| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wetboek van
Strafrecht (Sr)
RECLASSERINGSREGELING
1995
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 15 december 1994, houdende nieuwe regels
inzake de reclassering
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 7 september 1994,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 455985/94/6;
Gelet op de artikelen 14d , tweede lid,
16 en 22e van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 147, 177,
tweede lid, en 310 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 19,
eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen en
artikel 15, eerste lid, van de Gratiewet;
Gezien het advies van de Centrale Raad voor
Strafrechtstoepassing (advies van 24 juni 1994, nr. SR 45/94);
De Raad van State gehoord (advies van 29
november 1994, nr. W03.94.0564);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 14 december 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
471960/94/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. reclasseringsinstelling: een erkende instelling als bedoeld in
artikel 4;
c. penitentiaire inrichting: een gevangenis, huis van bewaring of
inrichting voor de opvang van verslaafden;
d. taakstraf: de taakstraf, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onderdeel a, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht;
e. klachtencommissie: de commissie, bedoeld in artikel 29.
Artikel 2
1.De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
reclasseringswerkzaamheden berust bij één of meer door Onze Minister
erkende reclasseringsinstellingen.
2.Een reclasseringsinstelling neemt de bij en krachtens dit besluit
gestelde regels in acht.
3.Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld:
a. ter zake van de prioriteiten die een reclasseringsinstelling
bij haar werkzaamheden in acht neemt,
b. ter zake van de eisen die aan de uitvoering van de
werkzaamheden kunnen worden gesteld,
c. ter zake van de informatie die een reclasseringsinstelling
periodiek aan Onze Minister verstrekt aangaande de uitvoering van
de werkzaamheden, en
d. ter bevordering van een goede uitvoering van
reclasseringswerkzaamheden.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2004]
Hoofdstuk 2. Degenen die reclasseringswerkzaamheden kunnen verrichten
Artikel 4
1.Reclasseringswerkzaamheden worden uitsluitend verricht door
instellingen die zich blijkens hun statuten of reglementen ten doel of
mede ten doel stellen, op bijzondere wijze of ten behoeve van één of
meer bijzondere categorieën van personen, reclasseringswerkzaamheden
te verrichten en die daartoe door Onze Minister zijn erkend als
reclasseringsinstelling.
2.De erkenning kan onder beperkingen worden verleend; aan de
erkenning kunnen voorschriften worden verbonden. De beperkingen en
voorschriften kunnen na overleg met de betrokken instelling worden
gewijzigd.
3.De erkenning kan worden geschorst of ingetrokken. Intrekking van
de erkenning geschiedt niet eerder dan nadat dertien weken zijn
verstreken na een waarschuwing, waarbij is vermeld welke maatregelen
moeten worden genomen om de intrekking te voorkomen.
Artikel 5
1.In afwijking van artikel 4 kunnen onder verantwoordelijkheid van
een reclasseringsinstelling bepaalde, door het bestuur van de
reclasseringsinstelling vast te stellen, reclasseringswerkzaamheden
worden verricht door:
a. instellingen van maatschappelijke dienstverlening en
b. personen die zich als vrijwilliger aanbieden.
2.De vaststelling van reclasseringswerkzaamheden die door een
instelling van maatschappelijke dienstverlening kunnen worden
verricht, behoeft de instemming van Onze Minister.
Artikel 6
1.Reclasseringswerkers zijn de door het bestuur van een
reclasseringsinstelling als zodanig aangewezen personeelsleden van de
reclasseringsinstelling.
2.Alvorens zijn werkzaamheden aan te vangen, legt de
reclasseringswerker de eed of belofte af dat hij zijn taak
overeenkomstig de gestelde voorschriften naar geweten zal vervullen.
3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de eisen
voor aanwijzing als reclasseringswerker en ter uitvoering van het
tweede lid.
Artikel 7
Reclasseringswerkers hebben voor de uitoefening van hun werkzaamheden
vrije toegang:
a. tot degenen die zijn ingesloten in politiebureaus, voor zover
de normale taakuitvoering van de politie dat redelijkerwijs toelaat,
en
b. in penitentiaire inrichtingen, met inachtneming van de aldaar
geldende huisregels.
Hoofdstuk 3. De reclasseringswerkzaamheden
Artikel 8
1. Onze Minister draagt er zorg voor dat in ieder arrondissement in
ieder geval en zoveel mogelijk in onderlinge samenhang, de volgende
reclasseringswerkzaamheden worden uitgevoerd:
a. het uit eigen beweging, in opdracht van de bevoegde
autoriteiten of op verzoek van betrokkenen zelf verlenen van hulp
en steun - rechtsbijstand uitgezonderd - aan personen die worden
verdacht van of die zijn veroordeeld wegens een strafbaar feit;
b. het doen van onderzoek naar zodanige personen, waaronder
begrepen het opstellen van een indicatiestellingsadvies, als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Interimbesluit
forensische zorg, ten behoeve van de beslissingen die te hunnen
aanzien moeten worden genomen over de vervolging, de berechting of
de tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen, en het geven van
voorlichting daarover;
c. het voorbereiden en begeleiden van de uitvoering van de
taakstraf en, voor zover daarvoor in aanmerking komend, van de
uitvoering van andere rechterlijke beslissingen, waaronder
begrepen het namens Onze Minister toeleiden naar forensische zorg
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede volzin, ten aanzien
van personen die worden verdacht van of die zijn veroordeeld
wegens een strafbaar feit, alsmede het houden van toezicht daarop
en het verschaffen van inlichtingen daarover aan de bevoegde
autoriteiten.
2. Een reclasseringsinstelling dient op verzoek of uit eigen
beweging autoriteiten van advies omtrent onderwerpen die voor de
reclassering van belang zijn.
Artikel 9
1.Voorlichtingsrapporten, waartoe met toepassing van de artikelen
147, 177, tweede lid, en 310 van het Wetboek van Strafvordering,
artikel 12 van de Gratiewet of artikel 19, eerste lid, van de Wet
overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen opdracht is gegeven,
worden aangevraagd bij en uitgebracht door een
reclasseringsinstelling.
2.Een reclasseringsinstelling kan ook uit eigen beweging of op
verzoek van anderen, onder wie de betrokkene, een voorlichtingsrapport
als bedoeld in het eerste lid uitbrengen of doen uitbrengen.
Artikel 10
Nadat overeenkomstig artikel 59, vijfde lid, van het Wetboek van
Strafvordering bericht is ontvangen van het bevel tot
inverzekeringstelling van een verdachte beslist een
reclasseringsinstelling zo spoedig mogelijk:
a. of de verdachte door een reclasseringswerker wordt bezocht, en
b. of een rapport wordt uitgebracht als bedoeld in artikel 62,
vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, mede met het oog op
alternatieven voor een eventuele voorlopige hechtenis.
Artikel 11
1.De directeur van een penitentiaire inrichting bericht een
reclasseringsinstelling zo spoedig mogelijk omtrent de binnenkomst van
een gedetineerde in de inrichting.
2.De directeur van een penitentiaire inrichting bericht een
reclasseringsinstelling zo spoedig mogelijk maar tenminste vier weken
van te voren omtrent de datum van ontslag van een gedetineerde, die
bij zijn ontslag een werkelijke straftijd zal hebben ondergaan van
meer dan drie maanden en die hetzij krachtens rechterlijk vonnis of
voorwaardelijke gratie, hetzij op eigen verzoek hulp en steun van
reclasseringswege dient te ontvangen. Gelijke verplichting geldt
indien de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of
achterwege blijft krachtens rechterlijke beslissing.
Artikel 12
1.Een reclasseringsinstelling brengt, indien opdracht is gegeven
tot het verlenen van hulp en steun terzake van de naleving van
bijzondere voorwaarden, een rapport over de daarmee verband houdende
bemoeiingen uit aan Onze Minister, de rechter of de officier van
justitie.
2.Aan het rapport wordt door de reclasseringsinstelling een advies
terzake toegevoegd, indien het rapport naar haar oordeel aanleiding
zou kunnen geven tot een van de navolgende maatregelen:
a. het instellen van een vordering als bedoeld in artikel 14f
of 14g van het Wetboek van Strafrecht;
b. het intrekken of wijzigen van het koninklijk besluit,
waarbij onder voorwaarden gratie is verleend;
c. het intrekken van een voorwaardelijke beslissing door een
vreemde staat, van welke de uitoefening van het toezicht op de
naleving van voorwaarden is overgenomen.
Artikel 13
De in de hoofdstukken 14, 16 en 17 van het Reglement verpleging ter
beschikking gestelden aan de reclassering opgedragen werkzaamheden
worden door een reclasseringsinstelling verricht.
Artikel 14 [Vervallen per 01-02-2001]
Hoofdstuk 4. De subsidiëring van de reclassering
§ 4.1. Algemeen
Artikel 15
1.Een reclasseringsinstelling ontvangt jaarlijks ten laste van de
begroting van het Ministerie van Justitie een subsidie voor de
reclasseringswerkzaamheden die door haar of onder haar
verantwoordelijkheid worden verricht.
2.Een afzonderlijke subsidie kan worden verleend ten behoeve van de
bouw, de inrichting en de uitbreiding van gebouwen ten dienste van de
reclassering.
3.De verlening van subsidie geschiedt voor 1 januari van het
subsidiejaar.
4.De vaststelling van subsidie geschiedt voor 1 september van het
op het subsidiejaar volgende jaar.
§ 4.2. Subsidieverlening
Artikel 16
1.Voor 1 december van het tweede jaar voorafgaand aan het
subsidiejaar nodigt Onze Minister de reclasseringsinstellingen uit tot
het indienen van een voorlopige subsidieaanvraag.
2.Daarbij geeft hij zo mogelijk het bedrag aan dat volgens de
meerjarenraming, voorkomend in de toelichting bij de begroting voor
het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar, beschikbaar zal zijn voor
de reclassering in het subsidiejaar.
Artikel 17
1.Voor 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar
dient de reclasseringsinstelling bij Onze Minister een voorlopige
subsidieaanvraag in.
2.De voorlopige subsidieaanvraag gaat vergezeld van:
a. een ontwerp-begroting van uitgaven en inkomsten voor het
subsidiejaar en
b. een beleidsplan met de voorgenomen werkzaamheden voor de
komende vier jaren, beginnend met het subsidiejaar.
Artikel 18
1.Voor 1 juni van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar nodigt
Onze Minister de reclasseringsinstellingen uit tot het indienen van
een definitieve subsidieaanvraag.
2.Daarbij geeft hij aan in hoeverre wijziging is opgetreden of naar
verwachting wijziging zal optreden in het voor de reclassering in het
subsidiejaar beschikbare bedrag.
3.Onze Minister informeert de reclasseringsinstellingen zoveel
mogelijk over wijzigingen als bedoeld in het tweede lid die zich
daarna voordoen.
Artikel 19
1.Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar
dient de reclasseringsinstelling bij Onze Minister een definitieve
subsidieaanvraag in.
2.De reclasseringsinstelling houdt daarbij rekening met de
financiële ruimte zoals die door de wetgever is vastgesteld of naar
verwachting zal worden vastgesteld.
3.De subsidieaanvraag gaat vergezeld van:
a. een definitieve begroting van uitgaven en inkomsten en
b. een activiteitenplan voor het subsidiejaar.
4.Het activiteitenplan, bedoeld in het derde lid, wordt afgestemd
op de behoefte aan reclasseringswerkzaamheden binnen de diverse
arrondissementen en de hofressorten.
Artikel 20
1. Voor de aanvang van het subsidiejaar neemt Onze Minister het
besluit waarbij de subsidie voor het subsidiejaar wordt verleend, zo
nodig onder de voorwaarde dat door de wetgever voldoende gelden ter
beschikking worden gesteld.
2. In het besluit wordt in ieder geval aangegeven welke
categorieën van activiteiten in welke omvang en volgens welke
berekeningswijze ten hoogste voor subsidiëring in aanmerking zullen
komen.
Artikel 21
1.De reclasseringsinstelling voert een zodanig ingerichte
administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van
de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de
betalingen en ontvangsten kunnen worden nagegaan.
2.De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden
gedurende tien jaren bewaard.
Artikel 22
1.Indien gedurende het subsidiejaar aanmerkelijke verschillen
ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en
inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten doet de
reclasseringsinstelling daarvan onverwijld mededeling aan Onze
Minister, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
2.De reclasseringsinstelling geeft Onze Minister zo spoedig
mogelijk tevens kennis van omstandigheden die hetzij van belang kunnen
zijn voor de vaststelling van de subsidie, hetzij aanleiding kunnen
geven tot een wijziging van de subsidieverlening.
Artikel 23
De reclasseringsinstelling kan Onze Minister verzoeken de
subsidieverlening te wijzigen.
Artikel 24
1.Zolang de subsidie niet overeenkomstig artikel 27 is vastgesteld,
kan Onze Minister de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de
reclasseringsinstelling wijzigen indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;
b. de reclasseringsinstelling niet heeft voldaan aan de aan de
subsidie verbonden voorschriften;
c. de reclasseringsinstelling onjuiste of onvolledige gegevens
heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
subsidieverlening zou hebben geleid;
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de stichting
dit wist of behoorde te weten; of
e. een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende
gelden ter beschikking worden gesteld.
2.De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging
anders is bepaald.
Artikel 25
Zolang de subsidie niet overeenkomstig artikel 27 is vastgesteld, kan
Onze Minister de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke
termijn intrekken of ten nadele van de reclasseringsinstelling wijzigen:
a. voor zover de subsidieverlening onjuist is; of
b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten
zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde
voortzetting van de subsidie verzetten.
§ 4.3. Subsidievaststelling
Artikel 26
1.Voor 1 juni van het op het subsidiejaar volgende jaar dient de
reclasseringsinstelling bij Onze Minister de aanvraag in voor de
definitieve vaststelling van het subsidiebedrag.
2.De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een jaarrekening,
b. een verslag van de in dat jaar verrichte activiteiten en
c. een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening en
het verslag, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 27
Voor 1 september van het op het subsidiejaar volgende jaar stelt Onze
Minister het definitieve subsidiebedrag vast.
Artikel 28
1.Onze Minister kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele
van de reclasseringsinstelling wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de
subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en
op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de
subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de
reclasseringsinstelling dit wist of behoorde te weten;
c. indien de stichting na de subsidievaststelling niet heeft
voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2.De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of
wijziging anders is bepaald.
3.De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten
nadele van de reclasseringsinstelling worden gewijzigd indien vijf
jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt dan
wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sinds de
dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of
de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.
Hoofdstuk 5. Klachtenregeling
Artikel 29
1.Er is een commissie, belast met de behandeling van klachten over
het uitvoeren of nalaten van reclasseringswerkzaamheden.
2.De klachtencommissie bestaat uit een oneven aantal leden, die
worden benoemd door Onze Minister. Bestuursleden en werknemers van de
reclasseringsinstellingen kunnen geen lid van de klachtencommissie
zijn.
3.De klachtencommissie houdt zitting in elk van de ressorten van de
gerechtshoven, volgens regels door de commissie te stellen bij
reglement van orde.
4.Onze Minister voorziet in het secretariaat van de
klachtencommissie.
Artikel 30
1.Degene ten aanzien van wie reclasseringswerkzaamheden zijn
verricht of ten onrechte zijn nagelaten, kan bij de klachtencommissie
een klacht indienen over het uitvoeren of nalaten van
reclasseringswerkzaamheden.
2.De klacht wordt ingediend binnen zes weken na de dag waarop de
klager kennis heeft gekregen van het handelen of nalaten waarover hij
zich wenst te beklagen.
3.Een na afloop van de termijn ingediende klacht wordt toch in
behandeling genomen, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld
dat de klager in verzuim is geweest.
Artikel 31
1.Door of namens de klachtencommissie worden de klager en degene
tegen wie de klacht zich richt, gehoord.
2.Van het horen kan worden afgezien indien de klachtencommissie
aanstonds van oordeel is dat de klacht kennelijk niet ontvankelijk of
kennelijk ongegrond is.
3.Door of namens de klachtencommissie kunnen inlichtingen worden
ingewonnen bij instellingen en personen die reclasseringswerkzaamheden
verrichten.
Artikel 32
1.De klachtencommissie kan trachten te bemiddelen tussen de klager
en degene tegen wie de klacht zich richt.
2.Naar aanleiding van een klacht kan de klachtencommissie een
aanbeveling doen aan degene tot wie de klacht zich richt of tot een
andere instelling of persoon. De aanbeveling wordt openbaar gemaakt.
3.De klachtencommissie bericht de klager zo spoedig mogelijk maar
in ieder geval binnen zes weken na ontvangst van de klacht over de
afdoening daarvan.
4.De klachtencommissie brengt jaarlijks een openbaar verslag uit
over haar werkzaamheden.
Hoofdstuk 6. Toezicht
Artikel 33
1.Onze Minister wijst de ambtenaren aan die zijn belast met het
toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
2.Bij de uitoefening van hun taak dragen de toezichthoudende
ambtenaren een door Onze Minister uitgegeven legitimatiebewijs bij
zich, dat zij desgevraagd aanstonds tonen.
Artikel 34
1.De toezichthoudende ambtenaren hebben voor de uitoefening van hun
taak vrije toegang tot de vestigingsplaatsen van de
reclasseringsinstellingen. Een woning betreden zij niet zonder
toestemming van de bewoner.
2.Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen door daartoe door hen
aangewezen personen.
3.De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd inzage te vorderen
van zakelijke gegevens en bescheiden en van de gegevens en bescheiden
kopieën te maken en deze voor dat doel voor korte tijd mee te nemen
tegen een schriftelijk bewijs.
Artikel 35
De reclasseringsinstellingen en de daarbij werkzame medewerkers zijn
verplicht aan de toezichthoudende ambtenaren de inlichtingen en de
medewerking te verschaffen die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij
de uitoefening van hun bevoegdheden. Zij die uit hoofde van ambt, beroep
of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het
verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun
geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Artikel 36
De toezichthouders maken van hun bevoegdheden slechts gebruik voor
zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 37
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van dit besluit en
daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor
wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter
zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot
geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift
hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van
dit besluit de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 38
1.Indien een instelling erkend is op grond van artikel 4, eerste
lid, van dit besluit, zoals dit luidde voordat het ingevolge het
besluit van 4 december 2003 tot wijziging van de Reclasseringsregeling
1995 in verband met de reorganisatie van de reclassering (Stb. 511)
werd gewijzigd, geldt deze erkenning als erkenning op grond van
artikel 4, eerste lid.
2.In afwijking van de artikelen 26 tot en met 28 geschiedt de
vaststelling van de subsidie voor het subsidiejaar 2003 op de voet van
dit besluit, zoals dit luidde voordat het ingevolge het besluit van 4
december 2003 tot wijziging van de Reclasseringsregeling 1995 in
verband met de reorganisatie van de reclassering (Stb. 511) werd
gewijzigd.
3.In afwijking van artikel 19, eerste lid, en artikel 20, eerste
lid, dient de reclasseringsinstelling de subsidieaanvraag voor het
subsidiejaar 2004 uiterlijk op 1 januari 2004 in en neemt Onze
Minister voor 1 februari 2004 het besluit waarbij de subsidie voor het
subsidiejaar 2004 wordt verleend.
4.De benoeming tot lid van de klachtencommissie, bedoeld in artikel
29, tweede lid, van dit besluit, zoals dit luidde voordat het
ingevolge het besluit van 4 december 2003 tot wijziging van de
Reclasseringsregeling 1995 in verband met de reorganisatie van de
reclassering (Stb. 511) werd gewijzigd, geldt als benoeming door Onze
Minister als bedoeld in artikel 29, tweede lid.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere overgangsregels worden
gesteld.
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 40
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
ter uitvoering van dit besluit.
Artikel 41
De Reclasseringsregeling 1986 wordt ingetrokken.
Artikel 42
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1995.
Artikel 43
Dit besluit wordt aangehaald als: Reclasseringsregeling 1995.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 15 december 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|