van ziekten naar
natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.
Artikel 1.3.4
In geval van overtreding van de voorschriften uit de titels 2 tot en
met 5, kan de Minister maatregelen nemen als bedoeld in en
overeenkomstig artikel 54 van verordening nr. 882/2004.
Titel 2. Aquacultuurproductiebedrijven,
aquacultuurverwerkingsbedrijven en vervoerders van aquacultuurdieren
§ 2.1. Vergunning- en registratieplicht
Artikel 2.1.1
1.Het is verboden om een aquacultuurproductiebedrijf, of een
aquacultuurverwerkingsbedrijf dat aquacultuurdieren slacht met het oog
op ziektebestrijding, te exploiteren zonder een door de Minister
verleende vergunning.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
a. andere voorzieningen dan aquacultuurproductiebedrijven en
aquacultuurverwerkingsbedrijven, waar niet voor de handel bestemde
waterdieren worden gehouden;
b. put-en-take-visbedrijven, en
c. aquacultuurproductiebedrijven die aquacultuurdieren
uitsluitend voor menselijke consumptie in de handel brengen
overeenkomstig artikel 1, derde lid, onderdeel c, van verordening
(EG) nr. 853/2004;
mits deze aquacultuurproductiebedrijven zijn geregistreerd door de
Minister.
Artikel 2.1.2
1.De vergunning, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, wordt door
de Minister op aanvraag verleend aan een aquacultuurproductiebedrijf,
indien de exploitant van dit bedrijf bij de aanvraag:
a. op afdoende wijze aantoont dat het bedrijf gedurende de
exploitatie kan voldoen aan de eisen gesteld in artikel 2.1.5, en
b. de gegevens, genoemd in bijlage II, deel I, onderdeel 1,
subonderdelen a en c tot en met g, van richtlijn nr. 2006/88/EG,
verstrekt.
2.Indien meerdere aquacultuurproductiebedrijven voor weekdieren
zich bevinden in één kweekgebied van weekdieren, kan op aanvraag
één collectieve vergunning worden verleend, mits door alle
aanvragende aquacultuurproductiebedrijven aan de voorwaarden uit het
eerste lid wordt voldaan.
3.Het tweede lid is niet van toepassing op verzendingscentra,
zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven.
4.Bij een aanvraag voor een collectieve vergunning als bedoeld in
het tweede lid worden, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b,
de gegevens, genoemd in bijlage II, deel I, onderdeel 1, subonderdelen
c tot en met g van richtlijn nr. 2006/88/EG, voor het hele kweekgebied
verstrekt.
Artikel 2.1.3
De vergunning, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, wordt door de
Minister op aanvraag verleend aan een aquacultuurverwerkingsbedrijf dat
aquacultuurdieren slacht met het oog op ziektebestrijding, indien dit
bedrijf bij de aanvraag:
a. op afdoende wijze aantoont dat het bedrijf gedurende de
exploitatie kan voldoen aan de eisen gesteld in artikel 2.1.6, en
b. de gegevens, genoemd in bijlage II, deel II, onderdelen a en c
tot en met e, van richtlijn nr. 2006/88/EG, verstrekt.
Artikel 2.1.4
In afwijking van de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 wordt een vergunning
niet verleend indien uit de vergunningaanvraag blijkt dat de
activiteiten van het bedrijf leiden tot een onaanvaardbaar risico van
verspreiding van de ziekten naar kwekerijen, kweekgebieden van
weekdieren of bestanden van wilde waterdieren in de omgeving van
kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren.
Artikel 2.1.5
Een vergunninghoudend aquacultuurproductiebedrijf:
a. past goede hygiënische methoden toe om de insleep en de
verspreiding van ziekten te voorkomen;
b. past in alle tot het bedrijf behorende kwekerijen en
kweekgebieden voor weekdieren een programma voor de bewaking van de
diergezondheid als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van richtlijn
nr. 2006/88/EG, toe;
c. houdt een register bij met daarin de volgende gegevens:
1°. alle verplaatsingen van aquacultuurdieren en producten
daarvan, naar en van de kwekerij of het kweekgebied van
weekdieren, op zodanige wijze dat het traceren van de plaatsen
van oorsprong en bestemming kan worden gewaarborgd;
2°. de mortaliteit in iedere epizoötiologische eenheid, al
naar gelang het productietype;
3°. de resultaten van het op het bedrijf toegepaste
programma voor de bewaking van de diergezondheid, en
d. hanteert een systeem waaruit blijkt dat aan de vereisten
genoemd in de onderdelen a tot en met c is voldaan.
Artikel 2.1.6
Een vergunninghoudend aquacultuurverwerkingsbedrijf:
a. houdt een register bij met daarin gegevens over alle
verplaatsingen van aquacultuurdieren en producten daarvan, naar en
van het bedrijf, en
b. past goede hygiënische methoden toe om de insleep en de
verspreiding van ziekten te voorkomen.
Artikel 2.1.7
1.Indien een vergunninghoudend aquacultuurproductiebedrijf of een
vergunninghoudend aquacultuurverwerkingsbedrijf niet meer voldoet aan
de eisen gesteld in artikel 2.1.5 respectievelijk artikel 2.1.6, kan
de Minister de vergunning schorsen of intrekken.
2.De schorsing kan worden beëindigd indien ten genoegen van de
Minister is aangetoond dat het aquacultuurproductiebedrijf of het
aquacultuurverwerkingsbedrijf dat aquacultuurdieren slacht met het oog
op ziektebestrijding, weer volledig aan de eisen gesteld in artikel
2.1.5 respectievelijk artikel 2.1.6 voldoet.
Artikel 2.1.8
Bij een aanvraag tot registratie als bedoeld in artikel 2.1.1, tweede
lid, worden door de exploitant de gegevens, genoemd in bijlage II, deel
I, onderdeel 1, subonderdelen a en f, van richtlijn nr. 2006/88/EG,
verstrekt.
§ 2.2. Openbaar register
Artikel 2.2.1
1.De Minister houdt een openbaar register bij van
aquacultuurproductiebedrijven en vergunninghoudende
aquacultuurverwerkingsbedrijven.
2.In het register, bedoeld in het eerste lid, worden opgenomen:
a. voor vergunninghoudende aquacultuurproductiebedrijven, de
gegevens omschreven in bijlage II, deel I, onderdeel I, van
richtlijn nr. 2006/88/EG;
b. voor geregistreerde aquacultuurproductiebedrijven, de
gegevens omschreven in bijlage II, deel I, onderdeel I,
subonderdelen a, b en f, van richtlijn nr. 2006/88/EG;
c. voor vergunninghoudende aquacultuurverwerkingsbedrijven, de
gegevens omschreven in bijlage II, deel II, van richtlijn nr.
2006/88/EG.
§ 2.3. Vervoer van aquacultuurdieren
Artikel 2.3.1
Vervoerders van aquacultuurdieren houden een register bij met daarin
de volgende gegevens:
a. de mortaliteit tijdens het vervoer, voor zover dit voor het
soort vervoer en de vervoerde soorten in de praktijk mogelijk is;
b. naam en adres van de door het vervoermiddel bezochte
kwekerijen, kweekgebieden voor weekdieren en
aquacultuurverwerkingsbedrijven, en
c. gegevens ten aanzien van waterverversing tijdens het vervoer,
met name de herkomst van nieuw water en de plaats van lozing van
gebruikt water.
Artikel 2.3.2
1.Bij vervoer van aquacultuurdieren neemt de vervoerder zodanige
beschermingsmaatregelen dat:
a. de gezondheidsstatus van de aquacultuurdieren gedurende het
vervoer van die dieren niet wijzigt;
b. het risico van verspreiding van de in bijlage IV, deel II,
vermelde ziekten afneemt, en
c. de gezondheidsstatus van aquacultuurdieren op de plaats van
bestemming of op de doorvoerplaatsen, niet in gevaar wordt
gebracht.
2.Het verversen van water tijdens het vervoer van aquacultuurdieren
geschiedt op zodanige wijze dat de gezondheidsstatus van de vervoerde
aquacultuurdieren, van de waterdieren op de plaats waar water wordt
ververst en van de waterdieren op de plaats van bestemming, niet in
gevaar wordt gebracht.
Titel 3. Ziektevrij verklaren en goedkeuring bewakingsprogramma
§ 3.1. Ziektevrij verklaren
Artikel 3.1.1
1.De Minister kan een gebied of compartiment vrij verklaren van
één of meer van de niet-exotische ziekten, genoemd in artikel 8 van
de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke
dierziekten en zoönosen en TSE’s, indien het gebied of compartiment
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 50, eerste lid,
onderdeel a, b of c, van richtlijn nr. 2006/88/EG.
2.De Minister geeft de verklaring, bedoeld in het eerste lid,
slechts af voor een gebied of compartiment:
a. dat 75% of minder van het Nederlands grondgebied omvat;
b. dat niet bestaat uit een met een andere lidstaat of derde
land gedeeld stroomgebied, en
c. waar de op dat gebied of compartiment van toepassing zijnde
voorschriften inzake bewaking, bemonstering en diagnosemethoden
uit de krachtens artikel 50, vierde lid, van richtlijn nr.
2006/88/EG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel, zijn
toegepast.
3.De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Minister
geschorst indien de Minister redenen heeft om aan te nemen dat niet
wordt voldaan aan de eisen genoemd in het eerste lid.
4.De schorsing, bedoeld in het derde lid, wordt opgeheven indien
sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 53, tweede lid, van
richtlijn nr. 2006/88/EG.
5.De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Minister
ingetrokken indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
53, derde lid, van richtlijn nr. 2006/88/EG.
6.Na intrekking als bedoeld in het vijfde lid, kan de Minister een
gebied of compartiment opnieuw ziektevrij verklaren indien aan de
voorwaarden van bijlage V, deel II, bij richtlijn nr. 2006/88/EG is
voldaan.
Titel 4. Handel in aquacultuurdieren en de producten daarvan
§ 4.1. Diergezondheidscertificering
Artikel 4.1.1
1.Het is verboden om aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor één
of meer van de in bijlage IV, deel II, van richtlijn nr. 2006/88/EG
vermelde ziekten in de handel te brengen voor de kweek, de uitzetting
in het wild of de verdere verwerking met het oog op menselijke
consumptie in een lidstaat, respectievelijk een gebied of een
compartiment:
a. die op grond van artikel 49 van richtlijn nr. 2006/88/EG,
respectievelijk dat op grond van artikel 3.1.1, vrij is verklaard
van de betreffende ziekte of ziekten, of
b. waar een bewakings- of uitroeiingsprogramma als bedoeld in
artikel 44 van richtlijn nr. 2006/88/EG geldt voor desbetreffende
ziekte of ziekten.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op
het in de handel brengen van aquacultuurdieren voor verdere verwerking
met het oog op menselijke consumptie van vis indien de vis voorafgaand
aan verzending is geslacht en gestript, en van weekdieren en
schaaldieren indien deze in de vorm van niet-verwerkte of verwerkte
producten zijn verzonden.
3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien door de Minister ten aanzien van de dieren een
diergezondheidscertificaat is afgegeven.
§ 4.1.a. Communautaire uitvoeringsmaatregelen
Artikel 4.1.1a
1. Het is verboden aquacultuurdieren, of producten daarvan, in de
handel te brengen.
2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien is
voldaan aan de op grond van artikel 61, derde lid, van richtlijn nr.
2006/88/EG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregelen ten
aanzien van het in de handel brengen van de betreffende dieren of
producten.
§ 4.2. Handel in aquacultuurdieren bestemd voor de kweek, voor
uitzetting in het wild of voor uitzetting in put-en-take-visbedrijven
Artikel 4.2.1
1.Het is verboden om aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor één
of meer van de in bijlage IV, deel II, van richtlijn nr. 2006/88/EG
vermelde ziekten, voor kweekdoeleinden in de handel te brengen, die:
a. niet klinisch gezond zijn, of
b. afkomstig zijn van een kwekerij of kweekgebied van
weekdieren waar zich een onopgeloste verhoogde sterfte voordoet.
2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan de Minister
toestaan dat bedoelde aquacultuurdieren in de handel worden gebracht
indien zij afkomstig zijn uit een gedeelte van deze kwekerij of dit
kweekgebied van weekdieren dat onafhankelijk is van de
epizoötiologische eenheid waar de verhoogde sterfte zich heeft
voorgedaan.
Artikel 4.2.2
Het is verboden om aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor één of
meer van de in bijlage IV, deel II, van richtlijn nr. 2006/88/EG
vermelde ziekten, voor uitzetting in het wild of voor uitzetting in
put-en-take-visbedrijven in de handel te brengen, die:
a. niet klinisch gezond zijn;
b. afkomstig zijn van een kwekerij of kweekgebied van weekdieren
waar zich een onopgeloste verhoogde sterfte voordoet, of
c. afkomstig zijn uit een kwekerij of kweekgebied van weekdieren
met een gezondheidsstatus als bedoeld in bijlage III, deel A, van
richtlijn nr. 2006/88/EG, die lager is dan de gezondheidsstatus van
de wateren waarin zij worden uitgezet.
Artikel 4.2.3
1.Het is verboden om aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor één
of meer van de in bijlage IV, deel II, van richtlijn nr. 2006/88/EG
vermelde ziekten, in de handel te brengen voor de kweek of voor
uitzetting in het wild in een lidstaat, respectievelijk een gebied of
een compartiment:
a. die op grond van artikel 49 van richtlijn nr. 2006/88/EG,
respectievelijk dat op grond van artikel 3.1.1, vrij is verklaard
van de betreffende ziekte of ziekten, of
b. waar een bewakings- of uitroeiingsprogramma als bedoeld in
artikel 44 van richtlijn nr. 2006/88/EG geldt voor de betreffende
ziekte of ziekten.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien:
a. de aquacultuurdieren afkomstig zijn uit een lidstaat die, of
een gebied of compartiment dat, op grond van artikel 49, of
artikel 50, van richtlijn nr. 2006/88/EG, respectievelijk artikel
3.1.1, vrij is verklaard van de betreffende ziekte of ziekten, of
b. de bedoelde aquacultuurdieren behoren tot soorten en zich
bevinden in de levensstadia die voorkomen op de lijst die is
vastgesteld op grond van artikel 16, tweede lid, van richtlijn nr.
2006/88/EG.
Artikel 4.2.4
1. Het is verboden om aquacultuurdieren die behoren tot soorten en
zich bevinden in levensstadia die voorkomen op de lijst die is
vastgesteld op grond van artikel 17, tweede lid, van richtlijn nr.
2006/88/EG, in de handel te brengen voor de kweek of voor uitzetting
in het wild in een lidstaat, respectievelijk een gebied of een
compartiment:
a. die op grond van artikel 49 van richtlijn nr. 2006/88/EG,
respectievelijk dat op grond van artikel 3.1.1, vrij is verklaard
van de betreffende ziekte of ziekten, of
b. waar een bewakings- of uitroeiingsprogramma als bedoeld in
artikel 44 van richtlijn nr. 2006/88/EG geldt voor de betreffende
ziekte of ziekten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien:
a. de aquacultuurdieren afkomstig zijn uit een lidstaat die, of
een gebied of compartiment dat, op grond van artikel 49, of
artikel 50, van richtlijn nr. 2006/88/EG, respectievelijk artikel
3.1.1, vrij is verklaard van de betreffende ziekte of ziekten, of
b. de aquacultuurdieren gedurende een passende tijd op zodanige
wijze in quarantainevoorzieningen worden gehouden in water dat
vrij is van het desbetreffende pathogeen, dat het risico van
overdracht van de betreffende ziekte of ziekten tot een
aanvaardbaar niveau is teruggebracht.
3. Ten aanzien van de quarantaine, bedoeld in het tweede lid, wordt
voldaan aan de op grond van artikel 61, derde lid, van richtlijn nr.
2006/88/EG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregelen.
§ 4.3. Handel in, en opslaan van aquacultuurdieren en producten
daarvan, bestemd voor menselijke consumptie
Artikel 4.3.1
Deze paragraaf is niet van toepassing op de handel in
aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor één of meer van de in bijlage
IV, deel II, van richtlijn nr. 2006/88/EG vermelde ziekten, of de
producten daarvan, die:
a. zonder verdere verwerking zijn bedoeld voor menselijke
consumptie, en
b. zijn verpakt in detailverpakkingen die voldoen aan de
bepalingen inzake verpakking en etikettering van verordening nr.
853/2004.
Artikel 4.3.2
1.Het is verboden om aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor één
of meer van de in bijlage IV, deel II, van richtlijn nr. 2006/88/EG
vermelde niet-exotische ziekten, of de producten daarvan, in de handel
te brengen voor verdere verwerking met het oog op menselijke
consumptie in een lidstaat, respectievelijk een gebied of een
compartiment:
a. die op grond van artikel 49 van richtlijn nr. 2006/88/EG,
respectievelijk dat op grond van artikel 3.1.1, vrij is verklaard
van de betreffende ziekte of ziekten, of
b. waar een bewakings- of uitroeiingsprogramma als bedoeld in
artikel 44 van richtlijn nr. 2006/88/EG geldt voor de betreffende
ziekte of ziekten.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien:
a. de aquacultuurdieren of producten daarvan, afkomstig zijn
uit een lidstaat die, of een gebied of compartiment dat, op grond
van artikel 49, of artikel 50, van richtlijn nr. 2006/88/EG,
respectievelijk artikel 3.1.1, vrij is verklaard van
desbetreffende ziekte of ziekten;
b. de aquacultuurdieren of producten daarvan, zijn verwerkt in
een vergunninghoudend aquacultuurverwerkingsbedrijf onder
omstandigheden die de verspreiding van ziekten voorkomen;
c. vis voorafgaand aan verzending is gestript, of
d. weekdieren en schaaldieren in de vorm van niet-verwerkte of
van verwerkte producten zijn verzonden.
Artikel 4.3.3
1.Het is verboden om levende aquacultuurdieren die gevoelig zijn
voor één of meer van de in bijlage IV, deel II, van richtlijn nr.
2006/88/EG vermelde niet-exotische ziekten, of de producten daarvan,
op de plaats van verwerking op te slaan wanneer deze in de handel
worden gebracht voor verdere verwerking in een lidstaat,
respectievelijk een gebied of een compartiment:
a. die op grond van artikel 49 van richtlijn nr. 2006/88/EG,
respectievelijk dat op grond van artikel 3.1.1, vrij is verklaard
van desbetreffende ziekte of ziekten, of
b. waar een bewakings- of uitroeiingsprogramma als bedoeld in
artikel 44 van richtlijn nr. 2006/88/EG geldt voor de betreffende
ziekte of ziekten.
2.Het is verboden om levende weekdieren en schaaldieren die
gevoelig zijn voor één of meer van de in bijlage IV, deel II, van
richtlijn nr. 2006/88/EG vermelde ziekten, in wateren uit te zetten of
in verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven
binnen te brengen.
3.De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van
toepassing indien de dieren of producten daarvan:
a. afkomstig zijn uit een lidstaat die, of een gebied of
compartiment dat, op grond van artikel 49, of artikel 50, van
richtlijn nr. 2006/88/EG, respectievelijk artikel 3.1.1, vrij is
verklaard van de betreffende ziekte of ziekten, of
b. tijdelijk in verzendingscentra, zuiveringscentra of
soortgelijke bedrijven worden gehouden die over systemen voor de
behandeling van effluenten beschikken waarmee de desbetreffende
pathogenen geïnactiveerd worden of waar de effluenten andere
behandelingen ondergaan, waardoor het risico van overdracht van de
betreffende ziekte of ziekten naar de natuurlijke wateren tot een
aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.
§ 4.4. Uitzetten van wilde waterdieren in een kwekerij of een
kweekgebied van weekdieren
Artikel 4.4.1
1. Het is verboden om wilde waterdieren die gevoelig zijn voor
één of meer van de in bijlage IV, deel II, van richtlijn nr.
2006/88/EG vermelde ziekten en die zijn gevangen in een lidstaat die
niet, of een gebied of compartiment dat niet, op grond van artikel 49,
of artikel 50, van richtlijn nr. 2006/88/EG, respectievelijk artikel
3.1.1, vrij is verklaard van de betreffende ziekte of ziekten, uit te
zetten in een kwekerij of kweekgebied van weekdieren in een lidstaat,
respectievelijk een gebied of een compartiment:
a. die op grond van artikel 49 van richtlijn nr. 2006/88/EG,
respectievelijk dat op grond van artikel 3.1.1, vrij is verklaard
van de betreffende ziekte of ziekten, of
b. waar een bewakings- of uitroeiingsprogramma als bedoeld in
artikel 44 van richtlijn nr. 2006/88/EG geldt voor de betreffende
ziekte of ziekten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien de wilde waterdieren voordat deze worden uitgezet in een
kwekerij of kweekgebied als bedoeld in het eerste lid in
quarantainevoorzieningen worden gehouden gedurende een periode die
lang genoeg is om het risico van overdracht van de ziekte of ziekten
tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.
3. Ten aanzien van de quarantaine, bedoeld in het tweede lid, wordt
voldaan aan de op grond van artikel 61, derde lid, van richtlijn nr.
2006/88/EG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregelen.
§ 4.5. Handel in waterdieren voor sierdoeleinden
Artikel 4.5.1
1.Het is verboden om waterdieren voor sierdoeleinden in de handel
te brengen.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien de gezondheidsstatus van waterdieren met betrekking tot de in
bijlage IV, deel II, vermelde ziekten, door het in de handel brengen
niet in gevaar komt.
§ 4.6. Ontheffing
Artikel 4.6.1
De verboden, bedoeld in deze titel, zijn niet van toepassing op het
in de handel brengen van aquacultuurdieren en de producten daarvan voor
wetenschappelijke doeleinden, mits de Minister daarvoor op aanvraag
toestemming heeft verleend.
Titel 5. Binnenbrengen van aquacultuurdieren en de producten daarvan
uit derde landen
Artikel 5.1.1
1. Het is verboden om aquacultuurdieren, of de producten daarvan,
uit derde landen in Nederland te brengen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
indien:
a. de aquacultuurdieren of de producten daarvan afkomstig zijn
uit een derde land dat voorkomt op de lijst die is vastgesteld op
grond van artikel 22 van richtlijn nr. 2006/88/EG;
b. de aquacultuurdieren of de producten daarvan vergezeld gaan
van een gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 24 van
richtlijn 2006/88/EG, in welk certificaat in ieder geval:
1°. wordt bevestigd dat bedoelde aquacultuurdieren voldoen
aan de voorschriften van richtlijn nr. 2006/88/EG, en
2°. wordt bevestigd dat bedoelde aquacultuurdieren voldoen
aan de bijzondere invoer- en andere voorwaarden gesteld in de
krachtens artikel 25 van richtlijn nr. 2006/88/EG vastgestelde
communautaire uitvoeringsmaatregel, en
c. ten aanzien van de aquacultuurdieren is voldaan aan de op
grond van de artikelen 25 en 61, derde lid, van richtlijn nr.
2006/88/EG en artikel 10, derde en vierde lid, van richtlijn nr.
91/496/EEG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregelen
inzake de quarantaine van de betreffende dieren.
Titel 6. De in- en doorvoer van aquacultuurdieren
§ 6.1. Algemeen
Artikel 6.1.1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ‘handelaar’
verstaan elke natuurlijke of rechtspersoon die aquacultuurdieren met het
oog op de verhandeling onder zich heeft.
Artikel 6.1.2
De in- en doorvoer van aquacultuurdieren is verboden.
§ 6.2. In- en doorvoer vanuit Lid-Staten
Artikel 6.2.1
Het verbod, bedoeld in artikel 6.1.2, is niet van toepassing op de
in- en doorvoer van aquacultuurdieren die zijn verzonden:
a. vanuit een lidstaat;
b. vanuit een derde land, en via het grondgebied van een lidstaat
in het kader van de in- of doorvoer op Nederlands grondgebied worden
gebracht;
mits, voor zover van toepassing, wordt voldaan aan de artikelen 6.2.2
tot en met 6.2.8.
Artikel 6.2.2
1.De aquacultuurdieren zijn niet afkomstig van een plaats als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn nr.
90/425/EEG, of een compartiment of gebied dat aan diezelfde eisen
voldoet.
2.Het eerste lid geldt niet voor aquacultuurdieren bestemd voor een
lidstaat, of een compartiment of gebied in die lidstaat, voor zover
het buiten Nederland brengen van deze dieren op grond van richtlijn
nr. 2006/88/EG is toegestaan.
3.De partij aquacultuurdieren gaat in het kader van:
– de invoer, tot en met de ontvangst door de ontvanger,
genoemd in de onder a, b of c, bedoelde documenten, alsmede
– de doorvoer, tijdens het vervoer over Nederlands
grondgebied, voor zover de partij is verzonden uit een derde land,
en via het grondgebied van een lidstaat in het kader van de in- of
doorvoer op Nederlands grondgebied worden gebracht, vergezeld van:
a. het Gemeenschappelijke veterinaire document van
binnenkomst, bedoeld in verordening nr. 282/2004;
b. het document, onderscheidenlijk de documenten, bedoeld
in artikel 7, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van
richtlijn nr. 91/496/EEG, en
c. het diergezondheidscertificaat, in die gevallen waarin
artikel 4.1.1 dit voorschrijft.
4.De in het derde lid bedoelde documenten zijn volledig ingevuld,
gedagtekend en ondertekend en voldoen, in voorkomend geval, aan
artikel 6.2.7 onderdelen d en e. Voorts is de geldigheidsduur ervan
niet verstreken en zijn zij in overeenstemming met communautaire
maatregelen afgegeven.
Artikel 6.2.3
1.De ontvanger van aquacultuurdieren, bedoeld in artikel 6.2.2,
derde lid, meldt of doet melden de aankomst van elke partij
aquacultuurdieren bij de VWA tussen 08.00 uur en 17.00 uur en ten
laatste op de dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of een algemeen
erkende feestdag, voorafgaand aan de dag van aankomst op de plaats van
bestemming. Bij die melding wordt mededeling gedaan van het
vermoedelijke tijdstip van aankomst en de aard en omvang van de
partij.
2.De ontvanger volgt de instructies op die de ambtenaar hem of
degene die namens hem is opgetreden heeft gegeven in verband met een
controle. Op verzoek van de ambtenaar biedt de ontvanger de partij ter
onderzoek aan en overlegt de in artikel 6.2.2, derde lid, bedoelde
documenten. Bij een zodanig onderzoek verleent hij alle medewerking en
verstrekt hij alle inlichtingen die voor het onderzoek noodzakelijk
worden geacht.
3.De ontvanger van de aquacultuurdieren bewaart de in artikel
6.2.2, derde lid, bedoelde documenten ten minste zes maanden vanaf de
aanvoer van die dieren.
Artikel 6.2.4
Artikel 6.2.3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de
vervoerder van de aquacultuurdieren.
Artikel 6.2.5
1.De bij de in- of doorvoer van de aquacultuuurdieren betrokken
handelaar, is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 9.1.4,
eerste lid.
2.De inschrijving in het register, bedoeld in het eerste lid, is
niet getroffen door een beslissing als bedoeld in artikel 9.1.4, derde
lid.
Artikel 6.2.6
1.Krachtens communautaire maatregelen zijn geen maatregelen
genomen:
a. houdende de instelling van een verbod om de
aquacultuurdieren uit de betrokken lidstaat uit te voeren;
b. houdende de machtiging tot de instelling van een verbod om
de betreffende dieren in Nederland in te voeren, of in het kader
van de doorvoer op Nederlands grondgebied te brengen;
c. op grond waarvan de lidstaat van verzending gehouden is de
afgifte van documenten, bedoeld in deze regeling, zulks in verband
met de invoer in, onderscheidenlijk de doorvoer door Nederland, op
te schorten.
2.Ingevolge de regelgeving van de lidstaat van verzending is er
geen verbod om de betrokken aquacultuurdieren op het grondgebied van
die lidstaat in de handel te brengen.
Artikel 6.2.7
Indien de aquacultuurdieren zijn verzonden vanuit een lidstaat en
bestemd zijn voor een derde land:
a. blijft het vervoer van de betreffende partij, indien zij onder
douanetoezicht is geplaatst, onder dat toezicht tot de plaats waar
het Nederlands grondgebied wordt verlaten;
b. gaat, indien het punt van uitgang is gelegen in Nederland, de
betreffende partij, vergezeld van het diergezondheidscertificaat, in
die gevallen waar artikel 4.1.1 dit voorschrijft;
c. wordt de betreffende partij, indien de doorvoer vanuit
Nederland rechtstreeks naar het derde land van bestemming
plaatsvindt, doorgevoerd via het punt van uitgang dat op het in
onderdeel b bedoelde document is vermeld;
d. geldt ter zake van het in onderdeel b bedoelde document dat:
1°. zij in ten minste één van de talen van de lidstaat van
oorsprong is gesteld en in de Nederlandse taal of, indien de
partij bestemd is om te worden doorgevoerd via een andere
lidstaat, tevens in één van de talen van de lidstaat waar zich
het punt van uitgang bevindt;
2°. daarop het punt van uitgang als plaats van bestemming is
vermeld;
3°. daarop als ontvanger is vermeld, met naam en adres, de
handelaar, bedoeld in onderdeel e, dan wel, ingeval de partij
bestemd is om te worden doorgevoerd via een andere lidstaat, de
ontvanger bij het punt van uitgang, bedoeld in artikel 4, tweede
gedachtenstreepje, van beschikking 93/444/EEG;
e. gaat de partij vergezeld van veterinaire documenten of
certificaten die aan de veterinaire voorschriften van het derde land
van bestemming voldoen, tenzij op het document, bedoeld in onderdeel
b, de vermelding ‘Dieren of producten voor uitvoer naar (naam van
het derde land)’ voorkomt, waarbij de naam van het derde land van
bestemming als het gedeelte tussen haakjes is opgenomen;
f. is artikel 6.2.5 van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de handelaar die in Nederland bij het punt van uitgang bij de
doorvoer van de partij betrokken is, en
g. vindt het vervoer van de partij, indien deze niet aan de
voorschriften van richtlijn nr. 2006/88/EG voldoet, slechts plaats
indien de Minister daartoe vooraf toestemming heeft verleend.
Artikel 6.2.8
1.Indien bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6.2.3, tweede lid,
en artikel 9.1.4, tweede lid, of bij een controle tijdens het vervoer
in het kader van de in- of doorvoer, wordt vermoed of geconstateerd
dat:
a. er verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn nr.
90/425/EEG, aanwezig zijn;
b. dat aquacultuurdieren afkomstig zijn uit een met een
epidemische dierziekte besmet gebied,
worden de daarbij betrokken aquacultuurdieren in afzondering
geplaatst of gedood of vernietigd, al naar gelang de Minister
daaromtrent heeft besloten.
2.Indien bij een controle of onderzoek als bedoeld in het eerste
lid, wordt vermoed of geconstateerd dat niet is voldaan aan de overige
voorschriften van deze regeling dan wel aan de van toepassing zijnde
communautaire maatregelen, kan de Minister gelasten dat de
aquacultuurdieren in tijdelijke afzondering worden geplaatst, dan wel
wordt één van de maatregelen, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel b, van richtlijn nr. 90/425/EEG uitgevoerd, al naar gelang
de Minister daaromtrent, overeenkomstig de keuze van de afzender of
diens gemachtigde en mits zulks mogelijk is op grond van
veterinairrechtelijke voorschriften, heeft besloten.
Deze maatregelen kunnen tevens door de Minister worden genomen in
het in artikel 6.2.7 bedoelde geval, indien zich tijdens het vervoer
andere onregelmatigheden voordoen dan als bedoeld in de eerste volzin,
of indien het derde land van bestemming de aquacultuurdieren weigert,
mits voor Nederland de waarborgen, bedoeld in artikel 2, tweede lid,
van beschikking 93/444/EEG, gelden.
3.Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt ter
kennis gebracht van de afzender of diens gemachtigde met vermelding
van de redenen. Desgevraagd geschiedt die kennisgeving schriftelijk
met vermelding van de datum en het uur, waarop het besluit is genomen.
4.Een besluit als bedoeld in het eerste of het tweede lid, laat
onverlet het recht van de afzender van de aquacultuurdieren om,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, tweede lid, vierde alinea,
van richtlijn nr. 90/425/EEG, het advies van een veterinair deskundige
in te winnen, met dien verstande dat de Minister te allen tijde kan
beslissen om de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk
uit te voeren, indien zulks noodzakelijk is om redenen van de
bescherming van de diergezondheid.
5.De kosten, die uit het eerste of tweede lid bedoelde maatregelen
voortvloeien, komen voor rekening van de afzender of diens gemachtigde
dan wel van degene die met de zorg voor de betrokken aquacultuurdieren
is belast.
§ 6.3. In- en doorvoer uit derde landen
Artikel 6.3.1
1.Het verbod, bedoeld in artikel 6.1.2, is niet van toepassing op
de invoer van aquacultuurdieren:
a. die voor het eerst op het grondgebied van de Europese
Gemeenschappen worden gebracht, en
b. verzonden zijn vanuit een derde land of een deel van een
derde land;
mits, voor zover van toepassing, is voldaan aan de in artikel 5.1.1
gestelde voorschriften, aan verordening nr. 282/2004 en aan de
artikelen 6.3.2, 6.3.4 en 6.3.7 tot en met 6.3.10.
2.Het verbod, bedoeld in artikel 6.1.2, is niet van toepassing op
de doorvoer van aquacultuurdieren:
a. die zijn verzonden vanuit een derde land en via Nederland
voor het eerste op het grondgebied van de Europese Gemeenschappen
worden gebracht;
b. waarvan de eerst volgende bestemming blijkens de bij de
partij behorende documenten een derde land is;
c. die zijn aangevoerd met een vliegtuig, onderscheidenlijk een
schip en met een vliegtuig, onderscheidenlijk een schip het
Nederlandse grondgebied rechtstreeks via dezelfde luchthaven,
onderscheidenlijk haven van aanvoer weer verlaten, en
d. die tussentijds niet in contact komen met andere partijen
aquacultuurdieren of aquacultuurproducten en, indien zij
tussentijds het transportmiddel verlaten, het daartoe door de
Minister aangewezen terrein niet verlaten, mits de zodanige
doorvoer tijdig bij de VWA is gemeld en de door de Minister
gegeven instructies worden opgevolgd;
mits, voor zover van toepassing, voldaan is aan verordening nr.
282/2004 en de artikelen 6.3.2, 6.3.4, 6.3.7 en 6.3.10.
3.Het verbod, bedoeld in artikel 6.1.2, is niet van toepassing op
de doorvoer van aquacultuurdieren:
a. die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de
Europese Gemeenschappen worden gebracht, en
b. zijn verzonden uit een derde land of een deel van een derde
land, dat is vermeld op de krachtens artikel 22 van richtlijn nr.
2006/88/EG opgestelde lijst of die, zolang die lijst niet is
vastgesteld, zijn verzonden uit derde landen;
mits, voor zover van toepassing, is voldaan aan verordening nr.
282/2004 en de artikelen 6.3.2 tot en met 6.3.10.
Artikel 6.3.2
1.Elke partij aquacultuurdieren wordt het Nederlands grondgebied
binnengebracht via een erkende inspectiepost.
2.Elke binnenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeld aan de
VWA overeenkomstig artikel 1, eerste tot en met derde lid, van
verordening nr. 282/2004.
3.Elke partij aquacultuurdieren wordt bij aankomst op de erkende
inspectiepost ten onderzoek aangeboden aan de ambtenaar op die
inspectiepost.
4.Bij het in het derde lid bedoelde onderzoek dient aan de
ambtenaar te worden overgelegd een door de officiële dierenarts
afgegeven, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend origineel
document als bedoeld in artikel 5.1.1, onderdeel b:
a. dat in overeenstemming met communautaire maatregelen is
afgegeven;
b. waaruit dient te blijken dat is voldaan aan nadere
voorwaarden die in de communautaire maatregelen zijn gesteld aan
de invoer van aquacultuurdieren vanuit het betrokken derde land of
deel van dat derde land, en
c. waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken.
5.Ten aanzien van de partij aquacultuurdieren wordt voldaan aan de
voorschriften van richtlijn nr. 2006/88/EG.
6.In geval een partij aquacultuurdieren afkomstig is uit
Nieuw-Zeeland, mag deze in afwijking van het vierde lid, vergezeld
gaan van een certificaat dat is vastgesteld bij een communautaire
maatregel ter uitvoering van de Overeenkomst van 17 december 1996
tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire
maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG
1997, L 57), indien:
a. de partij aquacultuurdieren ingevolge de vorenbedoelde
overeenkomst in elk geval op het gebied van de diergezondheid als
gelijkwaardig erkend is, en
b. de partij aquacultuurdieren aan de ingevolge vorenbedoelde
communautaire maatregel gestelde bijkomende voorwaarden voldoet.
Artikel 6.3.3
1.De belanghebbende bij de lading kan de melding van de binnenkomst
van een partij, bedoeld in artikel 6.3.2, tweede lid, op elektronische
wijze verrichten, indien de Minister daarmee heeft ingestemd.
2.De Minister kan aan zijn instemming, bedoeld in het eerste lid,
voorwaarden stellen en nadere voorschriften verbinden.
3.De Minister kan zijn instemming, bedoeld in het eerste lid in,
intrekken, indien de belanghebbende bij de lading:
a. niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede
lid, of
b. niet voldoet aan de nadere voorschriften, bedoeld in het
tweede lid.
4.Het melden van de binnenkomst, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt via een daarvoor bestemd elektronisch systeem met behulp van
een door de Minister beschikbaar gestelde toegang.
5.De Minister kan een elektronische aanmelding weigeren, indien:
a. deze niet overeenkomstig artikel 6.3.2, tweede lid, is
ingediend;
b. de aanvaarding daarvan tot een onevenredige belasting voor
de Minister zou leiden, en
c. de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van het bericht
waarmee de aanmelding is gedaan onvoldoende is gewaarborgd, gelet
op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het
wordt gebruikt.
6.De Minister deelt een weigering op grond van het vijfde lid zo
spoedig mogelijk aan de afzender mede.
7.De Minister kan besluiten de elektronische melding niet te
behandelen, indien het elektronisch bericht geheel of gedeeltelijk is
geweigerd op grond van het vijfde lid.
8.Op de beslissing, bedoeld in het zevende lid, is artikel 4:5 van
de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.3.4
De importeur of de vervoerder van de in of door te voeren
aquacultuurdieren volgt de instructies van de ambtenaar, in verband met
het onderzoek of een controle op. Daarbij verleent hij alle medewerking
en verstrekt hij alle inlichtingen die voor het onderzoek of de controle
noodzakelijk worden geacht.
Artikel 6.3.5
1.Indien de aquacultuurdieren blijkens het in artikel 6.3.2, vierde
lid, bedoelde document bestemd zijn om naar een lidstaat te worden
doorgevoerd, is de bij doorvoer betrokken handelaar ingeschreven in
het register, bedoeld in artikel 9.1.4.
2.De inschrijving in het register, als bedoeld in het eerste lid,
is niet getroffen door een beslissing als bedoeld in artikel 9.1.4,
derde lid.
Artikel 6.3.6
Indien de aquacultuurdieren blijkens het in artikel 6.3.2, vierde
lid, bedoelde document bestemd zijn voor een derde land, wordt
aangetoond dat het eerste derde land waarnaar zij worden vervoerd de
verplichting op zich neemt de partij waarvan het de invoer of de
doorvoer toestaat, in geen geval te weigeren of terug te zenden en, voor
zover daarbij vervoer over het grondgebied van een of meer lidstaten zal
plaatsvinden, dat door de bevoegde centrale autoriteit van die lidstaat
of lidstaten toestemming voor dat vervoer is verleend.
Artikel 6.3.7
1.Noch krachtens artikel 18, eerste lid, eerste gedachtenstreepje,
van richtlijn nr. 91/496/EEG, noch krachtens andere communautaire
maatregelen tot wering en bestrijding van besmettelijke dierziekten
zijn maatregelen genomen, houdende de instelling van een verbod om de
betrokken aquacultuurdieren in de Europese Gemeenschappen dan wel in
Nederland in te voeren, onderscheidenlijk in het kader van de doorvoer
op Nederlands grondgebied te brengen.
2.Aan de aquacultuurdieren zijn geen stoffen toegediend die
ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn nr. 96/22/EG niet aan
aquacultuurdieren mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden
ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.
Artikel 6.3.8
1.Met betrekking tot de partij aquacultuurdieren is door de
Minister een Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst als
bedoeld in verordening nr. 282/2004 afgegeven.
2.Indien de partij is bestemd voor een lidstaat neemt de Minister
het in artikel 6.3.2, vierde lid, bedoelde originele document in en
geeft een gewaarmerkt afschrift daarvan af, met dien verstande dat bij
splitsing van de partij voor iedere aldus ontstane partij een
gewaarmerkt afschrift wordt afgegeven.
Artikel 6.3.9
1.De ingevoerde aquacultuurdieren gaan tijdens het vervoer vanaf de
erkende inspectiepost, per partij, vergezeld van:
a. het in artikel 6.3.2, vierde lid, bedoelde document, en
b. het Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst,
bedoeld in verordening nr. 282/2004.
2.De door te voeren aquacultuurdieren die voor een lidstaat zijn
bestemd, gaan tijdens het vervoer vanaf de erkende inspectiepost, per
partij, vergezeld van:
a. het gewaarmerkte afschrift, bedoeld in artikel 6.3.8, tweede
lid, en
b. het Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst,
bedoeld in verordening nr. 282/2004.
3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op door te
voeren aquacultuurdieren die voor een derde land zijn bestemd.
Artikel 6.3.10
1.Indien bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6.3.2, derde lid,
artikel 9.1.4, tweede lid, of bij een controle tijdens het vervoer in
het kader van de invoer of de doorvoer, wordt vermoed of geconstateerd
dat er verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 90/425/EEG,
aanwezig zijn, kan de Minister gelasten dat de daarbij betrokken
aquacultuurdieren in tijdelijke afzondering worden geplaatst, dan wel
worden de aquacultuurdieren na een daartoe strekkend besluit van de
Minister vernietigd. Het bepaalde in artikel 6.2.8, tweede lid, is ten
aanzien van dit besluit van toepassing.
2.Indien bij een onderzoek of een controle als bedoeld in het
eerste lid, wordt vermoed of geconstateerd dat niet is voldaan aan de
overige voorwaarden, die in deze regeling dan wel in de van toepassing
zijnde communautaire maatregelen zijn neergelegd, of dat de
aquacultuurdieren afkomstig zijn uit een met een epidemische
dierziekte besmet gebied, besluit de Minister, na overleg met de
importeur, om maatregelen te nemen als bedoeld in artikel 12, eerste
lid, onderdelen a, b of c van richtlijn nr. 91/496/EEG.
3.De kosten, die uit de in het eerste of tweede lid, bedoelde
maatregelen voortvloeien, komen voor rekening van de importeur, met
uitzondering van de kosten die voortvloeien uit de vernietiging van de
partij aquacultuurdieren, bedoeld in het tweede lid, welke ten laste
komen van de afzender, de geadresseerde of hun gemachtigde.
Titel 7. De in- en doorvoer van producten van aquacultuurdieren
§ 7.1. Algemeen
Artikel 7.1.1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ‘handelaar’
verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon zijnde de eerste
ontvanger op Nederlands grondgebied van een partij producten van
aquacultuurdieren.
Artikel 7.1.2
De in- en doorvoer van producten van aquacultuurdieren is verboden.
§ 7.2. De in- en doorvoer vanuit lidstaten
Artikel 7.2.1
Het verbod, bedoeld in artikel 7.1.2, is niet van toepassing op de
in- en doorvoer van producten van aquacultuurdieren die zijn verzonden:
a. vanuit een lidstaat;
b. vanuit een derde land, en via het grondgebied van een lidstaat
in het kader van de in- of doorvoer op Nederlands grondgebied worden
gebracht;
mits, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan het bepaalde in de
artikelen 7.2.2 en met 7.2.3.
Artikel 7.2.2
1.De producten van aquacultuurdieren die zijn verzonden vanuit een
lidstaat gaan in het kader van de invoer, tot en met de ontvangst door
de handelaar, en in het kader van de doorvoer naar een lidstaat,
tijdens het vervoer over Nederlands grondgebied, vergezeld van het
diergezondheidscertificaat, in de gevallen waarin artikel 4.1.1 dit
certificaat voorschrijft.
2.De producten van aquacultuurdieren die zijn verzonden vanuit een
derde land en via het grondgebied van een lidstaat op Nederlands
grondgebied worden gebracht, gaan in het kader van de invoer, tot en
met de ontvangst door de handelaar, en in het kader van de doorvoer
naar een lidstaat, tijdens het vervoer over Nederlands grondgebied
vergezeld van een Gemeenschappelijk veterinair document van
binnenkomst als bedoeld in verordening nr. 136/2004 en van een
gewaarmerkt afschrift als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van
richtlijn nr. 97/78/EG.
3.De producten van aquacultuurdieren die zijn verzonden vanuit een
derde land en via het grondgebied van een lidstaat op Nederlands
grondgebied worden gebracht, in het kader van de doorvoer naar een
derde land,
a. gaan tijdens het vervoer over Nederlands grondgebied,
vergezeld van het bij de partij behorende document en van een
Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst als bedoeld
in verordening nr. 136/2004, waarin is aangegeven langs welke
grensinpectiepost als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel
g, van richtlijn nr. 97/78/EG de aquacultuurdieren de Gemeenschap
verlaten;
b. zijn onderworpen geweest aan alle controles als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr. 97/78EG, en
c. voldoen aan het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van deze
richtlijn.
4.Op de in- en doorvoer van producten van aquacultuurdieren,
bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, is het bepaalde in de
artikelen 6.2.2, derde lid, 6.2.3, eerste en tweede lid, 6.2.4 en
6.2.6 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het woord
‘ontvanger’ telkenmale vervangen dient te worden door ‘handelaar’
en dat bij het in artikel 6.2.3, tweede lid, bedoelde onderzoek, de
documenten, bedoeld in het eerste of tweede lid, worden overgelegd.
5.Het vervoer van de in het derde lid bedoelde producten van
aquacultuurdieren geschiedt onder douanetoezicht tot op de plaats waar
het Nederlands grondgebied wordt verlaten in verzegelde voertuigen of
verzegelde containers en zonder splitsing of, tenzij de partij
overeenkomstig het derde lid wordt opgeslagen, lossing van de partij.
6.Op de in het vijfde lid bedoelde partij is paragraaf 3.2.4 van de
Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke
producten van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.2.3
1.Indien bij de controle, bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid
juncto 6.2.3, tweede lid, of bij de controle tijdens het vervoer van
een partij producten van aquacultuurdieren in het kader van de invoer
of de doorvoer van deze partij wordt vermoed of geconstateerd dat
a. er verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn nr.
89/662/EEG, aanwezig zijn, of
b. de producten van aquacultuurdieren afkomstig zijn uit een
met een epidemische dierziekte besmet gebied;
kan de Minister gelasten dat de partij in tijdelijke afzondering
wordt geplaatst, dan wel worden de maatregelen bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, eerste alinea, van die richtlijn, uitgevoerd,
al naar gelang de Minister daaromtrent heeft besloten.
2.Indien bij een controle als bedoeld in het eerste lid, of bij een
controle tijdens het vervoer van een partij producten van
aquacultuurdieren in het kader van de invoer of de doorvoer van deze
partij wordt vermoed of geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de
voorschriften van de onderhavige regeling dan wel aan de van
toepassing zijnde communautaire maatregelen, kan de Minister gelasten
dat de aquacultuurdieren in tijdelijke afzondering worden geplaatst,
dan wel wordt één van de maatregelen, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel b, van richtlijn nr. 90/425/EEG uitgevoerd, waartoe de
Minister overeenkomstig de keuze van de afzender of diens gemachtigde
heeft besloten.
3.Artikel 6.2.8, derde, vierde, en vijfde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op de besluiten, bedoeld in het eerste en
tweede lid, met die verstande dat het advies, bedoeld in artikel
6.2.8, vierde lid, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede
lid, vierde alinea, van richtlijn nr. 89/662/EEG is ingewonnen.
Artikel 7.2.4
1.De handelaar is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel
9.1.4.
2.De inschrijving in het register, bedoeld in het eerste lid, is
niet getroffen door een beslissing, als bedoeld in artikel 9.1.4,
derde lid.
§ 7.3. De in- en doorvoer van producten van aquacultuurdieren
afkomstig uit derde landen
Artikel 7.3.1
1.Het verbod, bedoeld in artikel 7.1.2, is niet van toepassing op
de invoer van producten van aquacultuurdieren:
a. die daarbij voor het eerst op het grondgebied van de
Europese Gemeenschappen worden gebracht, en
b. die zijn verzonden vanuit een derde land of een deel van een
derde land;
mits, voor zover van toepassing, is voldaan aan verordening nr.
136/2004 en aan de artikelen 7.3.2, 7.3.5 en 7.3.7. tot en met 7.3.9.
2.Het verbod, bedoeld in artikel 7.1.2, is niet van toepassing op
de doorvoer van producten van aquacultuurdieren, bestemd voor een
lidstaat die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de
Europese Gemeenschappen worden gebracht, mits, voor zover van
toepassing, is voldaan aan verordening nr. 136/2004 en de artikelen
7.3.2, 7.3.5 en 7.3.7 tot en met 7.3.9.
3.Het verbod, bedoeld in artikel 7.1.2, is niet van toepassing op
de doorvoer van producten van aquacultuurdieren bestemd voor een derde
land:
a. die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de
Europese Gemeenschappen worden gebracht, en
b. die zijn verzonden vanuit een derde land of een deel van een
derde land;
mits, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan verordening nr.
136/2004 en de artikelen 7.3.2 tot en met 7.3.9.
Artikel 7.3.2
1.Elke partij producten van aquacultuurdieren wordt het Nederlands
grondgebied binnengebracht via een erkende inspectiepost.
2.Elke binnenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeld aan de
VWA overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 136/2004.
3.De partij producten wordt door de belanghebbende bij de lading
bij aankomst op de erkende inspectiepost ter onderzoek aangeboden aan
de ambtenaar.
4.Indien de partij voor Nederland dan wel voor een lidstaat is
bestemd, wordt bij de aankomst op de erkende inspectiepost aan de op
de inspectiepost aanwezige ambtenaar, overgelegd, document als bedoeld
in artikel 5.1.1, onderdeel b.
5.Indien de partij bestemd is voor een derde land, wordt bij de
aankomst op de erkende inspectiepost aan de op de inspectiepost
aanwezige ambtenaar, een bij de partij behorend document overgelegd,
dat is opgesteld in de Nederlandse, Duitse, Franse of Engelse taal,
waaruit tenminste de oorsprong van de partij, de verdere bestemming
hiervan, alsmede, indien opslag in een van de in artikel 12 van
richtlijn nr. 97/78/EG bedoelde opslagruimte in Nederland dan wel een
lidstaat is voorzien, het feit dat voldaan is aan de op grond van deze
regeling met betrekking tot de invoer in Nederland dan wel de doorvoer
naar een lidstaat gestelde veterinairrechtelijke voorschriften.
6.Ten aanzien van de in het derde en vierde lid bedoelde documenten
geldt:
a. dat zij volledig ingevuld, gedagtekend, ondertekend en
origineel zijn;
b. dat zij in overeenstemming met communautaire maatregelen
zijn afgegeven;
c. dat daaruit blijkt dat is voldaan aan nadere voorwaarden,
die bij communautaire maatregelen zijn gesteld aan de invoer van
producten van aquacultuurdieren vanuit het betrokken derde land of
deel van dat derde land, en
d. de geldigheidsduur niet is verstreken.
7.Op de in het eerste lid bedoelde partij producten zijn de
artikelen 3.2.2.4, tweede lid, en 3.2.2.5 tot en met 3.2.4.4 van de
Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke
producten van overeenkomstige toepassing. Deze partij gaat vergezeld
van een Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst als
bedoeld in verordening nr. 136/2004. Opslag in een vrije zone, een
vrij entrepot of een douane-entrepot is slechts toegestaan voor zover
elders geen opslag heeft plaatsgevonden.
8.Voor de toepassing van de in het zevende lid bedoelde artikelen
wordt voor ‘keuringsdierenarts’ gelezen: ambtenaar.
9.In geval een partij aquacultuurdieren afkomstig is uit
Nieuw-Zeeland, mag deze in afwijking van het vierde lid, vergezeld
gaan van een certificaat dat is vastgesteld bij een communautaire
maatregel ter uitvoering van de Overeenkomst van 17 december 1996
tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire
maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG
1997, L 57), indien:
a. de partij aquacultuurdieren ingevolge de vorenbedoelde
overeenkomst in elk geval op het gebied van de diergezondheid als
gelijkwaardig erkend is, en
b. de partij aquacultuurdieren aan de ingevolge vorenbedoelde
communautaire maatregel gestelde bijkomende voorwaarden voldoet.
Artikel 7.3.3
1.De belanghebbende bij de lading kan de melding van de binnenkomst
van een partij, bedoeld in artikel 7.3.2, tweede lid, op elektronische
wijze verrichten, indien de Minister daarmee heeft ingestemd.
2.De Minister kan aan zijn instemming, bedoeld in het eerste lid,
voorwaarden stellen en nadere voorschriften verbinden.
3.De Minister kan zijn instemming, bedoeld in het eerste lid in,
intrekken, indien de belanghebbende bij de lading:
a. niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede
lid, of
b. niet voldoet aan de nadere voorschriften, bedoeld in het
tweede lid.
4.Het melden van de binnenkomst, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt via een daarvoor bestemd elektronisch systeem met behulp van
een door de Minister beschikbaar gestelde toegang.
5.De Minister kan een elektronische aanmelding weigeren, indien:
a. deze niet overeenkomstig artikel 7.3.2, tweede lid, is
ingediend,
b. de aanvaarding daarvan tot een onevenredige belasting voor
de Minister zou leiden,
c. de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van het bericht
waarmee de aanmelding is gedaan onvoldoende is gewaarborgd, gelet
op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het
wordt gebruikt.
6.De Minister deelt een weigering op grond van het vijfde lid zo
spoedig mogelijk aan de afzender mede.
7.De Minister kan besluiten de elektronische melding niet te
behandelen, indien het elektronisch bericht geheel of gedeeltelijk is
geweigerd op grond van het vijfde lid.
8.Op de beslissing, bedoeld in het zevende lid, is artikel 4:5 van
de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.3.4
1.Ter zake van een partij die zich aan boord bevindt van een
vliegtuig of een schip dat bij vervoer tussen twee derde landen op
Nederlands grondgebied landt of aanlegt, legt de vervoerder
desgevraagd, aan de ambtenaar over, het in artikel 7.3.2, vijfde lid,
bedoelde document.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde partij van het ene vliegtuig
of schip in het andere wordt overgeladen, stelt de vervoerder de
ambtenaar hiervan in kennis en legt hij het in artikel 7.3.2, vijfde
lid, bedoelde document over.
3.Indien de in het eerste lid bedoelde partij tijdelijk wordt
uitgeladen en opgeslagen in een op Nederlands grondgebied gelegen
haven of luchthaven, in afwachting van verzending naar een derde land,
legt de vervoerder aan de ambtenaar het in artikel 7.3.2, vijfde lid,
bedoelde document over en biedt hij de partij aan hem ten onderzoek
aan.
4.In de in dit artikel bedoelde gevallen gaat de partij tijdens het
vervoer naar een derde land vergezeld van het in artikel 7.3.2, vijfde
lid, bedoelde document.
Artikel 7.3.5
Met betrekking tot het bepaalde in artikel 7.3.2 is het gestelde in
de artikelen 6.3.4 en 6.3.5 en met betrekking tot het bepaalde in
artikel 7.3.4 is het gestelde in artikel 6.3.4 van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat onder ‘importeur of vervoerder’
als bedoeld in artikel 6.3.4 tevens dient te worden verstaan:
belanghebbende bij de lading.
Artikel 7.3.6
1.Bij het binnenbrengen van een partij producten van
aquacultuurdieren die door een derde land zijn geweigerd en vanuit het
grondgebied van de Europese Gemeenschap naar het betrokken derde land
zijn verzonden, wordt voldaan aan:
a. artikel 7.3.2, eerste, tweede en derde lid, en
b. artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn nr.
97/78/EG.
2.Op de in het eerste lid bedoelde partij producten zijn de
artikelen 3.2.2.4, tweede lid, en 3.2.2.5 tot en met 3.2.4.4 van de
Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke
producten van overeenkomstige toepassing.
3.Indien de in het eerste lid bedoelde partij producten naar het
derde land is verzonden vanuit een lidstaat, heeft de Minister vooraf
toestemming verleend voor het binnenbrengen van de producten en heeft
de bevoegde autoriteit van de lidstaat die het in artikel 15, eerste
lid, onderdeel a, van richtlijn nr. 97/78/EG bedoelde certificaat
heeft afgegeven met de terugname van de partij ingestemd.
Artikel 7.3.7
1.Noch krachtens artikel 22, eerste lid, eerste gedachtenstreepje,
van richtlijn nr. 97/78/EG, noch krachtens andere communautaire
maatregelen tot wering en bestrijding van besmettelijke dierziekten
zijn maatregelen genomen, houdende de instelling van een verbod om de
betrokken producten van aquacultuurdieren in de Europese
Gemeenschappen dan wel in Nederland in te voeren, onderscheidenlijk in
het kader van de doorvoer op Nederlands grondgebied te brengen.
2.De producten zijn niet verkregen van of met aquacultuurdieren
waaraan stoffen zijn toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a,
van richtlijn nr. 96/22/EG niet aan aquacultuurdieren mogen worden
toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van
genoemde richtlijn is voldaan.
3.Ten aanzien van de producten van aquacultuurdieren is, in
voorkomend geval, voldaan aan de op grond van artikel 22, eerste lid,
tweede en derde gedachtenstreepje, van richtlijn nr. 97/78/EG dan wel
op grond van andere communautaire maatregelen vastgestelde bijzondere
voorschriften.
Artikel 7.3.8
1.De artikelen 7.3.2, 7.3.3 tot en met 7.3.6 zijn niet van
toepassing indien het producten van aquacultuurdieren betreft, bedoeld
in artikel 16, eerste lid, van richtlijn nr. 97/78/EG, met
inachtneming van artikel 8 van verordening nr. 136/2004.
2.De producten, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdelen e en
f, van richtlijn nr. 97/78/EG worden aangevoerd via een erkende
inspectiepost.
3.Tenzij met de Minister anders is overeengekomen, geeft de
belanghebbende bij de lading van de aanvoer, bedoeld in het tweede lid
ten minste 24 uur voor de aankomst schriftelijk kennis aan de VWA,
onder opgave van het vermoedelijk tijdstip van aankomst, van de
hoeveelheid, van de herkomst en van de soort producten.
Artikel 7.3.9
1.Indien wordt vermoed of geconstateerd dat in de partij producten
van aquacultuurdieren verwekkers van ziekten, zoönosen of andere
aandoeningen aanwezig zijn, of dat de partij afkomstig is uit een met
een epidemische dierziekte besmet gebied, kan de Minister gelasten dat
de partij, voor rekening van de verzender of diens gemachtigde, dan
wel de afnemer, in tijdelijke afzondering wordt geplaatst, indien hij
de aanwezigheid van verwekkers van ziekten, zoönosen of andere
aandoeningen vermoedt, dan wel wordt de partij, zonder vergoeding van
Staatswege en:
a. voor rekening van de verzender of diens gemachtigde, al naar
gelang de Minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming
van diens aanwijzingen, vernietigd, of
b. voor rekening van de afnemer, al naar gelang de Minister
daaromtrent heeft besloten en met inachtneming van diens
aanwijzingen, voor andere doeleinden gebruikt dan waarvoor ze is
bestemd.
2.Indien aan de hand van de op grond van deze regeling uitgevoerde
controles wordt vastgesteld dat een voor Nederland of een lidstaat
bestemd product niet voldoet aan de op grond van deze regeling voor
dat product gestelde voorschriften of dat een onregelmatigheid is
begaan, besluit de Minister in overleg met de belanghebbende bij de
lading of zijn vertegenwoordiger:
a. dat het product in ieder geval binnen 60 dagen nadat is
geconstateerd dat niet aan de onderhavige regeling wordt voldaan
vanuit de grensinspectiepost met hetzelfde vervoermiddel wordt
teruggezonden naar een derde land indien veterinaire of
gezondheidsredenen zich daar niet tegen verzetten;
b. indien terugzending als bedoeld in onderdeel a, onmogelijk
is of de in dat onderdeel bedoelde termijn is verstreken, dat de
partij wordt vernietigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 17,
tweede lid, onderdeel b, van richtlijn nr. 97/78/EG;
c. dat de partij voor andere doeleinden dan de menselijke
consumptie wordt gebruikt.
3.Indien een partij in Nederland is gebracht zonder dat, voorzover
van toepassing, die partij is onderworpen aan de in artikel 7.3.2
bedoelde controles, besluit de Minister dat de partij overeenkomstig
het tweede lid, onderdeel b, wordt vernietigd of wordt teruggezonden
naar een derde land indien veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen
zich daar niet tegen verzetten.
4.In afwachting van de terugzending of de vernietiging van een
partij als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid wordt de partij
onder toezicht van de ambtenaar in tijdelijke afzondering geplaatst en
opgeslagen.
5.Alle kosten in verband die in verband met de het tweede, derde en
vierde lid, bedoelde maatregelen worden gemaakt, komen ten laste van
de belanghebbende bij de lading.
Titel 8. De uitvoer van aquacultuurdieren en producten daarvan
§ 8.1. Algemeen
Artikel 8.1.1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is de begripsomschrijving ‘handelaar’
zoals bepaald in artikel 7.1.1, van overeenkomstige toepassing.
§ 8.2. De uitvoer van aquacultuurdieren
Artikel 8.2.1
Het vervoeren van een in Nederland verzamelde partij
aquacultuurdieren van enige plaats in Nederland naar het grondgebied van
en bestemd voor een lidstaat is verboden.
Artikel 8.2.2
1.Het verbod, bedoeld in artikel 8.2.1, is niet van toepassing op
aquacultuurdieren welke geen dieren zijn als bedoeld in artikel 3,
tweede lid, van richtlijn nr. 90/425/EEG.
2.De partij aquacultuurdieren dient, in de gevallen, bedoeld in
artikel 14 van richtlijn nr. 2006/88/EG, vergezeld te gaan van het
diergezondheidscertificaat.
Artikel 8.2.3
Indien de aquacultuurdieren zijn bestemd om via het grondgebied van
een lidstaat naar een derde land te worden vervoerd:
a. blijft het vervoer van de betreffende partij, indien zijn
onder douanetoezicht is geplaatst, onder dat toezicht tot de plaats
waar het Nederlands grondgebied wordt verlaten;
b. gaat de betreffende partij, vergezeld van het
diergezondheidscertificaat, in de gevallen waarin artikel 4.1.1 dit
certificaat voorschrijft;
c. geldt ter zake van het in onderdeel b bedoelde document tevens
dat:
a. dit in de Nederlandse taal en in ten minste één van de
talen van de lidstaat waar zich het punt van uitgang bevindt,
zijn gesteld;
b. daarop het punt van uitgang als plaats van bestemming is
vermeld;
c. daarop als ontvanger is vermeld, met naam en adres, de
ontvanger bij het punt van uitgang, bedoeld in artikel 4, tweede
gedachtenstreepje, van beschikking 93/444/EEG;
d. gaat de partij vergezeld van veterinaire documenten of
certificaten, die aan de veterinaire voorschriften van het derde
land van bestemming voldoen, tenzij de VWA niet over die
voorschriften beschikt, in welk geval op de documenten, bedoeld in
onderdeel b, de vermelding ‘Dieren of producten voor uitvoer naar
(naam van het derde land)’ is opgenomen, waarbij de naam van het
derde land van bestemming als het gedeelte tussen haakjes is
ingevuld, en
e. is het vervoer daarvan, indien de aquacultuurdieren niet
voldoen aan de voorwaarden van richtlijn nr. 2006/88/EG, slechts
toegestaan indien de Minister daartoe vooraf toestemming heeft
verleend.
Artikel 8.2.4
1.De handelaar is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel
9.1.4.
2.De inschrijving in het register, als bedoeld in het eerste lid,
is niet getroffen door een beslissing, als bedoeld in artikel 9.1.4,
derde lid.
§ 8.3. De uitvoer van aquacultuurproducten
Artikel 8.3.1
1.Indien een in Nederland verzamelde partij producten van
aquacultuurdieren bestemd is om te worden vervoerd naar een lidstaat
gaat de betreffende partij, vergezeld van het
diergezondheidscertificaat, in de gevallen waarin artikel 4.1.1 dit
certificaat voorschrijft.
2.Indien een in Nederland verzamelde partij producten van
aquacultuurdieren bestemd is om te worden vervoerd naar een derde
land, zijn ten aanzien van die partij artikel 8.2.3, onderdelen a en
e, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.3.2
1.De handelaar is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel
9.1.4.
2.De inschrijving in het register, bedoeld in het eerste lid, is
niet getroffen door een beslissing, als bedoeld in artikel 9.1.4,
derde lid.
Titel 9. Administratieve bepalingen
Artikel 9.1.1
1.De documenten, bedoeld in de titels 4 tot en met 8, worden, voor
zover van toepassing, afgegeven door de Minister.
2.Een document wordt niet afgegeven indien voor de partij de
gezondheidsverklaring, vermeld op het document, niet kan worden
gegeven dan wel indien de zending niet voldoet aan aanvullende eisen
die op de plaats van bestemming in overeenstemming met het bepaalde in
de richtlijn dan wel in andere communautaire maatregelen ter
voorkoming of bestrijding van dierziekten, zijn gesteld.
Artikel 9.1.2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 9.1.3
Exploitanten van aquacultuurproductiebedrijven en van
aquacultuurverwerkingsbedrijven, handelaren, bedoeld in de artikelen
6.1.1, 7.1.1 en 8.1.1, staan toe dat een ambtenaar ten behoeve van de
uitvoering van deze regeling, de door hem noodzakelijk geachte
werkzaamheden en controles verricht.
Artikel 9.1.4
1.De Minister houdt een register van handelaren als bedoeld in de
artikelen 6.1.1, 7.1.1 en 8.1.1, bij, tenzij hij een door een andere
instantie beheerd register als zodanig heeft aangewezen.
2.Een handelaar als bedoeld in het eerste lid, die is ingeschreven
in het in het eerste lid bedoelde register:
a. voert een administratie waarin ten minste de leveringen dan
wel afleveringen van aquacultuurdieren of producten daarvan, voor
zover deze bestemd zijn voor invoer in Nederland dan wel voor
doorvoer of uitvoer naar een lidstaat of een derde land, en de
verdere bestemming van de partijen, zijn vermeld en waarin alle op
de betrokken partijen betrekking hebbende bescheiden zijn
opgenomen;
b. bewaart de vorenbedoelde administratie ten minste drie
jaren;
c. draagt ervoor zorg dat elke partij aquacultuurdieren of
producten daarvan vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten;
d. meldt nalatigheden en onregelmatigheden met betrekking tot
een levering dan wel aflevering van aquacultuurdieren of producten
daarvan, afkomstig uit een lidstaat en bestemd om in Nederland te
worden ingevoerd dan wel naar een lidstaat of een derde land te
worden doorgevoerd, onmiddellijk aan de VWA en houdt deze
aquacultuurdieren of producten daarvan in afzondering totdat door
de Minister, zodanig na onderzoek, is beslist;
e. verleent aan de ambtenaar en hen, die namens hem optreden,
alle medewerking en verstrekt alle inlichtingen die voor de in
onderdeel d bedoelde beslissing noodzakelijk wordt geacht.
3.Indien een handelaar als bedoeld in het eerste lid, zich niet aan
de in het tweede lid bedoelde voorschriften houdt, kan de Minister
beslissen dat zijn inschrijving in het in het eerste lid bedoelde
register wordt doorgehaald dan wel niet wordt erkend.
Titel 10. Wijzigingen andere regelingen en slotbepalingen
§ 10.1. Wijzigingen andere regelingen
Artikel 10.1.1
[Wijzigt de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van
besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s]
Artikel 10.1.2
[Wijzigt de Regeling erkenning en aanwijzing veterinaire laboratoria]
Artikel 10.1.3
[Wijzigt het Mandaatbesluit LNV Voedsel en Waren Autoriteit]
Artikel 10.1.4
De Regeling aquicultuur wordt ingetrokken.
Artikel 10.1.5
De Regeling voorkoming ziekten bij zalmachtigen wordt ingetrokken.
Artikel 10.1.6
[Wijzigt de Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel
dierlijke producten]
Artikel 10.1.7
[Wijzigt de Regeling varkenssperma]
§ 10.2. Overgangsrecht
Artikel 10.2.1
1.De Minister kan op aanvraag een voorlopige vergunning verlenen
aan aquacultuurproductiebedrijven als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste
lid, die:
a. geen aquacultuurproductiebedrijven als bedoeld in het tweede
lid van dat artikel zijn, en
b. die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling in
bedrijf zijn.
2.Aan een voorlopige vergunning kunnen voorwaarden en voorschriften
worden verbonden.
3.Een voorlopige vergunning vervalt van rechtswege op 1 januari
2009.
§ 10.3. Slotbepalingen
Artikel 10.3.1
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2008.
Artikel 10.3.2
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aquacultuur.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg.
|
|
|