| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Huisvestingswet
HUISVESTINGSBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 5 maart 1993, houdende regels betreffende
de bescherming van woningzoekenden en de splitsing van een recht op een
gebouw, ter uitvoering van de Huisvestingswet
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 13 juli 1992, nr. MJZ13792020, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 13 en 34, derde lid, van
de Huisvestingswet;
De Raad van State gehoord (advies van 24
november 1992, nr. W08.92 0334);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 25 februari 1993, nr. MJZ25293001, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Huisvestingswet;
b. verordening: de huisvestingsverordening als bedoeld in artikel
2 van de Huisvestingswet.
Hoofdstuk 2. Bescherming van woningzoekenden
§ 1. Bescherming van woningzoekenden die geen economische of
maatschappelijke binding hebben met het gebied waar zij zich willen
vestigen
Artikel 2 [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 3 [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 4 [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 5 [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 6
Een onderscheid naar economische of maatschappelijke binding wordt
niet gemaakt ten aanzien van woningzoekenden:
a. die een huisvestingsvergunning aanvragen met het oog op een
voorgenomen woningruil, indien ten minste één der bij de ruil
betrokken partijen behoort tot een categorie, genoemd in artikel 13c,
eerste lid van de wet of aan de ruil een aanvaarding van een
werkkring ten grondslag ligt;
b. die als personeel in dienst zijn van het Europees laboratorium
voor ruimtetechnologie van de European Space Research Organisation
en hun functie in Nederland uitoefenen.
§ 2. Bescherming van woningzoekenden die, gelet op hun persoonlijke
omstandigheden, in het bijzonder zijn aangewezen op woonruimten met bij
die omstandigheden passende kenmerken
Artikel 7 [Vervallen per 20-02-2001]
Artikel 8
1. Voorzover de aanwijzing van woonruimten krachtens artikel 5
van de wet tot gevolg heeft dat personen die een zodanige woonruimte
als huurder in gebruik nemen, daartoe een huisvestingsvergunning nodig
hebben, neemt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening criteria
voor vergunningverlening op, die betrekking hebben op de passendheid
van de verhouding tussen de persoonlijke omstandigheden van de
vergunningaanvrager en degenen die tot diens huishouden behoren
enerzijds en de kenmerken van de woonruimte waarvoor een
huisvestingsvergunning wordt aangevraagd anderzijds.
2. Criteria als bedoeld in het eerste lid strekken er in elk
geval toe te bewerkstelligen dat bij het verlenen van
huisvestingsvergunningen voor het als huurwoning in gebruik nemen van
woonruimten als bedoeld in dat lid met een rekenhuur als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, die gelijk is aan
of lager is dan de aftoppingsgrens, bedoeld in artikel 20, tweede lid,
van die wet, zo veel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden
die een zodanig de gezamenlijke toetsingsinkomens, bedoeld in artikel 8
van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die in aanmerking
worden genomen voor het bepalen van de draagkracht, bedoeld in artikel 7
van die wet genieten, dat zij een beroep kunnen doen op een huurtoeslag
in de zin van artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de huurtoeslag.
3. De gemeente kan het meest recente inkomen van de
woningzoekende, en de actuele vraag naar en het actuele aanbod ter
plaatse van woonruimten, betrekken bij de toepassing van de criteria,
bedoeld in het eerste lid.
§ 3. Bescherming van woningzoekenden die wegens omstandigheden als
genoemd in de artikel 266, 267, 268 of 270 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, in verband met woningruil of in de hoedanigheid van personeel
in dienst van ESTEC, een huisvestingsvergunning hebben aangevraagd
Artikel 9
Voor zover de verordening bepaalt dat bij het verlenen van
huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, of artikel 12, eerste lid, van de
wet, voorziet de verordening erin dat de desbetreffende bepalingen
buiten toepassing blijven, indien een huisvestingsvergunning wordt
aangevraagd:
a. door degene die ingevolge artikel 266, eerste lid, of 267,
eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek medehuurder van de
betrokken woonruimte was, indien deze de huurovereenkomst voortzet
krachtens artikel 266, derde lid, 267, zesde lid, of 268, eerste
lid, van Boek 7 van dat wetboek;
b. met het oog op een voorgenomen ruil van woonruimte;
c. door personeel als bedoeld in artikel 6, onder b.
Hoofdstuk 3. Splitsing
§ 1. Algemeen
Artikel 10
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. splitsing: de splitsing van een recht op een gebouw in
appartementsrechten of de verlening van deelnemings- of
lidmaatschapsrechten, als bedoeld in artikel 33 van de wet;
b. splitsingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 33
van de wet.
Artikel 11
Andere gronden tot weigering van een splitsingsvergunning of tot
aanhouding van de beslissing op de aanvraag om een vergunning, dan die,
genoemd in dit hoofdstuk, worden niet in de verordening opgenomen.
§ 2. Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning, betrekking
hebbend op de samenstelling van de woonruimtevoorraad
Artikel 12
1. In de verordening kan worden bepaald dat een
splitsingsvergunning kan worden geweigerd, indien:
a. het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de
vergunningaanvraag betrekking heeft, een of meer woonruimten bevat die
verhuurd worden of die laatstelijk verhuurd zijn geweest,
b. de huurprijs van een of meer van die woonruimten een door de
gemeenteraad in de verordening vast te stellen bedrag van ten hoogste
een twaalfde deel van het bedrag, op het tijdstip van de vaststelling
genoemd in artikel 16, eerste volzin, van de Wet individuele
huursubsidie, dan wel het bedrag op het tijdstip van de vaststelling
genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Huursubsidiewet dan
wel de Wet op de huurtoeslag, niet te boven gaat,
c. niet gewaarborgd is, dat die woonruimte of woonruimten na de
voorgenomen splitsing bestemd blijven voor verhuur ter bewoning, en
d. het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet
opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad
binnen de gemeente als geheel dan wel een deel daarvan, voor zover die
woonruimtevoorraad voor verhuur is bestemd.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste
lid, kan in de verordening tevens worden bepaald dat een
splitsingsvergunning kan worden geweigerd, indien:
a. het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de
vergunningaanvraag betrekking heeft, voor zover het geheel of
gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd met de
voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 dan
wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet
ruimtelijke ordening, of met enig wettelijk voorschrift geheel of
gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik is
genomen,
b. de huurprijs van een of meer der voormalige woonruimten lager is
dan het krachtens het eerste lid, onder b, vastgestelde bedrag,
c. niet gewaarborgd is, dat de voormalige woonruimte of woonruimten
na de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen worden voor verhuur
ter bewoning, en
d. het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet
opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad
binnen de gemeente als geheel dan wel een deel daarvan, voor zover die
woonruimtevoorraad voor verhuur is bestemd.
§ 3. Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning of tot
aanhouding van de beslissing op de aanvraag om een vergunning,
betrekking hebbend op het voorkomen van belemmering van de
stadsvernieuwing
Artikel 13
1. In de verordening kan worden bepaald dat een
splitsingsvergunning kan worden geweigerd, indien:
a. voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de
vergunningaanvraag betrekking heeft, een bestemmingsplan als bedoeld
in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is, dan wel
een ontwerp voor zodanig plan of voor een herziening daarvan in
procedure is,
b. het ontwerp voor dat plan, dan wel voor de herziening daarvan
ter inzage is gelegd voordat de aanvraag om vergunning is ingediend,
dan wel, indien de aanvraag krachtens het tweede lid is aangehouden,
voordat die aanhouding is geëindigd,
c. de voorgenomen splitsing nadelige gevolgen kan hebben voor de
met het plan nagestreefde of na te streven doeleinden, en
d. het belang dat de vergunningsaanvrager bij splitsing heeft, niet
opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de
modernisering of vervanging.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste
lid, kan in de verordening tevens worden bepaald dat de beslissing op de
aanvraag om een splitsingsvergunning wordt aangehouden, indien:
a. voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de
vergunningaanvraag betrekking heeft, een voorbereidingsbesluit als
bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is
met het oog op de voorbereiding van een stadsvernieuwingsplan of van
een herziening daarvan,
b. dat besluit is genomen voordat de aanvraag om vergunning werd
ingediend,
c. redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het
stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen nadelig kunnen worden
beïnvloed door de voorgenomen splitsing, en
d. redelijkerwijs verwacht mag worden dat het belang dat de
vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang
van het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het tweede
lid, wordt daarbij tevens bepaald dat de aanhouding niet langer duurt
dan tot het tijdstip waarop het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel
3.7 van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen.
§ 4. Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning of tot
aanhouding van de beslissing op de aanvraag om een vergunning,
betrekking hebbend op het voorkomen van splitsing, indien de toestand
van een gebouw uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud zich
geheel of ten dele tegen splitsing verzet
Artikel 14
1. In de verordening kan worden bepaald dat een
splitsingsvergunning kan worden geweigerd, indien:
a. de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag
betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling of staat van
onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet, en
b. de desbetreffende gebreken niet door het treffen van
voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden
opgeheven, dan wel onvoldoende verzekerd is dat die gebreken zullen
worden opgeheven.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste
lid, kan in de verordening tevens worden bepaald dat de beslissing op de
aanvraag om een splitsingsvergunning wordt aangehouden, indien
redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aanvrager van de vergunning de
gebreken, als bedoeld in het eerste lid, met het oog op de voorgenomen
splitsing zal opheffen binnen een daarvoor redelijke termijn.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt
daarbij tevens bepaald dat de vergunning wordt verleend, indien de in
het besluit tot aanhouding aangegeven gebreken zijn opgeheven binnen de
daartoe in dat besluit aangegeven termijn.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Artikel 15
1. Onze Minister kan afwijking van de regels van hoofdstuk 2
toestaan ten behoeve van experimenten die naar zijn oordeel in het
belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de
woonruimte zijn.
2. Voorts kan Onze Minister afwijking van de regels van hoofdstuk
3 toestaan ten behoeve van experimenten die naar zijn oordeel in het
belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad of
in het belang van het voorkomen van belemmeringen van de
stadsvernieuwing zijn.
3. Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing, nadat een
door Onze Minister aangewezen instantie hem over het betrokken
experiment heeft geadviseerd.
4. Onze Minister kan besluiten dat een afwijking als bedoeld in
het eerste of tweede lid van kracht blijft zolang een door hem op basis
van het experiment noodzakelijk geoordeelde wijziging van het besluit
nog niet van kracht is geworden en in werking is getreden.
Artikel 16 [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 17 [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 18
1. De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Huisvestingsbesluit.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 maart 1993
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
E. Heerma
Uitgegeven de drieëntwintigste maart 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|