| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet inrichting
landelijk gebied (Wilg)
REGELING
INRICHTING LANDELIJK GEBIED
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14
december 2006, nr. TRCJZ/2006/3910, houdende regels inzake de inrichting
van het landelijke gebied
De Minister
Van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en de Staatssecretaris van
Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Financiën;
Gelet op de artikelen 12, vierde lid, 52,
vierde lid, 87, 91, derde lid, 92, 93 en 95, vierde lid, van de Wet
inrichting landelijk gebied, artikel 15.13, eerste tot en met derde lid,
van de Wet milieubeheer, artikel 29 van de Wet agrarisch grondverkeer,
artikel 92, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland, artikel
97 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, de artikelen 2 en 4 van
de Kaderwet LNV-subsidies, artikel 33, eerste lid, artikel 107, tweede
lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse
Veenkoloniën, artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad
van 21 juni 2005 betreffende financiering van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid (PbEU L 209) en artikel 74 van Verordening (EG) nr.
1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor
plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);
Besluiten:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- beheersautoriteit: beheersautoriteit als bedoeld in artikel 27,
onderdeel a;
- betaalorgaan: erkend betaalorgaan als bedoeld in artikel 27,
onderdeel b;
- bodem: bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet
bodembescherming;
- bureau beheer landbouwgronden: bureau, bedoeld in artikel 28
van de Wet agrarisch grondverkeer;
- grondwaterkarakteristiek: samenstel van gegevens inzake de
langjarig gemiddeld hoogste en de langjarig gemiddeld laagste
grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld;
- infrastructurele voorziening: infrastructurele voorziening als
bedoeld in artikel 24 van de wet;
- Minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- plattelandsontwikkelingsprogramma:
plattelandsontwikkelingsprogramma als bedoeld in artikel 15, eerste
lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005, van Nederland;
- schadeloosstelling: schadeloosstelling als bedoeld in artikel
52, tweede lid, van de wet;
- verordening (EG) nr. 794/2004: verordening (EG) nr. 794/2004
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 april 2004
tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen tot vaststelling van nadere bepalingen voor
de toepassing van artikel 93 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap (PbEU L 140);
- verordening (EG) nr. 1290/2005: verordening (EG) nr. 1290/2005
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 juni 2005
betreffende financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PbEU
L 209);
- verordening (EG) nr. 1698/2005: verordening (EG) nr. 1698/2005
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 september 2005
inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees
Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);
- wet: Wet inrichting landelijk gebied.
Hoofdstuk 2. Investeringsbudget landelijk gebied
Paragraaf 2.1. Eisen aan de verslaglegging door de provincies
Artikel 2
1. Met betrekking tot door gedeputeerde staten te verlenen
subsidies ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1698/2005:
a. verstrekken gedeputeerde staten alle informatie aan de
beheersautoriteit die de beheersautoriteit nodig heeft ter uitvoering
van artikel 75 van verordening (EG) nr. 1698/2005;
b. geschiedt door gedeputeerde staten jaarlijkse verslaglegging aan
de beheersautoriteit.
2. De verslaglegging bevat alle
gegevens die de beheersautoriteit van de betrokken provincie nodig heeft
om het jaarverslag, bedoeld in artikel 82 van verordening (EG) nr.
1698/2005, te kunnen opmaken en het binnen de in die verordening
gestelde termijnen te kunnen toezenden aan het Comité van Toezicht,
bedoeld in artikel 27a, en aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
Artikel 3
Met betrekking tot door gedeputeerde staten ten laste van het
investeringsbudget uitgevoerde steunmaatregelen als bedoeld in de
artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap verstrekken gedeputeerde staten de Minister jaarlijks alle
informatie die deze nodig heeft ter uitvoering van artikel 21 van
verordening (EG) nr. 659/1999.
Paragraaf 2.2. Overgang van lopende Rijksverplichtingen
Artikel 4
1. Als verplichtingen als bedoeld in artikel 93, eerste en
derde lid, van de wet worden aangeduid:
a. de van voor 1 januari 2007 daterende
verplichtingen die voor de Minister, de Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat alsmede voor de
landinrichtingscommissies, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de
Landinrichtingswet, voortvloeien uit de in de bijlage bij deze
regeling genoemde wetten, Ministeriële regelingen en incidentele
projectsubsidies, met uitzondering van de verplichtingen die
voortvloeien uit subsidieverhoudingen waarbij reeds
subsidievaststelling en uitbetaling heeft plaatsgevonden, en met
uitzondering van het afhandelen van bezwaar- en beroepsprocedures
tegen subsidiebeschikkingen die voor 1 januari 2007 zijn ingediend;
b. de van voor 1 januari 2008 daterende verplichtingen die voor de
Minister voortvloeien uit de Regeling subsidies particuliere
terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties, met uitzondering van
de verplichtingen die voortvloeien uit het project Grensmaas, het
project Zandmaas Pakket I en de Nadere Uitwerking voor het
Rivierengebied, met uitzondering van de verplichtingen die
voortvloeien uit subsidieverhoudingen waarbij reeds
subsidievaststelling en uitbetaling heeft plaatsgevonden, en met
uitzondering van het afhandelen van bezwaar- en beroepsprocedures
tegen subsidiebeschikkingen die voor 1 januari 2008 zijn ingediend.
2. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onderdeel a, alsmede de bevoegdheden van de Minister, onderscheidelijk
de Staatssecretarissen, genoemd in het eerste lid, aanhef en onderdeel
a, die met deze verplichtingen samenhangen worden per 1 januari 2007 aan
gedeputeerde staten overgedragen.
3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onderdeel b, alsmede de bevoegdheden van de Minister, bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdeel b, die met deze verplichtingen
samenhangen worden per 1 januari 2008 aan gedeputeerde staten
overgedragen.
4. Archiefbescheiden van de Minister, de Staatssecretarissen,
genoemd in het eerste lid, alsmede van de landinrichtingscommissies,
betreffende de verplichtingen die ingevolge het eerste lid overgaan naar
gedeputeerde staten, worden overgedragen aan gedeputeerde staten van de
provincie waarnaar de verplichtingen ingevolge het eerste en tweede lid
overgaan, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn
overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Paragraaf 2.3. Koopplicht
Artikel 5. :
Telkens wanneer met betrekking tot grond aan het bureau beheer
landbouwgronden een recht van eigendom of een daarvan afgeleid recht
wordt aangeboden, is het bureau beheer landbouwgronden gehouden het hem
aangeboden recht te verwerven voor rekening van de provincie waarin de
desbetreffende grond is gelegen, indien is voldaan aan elk van de
volgende voorwaarden:
a. de grond is gelegen in een gebied dat is begrensd als
beheersgebied overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling
agrarisch natuurbeheer zoals die luidde tot 1 januari 2007,
onderscheidenlijk hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling agrarisch
natuurbeheer van de onderscheiden provincies zoals die luidde tot 1
januari 2010, of is gelegen in een gebied dat is begrensd
overeenkomstig artikel 2.1, tweede lid, onder b, van de
Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer van de onderscheiden
provincies;
b. ten aanzien van de grond is beheerssubsidie verleend voor de
beheerspakketten, opgenomen in de bijlagen 6 tot en met 11, 15 en 24
tot en met 27 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer zoals
die luidde tot 1 januari 2007, of voor de beheerspakketten opgenomen
in de bijlagen 6 tot en met 11, 15, 24a en 26a van de
Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden
provincies zoals die luidde tot 1 januari 2010, of is subsidie
agrarisch natuurbeheer verleend voor de agrarische beheerpakketten
A.02.01.01, A02.01.02, A02.01.04, A.02.02.01, A.02.02.02 van de
Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer van de onderscheiden
provincies;
c. gedeputeerde staten van betrokken provincies achten het
aannemelijk dat:
1. zodanige grond niet aan derden kan worden vervreemd of ten
gunste van derden in gebruik kan worden afgestaan, of
2. ten aanzien van zodanige grond vestiging van een ander
beperkt recht ten gunste van derden niet kan plaatsvinden;
d. de desbetreffende provincie heeft het bureau beheer
landbouwgronden gemachtigd het recht voor haar rekening te
verwerven.
Artikel 6
Telkens wanneer met betrekking tot grond aan het bureau beheer
landbouwgronden een recht van eigendom of een daarvan afgeleid recht
wordt aangeboden, is het bureau beheer landbouwgronden gehouden het hem
aangeboden recht te verwerven namens en voor rekening van de provincie
waarin de desbetreffende grond is gelegen, indien is voldaan aan elk van
de volgende voorwaarden:
a. de grond is gelegen in een gebied als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, onderdeel f, onderscheidenlijk g, van de
Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zoals die luidde tot 1 januari
2007, onderscheidenlijk artikel 13, eerste lid, onderdeel f,
onderscheidenlijk g, van de Subsidieregeling natuurbeheer van de
onderscheiden provincies;
b. het betrokken recht berust niet bij een publiekrechtelijk
lichaam of een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede
lid, van de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisaties zoals die luidde tot 1 januari 2007;
c. het aangeboden recht heeft betrekking op landbouwgrond of op
grond ten aanzien waarvan subsidie functieverandering op grond van
een regeling als bedoeld in onderdeel a is verleend;
d. de desbetreffende provincie heeft het bureau beheer
landbouwgronden gemachtigd het recht namens haar en voor haar
rekening te verwerven.
Artikel 7
1. De door het bureau beheer landbouwgronden te betalen prijs
voor de verwerving van het recht, bedoeld in de artikelen 5 en 6,
wordt bepaald op basis van de daartoe in opdracht van het bureau
beheer landbouwgronden getaxeerde waarde van de betrokken grond in het
economische verkeer bij agrarische bestemming.
2. Bij de taxatie wordt in voorkomende gevallen geen rekening
gehouden met de omstandigheid dat:
a. op de betrokken grond een aangepaste agrarische bedrijfsvoering
uit hoofde van een subsidieverlening plaatsvindt;
b. de betrokken grond is gelegen in een gebied als bedoeld in
artikel 5 of 6.
Artikel 8
1. In zoverre in afwijking van artikel 7 wordt, indien op de
grond een verplichting is gevestigd als bedoeld in artikel 46 van de
Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zoals die luidde tot 1 januari
2007, onderscheidenlijk artikel 40 van de Subsidieregeling
natuurbeheer van een der onderscheiden provincies en het bureau beheer
landbouwgronden verwerving van het eigendomsrecht wordt aangeboden,
komt de door het bureau beheer landbouwgronden voor de verwerving van
dat recht te betalen prijs overeen met de som van:
a. de actuele waarde van de grond in het economisch verkeer bij
bestemming natuur of bos, welke waarde wordt bepaald op basis van een
daartoe door het bureau beheer landbouwgronden verrichte taxatie, en
b. de op het moment van verkoop nog niet uitbetaalde subsidie
functieverandering, welke subsidie in contante waarde is uitgedrukt,
rekening houdend met een jaarlijkse rentevoet van 4%.
2. Ingeval de verwerving, bedoeld in het eerste lid, betrekking
heeft op een met een beperkt gebruiksrecht belast eigendomsrecht, wordt
de in het eerste lid bedoelde som verminderd met de waarde van het
desbetreffende beperkt gebruiksrecht, welke waarde wordt bepaald op
basis van de in opdracht van het bureau beheer landbouwgronden verrichte
taxatie.
Artikel 9
1. Indien de uitkomst van de in opdracht van het bureau beheer
landbouwgronden verrichte taxatie voor de andere partij niet
aanvaardbaar is, vindt in opdracht van die partij nadere taxatie van
de waarde van de betrokken grond plaats door een driemanschap waarvan
een lid wordt aangewezen door:
a. die partij;
b. het bureau beheer landbouwgronden;
c. de onder a en b bedoelde personen gezamenlijk.
2. Het driemanschap verricht de nadere taxatie met inachtneming
van artikel 7, tweede lid.
3. Het driemanschap beslist met meerderheid van stemmen. De
beslissing van het driemanschap heeft de kracht van een bindend advies
ten aanzien van de te betalen grondprijs.
4. De kosten van de nadere taxatie, bedoeld in het eerste lid,
worden gelijkelijk verdeeld tussen beide partijen.
Artikel 10
1. Op verzoek van de provincie op wier grondgebied de grond,
bedoeld in artikel 5 of 6, is gelegen kan de Minister besluiten vanaf
een in overleg met die provincie te bepalen tijdstip de gehoudenheid
van het bureau beheer landbouwgronden op te schorten.
2. De Minister schort de gehoudenheid van het bureau beheer
landbouwgronden in ieder geval op, als:
a. de betrokken provincie de prestaties, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de wet, geheel of nagenoeg geheel heeft
gerealiseerd voor het betrokken gebied, of
b. de Ecologische Hoofdstructuur in de betrokken provincie geheel
of nagenoeg geheel is gerealiseerd.
3. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt in de
Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 10a
1. De gehoudenheid van het bureau beheer landbouwgronden,
bedoeld in de artikelen 5 en 6, is met ingang van 15 november 2010
niet van toepassing op grond, gelegen in de provincie Drenthe,
Noord-Brabant, Noord-Holland of Overijssel.
2. De gehoudenheid van het bureau beheer landbouwgronden, bedoeld
in de artikelen 5 en 6, is met ingang van 1 januari 2011 niet van
toepassing op grond, gelegen in de provincie Friesland, Groningen,
Limburg, Utrecht of Zeeland.
3. De gehoudenheid van het bureau beheer landbouwgronden, bedoeld
in de artikelen 5 en 6, is met ingang van 1 maart 2011 niet van
toepassing op grond, gelegen in de provincie Zuid-Holland of Gelderland.
4. Het vorige lid is niet van toepassing op gronden opgenomen in
het Grondprotocol 2010–2013 Gelderland (nr. 2009-023198), zoals dit
luidde op 25 mei 2010.
Hoofdstuk 3. Landinrichting
Paragraaf 3.1. Toedeling van grond na onteigening
Artikel 11
1. Gedeputeerde staten nemen een besluit op het verzoek van de
onteigende partij, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet, om
tegen evenredige inbreng van de haar ingevolge de onteigeningswet
toekomende schadeloosstelling in aanmerking te komen voor toedeling
van vervangende grond op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel
b, van de wet.
2. Gedeputeerde staten wijzen het verzoek af ingeval het belang
van de landinrichting zich tegen de toedeling verzet.
3. De toedeling vindt plaats met toepassing van de artikelen 12
tot en met 14.
Artikel 12
1. Indien de onteigening ten behoeve van de realisatie van een
infrastructureel werk, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet,
eerder plaatsvindt dan de toedeling van vervangende grond, bedoeld in
artikel 11, besluiten gedeputeerde staten op verzoek van de onteigende
partij op grond van artikel 45, eerste lid, van de wet of aan deze
grond in tijdelijk gebruik kan worden gegeven. Indien gedeputeerde
staten besluiten aan de onteigende partij grond in tijdelijk gebruik
te geven, doen zij van hun besluit mededeling aan de deskundigen die
op grond van artikel 27 van de onteigeningswet zijn benoemd door de
rechtbank die uitspraak doet over de schadeloosstelling.
2. Het bestuursorgaan dat besluit tot de onteigening, bedoeld in
het eerste lid, vergoedt aan gedeputeerde staten de kosten die zijn
gemoeid met het in tijdelijk gebruik geven van grond op grond van het
besluit van gedeputeerde staten, bedoeld in het eerste lid. Bedoelde
kosten worden mede gebaseerd op de schadeloosstelling.
Artikel 13
1. Na de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 37 van
de onteigeningswet, maakt de onteigende partij de op grond van deze
uitspraak ontvangen schadeloosstelling binnen vier weken na ontvangst
van het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 12, tweede lid, over aan
gedeputeerde staten.
2. Na ontvangst van de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste
lid, wordt deze beheerd door gedeputeerde staten.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 14, maakt de
wettelijke rente over de periode van het beheer, bedoeld in het tweede
lid, deel uit van de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14
1. Na de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 37 van
de onteigeningswet, stellen gedeputeerde staten vast in welke mate de
toedeling van vervangende grond, bedoeld in artikel 11, de schade
ontstaan door de onteigening, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van
de wet, compenseert. Voor zover bedoelde toedeling de schade ontstaan
door de onteigening niet of niet volledig compenseert, keren
gedeputeerde staten de schadeloosstelling uit aan de onteigende partij
afhankelijk van de mate waarin geen of geen volledige compensatie
heeft plaatsgevonden door bedoelde toedeling.
2. Voor zover de schadeloosstelling op grond van het eerste lid
niet wordt uitgekeerd aan de onteigende partij, wordt deze in mindering
gebracht op de kosten, bedoeld in artikel 90, derde lid, van de wet, die
de gezamenlijke eigenaren in het blok, bedoeld in artikel 26, eerste
lid, van de wet, dragen.
3. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, maakt deel uit van de
lijst der geldelijke regelingen, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van
de wet.
Paragraaf 3.2. Gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming
Artikel 15
De gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming, bedoeld in artikel 52,
derde lid, van de wet, worden bepaald met inachtneming van de artikelen
16 tot en met 20.
Artikel 16
1. De gelijke hoedanigheid van gronden binnen een blok wordt
uiterlijk op het in het artikel 65, tweede lid, van de wet
laatstbedoelde tijdstip bepaald.
2. De gelijke hoedanigheid van gronden binnen het blok wordt
bepaald, voor zover deze uitruilbaar zijn op grond van hoofdstuk 2,
paragraaf 3, van het Besluit herverkaveling.
Artikel 17
1. De gelijke hoedanigheid wordt bepaald aan de hand van de
volgende kenmerken:
a. de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de lagen
in de bodem tot ten minste een diepte van 1 meter onder het maaiveld,
en
b. de grondwaterkarakteristiek.
2. De gelijke hoedanigheid wordt vastgesteld aan de hand van
deelkaarten van de Bodemkaart van Nederland en de Grondwaterkaart van
Nederland met een schaal van 1:25.000.
3. In afwijking van het tweede lid kan de gelijke hoedanigheid
worden bepaald aan de hand van bodem- of grondwaterkaarten met een
grotere schaal dan 1: 25.000, indien de landinrichting plaatsvindt in
een gebied met een minder grote eenvormigheid van de bodemkenmerken of
grondwaterkarakteristiek.
4. Indien geen bodemkaart of grondwaterkaart beschikbaar is kan
de gelijke hoedanigheid worden vastgesteld op basis van een advies van
deskundigen.
Artikel 18
Bij de bepaling van de gelijke hoedanigheid van gronden blijven de
volgende kenmerken van de gronden buiten beschouwing:
a. het feitelijke gebruik;
b. de verkavelingssituatie;
c. de ontsluitingssituatie;
d. de beheersing van het oppervlaktewaterpeil;
e. de mate van egaliteit van het maaiveld;
f. de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels,
waaronder bunkers, hoogspanningsmasten of kabels en leidingen;
g. de aanwezigheid van beregeningsinstallaties of drainage;
h. overige fysieke elementen die het
feitelijk gebruik beïnvloeden, en
i. andere dan agrarische kenmerken.
Artikel 19
1. Van de gronden met een gelijke hoedanigheid wordt de
bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming bepaald aan de hand van een
of meer van de volgende kenmerken:
a. de ontwateringstoestand;
b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewas;
c. de stevigheid van de bovengrond;
d. de verkruimelbaarheid van de bodem;
e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
f. de stuifgevoeligheid van de bodem, of
g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een
gewas bevinden.
2. Voor elke gebruiksbestemming wordt bepaald welke van de
kenmerken, bedoeld in het eerste lid, daarvoor doorslaggevend zijn.
Artikel 20
1. De bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming wordt ingedeeld
in ten minste drie klassen.
2. De indeling, bedoeld in het eerste lid, wordt op een kaart
vermeld.
Paragraaf 3.3. Ruilverkaveling bij overeenkomst
Artikel 21
1. In een beding van de overeenkomst, bedoeld in artikel 85,
eerste lid, van de wet, kunnen de artikelen 60, tweede, derde en
vierde lid, 81, tweede, vierde en vijfde lid, en 82, derde en vierde
lid, van de wet, van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
2. In de notariële akte van
verdeling, bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de wet, wordt vermeld
welke van de in het eerste lid genoemde artikelen in het beding, bedoeld
in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
Paragraaf 3.4. Ondergrens te heffen omslagkosten
Artikel 22
Het bedrag, bedoeld in artikel 91, derde lid, van de wet, bedraagt
€ 10, –.
Paragraaf 3.5. Overgangsbepalingen landinrichting
Artikel 23
Bij landinrichtingsprojecten waarvoor een landinrichtingsplan als
bedoeld in artikel 73 van de Landinrichtingswet, onderscheidenlijk een
uitwerking van het reconstructieplan als bedoeld in artikel 18 van de
Reconstructiewet concentratiegebieden is vastgesteld voor de
inwerkingtreding van de wet en die worden voltooid volgens de bepalingen
van de wet:
a. wordt het landinrichtingsplan, bedoeld in artikel 73 van de
Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan het inrichtingsplan, bedoeld
in artikel 17 van de wet;
b. wordt de uitwerking van het reconstructieplan voorzover
hierbij sprake is van herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk 3,
titel 6 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, gelijkgesteld
aan het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de wet;
c. wordt het plan van tijdelijk gebruik, bedoeld in artikel 189,
eerste lid, van de Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan het
besluit, bedoeld in artikel 45, eerste lid van de wet;
d. wordt het begrenzingenplan, bedoeld in artikel 131 van de
Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan de onderdelen van het
inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdelen c en
d, van de wet;
e. wordt het toewijzingsbesluit, bedoeld in artikel 133 van de
Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan het onderdeel van het
inrichtingsplan bedoeld in artikel 28 van de wet;
f. wordt een wijziging of uitwerking van het landinrichtingsplan
als bedoeld in de artikelen 84 en 85 van de Landinrichtingswet
gelijkgesteld aan de planwijziging, bedoeld in artikel 18 en 19 van
de wet.
Artikel 24
De op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet afgeronde
procedureonderdelen en proceduremomenten worden geacht te zijn afgerond
overeenkomstig de wet.
Artikel 25
1. De volgende procedureonderdelen en proceduremomenten, die op
het tijdstip van inwerkingtreding van de wet nog niet zijn afgerond,
worden afgerond overeenkomstig de procedure van de Landinrichtingswet
onderscheidenlijk de Reconstructiewet concentratiegebieden:
a. de vaststelling, de wijziging en de uitwerking van het
landinrichtingsplan, bedoeld in de artikelen 80, 84 en 85 van de
Landinrichtingswet;
b. de uitwerking van het reconstructieplan, bedoeld in artikel 18
van de Reconstructiewet concentratiegebieden, voorzover hierbij sprake
is van herverkaveling;
c. de vaststelling van het plan tijdelijk gebruik, bedoeld in
artikel 190 van de Landinrichtingswet.
2. Artikel 23 is van overeenkomstige toepassing op de
procedureonderdelen en proceduremomenten die ingevolge het eerste lid
zijn afgerond.
Artikel 26
In afwijking van artikel 95, derde lid, van de wet worden de volgende
landinrichtingsprojecten voltooid overeenkomstig de procedure van de
Landinrichtingswet:
a. herinrichting ‘Bodegraven-Noord’;
b. herinrichting ‘Boskoop’;
c. herinrichting ‘IJsselmonde’;
d. ruilverkaveling ‘Land
van Maas en Waal’;
e. ruilverkaveling ‘Rijssen’.
Hoofdstuk 4. Uitvoeringsbepalingen Verordening
Plattelandsontwikkeling
Artikel 27
Ter uitvoering van artikel 74, tweede lid, van verordening (EG) nr.
1698/2005 is aangewezen:
a. als beheersautoriteit: de Minister;
b. als erkend betaalorgaan: Dienst landelijk gebied;
c. als certificerende instantie: de Auditdienst van het
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Artikel 27a
1. Ter uitvoering van
artikel 77, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005 is er een
Comité van Toezicht.
2. Het Comité van Toezicht
bestaat uit de volgende leden:
a. de Minister, tevens voorzitter;
b. een vertegenwoordiger, aangewezen door de Minister;
c. een vertegenwoordiger, aangewezen door de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
d. een vertegenwoordiger,
aangewezen door gedeputeerde staten van Fryslân, Groningen en Drenthe
gezamenlijk;
e. een vertegenwoordiger, aangewezen door gedeputeerde staten van
Overijssel en Gelderland gezamenlijk;
f. een vertegenwoordiger, aangewezen door gedeputeerde staten van
Noord-Brabant, Limburg en Zeeland gezamenlijk;
g. een vertegenwoordiger, aangewezen door gedeputeerde staten van
Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland gezamenlijk.
3. Het Comité van Toezicht
bestaat uit de volgende adviserende leden:
a. een vertegenwoordiger, aangewezen door de Commissie van de
Europese Gemeenschappen;
b. een vertegenwoordiger, aangewezen door de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten;
c. een vertegenwoordiger, aangewezen door de Unie van Waterschappen;
d. een door de Minister aangewezen vertegenwoordiger van de sociale
en economische partners;
e. een door de Minister aangewezen vertegenwoordiger van de natuur-
en milieuorganisaties;
f. een door de Minister aangewezen vertegenwoordiger van de
landbouworganisaties.
4. Gedeputeerde staten van
alle provincies wijzen gezamenlijk één van de vertegenwoordigers,
bedoeld in het tweede lid, de onderdelen d tot en met g, aan als
plaatsvervangend voorzitter van het Comité van Toezicht.
5. Van de aanwijzing van een
vertegenwoordiger op grond van het tweede en derde lid die niet
geschiedt door de Minister en van de aanwijzing van de plaatsvervangend
voorzitter, bedoeld in het vierde lid, wordt door de aanwijzende
organisaties mededeling gedaan aan de Minister.
6. De Minister wijst het
secretariaat van het Comité van Toezicht aan.
Artikel 27b
1. Ter uitvoering van artikel 75, eerste lid, onderdeel a, van
verordening (EG) nr. 1698/2005, selecteert de Minister maximaal
vijfendertig plaatselijke groepen als bedoeld in artikel 62, eerste
lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005.
2. Een aanvraag om te worden geselecteerd kan worden ingediend na
een oproep vanwege de Minister tot het indienen van aanvragen, aan welke
oproep een uiterste datum van indiening is verbonden.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een plaatselijke
ontwikkelingsstrategie als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onderdeel
a, van verordening (EG) nr. 1698/2005.
4. Gedeputeerde staten van de provincie waarin het door een
plaatselijke groep te ontwikkelen gebied geheel of grotendeels is
gelegen, brengen ten behoeve van de selectie advies uit aan de Minister
over de aanvraag van desbetreffende plaatselijke groep.
5. Na kennisneming van alle adviezen
als bedoeld in het derde lid, brengt het Comité van Toezicht, bedoeld
in artikel 27a, ten behoeve van de selectie advies uit aan de Minister.
6. Bij de selectie worden de criteria in acht genomen die ten
aanzien van de selectie zijn opgenomen in het
plattelandsontwikkelingsprogramma.
Artikel 28
Ter uitvoering van artikel 6, derde lid, van verordening (EG) nr.
1290/2005 is als coördinerende instantie erkend: het coördinerend
bureau van de Directie Internationale Zaken van het Ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Hoofdstuk 4a. Comité van Toezicht ILG
Artikel 28a
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- bestuursovereenkomsten: bestuursovereenkomsten
Investeringsbudget Landelijk Gebied 2007–2013, zoals tussen Rijk
en provincies overeengekomen;
- comité:
Comité van Toezicht ILG;
- eindverantwoordingsverslag:
verslag als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de wet;
- voortgangsrapportage: verslag als bedoeld als bedoeld in
artikel 12, eerste lid, van de wet.
Artikel 28b
Er is een Comité van Toezicht ILG.
Artikel 28c
1. Het comité heeft tot taak de
Minister binnen 4 maanden nadat de voortgangsrapportage 2009 of het
eindverantwoordingsverslag 2013 door de provincies aan de Minister is
aangeboden, verslag te doen van zijn beoordeling van de voortgang van
de realisering van de in de bestuursovereenkomsten opgenomen
prestaties.
2. De wijze van beoordeling van de voortgang van de realisering
van de in de bestuursovereenkomsten afgesproken prestaties, bedoeld in
het eerste lid, geschiedt overeenkomstig de voorschriften die zijn
opgenomen in bijlage 4B bij de bestuursovereenkomsten.
Artikel 28d
1. De Minister benoemt, schorst en
ontslaat de voorzitter en de overige leden van het comité.
2. De voorzitter en de overige leden worden benoemd voor een
periode van ten hoogste vier jaren. Na afloop van die periode zijn zij
terstond herbenoembaar.
3. Het comité kan het advies van een
deskundige inroepen.
4. De Minister voorziet in de
ondersteuning van het comité.
Artikel 28e
1. Als leden van het comité worden
benoemd voor de periode van 24 september 2009 tot en met 31 augustus
2013:
– de heer W. Veldman RA, tevens
voorzitter;
– de heer W.K. van den Arend;
– de heer ing. H.J. Mulder;
– de heer W.G.J. Wijntjes RA.
2. Behalve de heer W.K. van
den Arend en de heer W.G.J. Wijntjes RA worden de leden van het
comité op persoonlijke titel benoemd.
Artikel 28f
Het comité stelt zijn eigen werkwijze vast.
Artikel 28g
1. De leden van het comité
ontvangen een vaste vergoeding per maand als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 28e,
tweede lid, genoemde leden.
3. De door de leden te ontvangen algemene vergoeding, bedoeld in
het eerste en tweede lid, wordt aangepast aan de algemene
salarisontwikkeling van het burgerlijk rijkspersoneel.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 29
Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wet en
de daarop berustende bepalingen zijn aangewezen de ambtenaren van de
Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit.
Artikel 30
[Wijzigt de Regeling herverkaveling]
Artikel 31
[Wijzigt de Regeling subsidie nationale en grensoverschrijdende
parken]
Artikel 32
[Wijzigt de Regeling versterking recreatie]
Artikel 33
De volgende regelingen en besluiten worden ingetrokken:
a. Beoordelingskader Stimuleringsregeling inrichting duurzame
glastuinbouw;
b. Besluit aanwijzing instellingen versterking recreatie;
c. Besluit natuurbeheer schaapskuddes;
d. Infrastructuurregeling glastuinbouwgebieden;
e. Kaderregeling subsidie pilotprojecten reconstructie;
f. Regeling bedrijfshervestiging en
-beëindiging;
g. Regeling kavelruil;
h. Regeling subsidiëring
gebiedsgericht beleid en reconstructie concentratiegebieden;
i. Regeling subsidiëring kwaliteit
Groene Hart;
j. Regeling subsidiëring
landinrichting;
k. Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwgebieden;
l. Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;
m. Subsidieregeling natuurbeheer 2000;
n. Subsidieregeling netwerk landelijke wandelpaden.
Artikel 34
1. Bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de
regelingen en besluiten, genoemd in de artikelen 31 tot en met 33,
blijven in stand.
2. Op subsidieaanvragen ingediend op grond van de regelingen en
besluiten, genoemd in het eerste lid, blijft het recht van toepassing
zoals dat gold voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling.
3. In zoverre in afwijking van het eerste en tweede lid is op een
aanvraag voor subsidie voor het beheerspakket: Faunarand, opgenomen in
bijlage 23 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, zoals die
luidde tot 15 november 2006, bijlage 23a van de Subsidieregeling
agrarisch natuurbeheer van de provincie waarin de betrokken
beheerseenheid is gelegen van toepassing als is voldaan aan elk van de
volgende voorwaarden:
a. de aanvraag is ingediend in de periode van 1 december 2005 tot
en met 31 januari 2006;
b. voor de betrokken beheerseenheid is over het tijdvak 2000-2006
subsidie verleend voor het beheerspakket: Faunarand, opgenomen in
bijlage 23, zoals die luidde tot 25 oktober 2003.
Artikel 35
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 36
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inrichting landelijk
gebied.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 14 december 2006.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimelijke Ordening en
Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.
Bijlage
Wetten
a. Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse
Veenkoloniën;
b. Landinrichtingswet;
c. Reconstructiewet concentratiegebieden;
d. Reconstructiewet Midden-Delfland.
Ministeriële Regelingen
a. Besluit natuurbeheer schaapskuddes:
b. Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging;
c. Regeling subsidiëring landinrichting;
d. Regeling kavelruil;
e. Regeling subsidiëring gebiedsgericht beleid en reconstructie
concentratiegebieden;
f. Regeling subsidie nationale en grensoverschrijdende parken,
voorzover het betreft subsidies aan de betaalinstellingen van de
parken;
g. Regeling subsidiëring kwaliteit Groene Hart;
h. Regeling versterking recreatie, voorzover het betreft
verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2b van genoemde regeling;
i. Regeling lange afstandwandelpaden;
j. Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;
k. Subsidieregeling natuurbeheer 2000.
Incidentele projectsubsidies
a. Projectsubsidie inrichting ten behoeve van Staatsbosbeheer
buiten landinrichting;
b. Projectsubsidie inrichting natte natuur ten behoeve van
particuliere natuurbeschermingsorganisaties;
c. Projectsubsidie sanering BBL-gronden.
|
|
|