|
De Minister van Landbouw en Visserij;
Gelet op artikel 26 van de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977,
694);
Besluit:
Titel 1.
Algemene bepalingen
Artikel
1
Deze beschikking
verstaat onder:
- a.
- ‘de
werknemer’: degene die krachtens een
arbeidsovereenkomst werkzaam is;
- b.
- ‘garantieloon’:
de som van het loon dat de werknemer ingevolge de
arbeidsovereenkomst per maand heeft verdiend, berekend
overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, en 2½% van
dat loon;
- c.
- ‘de
wet’: de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
(Stb. 1977, 694);
- d.
- ‘de
herinrichtingscommissie’: de commissie, genoemd in
artikel 4, eerste lid,
van de wet;
- e.
- ‘de
directeur’: de directeur Beheer Landbouwgronden.
Artikel
2
Aan werknemers,
wier arbeidsovereenkomst wordt beëindigd als rechtstreeks
gevolg van de toepassing van hoofdstuk 11 of artikel
58 van de wet worden op aanvrage door de
herinrichtingscommissie bijdragen uit 's Rijks kas verleend
op de voet van de volgende bepalingen.
Artikel
3
De bijdragen
kunnen bestaan uit:
- a.
- een
loondervingsbijdrage;
- b.
- een
verhuiskostenbijdrage.
Titel 2.
De loondervingsbijdrage
Artikel
4
- 1.
- Aan een
werknemer bij een bedrijf, dat als rechtstreeks gevolg
van de toepassing van Hoofdstuk 11 of artikel
58 van de wet geheel wordt beëindigd, wordt een
loondervingsbijdrage toegekend indien:
- a.
- de
werknemer op de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst woonachtig is in Nederland;
- b.
- de
werknemer op de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst de leeftijd van 65 jaren nog
niet heeft bereikt;
- c.
-
- -
- -
hetzij de werknemer in het jaar 1978 gedurende
ten minste negen maanden werknemer is geweest
bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef
bedoelde bedrijf;
- -
- hetzij
de werknemer gedurende de drie jaren
voorafgaande aan de dag van de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst werknemer is geweest bij
het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde
bedrijf;
- d.
- de
werknemer gedurende de twee kalenderjaren
voorafgaande aan het jaar van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst ten minste 200 werkdagen dan wel
40 werkweken per kalender jaar verzekerd is geweest
bij het Bedrijfspensioenfonds voor de landbouw dan
wel het Bedrijfspensioenfonds voor het
Bloembollenbedrijf.
- 2.
- Aan een
werknemer bij een bedrijf, dat als rechtstreeks gevolg
van de toepassing van Hoofdstuk
II of artikel
58 van de wet gedeeltelijk wordt beëindigd,
wordt een loondervingsbijdrage toegekend indien:
- a.
- de
werknemer voldoet aan het bepaalde in het eerste
lid, onder a–d;
- b.
- in
geval van beïndiging van de arbeidsovereenkomst
door de werknemer de beëindiging rechtstreeks
verband houdt met de gedeeltelijke beëindiging van
het bedrijf.
- 3.
- In afwijking
in zoverre van het bepaalde in het eerste en tweede lid
wordt een loondervingsbijdrage eveneens toegekend aan
een werknemer, die vooruitlopend op de gehele dan wel
gedeeltelijke beëindiging van het in de aanhef van het
eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf de
arbeidsovereenkomst zelf beëindigt, met dien verstande
dat:
- -
- hetzij
de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag
waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van
het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde
bedrijf ter voorkoming van onteigening met de
Stichting Beheer Landbouwgronden een schriftelijke
overeenkomst tot verkoop van het bedrijf heeft
gesloten,
- -
- hetzij
de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag
waarop het in artikel
16, eerste lid, van de wet bedoelde
herinrichtingsplan overeenkomstig het bepaalde in
artikel 20 van de wet is vastgesteld en uit dat
herinrichtingsplan afgeleid kan worden dat ten
aanzien van het in de aanhef van het eerste
onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf hoofdstuk
II van de wet zal worden toegepast,
- -
- hetzij
de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag
waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van
het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde
bedrijf de in artikel
58, derde lid, van de wet bedoelde afstand
heeft gedaan.
- 4.
- In afwijking
in zoverre van het bepaalde in het eerste, tweede en
derde lid geldt het bepaalde in het eerste lid, onder d,
niet voor de werknemer die in verband met zijn leeftijd
gedurende het in het eerste lid, onder d, bedoelde
tijdvak niet of slechts voor een deel verzekerd is
geweest.
Artikel
5
Geen
loondervingsbijdrage wordt toegekend indien de werknemer een
bijdrage is toegekend op grond van:
- a.
- deze
beschikking;
- b.
- Bestuursbesluit
nr. 62 inzake de vaststelling van een bijdrageregeling
voor oudere agrarische werknemers van de Stichting
Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw;
- c.
- Bestuursbesluit
nr. 63 inzake de vaststelling van een bijdrageregeling
bij omscholing samengaand met beroepsovergang uit de
landbouw van de Stichting Ontwikkelings- en
Saneringsfonds voor de Landbouw;
- d.
- het Beëindigingsvergoedingsbesluit
van de Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor
de Landbouw (Stcrt. 1972, 221):
- e.
- Bestuursbesluit
nr. 131, houdende de toepasselijkheidsverklaring van een
aantal artikelen van het Beëindigingsvergoedingsbesluit
ten aanzien van agrarische werknemers waarvan de beëindiging
van het dienstverband een onderdeel uitmaakt van een
maatregel waarin door de Stichting een bijdrage wordt
verleend, van de Stichting Ontwikkelings- en
Saneringsfonds voor de Landbouw (Stcrt. 1974, 128), dan
wel;
- f.
- de
Tijdelijke beëindigingsregeling bepaalde intensieve
veehouderijbedrijven (Stcrt. 1977, 96).
Artikel
6
- 1.
- Aan de
toekenning van de loondervingsbijdrage wordt de
voorwaarde verbonden dat ter zake van de beëindiging
van de arbeidsovereenkomst geen aanvraag voor een
bijdrage of vergoeding uit hoofde van een regeling van
de Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de
Landbouw wordt ingediend.
- 2.
- Aan de
toekenning van de loondervingsbijdrage wordt, indien de
werknemer de in artikel 7, eerste lid, onder a, bedoelde
maandelijkse uitkering wordt toegekend, het voorschrift
verbonden dat:
- a.
- de
werknemer telkens na afloop van een tijdvak van drie
maanden een schriftelijke verklaring aan de
directeur overlegt;
- b.
- de
werknemer, indien hij een nieuwe dienstbetrekking
aanvangt dan wel voor eigen rekening en risico een
bedrijf of beroep gaat uitoefenen, hiervan binnen 14
dagen na de dag waarop de dienstbetrekking aanvangt
onderscheidenlijk wordt begonnen met de uitoefening
van het bedrijf of beroep schriftelijk mededeling
doet aan de directeur.
- 3.
- In de in het
tweede lid onder a bedoelde verklaring dient de
werknemer te verklaren of hij de afgelopen drie maanden
een dienstbetrekking heeft vervuld dan wel voor eigen
rekening en risico een bedrijf of beroep heeft
uitgeoefend, en, indien dit het geval is, welke de
dienstbetrekking onderscheidenlijk welk dit bedrijf of
beroep is.
- 4.
- De
herinrichtingscommissie kan andere dan de in het eerste
en tweede lid bedoelde voorwaarden en voorschriften aan
de toekenning van de bijdrage verbinden, met dien
verstande dat deze slechts mogen strekken ter
bescherming van de belangen, die artikel
26 van de wet beoogt te dienen.
- 5.
- De in het
vierde lid bedoelde voorwaarden en voorschriften
behoeven de goedkeuring van de directeur.
Artikel
7
- 1.
- De
loondervingsbijdrage aan een werknemer bestaat:
- a.
- indien
de werknemer als gevolg van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst aanspraak heeft verkregen op een
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet
of een andere sociale verzekeringswet, uit een
maandelijkse uitkering gedurende een bepaalde
garantietermijn dan wel een uitkering ineens op
basis van deze garantietermijn;
- b.
- in
andere dan de onder a bedoelde gevallen uit een
uitkering ineens op basis van de onder a bedoelde
garantietermijn.
- 2.
- De
garantietermijn voor een werknemer vangt aan:
- a.
- in het
in het eerste lid, onder a, bedoelde geval op de
eerste dag, waarover hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet
of een andere sociale verzekeringswet wordt
toegekend;
- b.
- in het
in het eerste lid, onder b, bedoelde geval op de dag
volgend op die waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd.
- 3.
- De duur van de
garantietermijn wordt vastgesteld overeenkomstig de
onderstaande tabel, waarbij de leeftijd van de werknemer
op de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
bepalend is.
|
Leeftijd
|
Garantietermijn
|
|
41 jaar en
jonger
|
12 maanden
|
|
42
|
14
|
|
43
|
16
|
|
44
|
18
|
|
45
|
20
|
|
46
|
23
|
|
47
|
26
|
|
48
|
29
|
|
49
|
32
|
|
50
|
36
|
|
51
|
40
|
|
52
|
45
|
|
53
|
50
|
|
54
|
56
|
|
55
|
62
|
|
56
|
69
|
|
57
|
76
|
- 4.
- Voor een
werknemer die op de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst de leeftijd van 57 jaren en zes
maanden, maar nog niet die van 65 jaren heeft bereikt,
is de duur van de garantietermijn gelijk aan het aantal
maanden te rekenen vanaf de dag van de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst tot en met de maand waarin de
werknemer de leeftijd van 65 jaren bereikt.
Artikel
8
Het in artikel 1,
onder b, bedoelde loon van de werknemer bestaat uit het
bedrag dat de uitkomst is van de vermenigvuldiging van het
getal 22 met het dagloon, dat op grond van artikel 12a van
de Werkloosheidswet wordt vastgesteld dan wel overeenkomstig
genoemd artikel wordt vastgesteld.
Artikel
9
De in artikel 7,
eerste lid, onder a, bedoelde maandelijkse uitkering
bestaat:
- a.
- gedurende
de eerste zes maanden van de garantietermijn uit een
aanvulling op de uitkering, die aan de werknemer
ingevolge de Werkloosheidswet
dan wel een andere sociale vezekeringswet wordt
toegekend, tot een bedrag van 100% van het garantieloon;
- b.
- gedurende
de volgende 24 maanden van de garantietermijn uit een
aanvulling op de uitkering, die aan de werknemer
ingevolge de Wet
Werkloosheidsvoorziening dan wel een andere
sociale verzekeringswet wordt toegekend, tot een bedrag
van 95% van het garantieloon;
- c.
- gedurende
het resterende gedeelte van de garantietermijn uit een
aanvulling tot een bedrag van 92½% van het
garantieloon.
Artikel
10
- 1.
- Indien de
werknemer, die de maandelijkse uitkering ontvangt, op
enig tijdstip gedurende de garantietermijn een nieuwe
dienstbetrekking aangaat dan wel voor eigen rekening en
risico een bedrijf of beroep gaat uitoefenen, vervalt
het recht op de maandelijkse uitkering met ingang van de
dag waarop de dienstbetrekking aanvangt
onderscheidenlijk wordt begonnen met de uitoefening van
het bedrijf of beroep.
- 2.
- In afwijking
in zoverre van het bepaalde in het eerste lid herleeft,
indien de dienstbetrekking, het bedrijf of beroep,
bedoeld in het eerste lid, eindigt onderscheidenlijk
wordt beëindigd, het recht op de maandelijkse uitkering
voor het op dat tijdstip resterende gedeelte van de
garantietermijn, voor zover de werknemer niet uit
anderen hoofde aanspraak heeft verkregen op een
loondervingsbijdrage.
Artikel
11
Voor zover
gedurende de garantietermijn het in de c.a.o. voor de akker-
en weidebouw en de veehouderij neergelegde tijdloon voor
vakarbeiders A wordt gewijzigd, wordt het garantieloon door
de directeur naar evenredigheid herzien.
Artikel
12
- 1.
- De werknemer,
die de maandelijkse uitkering ontvangt en wiens recht
daarop niet op grond van het bepaalde in artikel 10 is
vervallen ontvangt op een daartoe strekkend schriftelijk
verzoek aan de directeur in plaats van het resterende
gedeelte van de maandelijkse uitkering een uitkering
ineens met ingang van een door de werknemer gekozen dag,
met dien verstande dat deze dag niet is gelegen vóór
de dag waarop het verzoek is verzonden.
- 2.
- In het in het
eerste lid bedoelde geval vervalt het recht op de
maandelijkse uitkering.
Artikel
13
- 1.
- De in de
artikelen 7, eerste lid, en 12 bedoelde uitkeringen
ineens worden vastgesteld op basis van de gehele
onderscheidenlijk het resterende gedeelte van de
garantietermijn, met dien verstande dat daarbij ten
hoogste 30 maanden in aanmerking worden genomen.
- 2.
- De uitkering
ineens bedraagt 70% van 20% van het garantieloon,
vermenigvuldigd met het in het eerste lid bedoelde
aantal maanden van de garantietermijn.
Titel 3.
De verhuiskostenbijdrage
Artikel
14
Een
verhuiskostenbijdrage wordt toegekend indien de werknemer:
- a.
- een
loondervingsbijdrage, bedoeld in artikel 3, onder a, is
toegekend;
- b.
- binnen
twee jaren na de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst in verband met het aangaan van een
nieuwe arbeidsovereenkomst van woonplaats heeft moeten
veranderen en, onderscheidenlijk of, tezamen met zijn
gezin de door hem bewoonde dienstwoning heeft moeten
ontruimen.
Artikel
15
- 1.
- Aan de
toekenning van de verhuiskostenbijdrage wordt de
voorwaarde verbonden dat:
- a.
- de
verhuizing plaatsvindt of heeft plaatsgevonden
binnen twee jaren na de dag van de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst;
- b.
- indien
de verhuizing plaatsvindt in verband met het aangaan
van een nieuwe arbeidsovereenkomst, deze
arbeidsovereenkomst wordt gesloten;
- c.
- ter
zake van de verhuizing geen aanvraag voor een
bijdrage of vergoeding uit hoofde van een regeling
van de Minister van Sociale Zaken wordt ingediend.
- 2.
- Artikel 6,
vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel
16
Geen
verhuiskostenbijdrage wordt toegekend indien:
- a.
- de
werknemer een bijdrage in de kosten van verhuizing is
toegekend op grond van deze beschikking;
- b.
- de
werknemer uit anderen hoofde een bijdrage van
overheidswege in de kosten van de verhuizing is
toegekend.
Artikel
17
De
verhuiskostenbijdrage bedraagt f 7 500.
Titel 4.
Administratieve bepalingen en bezwaarschriftenprocedure
Artikel
18
- 1.
- Een aanvraag
voor een bijdrage wordt ingediend bij de
herinrichtingscommissie door middel van een door de
aanvrager volledig ingevuld en ondertekend formulier,
waar van het model door de directeur is vastgesteld.
- 2.
- Het formulier,
bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek door de
herinrichtingscommissie verstrekt.
Artikel
19
De aanvraag voor
een loondervingsbijdrage kan slechts worden ingediend in het
tijdvak dat is gelegen tussen, hetzij de dag waarop het
bedrijfshoofd van het in de aanhef van artikel 4, eerste
onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde bedrijf ter
voorkoming van onteigening met de Stichting Beheer
Landbouwgronden een schriftelijke overeenkomst tot verkoop
van het bedrijf heeft gesloten, hetzij de dag waarop het in artikel
16, eerste lid, van de wet bedoelde
herinrichtingsplan overeenkomstig het bepaalde in artikel
20 van de wet is vastgesteld, hetzij de dag waarop
het genoemde bedrijfshoofd de in artikel
58, derde lid, van de wet bedoelde afstand heeft
gedaan, en de dag die is gelegen aan het einde van de twee
maanden volgend op de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.
Artikel
20
- 1.
- De aanvraag
voor een verhuiskostenbijdrage wordt ingediend uiterlijk
twee jaren na de dag van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.
- 2.
- Indien de
verhuizing plaatsvindt in verband met het aangaan van
een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt bij de aanvraag
voor een verhuiskostenbijdrage een verklaring overgelegd
van de nieuwe werkgever, dat deze bereid is met de
aanvrager een arbeidsovereenkomst aan te gaan.
Artikel
21
- 1.
- De
herinrichtingscommissie beslist over de aanvraag.
- 2.
- Indien de
werknemer, die een aanvraag voor een
loondervingsbijdrage heeft ingediend, tevens een
aanvraag heeft ingediend voor een bijdrage of vergoeding
op grond van één of meer van de in artikel 5, onder
b-f, bedoelde regelingen, wordt niet over de aanvraag
beslist dan nadat over de aanvraag voor die bijdrage of
vergoeding is beslist.
- 3.
- Indien de
werknemer, die een aanvraag voor een
verhuiskostenbijdrage heeft ingediend, tevens een
aanvraag heeft ingediend voor een bijdrage van
overheidswege in de kosten van verhuizing, is het tweede
lid van overeenkomstige toepassing.
- 4.
- Tegen een
beslissing op grond van deze beschikking kan degene, tot
wie de beslissing is gericht, binnen dertig dagen na de
dag, waarop de beslissing is medegedeeld, uitgereikt of
verzonden, bij de Minister van Landbouw en Visserij
bezwaar maken door het indienen van een met redenen
omkleed en ondertekend bezwaarschrift.
Titel 5.
De uitbetaling van de bijdragen
Artikel
22
- 1.
- De bijdragen
worden door de directeur aan de aanvrager uitbetaald,
- 2.
- De uitbetaling
van een verhuiskostenbijdrage vindt plaats, nadat de
werknemer ten genoegen van de directeur heeft aangetoond
dat de verhuizing heeft plaatsgevonden en dat, indien de
verhuizing plaatsvindt in verband met het aangaan van
een nieuwe arbeidsovereenkomst, deze arbeidsovereenkomst
is gesloten.
Artikel
23
Indien de
werknemer tijdens het genot van de in artikel 7, eerste lid,
onder a, bedoelde maandelijkse uitkering overlijdt, wordt
deze tot en met de laatste dag van de tweede maand, volgende
op die, waarin het overlijden plaatsvondt, uitbetaald:
- a.
- aan de
langstlevende van de echtgenoten indien de overledenen
niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden
leefde;
- b.
- bij
ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
- c.
- bij
ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in
de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
gezinsverband leefde.
Artikel
24
- 1.
- Onverminderd
het bepaalde in de artikelen 10, eerste lid, en 12,
tweede lid, vervalt het recht op een bijdrage, indien de
werknemer aan wie de bijdrage is toegekend, handelt in
strijd met de aan de toekenning verbonden voorwaarden en
voorschriften.
- 2.
- Indien het
recht op een bijdrage overeenkomstig het bepaalde in het
eerste lid is vervallen moet het genotene of teveel
genotene door de werknemer op eerste vordering van de
directeur worden terugbetaald.
- 3.
- Indien het
recht op de loondervingsbijdrage overeenkomstig het
bepaalde in artikel 10, eerste lid, is vervallen, moet
het teveel genotene door de werknemer op eerste
vordering van de directeur worden terugbetaald en kan
het door de directeur ook op latere uitkeringen in
mindering worden gebracht.
Titel 6.
Slotbepaling
Artikel
25
- 1.
- Deze
beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking
bijdragen werknemers Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën.
- 2.
- Zij wordt
bekendgemaakt in de
Nederlandse Staatscourant en treedt
in werking op de dag waarop de wet in werking treedt.
's-Gravenhage, 22 december 1978.
De Minister van Landbouw
en Visserij,
A.P.J.M.M. van der Stee.
|