St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën

 

REGELING  HERVERKAVELING

Tekst zoals deze geldt op 26 januari 2012

 

  
 

 

 
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 juni 2004, nr. TRCJZ/2004/3819, houdende regels over herverkaveling (Regeling herverkaveling)

     De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
     Gelet op de artikelen 163, 195, eerste lid, en 210, derde lid, van de Landinrichtingswet, artikel 92, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland en de artikelen 33, eerste lid, en 107, tweede lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Definities

 

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet: Landinrichtingswet;

b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

c. huiskavel: kavel met een woonhuis;

d. bedrijfskavel: kavel met een complex van gebouwen, dienende voor de uitoefening van een landbouwbedrijf;

e. veldkavel: kavel, die geen huis- of bedrijfskavel is;

f. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet;

g. openbare weg: weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet;

h. vlakligging: mate van egaliteit van het maaiveld;

i. natuurterrein: natuurterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet agrarisch grondverkeer;

j. bureau beheer landbouwgronden: bureau als bedoeld in artikel 28 van de Wet agrarisch grondverkeer;

k. particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties: organisaties als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1992, houdende aanwijzing van particuliere terreinbeherende organisaties ter uitvoering van het bepaalde in artikel 70a van de Pachtwet (Stb. 700);

l. landbouwgrond: landbouwgrond als bedoeld in artikel 1 van de Wet agrarisch grondverkeer;

m. LAC-signaalwaarde: waarde zoals vastgesteld door de Landbouw Advies Commissie Milieukritische Stoffen in het in december 1991 uitgebrachte rapport LAC-signaalwaarden van de werkgroep verontreinigde gronden van de Landbouw Advies Commissie Milieukritische Stoffen.

 

Hoofdstuk 2. Het stelsel van classificatie

 

Artikel 2

1.De agrarische waarde, bedoeld in artikel 162, tweede lid, onderdeel c, van de wet, wordt bepaald op basis van het natuurlijk voortbrengend vermogen van de grond volgens de volgende criteria:

a. aard, dikte en structuur van de bovengrond;

b. aard en structuur van de ondergrond;

c. eventuele andere factoren, die het natuurlijk voortbrengend vermogen van de grond bepalen.

2.De agrarische waarde wordt per klasse bepaald in punten of geld.

 

Artikel 3

Waardeveranderingen als bedoeld in de artikelen 49, 71 en 117 van de wet worden bij de tweede schatting bepaald.

 

Artikel 4

De toestand van de grond wordt bij de eerste en de tweede schatting in kwaliteitsklassen vastgelegd aan de hand van een of meer van de volgende objectieve factoren:

a. de ontsluiting van huiskavels, bedrijfskavels of veldkavels, en

b. de waterhuishoudkundige toestand van kavels.

 

Artikel 5

De toestand van de grond wordt bij de tweede schatting vastgelegd aan de hand van een of meer van de volgende subjectieve factoren:

a. de kavelconcentratie;

b. de afstand van de veldkavels tot de bedrijfskavel;

c. het aantal kavels per bedrijf;

d. de grootte van de kavels, en

e. de vorm van de kavels.

 

Artikel 6

De minister stelt per blok nadere regels vast voor het stelsel van classificatie overeenkomstig het model dat is opgenomen als bijlage 1 bij deze regeling. Deze nadere regels per blok worden als bijlage bij deze regeling opgenomen.

 

Artikel 7

Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op een stelsel van classificatie als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.

 

Hoofdstuk 3. Plan van toedeling

 

Paragraaf 1. Uitruilbaarheid

 

Artikel 8

Gronden die ingevolge een vastgesteld bestemmingsplan of een ontwerpbestemmingsplan een bestemming hebben of krijgen die overeenkomt met de functie van landbouw, natuur, bos of landschap zijn uitruilbaar, voor zover artikel 10 van de wet niet anders bepaalt.

 

Artikel 9

Gronden waarop zich een weg met een openbaar karakter bevindt, die op grond van het landinrichtingsplan het openbare karakter verliest, zijn uitruilbaar.

 

Artikel 10

Wanneer de openbare functie van een waterloop volgens het landinrichtingsplan vervalt, zijn de gronden waarop deze waterloop zich bevindt uitruilbaar.

 

Artikel 11

1.Gronden die zijn gelegen in een natuurgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, en waarvoor geen subsidie is verleend op grond van die regeling zijn uitruilbaar.

2.De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:

a. ruil met landbouwgronden die door bureau beheer landbouwgronden zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen;

b. ruil met overige landbouwgronden.

 

Artikel 12

1.Gronden die zijn gelegen in een beheersgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of een Rbon-gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, en waarvoor geen subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer zijn uitruilbaar.

2.De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:

a. ruil met landbouwgronden waarvoor een eigenaar of pachter bereid is een aanvraag in te dienen voor subsidieverlening ingevolge de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;

b. ruil met overige landbouwgronden.

 

Artikel 13

1.Gronden waarvoor een subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zijn uitruilbaar.

2.In afwijking van het eerste lid zijn gronden waarvoor een eigenaar een overeenkomst tot ontwikkeling of instandhouding van bos of natuur is aangegaan met een verplichting als bedoeld in artikel 252 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat der Nederlanden of bureau beheer landbouwgronden niet uitruilbaar met gronden, ten aanzien waarvan niet een dergelijke overeenkomst is afgesloten, tenzij deze meerbedoelde gronden in eigendom zijn van de Staat der Nederlanden, bureau beheer landbouwgronden of particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.

3.De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:

a. ruil met landbouwgronden die door bureau beheer landbouwgronden zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen;

b. ruil met landbouwgronden die door particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen;

c. ruil met landbouwgronden waarvoor een eigenaar een overeenkomst tot ontwikkeling of instandhouding van bos of natuur is aangegaan met een verplichting als bedoeld in artikel 252 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat der Nederlanden of bureau beheer landbouwgronden.

 

Artikel 14

1.Gronden die deel uitmaken van een onderzoeksgeval als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming zijn niet uitruilbaar.

2.Gronden die deel uitmaken van een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming zijn niet uitruilbaar, indien de LAC-signaalwaarden worden overschreden.

3.Gronden die deel uitmaken van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming zijn niet uitruilbaar tot het bevoegd gezag op grond van de Wet bodembescherming heeft vastgesteld dat

a. het geval van ernstige verontreiniging op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voldoende is gesaneerd en geen LAC-signaalwaarden worden overschreden; of,

b. er met betrekking tot het geval van ernstige verontreiniging op grond van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming voldoende maatregelen zijn genomen en geen LAC-signaalwaarden worden overschreden.

4.Indien het bevoegd gezag in de zin van de Wet bodembescherming een beslissing heeft genomen als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, kan de landinrichtingscommissie besluiten de gronden niet te ruilen, indien de gronden als gevolg van het geval van verontreiniging, bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming, niet voldoen voor een redelijkerwijs vast te stellen gebruiksbestemming.

 

Artikel 15

Niet uitruilbaar zijn:

a. gronden met een uitzonderlijk slechte cultuurtoestand, gronden met een zeer ongelijke vlakligging, natuurterreinen, die niet als cultuurgrond in gebruik zijn, en te diep ontgronde percelen;

b. gronden waarop zich sport- of recreatieterreinen bevinden;

c. gronden waarop zich spoorwegen bevinden;

d. gronden met een houtopstand die groter is dan 10 are of waarvoor een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Boswet geldt;

e. boomgaarden en andere gronden met meerjarige gewassen.

 

Paragraaf 2. Wijze van toedeling

 

Artikel 16

1.De toedeling van kavels vindt zodanig plaats dat een doelmatig gebruik wordt bevorderd.

2.De toedeling van kavels geschiedt met inachtneming van de volgende rangorde:

a. toedeling gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de bedrijfskavel;

b. toedeling gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de huiskavel;

c. toedeling gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels;

d. toedeling gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen het woonhuis en de kavels.

 

Artikel 17

De samenvoeging van kavels die ten dienste staan van één gebruiker vindt niet plaats, indien dit leidt tot een mate van versnippering van het eigendom van grond, die in redelijkheid niet van de betrokken eigenaar kan worden gevergd.

 

Artikel 18

De grens van een huis- of bedrijfskavel kan bij toedeling slechts na overeenstemming met de eigenaar en na overleg met de gebruikers worden aangepast, tenzij:

a. het gebouw op die kavel niet meer in gebruik is of zich niet in de nabijheid van de kavelgrens bevindt, of

b. het begrenzingenplan hiertoe noodzaakt.

 

Artikel 19

1.De landinrichtingscommissie handhaaft beperkte rechten als bedoeld in artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek indien het belang van de landinrichting zich daar niet tegen verzet.

2.De landinrichtingscommissie handhaaft of vestigt erfdienstbaarheden indien niet door herverkaveling of uitvoering van werken aan de behoefte waarin deze rechten voorzien is tegemoet gekomen.

 

Paragraaf 3. Overige bepalingen

 

Artikel 20

De gemiddelde schattingswaarde per hectare van aan een eigenaar of pachter toe te delen grond wijkt maximaal twee schattingsklassen af van de gemiddelde schattingswaarde per hectare van de door die eigenaar of pachter ingebrachte grond.

 

Artikel 21

Van de artikelen 8 tot en met 20 kan worden afgeweken indien dit een doelmatige herverkaveling of realisatie van de doeleinden van het landinrichtingsplan bevordert en de minister hiermee instemt.

 

Hoofdstuk 4. De tweede schatting en de lijst der geldelijke regelingen

 

Artikel 22

De minister stelt, gehoord de landinrichtingscommissie, de waardering van de objectieve en subjectieve factoren vast ten einde de kosten, bedoeld in artikel 223, eerste lid, van de wet, te berekenen.

 

Artikel 23

1.Bij de lijst der geldelijke regelingen kunnen verrekenposten worden opgenomen tussen hetzij de bij het plan van toedeling betrokken eigenaren onderling hetzij de gezamenlijkheid van eigenaren en de individuele eigenaar, die betrokken is bij het plan van toedeling.

2.De verrekenposten, bedoeld in het eerste lid, kunnen betreffen:

a. de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten, kabels en leidingen;

b. de regeling en opheffing van beperkte rechten, huren, lasten en renten, bedoeld in artikel 160, eerste lid, van de wet;

c. de vestiging van beperkte rechten, bedoeld in artikel 160, tweede lid, van de wet;

d. andere dan agrarische waarden;

e. het verhaal van kosten in verband met een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming.

3.De waarde van gebouwen, werken, beplantingen en houtopstanden wordt niet dan bij de tweede schatting bepaald en slechts voor zover voornoemde objecten door het plan van toedeling van eigenaar veranderen en hierover geen regeling is getroffen tussen de oude en de nieuwe eigenaar.

 

Artikel 24

De minister stelt, gehoord de landinrichtingscommissie, de hoogte van de verrekenposten vast op basis van de waarde in het maatschappelijk verkeer.

 

Artikel 25

De minister stelt per blok nadere regels vast voor de tweede schatting overeenkomstig het model dat is opgenomen als bijlage 2 bij deze regeling. Deze nadere regels per blok worden als bijlage bij deze regeling opgenomen.

 

Artikel 26

Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op een schatting als bedoeld in de artikelen 92, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland en 107, tweede lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.

 

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 27

De minister kan voor een blok nadere regels vaststellen in afwijking van artikel 25, ingeval de Centrale Landinrichtingscommissie, bedoeld in artikel 7 van de wet zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet van 22 april 2004 tot wijziging van de Landinrichtingswet en enige andere inrichtingswetten (positie van de Centrale Landinrichtingscommissie; Stb. 223), vóór 11 februari 2003 een stelsel van classificatie heeft vastgesteld dat voor het desbetreffende blok voorziet in een andere waardering van de objectieve en subjectieve factoren dan die overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

 

Artikel 27a

Deze regeling berust mede op artikel 97 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en op artikel 95 van de Wet inrichting landelijk gebied.

 

Artikel 28

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

 

Artikel 29

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling herverkaveling.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

 

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
.

 

 

Bijlage niet opgenomen

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x