| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gratiewet
UITVOERINGSREGELING
RECLASSERING 2005
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Justitie van 9 november 2005, nr. DDS
5378751, houdende regels over de uitvoering van
reclasseringswerkzaamheden (Uitvoeringsregeling reclassering 2005)
De Minister van Justitie;
Gelet op de artikelen 2, derde lid, 6, derde
lid, 38, vijfde lid, en 40 van de Reclasseringsregeling 1995;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. medewerker: een persoon in dienst van de in artikel 5, eerste
lid, onder a, van de Reclasseringsregeling 1995 bedoelde
instellingen van maatschappelijke dienstverlening of een
vrijwilliger, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, van de
Reclasseringsregeling 1995, die een gedetineerde bezoekt;
b. gedetineerde: een persoon ingesloten in een penitentiaire
inrichting als bedoeld in artikel 1, onder c, van de
Reclasseringsregeling 1995;
c. reclasseringswerker: de in artikel 6 van de
Reclasseringsregeling 1995 bedoelde persoon;
d. managementafspraken: afspraken die tussen de
reclasseringsinstelling en Onze Minister over de uitvoering van de
reclasseringswerkzaamheden worden gemaakt en over de voortgang
waarvan periodiek door de reclasseringsinstelling aan Onze Minister
wordt gerapporteerd.
Hoofdstuk 2. Aanwijzingseisen en beëdiging van reclasseringswerkers
Paragraaf 2.1. Aanwijzingseisen
Artikel 2
1. Als reclasseringswerker kan slechts worden aangewezen degene
die:
a. in het bezit is van het diploma Hoger Sociaal Agogisch
Onderwijs (maatschappelijk werk en dienstverlening, HSAO-MDW) of
van een voor het reclasseringswerk als gelijkwaardig te beschouwen
getuigschrift;
b. in dienst is van een reclasseringsinstelling en
c. beschikt over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld
in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan een medewerker
van een reclasseringsinstelling die belast is met de uitvoering van
werkstraffen en in het bezit is van het diploma Middelbaar Sociaal
Agogisch Onderwijs of een als gelijkwaardig te beschouwen
getuigschrift, als reclasseringswerker worden aangewezen.
3. Ten behoeve van de aanwijzing als reclasseringswerker legt de
kandidaat de stukken over waaruit blijkt dat hij voldoet aan de in het
eerste en tweede lid gestelde eisen.
Artikel 3
1. De aanwijzing kan worden geschorst, indien de
reclasseringswerker op ernstige wijze tekortschiet in de uitoefening
van zijn taak.
2. De aanwijzing kan worden ingetrokken, indien blijkt van
omstandigheden die, hadden zij zich voorgedaan of waren zij bekend
geweest ten tijde van de aanwijzing, zouden hebben geleid tot het niet
verlenen van die aanwijzing.
3. De aanwijzing kan worden ingetrokken na beëindiging van de
werkzaamheden als reclasseringswerker en wordt in ieder geval
ingetrokken na beëindiging van het dienstverband met de
reclasseringsinstelling.
Paragraaf 2.2. Beëdiging
Artikel 4
Alvorens zijn functie te aanvaarden, legt de reclasseringswerker voor
de rechtbank in het arrondissement van de plaats waar hij is
tewerkgesteld de volgende eed of belofte af:
‘Ik zweer (beloof), dat ik mijn taak overeenkomstig de gestelde
voorschriften naar geweten zal vervullen en de zaken waarvan ik door de
uitoefening van mijn functie kennis draag en waarvan ik het
vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen
dan aan hen, aan wie ik krachtens wettelijk voorschrift of uit hoofde
van mijn functie tot mededeling verplicht ben. Zo waarlijk helpe mij God
Almachtig (Dat beloof ik)’
Artikel 5
1. De reclasseringsinstelling verzoekt de griffier van de rechtbank
het tijdstip voor de beëdiging vast te stellen, zo mogelijk binnen
een maand na ontvangst van het verzoek.
2. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan volgens het model dat als
bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd. Het gaat vergezeld van een
afschrift van de beschikking, waaruit de aanwijzing van de
reclasseringswerker blijkt.
3. De griffier deelt de reclasseringsinstelling het tijdstip mee
waarop de beëdiging zal plaatsvinden.
4. De griffier maakt van de eedsaflegging een akte op en zendt
afschrift daarvan aan de reclasseringsinstelling.
Artikel 6
Het bestuur van de reclasseringsinstelling verstrekt de
reclasseringswerker na diens beëdiging een bewijs waarmee hij zich als
zodanig kan legitimeren.
Hoofdstuk 3. Subsidiëring
Paragraaf 3.1. Subsidieverlening
Artikel 7
1. De ontwerpbegroting en het beleidsplan met de voorgenomen
werkzaamheden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de
Reclasseringsregeling 1995, geeft voor het komende subsidiejaar en
indicatief voor de drie daarop volgende jaren in ieder geval aan:
a. een visie in hoofdlijnen op de te verwachten ontwikkelingen
voor de reclassering als onderdeel van de strafrechtsketen;
b. de beleidsvoornemens met een financiële vertaling daarvan,
met name ten aanzien van de ontwikkeling van de te leveren
producten, de daaraan gerelateerde kostprijzen en de
prioriteitenstelling die bij de uitvoering daarvan wordt
aangehouden;
c. de wijze waarop wordt voldaan aan de door Onze Minister
gestelde prioriteiten door middel van de voorgenomen
werkzaamheden;
d. te verwachten knelpunten bij de uitvoering van het
beleidsplan en de wijze waarop de reclasseringsinstelling deze wil
oplossen.
2. De in het eerste lid genoemde ontwerpbegroting is gebaseerd op
het besluit waarbij de subsidie, bedoeld in artikel 20, tweede lid,
van de Reclasseringsregeling 1995 met betrekking tot het lopende
subsidiejaar is verleend.
3. Onze Minister kan in de uitnodiging, bedoeld in artikel 16,
eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995, met betrekking tot de
eisen van de ontwerpbegroting en het beleidsplan aanwijzingen geven.
Artikel 8
1. De definitieve begroting en het activiteitenplan, bedoeld in
artikel 19, derde lid, van de Reclasseringsregeling 1995, bevatten een
voorstel voor te maken managementafspraken over in ieder geval :
a. het aantal geplande producten;
b. de kostprijs per product.
2. Onze Minister kan in de uitnodiging, bedoeld in artikel 18,
eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995, met betrekking tot de
eisen van de definitieve begroting en het activiteitenplan
aanwijzingen geven.
Artikel 9
1. In het besluit, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de
Reclasseringsregeling 1995, worden de managementafspraken vastgelegd.
2. In het besluit wordt tevens kenbaar gemaakt volgens welke
aanwijzingen op grond van artikel 12, derde lid, de subsidie wordt
verrekend.
Paragraaf 3.2. Subsidievaststelling
Artikel 10
1. De jaarrekening, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder a, van
de Reclasseringsregeling 1995, bestaat uit de balans en de
exploitatierekening met een toelichting.
2. De op grond van artikel 26, tweede lid, onder c, van de
Reclasseringsregeling 1995 gecontroleerde jaarrekening geeft in
samenhang met het jaarverslag, bedoeld in artikel 26, tweede lid,
onder b, van de Reclasseringsregeling 1995, en volgens normen die in
het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een
zodanig inzicht dat de Minister een verantwoord oordeel kan vormen
omtrent:
a. het vermogen en het exploitatiesaldo,
b. de solvabiliteit en de liquiditeit van de
reclasseringsinstelling, voor zover de aard van de jaarrekening
dat toelaat, en
c. de hoeveelheid reclasseringsproducten die is geleverd en
voldoet aan de door Onze Minister gestelde productiecriteria.
3. De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en
stelselmatig de grootte en de samenstelling in actief- en
passiefposten van het vermogen op het einde van het boekjaar weer.
4. De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw,
duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo op het
einde van het boekjaar weer.
5. De in de jaarrekening opgenomen baten en lasten, alsmede de
balansmutaties zijn tot stand gekomen in overeenstemming met van
toepassing zijnde wettelijke regelingen.
6. De jaarrekening sluit aan op de begroting, waarvoor subsidie is
verleend en op de subsidieverlening van dat jaar. Zij behelst een
vergelijking met de gerealiseerde producten, de werkelijke uitgaven
voor de projecten en de overige budgetten, in het jaar voorafgaand aan
het boekjaar.
Artikel 11
Het jaarverslag, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder b, van de
Reclasseringsregeling 1995, beschrijft in samenhang met de jaarrekening
in ieder geval de vergelijking tussen de afgesproken en de gerealiseerde
managementafspraken, met name ten aanzien van de aantallen producten, de
daaraan gerelateerde kostprijs, de projecten, de overige budgetten en
een toelichting op de verschillen.
Artikel 12
1. De subsidievaststelling geschiedt voor de aantallen producten op
basis van de gerealiseerde productie op basis van de bij de
subsidieverlening vastgestelde kostprijs. De gerealiseerde productie
is de productie zoals verantwoord in de jaarrekening en het
jaarverslag en die voldoet aan de door Onze Minister gestelde
productiecriteria.
2. De subsidievaststelling over het totaal van de producten kan ten
hoogste het bedrag zijn dat in de subsidieverlening voor het boekjaar
waarop de subsidievaststelling betrekking heeft, is vermeld.
3. De gerealiseerde productie, projecten en overige budgetten
worden verrekend overeenkomstig de aanwijzingen van Onze Minister.
Artikel 13
1. Ten behoeve van de accountantscontrole bedoeld in artikel 26,
tweede lid, onder c, van de Reclasseringsregeling 1995, is er een
controleprotocol dat wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid van
Onze Minister.
2. Indien geen goedkeurende accountantsverklaring (zonder
beperkingen) kan worden afgegeven, stelt Onze Minister de subsidie
vast met inachtneming van de bevindingen van de accountant, zoals die
blijken uit de accountantsverklaring en het daarbij behorende rapport
van bevindingen. De in de jaarrekening verantwoorde productie, die
niet aan de productiecriteria voldoet of waarvan niet kan worden
vastgesteld of aan die criteria wordt voldaan, kan door Onze Minister
bij de subsidievaststelling als niet gerealiseerde productie worden
aangemerkt. Tevens kan Onze Minister een sanctie opleggen van maximaal
10% van de verleende subsidie.
Paragraaf 3.3. Informatievoorziening
Artikel 14
1. Een reclasseringsinstelling informeert Onze Minister uiterlijk
vier weken na iedere vier maanden over de uitvoering van de
managementafspraken, bedoeld in artikel 9, eerste lid, met een
inhoudelijke en financiële toelichting ten aanzien van de verschillen
met de vorige periodes van vier maanden en de planning voor het
desbetreffende jaar.
2. Een reclasseringsinstelling informeert Onze Minister uiterlijk
tien dagen na iedere twee maanden over de productierealisatie. Deze
informatie bevat de voor de monitoring relevante informatie over de
instroom, realisatie en voorraad per reclasseringsproduct.
3. In het besluit, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de
Reclasseringsregeling 1995, wordt nader aangegeven welke informatie
als bedoeld in het eerste en tweede lid aan Onze Minister moet worden
verstrekt.
Artikel 15
Een reclasseringsinstelling verstrekt aan de Raad voor
strafrechtstoepassing en jeugdbescherming de inlichtingen die deze in
het kader van zijn taak vraagt.
Paragraaf 3.4. Administratieve voorschriften
Artikel 16
1. Een reclasseringsinstelling behoeft de voorafgaande toestemming
van Onze Minister voor:
a. het vervreemden of het bezwaren van registergoederen alsmede
van andere vermogensbestanddelen, verkregen met de bouwsubsidie
tot en met het jaar 2004;
b. het overbrengen van met de subsidie tot en met het jaar 2004
verkregen vermogen en/of vermogensbestanddelen naar andere
organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid, zonder reële
tegenprestatie;
c. een juridische fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek;
d. het doen van aangifte tot haar faillissement of het
aanvragen van haar surséance van betaling;
e. het ontbinden van de instelling.
2. Onze Minister beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.
3. De beslissing kan éénmaal voor ten hoogste vier weken worden
verdaagd.
4. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de
toestemming geacht te zijn verleend.
5. Een reclasseringsinstelling doet onverwijld melding aan Onze
Minister van:
a. het oprichten van dan wel het deelnemen in een
rechtspersoon;
b. het wijzigen van de statuten.
Artikel 17
1. Een reclasseringsinstelling verzekert haar aansprakelijkheid
naar burgerlijk recht tegenover derden in voldoende mate.
2. Een reclasseringsinstelling verzekert de aansprakelijkheid naar
burgerlijk recht van personen die op grond van bepalingen in het
Wetboek van Strafrecht en in het Wetboek van Strafvordering
taakstraffen verrichten, indien deze aansprakelijkheid niet reeds
anderszins is verzekerd.
3. Een reclasseringsinstelling verzekert haar onroerende zaken
tegen brandschade naar herbouwwaarde en haar roerende zaken tegen
brandschade, waterschade en diefstal.
4. De van Onze Minister ontvangen subsidiegelden worden
risicomijdend beheerd.
Artikel 18
1. Voor het ter beschikking stellen van goederen aan of het
verrichten van diensten voor derden brengt een reclasseringsinstelling
een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien daarbij geen
middelen verkregen met de subsidie van het ministerie van Justitie
worden aangewend.
3. Een reclasseringsinstelling verstrekt desgevraagd aan Onze
Minister een beschrijving van de tussen haar en andere rechtspersonen
bestaande organisatorische en financiële banden, alsmede van zodanig
nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover deze
banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de vergoedingen,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19
1. Indien een reclasseringsinstelling haar
reclasseringswerkzaamheden beëindigt, komt Onze Minister een direct
opeisbare vordering op de reclasseringsinstelling toe op het vermogen
en/of de vermogensbestanddelen, zoals bedoeld in artikel 16, eerste
lid, onder a en b.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien
gebouwen, terreinen of roerende zaken ten behoeve waarvan Onze
Minister subsidie heeft verleend, worden vervreemd of geheel of
gedeeltelijk aan hun bestemming worden onttrokken. Het bedrag van de
vordering is in dit geval gelijk aan de directe opbrengstwaarde van de
desbetreffende zaken.
3. Onze Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet
toe, indien de werkzaamheden van de reclasseringsinstelling met
toestemming van Onze Minister door een andere reclasseringsinstelling
worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die
reclasseringsinstelling in eigendom worden overgedragen.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20
De bepalingen van deze regeling zijn van toepassing vanaf het
boekjaar 2005.
Artikel 21
De Uitvoeringsregeling reclassering (Stcrt. 1998, 109) wordt
ingetrokken.
Artikel 22
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 2005.
Artikel 23
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling reclassering
2005.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 9 november 2005.
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner.
Bijlage 1
Model
AANVRAAG BEËDIGING VAN EEN RECLASSERINGSWERKER
De Stichting …...... (naam reclasseringsinstelling) te ...........
(plaatsnaam)
Aan de griffier bij de rechtbank
te …........
Hierbij verzoekt ondergetekende,
….....…. (naam),
….....…. (functie)
van de Stichting …..,
de beëdiging te (doen) bewerkstelligen van de reclasseringswerker
naam: ….......
voornamen (voluit): …....…
geboortedatum en -plaats:
De verklaring omtrent het gedrag is op …… afgegeven door de
minister van Justitie.
Betrokkene, tewerkgesteld in ….. (plaatsnaam)
is sinds ……. (datum) in dienst van de Stichting …....... te …........
Betrokkene is bij beschikking van ….. (datum) van het bestuur van
de Stichting …....... aangewezen als reclasseringswerker
overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995
en voldoet aan de daarvoor in de Uitvoeringsregeling reclassering 2005
gestelde eisen.
Gaarne verneem ik zo spoedig mogelijk het tijdstip waarop de
beëdiging zal plaatsvinden.
…….......... (datum)
…….......... (plaats)
namens het bestuur van de Stichting ……….........
………………. (ondertekening)
|
|
|