Artikel 1
1. Deze regeling vindt mede haar grondslag in de Wet
ruimtelijke ordening.
2. De inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de
betrokken regio wordt aangewezen als inspecteur in de zin van:
de Interimwet stad-en-milieubenadering;
het Vuurwerkbesluit;
de Waterleidingwet;
de Wet bodembescherming;
de Wet geluidhinder;
de Wet hygiλne en veiligheid badinrichtingen en
zwemgelegenheden;
de Wet inzake de luchtverontreiniging;
de Wet milieubeheer;
de Wet ruimtelijke ordening;
de Woningwet.
Artikel 2
1.
De inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de
betrokken regio wordt aangewezen als de ambtenaar, bedoeld in:
artikel 2, onder d, van het Transactiebesluit milieudelicten;
de artikelen 29, eerste lid, 31, tweede en vierde lid, 34, 40,
derde lid, 46, derde lid, en 66b, tweede lid, van de Wet op de
lijkbezorging.
2. De inspecteur-generaal en de inspecteur van het
Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio en de onder hun bevelen
werkzame ambtenaren worden aangewezen als ambtenaren als bedoeld in:
artikel 33, tweede lid, van de Huursubsidiewet;
artikel 46, tweede lid, van de Wet bevordering
eigenwoningbezit.
Artikel 3
De inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal
VROM in de betrokken regio en de door hen daartoe aangewezen, onder hun
bevelen werkzame ambtenaren worden aangewezen als ambtenaren ten aanzien
van wie, in geval van levering van leidingwater door een collectieve
watervoorziening of een collectief leidingnet, het ten aanzien van de
inspecteur in de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8 en 14 van de
Waterleidingwet bepaalde van toepassing is, met uitzondering van de
gevallen bedoeld in artikel 12.
Artikel 4
De door de inspecteur-generaal van het Inspectoraat-Generaal VROM
daartoe aangewezen, onder zijn bevelen werkzame ambtenaren zijn belast
met de opsporing van de strafbare feiten, genoemd in:
artikel 113 van de Woningwet.
Artikel 5
De inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal
VROM in de betrokken regio en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren,
met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve
werkzaamheden uitoefenen, zijn belast met het toezicht op de uitvoering
en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens:
de Huisvestingswet;
de Wet bodembescherming;
de Wet explosieven voor civiel gebruik;
de Wet geluidhinder;
de Wet hygiλne en veiligheid badinrichtingen en
zwemgelegenheden;
de Wet inzake de luchtverontreiniging;
de Wet milieubeheer;
de Wet ruimtelijke ordening;
de Woningwet;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van
chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR.
Artikel 6
1.
De directeur van de Auditdienst VROM en de onder zijn
bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het
bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn, voor zover
het betreft de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de
Comptabiliteitswet 2001, en de controle, bedoeld in artikel 66 van die
wet, belast met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het
bepaalde bij of krachtens de subsidieregelingen op het beleidsterrein
van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer.
2. In opdracht van de directeur van de Auditdienst VROM kunnen
door hem aangewezen ambtenaren van auditdiensten van andere ministeries
bij die opdracht aangegeven taken als bedoeld in het eerste lid,
uitvoeren.
3. De in het eerste en tweede lid aangewezen toezichthouders
beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en
5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 7
De inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal
VROM in de betrokken regio en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren,
met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve
werkzaamheden uitoefenen, zijn belast met het toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens:
de Huisvestingswet;
de Huursubsidiewet;
hoofdstuk II en de tweede afdeling van hoofdstuk IV van de
Waterleidingwet;
de Wet bescherming Antarctica;
de Wet bevordering eigenwoningbezit;
de Wet bodembescherming;
de Wet explosieven voor civiel gebruik;
de Wet geluidhinder;
de Wet hygiλne en veiligheid badinrichtingen en
zwemgelegenheden;
de Wet inzake de luchtverontreiniging;
de Wet milieubeheer;
de Wet op de openluchtrecreatie;
de Wet stedelijke vernieuwing;
de Woningwet;
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van
chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR.
Artikel 8
1.
De directeur van de Auditdienst VROM en de onder zijn
bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het
bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn, voor zover
het betreft de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de
Comptabiliteitswet 2001, en de controle, bedoeld in artikel 66 van die
wet, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens de subsidieregelingen op het beleidsterrein van het
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
2. In opdracht van de directeur van de Auditdienst VROM kunnen
door hem aangewezen ambtenaren van auditdiensten van andere ministeries
bij die opdracht aangegeven taken als bedoeld in het eerste lid,
uitvoeren.
3. De in het eerste en tweede lid aangewezen toezichthouders
beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en
5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 8a
De ambtenaren werkzaam bij de afdeling Toezicht en handhaving van de
Nederlandse emissieautoriteit in oprichting, zijn belast met het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 16
van de Wet milieubeheer.
Artikel 9
De ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens:
titel 10.7 van de Wet milieubeheer;
het Besluit inzameling afvalstoffen en de Regeling inzameling
afvalstoffen;
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Artikel 10
De commandant en de controleurs van het Korps Militaire Controleurs
Gevaarlijke Stoffen zijn mede belast met het toezicht op de naleving van
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische
stoffen en het bepaalde bij of krachtens titels 9.2 en 9.3 van de Wet
milieubeheer, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in
samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke
bepalingen inzake het vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn.
Artikel 11
In afwijking van de artikelen 7 en 12 tot en met 18 en artikel 18.4,
derde lid, van de Wet milieubeheer, zijn ten aanzien van inrichtingen
die behoren tot categorieλn die zijn genoemd in bijlage II, onder 1 tot
en met 8, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, en
inrichtingen die zijn aangewezen krachtens artikel 8.2, vierde lid, van
de Wet milieubeheer, uitsluitend de door de inspecteur-generaal of de
inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio
daartoe aangewezen, onder hun bevelen werkzame ambtenaren belast met het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de Wet bodembescherming;
de Wet geluidhinder;
de Wet inzake de luchtverontreiniging;
de Wet milieubeheer;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van
chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR.
Artikel 12
De inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteurs van het
Staatstoezicht op de Mijnen worden aangewezen als ambtenaren ten aanzien
van wie, in geval van levering van leidingwater door collectieve
watervoorzieningen die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie,
aangewezen krachtens de Mijnbouwwet, het ten aanzien van de inspecteur
in de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8 en 14 van de
Waterleidingwet bepaalde van toepassing is.
Artikel 13
De inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteurs van het
Staatstoezicht op de Mijnen zijn, voor zover het betreft
mijnbouwactiviteiten, mede belast met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens:
de Wet bodembescherming;
de Wet explosieven voor civiel gebruik;
de Wet geluidhinder;
de Wet inzake de luchtverontreiniging;
de Wet milieubeheer;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van
chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR.
Artikel 14
De ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane,
zijn, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de
werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake de
douane bevoegd zijn, mede belast met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens:
het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur;
hoofdstuk II van de Wet geluidhinder;
titels 9.2 en 9.3 en hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer;
het Besluit zwavelgehalte brandstoffen;
het Besluit kwaliteitseisen brandstoffen wegverkeer;
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
de EG-verordening registratie, evaluatie, en autorisatie van
chemische stoffen.
Artikel 15
De ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn, voor zover het de
beleidsterreinen van dat ministerie betreft, mede belast met het
toezicht op de naleving van het bepaalde:
bij of krachtens de Wet bescherming Antarctica;
bij of krachtens de Wet bodembescherming;
krachtens artikel 1.2 of bij of krachtens titels 9.2, 9.3 en
12.3 van de Wet milieubeheer;
de EG-verordening registratie, evaluatie, en autorisatie van
chemische stoffen;
de EG-verordening PRTR.
Artikel 16
De ambtenaren van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zijn mede belast met het toezicht op de
naleving van het bepaalde bij of krachtens:
hoofdstuk II van de Wet geluidhinder, voor zover het
betrekking heeft op de bescherming van werknemers;
de titels 9.2 en 9.3 van de Wet milieubeheer;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van
chemische stoffen.
Artikel 17
De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de
door hem daartoe aangewezen onder zijn bevelen werkzame ambtenaren van
die inspectie zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens:
de Wet bodembescherming, voor zover het betreft het bepaalde
bij of krachtens hoofdstuk IV, paragrafen 5.1, 5.3 en 5.4, met
betrekking tot rijkswateren en het vervoer van stoffen die de bodem
kunnen verontreinigen;
de Wet milieubeheer voor zover het betreft gevaarlijke
afvalstoffen en voor zover het betreft inrichtingen die behoren tot
categorieλn die zijn genoemd in bijlage I, onder 2.1, onder a, 3,
4.1 onder a, 5, en 14.1, onder a, van het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer, voor zover het toezicht kan worden
uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens
wettelijke bepalingen inzake vervoer van stoffen en preparaten
bevoegd zijn;
titels 9.2, 9.3 en 12.3 en paragraaf 10.6.3 van de Wet
milieubeheer;
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
hoofdstuk III van de Wet explosieven voor civiel gebruik, met
uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 11;
de EG-verordening PRTR;
de EG-verordening registratie, evaluatie, en autorisatie van
chemische stoffen.
Artikel 17a
De ambtenaren van Rijkswaterstaat die zijn belast met het toezicht op
de naleving van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zijn mede
belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
de Wet milieubeheer voor zover het betreft gevaarlijke afvalstoffen.
Artikel 18
De hoofdinspecteurs van de Voedsel en Waren Autoriteit en de
controle-ambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit zijn mede belast
met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
titel 9.2 en 9.3 van de Wet milieubeheer;
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van
chemische stoffen.
Artikel 19
Het Besluit aanwijzing toezichtambtenaren VROM-regelgeving, de
Regeling aanwijzing bevoegde ambtenaren collectieve watervoorzieningen
en collectieve leidingnetten, de regeling van de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 maart 1995
tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren Wet op de
openluchtrecreatie (Stcrt. 1995) en de Regeling aanwijzing
toezichtambtenaren Huursubsidiewet worden ingetrokken.
Artikel 20
[Wijzigt de Regeling aanwijzing keuringsinstelling en
toezichthoudende ambtenaren Wet explosieven voor civiel gebruik]
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de
wet van 22 oktober 2003 tot wijziging van diverse wetten in verband
met de instelling van het Inspectoraat-Generaal VROM en ter verbetering
van de doelmatigheid van gegevensverstrekking met het oog op toezicht (Stb.
2003, 449) in werking treedt.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing ambtenaren
VROM-regelgeving.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 16 december 2004.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
S.M. Dekker.