| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de huurtoeslag
(Wht)
BESLUIT
OP DE HUURTOESLAG
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 juni 1997 tot uitvoering van de
Huursubsidiewet, met uitzondering van de bepalingen van die wet
betreffende de beheersing van de huurlasten en de huursubsidie-uitgaven
(Huursubsidiebesluit)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 25 maart 1997, nr. MJZ 97092973, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 4, derde lid, 11, tweede
lid, 28, derde lid, en 46 van de Huursubsidiewet, alsmede op artikel 34,
derde lid, van de Huisvestingswet, 70, vijfde en zesde lid, van de
Woningwet, 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, 9, zevende
lid, van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden, 7a,
tweede lid, van de Algemene Bijstandswet en 102 van de Organisatiewet
sociale voorzieningen 1997;
De Raad van State gehoord (advies van 4 juni
1997, nr. W08.97.0165);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 20 juni 1997, nr. MJZ 97109564, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK 1. DEFINITIES
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op de huurtoeslag.
Hoofdstuk 2. Bijzondere gevallen
Artikel 2
1. Op verzoek blijft voor de toepassing van artikel 2 van de wet,
van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en
de op die artikelen berustende bepalingen voor zover het betreft het
toekennen van een huurtoeslag, een huurder, diens partner of een
medebewoner buiten beschouwing indien:
a. hij langer dan een jaar op een ander adres verblijft dan het
adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens staat ingeschreven, en
b. sprake is van een bijzondere omstandigheid.
2. Als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, wordt aangemerkt een verblijf in:
a. een verpleeghuis;
b. een psychiatrische inrichting;
c. een penitentiaire inrichting.
Artikel 2a
1. Op verzoek blijft voor de toepassing van artikel 2 van de wet,
van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en
de op die artikelen berustende bepalingen voor zover het betreft het
toekennen van een huurtoeslag, een partner of medebewoner buiten
beschouwing indien sprake is van een verzorgingsbehoefte bij de
huurder, diens partner of een medebewoner.
2. Het eerste lid geldt uitsluitend ten aanzien van de partner of
medebewoner die met het oog op de verzorgingsbehoefte van de huurder
of van hemzelf op hetzelfde woonadres als de huurder staat
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
en is van toepassing indien:
a. de verzorgingsbehoefte blijkt uit een verklaring van een
indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
b. het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel
5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over het berekeningsjaar
van de in het eerste lid bedoelde buiten beschouwing te laten
persoon, niet meer bedraagt dan € 3 850 en
c. het gezamenlijke toetsingsinkomen van de huurder, diens
partner en de medebewoners, met inbegrip van de in het eerste lid
bedoelde buiten beschouwing te laten persoon, niet meer bedraagt
dan€ 42 250.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt geen rekening
gehouden met de verzorgingsbehoefte van een minderjarige eerstegraads
bloed- of aanverwant in de neergaande lijn.
4. Artikel 27, eerste lid, van de wet is van overeenkomstige
toepassing op de in het tweede lid, onderdelen b en c, vermelde
bedragen, waarbij ten aanzien van het in het tweede lid, onderdeel c,
vermelde bedrag het resultaat naar boven wordt afgerond op een
veelvoud van€ 25.
Artikel 2b
1. Op verzoek blijven bij de toepassing van artikel 7, eerste en
tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor
zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende
bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing:
a. afkoopsommen van ouderdoms- of nabestaandenpensioen die in
het berekeningsjaar niet meer bedragen dan het bedrag dat is
opgenomen in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel
78, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
b. nabetalingen van inkomsten als bedoeld in afdeling 3.3 en
3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. wezenuitkeringen die met toepassing van artikel 49 van de
Algemene nabestaandenwet aan een ander dan de wettelijke
vertegenwoordiger van het kind betaalbaar zijn gesteld;
d. afkoopsommen op grond van de Liquidatiewet ongevallenwetten;
e. verhogingen op grond van artikel 10 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 2:51 of
3:9 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of
artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
voorzover het bedrag van de verhoging niet hoger is dan het in
artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 genoemde drempelbedrag voor uitgaven voor
specifieke zorgkosten.
2. Indien sprake is van een nabetaling die over de berekeningsjaren
waarop deze nabetaling betrekking heeft gemiddeld meer dan € 2300
per jaar bedraagt, vindt het eerste lid, onderdeel b, uitsluitend
toepassing indien over de berekeningsjaren waarop de nabetaling
betrekking heeft minder huurtoeslag zou worden genoten dan indien de
betrokken inkomsten niet als nabetaling zouden zijn uitbetaald.
3. Indien de belanghebbende gedurende het gehele berekeningsjaar
een partner heeft, wordt het in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde
drempelbedrag voor uitgaven voor specifieke zorgkosten verdubbeld.
Artikel 2c
1.Een verzoek als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 2a, eerste
lid, en 2b, eerste lid, kan worden gedaan tot het tijdstip dat de
toekenning van de huurtoeslag over het desbetreffende berekeningsjaar
onherroepelijk is geworden.
2.Een verzoek als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 2a, eerste
lid, en 2b, eerste lid, onderdelen c en e, wordt geacht mede te zijn
gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.
Hoofdstuk 3. Onzelfstandige woonruimte
Artikel 3
1.Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte
deel uitmaakt als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b, van de
wet, kan op voet van artikel 11, tweede lid, van de wet, slechts door
de Belastingdienst/Toeslagen worden aangewezen indien:
a. de desbetreffende woonruimten geschikt en bestemd zijn voor:
1°. begeleid wonen, of een daarmee vergelijkbare woonvorm,
of
2°. groepswonen door ouderen, of een daarmee vergelijkbare
woonvorm;
b. de desbetreffende huurovereenkomst naar haar aard niet van
korte duur is;
c. de rekenhuur niet anders dan door middel van een huurtoeslag
wordt gesubsidieerd, en
d. de desbetreffende woonruimten zodanig zijn verdeeld dat elke
huurder over minimaal één privé-vertrek beschikt.
2.Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte
deel uitmaakt, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, kan
voorts slechts worden aangewezen indien:
a. de desbetreffende woonruimten bestemd zijn voor huurders die
zonder zorg of begeleiding niet zelfstandig kunnen wonen;
b. het begeleid wonen of de daarmee vergelijkbare woonvorm
gericht is op integratie en acceptatie van de bewoners in de
nabije omgeving;
c. de zorg of begeleiding plaatsvindt door een instelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet
toelating zorginstellingen, die zorg verleent waarop aanspraak
bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of door
een andere deskundige, erkende hulpverleningsinstantie, of de
huurders beschikken over een persoonsgebonden budget op grond van
laatstgenoemde wet;
d. er een gescheiden huur- en zorgovereenkomst is, en
e. de desbetreffende woonruimten niet bestemd zijn om
uitsluitend te worden bewoond door minderjarige huurders.
3.Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte
deel uitmaakt, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, kan
voorts slechts worden aangewezen indien:
a. alle huurders van de desbetreffende woonruimten zijn genoemd
in één overeenkomst van huur en verhuur;
b. in de desbetreffende woonruimten ten minste drie huishoudens
zijn gehuisvest, en
c. ten minste 80 procent van de huurders van de desbetreffende
woonruimten 65 jaar of ouder is.
4.De Belastingdienst/Toeslagen kan de aanwijzing intrekken indien
niet langer wordt voldaan aan het eerste, tweede of derde lid.
Hoofdstuk 4. Verklaring van de voorzitter van de huurcommissie
Artikel 4 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 5 [Vervallen per 26-03-2004]
Artikel 6
De voorzitter van de huurcommissie vermeldt in de verklaring, bedoeld
in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte, de hoogte van de huurprijs en of deze al dan niet redelijk
is, beoordeeld naar de bij of krachtens die wet gestelde regels. Indien
de voorzitter van oordeel is dat de huurprijs niet redelijk is, vermeldt
hij tevens het puntenaantal van de woning op basis van het
waarderingsstelsel, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen
woonruimte.
Hoofdstuk 5. Kwaliteitskorting
Artikel 7
1. Het percentage, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder b, van
de wet, is 65.
2. Het percentage, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder c, van
de wet, is 40.
HOOFDSTUK 6. WIJZIGING VAN ANDERE BESLUITEN
§ 1. Ministerie van Justitie
Artikel 8
[Wijzigt het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand]
Artikel 9
[Wijzigt het Besluit financiële toevoegingsgrenzen]
§ 2. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel 10
[Wijzigt het Bijstandsbesluit krediethypotheek]
Artikel 11
[Wijzigt het Besluit gegevensverstrekking sociale verzekeringen 1997]
§ 3. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer
Artikel 12
[Wijzigt het Huisvestingsbesluit]
Artikel 13
[Wijzigt het Besluit beheer sociale-huursector]
HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN
Artikel 14
Op subsidietijdvakken die zijn aangevangen onder de werking van de
Wet individuele huursubsidie blijven van toepassing het Besluit
individuele huursubsidie en het Besluit verklaring huurgegevens
individuele huursubsidie.
Artikel 15
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1997.
2. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt
gepubliceerd wordt uitgegeven op of na 1 juli 1997, werkt het terug
tot en met 1 juli 1997.
Artikel 16
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit op de huurtoeslag.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 juni 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
D.K.J. Tommel
Uitgegeven de eerste juli 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|