| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
In- en uitvoerwet
BESLUIT
AFGIFTE OORSPRONGSVERKLARINGEN 1976
Tekst zoals deze geldt op
29 maart 2008
Vervallen
m.i.v. 1 augustus 2008
(Zie Algemene
douanewet)
|
|
|
BESLUIT van 5 november 1976 tot toepassing van artikel 2b van
de In- en uitvoerwet
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken, van
Landbouw en Visserij en van Financiën van 2 september 1976, nr. 676/481
W.J.A., gehoord de Commissie Regelingen In- en uitvoerwet, door de
Sociaal-Economische Raad ingesteld op grond van artikel 43 van de Wet op
de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22);
Overwegende dat naar Ons oordeel - mede gelet op de
ter zake bestaande
internationale regelingen - het belang van de volkshuishouding vereist
dat ten aanzien van de afgifte van in het internationale handelsverkeer
te bezigen verklaringen betreffende de oorsprong van goederen regelen
worden gesteld;
Gelet op artikel 2b van de In- en uitvoerwet (Stb.
1962, 295);
De Raad van State gehoord (advies van 22 september 1976,
nr. 14);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 1 november
1976, nr. 676/646 W.J.A.;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. certificaat van oorsprong: een in het internationale
handelsverkeer te bezigen verklaring inhoudende dat de goederen,
waarop die verklaring betrekking heeft, zijn verkregen in de Europese
Economische Gemeenschap dan wel in Nederland, een en ander zoals
bedoeld in de Verordening nr. 802/68 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke
definitie van het begrip "oorsprong van goederen" (Pb. E.G.
L 148) dan wel in door Onze Minister van Economische Zaken in een
mededeling in de Staatscourant vermelde, ter uitvoering daarvan
vastgestelde verordeningen;
b. certificaat inzake goederenverkeer: een verklaring
vereist ingevolge door Onze Minister van Economische Zaken in
overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Landbouw en
Visserij in een mededeling in de Staatscourant vermelde
internationale afspraken, andere dan die bedoeld onder a, die
dient voor de toepassing in het buitenland van een op de oorsprong
gebaseerde voorkeursbehandeling van de goederen, waarop die verklaring
betrekking heeft;
c. verklaring inzake de oorsprong: een andere dan de onder a
of b bedoelde, in het internationale handelsverkeer te bezigen
verklaring betreffende de oorsprong van de goederen waarop die
verklaring betrekking heeft, zoals deze door Onze Minister van
Economische Zaken bij bekendmaking in de Staatscourant nader is
omschreven;
d. verklaring inzake goederenverkeer: een verklaring, die
ingevolge de onder b bedoelde internationale afspraken in
bepaalde gevallen is toegelaten in plaats van een certificaat inzake
goederenverkeer.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken mede verstaan de
ambtelijke functionaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken die
namens de secretaris zijn handtekening plaatst.
Artikel 2
1. Onverminderd het in het vierde lid bepaalde wordt de
aanvrage tot afgifte van een certificaat van oorsprong ingediend bij
de Kamer van Koophandel en Fabrieken:
a. waarbij de onderneming of het ingevolge artikel 3, derde lid,
van de Handelsregisterwet 1996 met een onderneming gelijk gestelde
bedrijf van de aanvrager in het handelsregister is ingeschreven; of
b. waarbij de onderneming van de aanvrager in het handelsregister
zou zijn ingeschreven, indien ten aanzien daarvan een
inschrijvingsverplichting gegolden zou hebben; of
c. in welker gebied de aanvrager zijn andere dan in een onderneming
uitgeoefende werkzaamheden, in verband waarmede de aanvrage wordt
ingediend, verricht of laat verrichten; of
d. in welker gebied de aanvrager zijn woonplaats heeft in gevallen,
waarin het gestelde onder a, b of c geen toepassing kan
vinden.
2. De aanvrage wordt ingediend in de vorm, vereist ingevolge de
in artikel 1, eerste lid, onder a, bedoelde verordeningen en de
regelen, bedoeld in het vijfde lid, en onder bijvoeging van de
bewijsstukken en gegevens, welke nodig zijn om met toepassing van de
daaromtrent in die verordeningen en regelen gestelde voorschriften de
oorsprong van de in de aanvrage vermelde goederen te kunnen vaststellen.
3. Op de aanvrage tot afgifte van een certificaat van oorsprong
wordt, onverminderd het vierde lid, met inachtneming van de in het
tweede lid bedoelde verordeningen en regelen, beslist door de Kamer van
Koophandel en Fabrieken, waarbij de aanvrage is ingediend. Het
certificaat wordt door deze Kamer, voorzien van haar stempel en van de
handtekening van de secretaris van de Kamer, afgegeven in de door die
verordeningen en regelen vereiste vorm.
4. Onze Minister van Economische Zaken kan ten aanzien van
bepaalde daarbij aan te wijzen goederen een orgaan aanwijzen waarbij, in
afwijking van het eerste lid, de aanvrage moet worden ingediend. In dat
geval is het aangewezen orgaan, met inachtneming van de door Onze
genoemde Minister te dien aanzien nader gestelde regelen, belast met het
beslissen op de aanvragen en met de afgifte van de certificaten.
5. Onze Minister van Economische Zaken kan nadere regelen stellen
betreffende de vorm van de aanvragen en van de certificaten van
oorsprong, alsmede met betrekking tot de voorwaarden voor afgifte van
zodanige certificaten.
6. De in het vierde en vijfde lid bedoelde regelingen worden
vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw en
Visserij in de gevallen waarin die regelingen betrekking hebben of mede
betrekking hebben op de afgifte van certificaten van oorsprong, of op
aanvragen daarvoor, ten aanzien van de goederen, omschreven in artikel
1, eerste lid, van de Landbouwwet (Stb. 1957, 342) of de niet
reeds daaronder begrepen goederen, aangewezen in de bijlage bij het In-
en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980 (Stb. 758).
Artikel 3
1. De aanvrage tot afgifte van een certificaat inzake
goederenverkeer wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste
lid, ingediend bij een Kamer van Koophandel en Fabrieken in de vorm,
vereist ingevolge de terzake van toepassing zijnde, in artikel 1,
eerste lid, onder b, bedoelde internationale afspraken en de
regelen, bedoeld in het zevende lid, en onder bijvoeging van de
bewijsstukken en gegevens, welke nodig zijn om met toepassing van de
daaromtrent in die internationale afspraken en regelen gestelde
voorschriften de oorsprong van de in de aanvrage vermelde goederen te
kunnen vaststellen.
2. De aanvrage wordt door de secretaris van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken voorzien van zijn bevinding en vervolgens door
de aanvrager in handen gesteld van de terzake door Onze Minister van
Financiën aangewezen ambtenaar. Op de aanvrage wordt, met inachtneming
van de in het eerste lid bedoelde internationale afspraken en regelen,
door deze Minister beslist. Het certificaat wordt in de door die
internationale afspraken en regelen vereiste vorm afgegeven.
3. In afwijking van het in het eerste en tweede lid bepaalde kan
een exporteur, die veelvuldig goederen exporteert, gebruik maken van de
in de internationale afspraken, bedoeld in het eerste lid, omschreven
vereenvoudigde procedure voor de afgifte van de betrokken certificaten,
indien Onze Minister van Financiën hem op zijn bij de terzake door de
Minister aangewezen ambtenaar ingediend verzoek, daartoe toestemming
heeft verleend.
4. De in het derde lid bedoelde toestemming wordt slechts
verleend aan de exporteur die een administratie voert, die zodanig is
ingericht, dat daaruit de oorsprong van de goederen, welke in een met
toepassing van de vereenvoudigde procedure afgegeven certificaat zijn
vermeld, kan blijken. Onze Minister van Financiën kan nadere eisen
stellen, waaraan de administratie moet voldoen.
5. De toestemming kan onder beperkingen worden verleend. Aan de
toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
6. De toestemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken
indien de exporteur misbruik heeft gemaakt van de vereenvoudigde
procedure, indien gebruikmaking van de vereenvoudigde procedure niet
meer mogelijk is ingevolge de in het eerste lid bedoelde internationale
afspraken, indien niet meer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in het
vierde lid, of indien de in het vijfde lid bedoelde beperkingen of
voorschriften niet in acht zijn genomen.
7. Onze Minister van Financiën kan nadere regelen stellen
betreffende de vorm van de aanvragen en van de certificaten inzake
goederenverkeer, alsmede met betrekking tot de voorwaarden voor afgifte
van zodanige certificaten.
Artikel 4
1. Ten aanzien van verklaringen inzake de oorsprong zijn van
toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing artikel 2, eerste
lid, de door Onze Minister van Economische Zaken in een bekendmaking
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, aangewezen
andere bepalingen van dit besluit of bepalingen van een of meer
internationale afspraken, alsmede de met betrekking tot de vorm, het
aanvragen en het verstrekken van zodanige verklaringen door hem
gestelde regelen.
2. Op de aanvrage tot afgifte van een verklaring inzake de
oorsprong wordt beslist door de Kamer van Koophandel en Fabrieken,
waarbij de aanvrage is ingediend. Artikel 2, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Ten aanzien van de ingevolge het eerste en tweede lid vast te
stellen regelingen, is artikel 2, zesde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4a
1. Het is een ieder verboden een verklaring inzake
goederenverkeer op te maken of te doen opmaken teneinde de goederen,
waarop die verklaring betrekking heeft, in het buitenland in
aanmerking te doen komen voor een voorkeursbehandeling, indien hij
niet over gegevens beschikt op grond waarvan hij mag aannemen, dat die
goederen voldoen aan de normen inzake de oorsprong, vastgesteld bij de
van toepassing zijnde internationale afspraak.
2. Bewijsstukken, waaruit blijkt dat de goederen voldoen aan de
in het eerste lid bedoelde normen inzake de oorsprong, moeten ten minste
vijf jaren worden bewaard.
3. Het is aan anderen dan degene, die de goederen aan de
buitenlandse afnemer levert, verboden een verklaring inzake
goederenverkeer op te maken zonder daartoe voor die verklaring
afzonderlijk van de leverancier een schriftelijke machtiging te hebben
ontvangen, welke mede een verklaring inhoudt, dat die goederen voldoen
aan de normen inzake de oorsprong, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 6
1. Iedere Kamer van Koophandel en
Fabrieken en een door Onze Minister van Economische Zaken krachtens
artikel 2, vierde lid, of artikel 4, tweede lid, aangewezen ander orgaan
houdt een administratie bij, waaruit ten aanzien van een ieder die
aanvragen indient tot afgifte van certificaten van oorsprong, van
certificaten inzake goederenverkeer of van verklaringen inzake de
oorsprong kan blijken hetgeen de Kamer of het eerder bedoelde andere
orgaan ter zake heeft beslist dan wel welke handeling te dien aanzien
ingevolge het bij of krachtens dit besluit bepaalde is verricht.
2. De aanvragen tot afgifte van certificaten van oorsprong of van
verklaringen inzake de oorsprong worden door de Kamer of het in het
eerste lid bedoelde andere orgaan gedurende ten minste vijf jaren
bewaard in de volgorde van de tijdstippen waarop de Kamer of dat orgaan
te dien aanzien een beslissing heeft genomen dan wel een andere
handeling ingevolge het bij of krachtens dit besluit bepaalde heeft
verricht.
Artikel 6a
Het is een ieder verboden aan een ander ten behoeve van het aanvragen
of opmaken van een certificaat of verklaring als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder a, b, c of d, gegevens met betrekking
tot de oorsprong van die goederen te verstrekken waarvan hij weet of
redelijkerwijs kan vermoeden dat zij niet juist zijn.
Artikel 7
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit afgifte
oorsprongsverklaringen 1976.
2. Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State.
Soestdijk, 5 november 1976
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
R.F.M. Lubbers
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
De Minister van Financiën,
W.F. Duisenberg
Uitgegeven de dertigste november 1976
De Minister van Justitie,
Van Agt
|
|
|