|
BESLUIT van 27 augustus 1985, houdende voorschriften
ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 11, tweede lid, en 12,
eerste lid, van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 oktober
1984, nr. RRW 45949, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 11, tweede lid, en 12,
eerste lid, van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392);
Gehoord de Commissie Grondwaterbeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 14 juni
1985, nr. W09.84.0613/12.5.23);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 19 augustus 1985, nr. RRW 30211, Hoofddirectie
van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Afdeling I. Het
onttrekken van grondwater
Artikel 1
- 1.
- Bij de opgave bedoeld in artikel
11, eerste lid, onder a, van de
Grondwaterwet (Stb. 1981,
392) dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:
- a.
- een
aanduiding van de inrichting op een kaart, getekend op
een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt
verkregen van de plaats en de omvang van de inrichting;
- b.
- een
beschrijving van de inrichting;
- c.
- een raming
van de hoeveelheden grondwater, die maximaal per maand
en gemiddeld per jaar worden onttrokken;
- d.
- het doel
waarvoor het onttrokken grondwater wordt gebruikt.
- 2.
- De in het eerste lid bedoelde
gegevens behoeven niet te worden verstrekt voorzover zij in
overeenstemming zijn met gegevens die reeds bij een aanvraag
om een vergunning op grond van artikel
14 van de Grondwaterwet zijn verstrekt.
Artikel 2
| 1. |
De onttrokken
hoeveelheid grondwater dient op zodanige wijze te worden
gemeten dat het meetresultaat in enig kwartaal niet meer
dan vijf procent afwijkt van de werkelijk onttrokken
hoeveelheid.
|
| 2. |
Voor
inrichtingen die zijn opgericht voor een beperkte tijd,
kunnen gedeputeerde staten - in door hen aan te wijzen
gevallen - het in het eerste lid vermelde percentage op
tien stellen.
|
| 3. |
Voor
inrichtingen waarmee per jaar niet meer dan 50 000
kubieke meter grondwater wordt onttrokken alsmede voor
inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor
beregenings- of bevloeiingsdoeleinden, kunnen
gedeputeerde staten - op een daartoe strekkend verzoek -
goedkeuren dat de onttrokken hoeveelheid wordt bepaald
door vermeningvuldiging van de gemiddelde volumestroom
met de gemeten tijd dat de inrichting in werking is. De
gemiddelde volumestroom wordt door of vanwege
gedeputeerde staten vastgesteld en geeft de hoeveelheid
water in kubieke meters aan, die onder
bedrijfsomstandigheden per uur door de inrichting
stroomt.
|
| 4. |
Bij
inrichtingen als bedoeld in artikel
1, tweede lid, van de wet kunnen gedeputeerde
staten voorschrijven dat de verschillende onttrekkingen
afzonderlijk worden gemeten.
|
| 5. |
De plaats van
meting en het type meetinstrument behoeven de
goedkeuring van of vanwege gedeputeerde staten.
Gedeputeerde staten kunnen een periodieke ijking van een
meetinstrument voorschrijven en een instrument doen
verzegelen.
|
Artikel 3
| 1. |
Degene, die
grondwater onttrekt, dient na afloop van ieder kwartaal
de onttrokken hoeveelheid grondwater vast te stellen en
op een meetstaat aan te tekenen. Gedeputeerde staten
kunnen - afhankelijk van de wijze van meten - een hogere
frequentie voorschrijven.
|
| 2. |
Op de in het
eerste lid bedoelde meetstaat wordt - onder opgave van
de datum - eveneens melding gemaakt van voorvallen, die
van invloed kunnen zijn op de meting.
|
| 3. |
De in het
eerste en tweede lid bedoelde gegevens dienen minstens
vijf jaren voor het bevoegd gezag beschikbaar te worden
gehouden.
|
Afdeling II.
Het infiltreren van water
Artikel 4
- 1.
- Bij de opgave bedoeld in artikel
11, tweede lid, eerste volzin, juncto artikel
11, eerste lid, onder a, van de
Grondwaterwet dienen de volgende gegevens te worden
verstrekt:
- a.
- een
aanduiding van de infiltratie-werken op een kaart,
getekend op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld
wordt verkregen van de plaats en de omvang van die
werken;
- b.
- een
beschrijving van de wijze waarop water wordt geïnfiltreerd;
- c.
- een raming
van de hoeveelheden water, die maximaal per maand en
gemiddeld per jaar worden geïnfiltreerd;
- d.
- de
herkomst van het te infiltreren water;
- e.
- of en zo
ja op welke wijze het te infiltreren water wordt
voorgezuiverd.
- 2.
- Artikel 1, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
| 1. |
Bij het
infiltreren van water dient de aangevoerde hoeveelheid
water op zodanige wijze te worden gemeten dat het
meetresultaat in enig kwartaal niet meer dan vijf
procent afwijkt van de werkelijk aangevoerde
hoeveelheid.
|
| 2. |
Voor gevallen
waarin het infiltreren van water voor een beperkte tijd
plaats vindt, kunnen gedeputeerde staten het in het
eerste lid vermelde percentage op tien stellen.
|
| 3. |
Artikel 2,
vierde lid, is van toepassing; artikel 3 is van
overeenkomstige toepassing.
|
Artikel 6
- 1.
-
- a.
- Het meten
van de kwaliteit van het te infiltreren water dient te
geschieden door het nemen van representatieve monsters
en het analyseren daarvan.
- b.
- De
parameters die moeten worden bepaald en de frequentie
van bemonstering en analyse zijn vermeld in de bij dit
besluit behorende bijlage.
- c.
- De analyse
van de monsters vindt plaats volgens de bepalingen van artikel
7 van het Waterleidingbesluit (Stb.
1960, 345).
- 2.
- Afhankelijk van de mate van de
te verwachten beïnvloeding van de kwaliteit van het
grondwater en de bodem door het te infiltreren water kunnen
gedeputeerde staten het aantal parameters alsmede de
frequentie van bemonstering en analyse verhogen of verlagen.
- 3.
- Gedeputeerde staten bepalen op
welke wijze de meetresultaten moeten worden opgetekend en op
welk tijdstip de verkregen resultaten, eventueel in
samengevatte vorm, aan hen moeten worden ingezonden.
- 4.
- De in het derde lid bedoelde
meetresultaten dienen minstens vijf jaren voor het bevoegde
gezag beschikbaar te worden gehouden.
Afdeling III.
Slotbepaling
Artikel 7
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
Lasten en
bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift
zal worden verzonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 27 augustus 1985
BEATRIX
De Minister van Verkeer en
Waterstaat,
N. Smit-Kroes
Uitgegeven de vijftiende
oktober 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage
| Parameter |
|
Frequentie
van bemonstering en analyse |
| |
|
4 wekelijks |
3 maandelijks |
| bacteriën van de
coligroep |
|
x |
|
| kleur |
|
x |
|
| zwevende stof |
|
x |
|
| geleidingsvermogen
voor electriciteit |
|
x |
|
| temperatuur |
|
x |
|
| zuurgraad |
pH |
x |
|
| opgelost zuurstof |
Opgelost O2 |
x |
|
| totaal organisch
koolstof |
T.O.C. |
x |
|
| bicarbonaat |
HCO3- |
x |
|
| nitriet |
NO2- |
x |
|
| nitraat |
NO3- |
x |
|
| ammonium |
NH4- |
x |
|
| totaal fosfaat |
Totaal P |
x |
|
| fluoride |
F- |
|
x |
| cloride |
C1- |
x |
|
| sulfaat |
SO4- |
|
x |
| |
|
|
|
| naturium |
NA+ |
|
x |
| ijzer |
Fe |
|
x |
| mangaan |
Mn |
|
x |
| chroom |
Cr afhankelijk van |
|
x |
| lood |
Pb de voor- |
|
x |
| koper |
Cu zuivering |
|
x |
| zink |
Zn |
|
x |
| cadmum |
Cd |
|
x |
| arseen |
As |
|
x |
| cyanide |
CN |
|
|
| |
|
|
|
| minerale olie |
|
x |
|
| organo-halogeen
somparameters |
|
|
|
| 1. adsorbeerbaar
organisch halogeen |
|
|
|
| (x) = AOX |
|
x |
|
| 2. vluchtig
organisch gebonden chloor |
|
|
|
| (VOC) |
|
x |
|
| |
|
|
|
| vluchtige aromaten |
|
x |
|
| polycyclische
aromaten |
|
afhankelijk |
x |
| fenolen |
|
van de
voorzuivering |
x |
|