St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit

 

BESLUIT  EX  ARTIKEL  7  INSTELLINGSWET  PRODUCTSCHAP  VOOR  GROENTEN  EN  FRUIT

Tekst zoals deze geldt op 8 februari 2009

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

 

 

 
BESLUIT van 1 december 1958, houdende uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie en van Onze Ministers van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken van 25 november 1958, nr. U 2077, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie;
     Overwegende, dat het wenselijk is op een daartoe strekkend verzoek aan het Productschap voor Groenten en Fruit de bevoegdheid tot enige prijsregeling te verlenen;
     Gelet op artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit (Stb. 1954, 446);

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

1. Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit (Stb. 1954, 446), zijn begrepen:

a. de prijzen, waarboven het veilen van groenten en fruit niet mag worden gestaakt;

b. de prijzen, welke een veiling ten hoogste in rekening mag brengen voor het veilen en het verlenen van andere diensten;

c. de prijzen, waartegen groenten en fruit aan buitenlandse afnemers ten minste moeten worden afgezet;

d. de huurprijzen van fust.

2. Een verordening tot regeling of nadere regeling van het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt slechts vastgesteld, indien de belangen van afnemers door het ontbreken daarvan gevaar zouden lopen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959.

 

 

     Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

Soestdijk, 1 december 1958

 

JULIANA

 

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
N. Schmelzer

De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
A. Vondeling

De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra

 

Uitgegeven de vijfde december 1958
De Minister van Justitie,
Samkalden

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x