|
BESLUIT van 26 april 1984, tot vaststelling van het Besluit
verfijningen algemene uitkering 1984
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Financiën, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
11 oktober 1982, nr. 482-5945 en van de Staatssecretaris van Financiën,
gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 9
januari 1984, nr. 484-85;
Gelet op de artikelen 11 en 59 van de Financiële-Verhoudingswet
1984 (Stb. 1983, 650);
Gezien de adviezen van de Raad voor de
gemeentefinanciën van 1 september 1982, nr. 336 Rgf 178/23, van 6
december 1982, nr. 430 Rgf 178/35, van 28 november 1983, nr. 8325 Rgf
178/84, en van 28 februari 1984, nr. 495 Rgf 224/3, en van de
provinciale besturen van 15 november 1982, nr. 18, en van 23 januari
1984, nr. 1984/2;
De Raad van State gehoord (adviezen van 10
december 1982, nr. 2541/2542/2543/2544/11/8249, en van 8 maart 1984, nr.
W06.84.0008/07.4.09);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiën, de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken van 17 december 1982, nr. 482-7919 en het nader
rapport van de Staatssecretaris van Financiën, uitgebracht mede namens
de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 19 april 1984, nr.
484-855;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk
1. Algemene bepalingen
Artikel
1.1
Dit besluit
verstaat onder een wijziging van de gemeentelijke indeling
tevens een grenscorrectie.
Artikel
1.2
Tenzij anders
bepaald worden de gegevens voor toepassing van dit besluit
ontleend aan de ter zake door het Centraal Bureau voor de
Statistiek gepubliceerde gegevens.
Hoofdstuk
2. Verfijningen algemene uitkering
§
2.1 Verfijning omvangrijke opgave woningbouw
Artikel
2.1.1
| 1. |
Onze
Ministers en Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer kunnen gemeenten voor de
toepassing van dit artikel als gemeente met
een omvangrijke opgave ten aanzien van
woningbouw aanwijzen. De aanwijzing kan
uitsluitend betreffen de gemeenten
Albrandswaard, Almere, Barendrecht,
Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs,
Haarlemmermeer, Heerhugowaard, Houten,
Leidschendam, Nootdorp, Pijnacker, Rijswijk,
Vleuten-De Meern en Wateringen.
|
| 2. |
Aan
elke gemeente die overeenkomstig het eerste
lid is aangewezen wordt jaarlijks een
verfijningsuitkering gedaan, waarvan het
bedrag wordt verkregen door toepassing van de
formule:
(pt
+ pt + 1 + pt + 2 + rt - 4 + rt - 3 + rt - 2 +
rt - 1) * C - vt - 1 * f * D
in
welke formule voorstelt:
de
letter p: het aantal woningen, vastgesteld bij
de in het eerste lid bedoelde aanwijzing of
bij de verlenging daarvan, dat op het
grondgebied van de aangewezen gemeente naar
verwachting zal gereedkomen;
de
letter r: het aantal gereedgekomen woningen
dat op het grondgebied van de aangewezen
gemeente is gebouwd;
de
letter v: het verschil tussen p en r;
de
letter f: een factor die indien de letter v
betrekking heeft op het eerste, tweede en
derde en volgende jaren waarvoor de aanwijzing
geldt onderscheidenlijk 1, 2 en 3 bedraagt;
de
indices t, t+1, t+2, t-4, t-3, t-2, t-1:
tijdsindices die aangeven onderscheidenlijk
het onderhavige uitkeringsjaar, het eerste en
tweede daaropvolgende, alsmede het vierde,
derde, tweede en eerste daaraan voorafgaande
jaar;
de
letter C: een bedrag per woning;
de
letter D: het gemiddelde van de over de drie
aan het uitkeringsjaar voorafgaande jaren
geldende bedragen per woning, voorgesteld door
de letter C.
In
de formule worden p en r op nul gesteld indien
zij betrekking hebben op uitkeringsjaren die
voorafgaan aan of volgen op de periode
waarvoor de aanwijzing geldt. De uitkomst van
de formule wordt op nul gesteld als deze
negatief is.
|
| 3. |
In
afwijking van het tweede lid worden de
volgende verfijningsuitkeringen vastgesteld:
Verfijningsuitkering
voor de jaren 2003, 2004, 2005 en 2006
| |
Gemeente
|
Bedrag
per jaar
|
|
1
|
Albrandswaard
|
€
1.121.430,–
|
|
2
|
Almere
|
€ 10.114.529,–
|
|
3
|
Barendrecht
|
€
3.470.602,–
|
|
4
|
Bergschenhoek
|
€
1.174.460,–
|
|
6
|
Berkel
en Rodenrijs
|
€
2.420.065,–
|
|
7
|
Haarlemmermeer
|
€
8.279.033,–
|
|
8
|
Heerhugowaard
|
€
2.152.984,–
|
|
9
|
Houten
|
€
3.382.329,–
|
|
10
|
Pijnacker-Nootdorp
|
€
3.427.956,–
|
De
uitkeringsfactor is op deze bedragen niet van
toepassing.
|
Artikel
2.1.2
- 1.
- De
aanwijzing tot gemeente met een omvangrijke opgave
ten aanzien van woningbouw, bedoeld in artikel
2.1.1, heeft als datum van ingang 1 januari van
enig jaar en omvat een geheel aantal jaren. De
aanwijzing kan worden verlengd.
- 2.
- Onze
Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zenden de
ontwerp-beschikking tot aanwijzing, verlenging dan
wel intrekking gelijktijdig aan de gemeente en
gedeputeerde staten.
- 3.
- Gedeputeerde
staten adviseren Onze Ministers en Onze Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer binnen acht weken na ontvangst van de
ontwerp-beschikking.
- 4.
- De
gemeente maakt, indien zij dat gewenst acht,
binnen acht weken na ontvangst van de
ontwerp-beschikking, haar zienswijze schriftelijk
kenbaar en zendt daarvan afschrift aan
gedeputeerde staten.
- 5.
- Onze
Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslissen
binnen zes maanden na de datum waarop de
ontwerp-beschikking is verzonden.
- 6.
- Van de
beschikking wordt mededeling gedaan door
toezending van een afschrift aan gedeputeerde
staten en tevens door plaatsing in de Staatscourant.
- 7.
- Onze
Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wijzen
slechts aan als de gemeente aan de volgende
voorwaarden voldoet:
- a.
- de
woningbouwopgave bedraagt tenminste 6000
woningen in 10 jaar;
- b.
- de
gemiddelde jaarlijkse woningbouwopgave
bedraagt, uitgedrukt in procenten van de
woningvoorraad op 1 januari van het laatste
aan de aanwijzingsperiode voor de verfijning
voorafgaande jaar:
|
omvang
gemeente
|
vereiste
opgave
|
|
0
- 20 000 woningen
|
3%
|
|
20
000 - 30 000 woningen
|
4%
|
|
30
000 of meer woningen
|
5%
|
- c.
- de
gemeente heeft zich bereid verklaard tot
bestuurlijke samenwerking binnen het
stadsgewest. Deze bereidverklaring blijkt uit
een mede door de centrumgemeente ondertekende
overeenkomst over de ontwikkeling en de
uitvoering van de bouwlocatie.
- 8.
- Bij een
verlenging van de aanwijzing zijn de in het
achtste lid genoemde voorwaarden, met uitzondering
van de voorwaarde onder de letter a,
van de overeenkomstige toepassing.
- 9.
- Onze
Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen
ontheffing verlenen van de in het achtste lid
onder de letter c
genoemde voorwaarde.
- 10.
- In de
gevallen waarin uit stedebouwkundig oogpunt sprake
is van één bouwlocatie die gelegen is op het
grondgebied van meer dan één gemeente wordt per
gemeente bezien of zij voor aanwijzing in
aanmerking komt. Daarbij geldt de in het achtste
lid onder de letter a
opgenomen voorwaarde uitsluitend voor de
bouwlocatie als geheel. De onder de letters b
en c opgenomen
voorwaarden blijven in dat geval onverkort van
kracht op de afzonderlijke gemeenten.
Artikel
2.1.3
Artikel
2.1.1 wordt voor het laatst toegepast over het vierde
uitkeringsjaar volgend op het laatste jaar van de
periode waarvoor de aanwijzing geldt.
Artikel
2.1.4 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.1.5 [Vervallen per 28-12-1992]
§
2.2
Artikel
2.2.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.2.2 [Vervallen per 01-01-1997]
§
2.3
Artikel
2.3.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.3.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.3.3 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.3.4 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.3.5 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.3.6 [Vervallen per 01-01-1997]
§
2.4
Artikel
2.4.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.4.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.4.3 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.4.4 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.4.5 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.4.6 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.4.7 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.4.8 [Vervallen per 01-01-1997]
§
2.5
Artikel
2.5.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.5.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.5.3 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.5.4 [Vervallen per 01-01-1997]
§
2.6
Artikel
2.6.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.6.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.6.3 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.6.4 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.6.5 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
2.6.6 [Vervallen per 01-01-1997]
§
2.7 Verfijning wijziging gemeentelijke indeling
Artikel
2.7.1
- 1.
- Aan elke
gemeente waarvoor een wijziging van de
gemeentelijke indeling van kracht is geworden en
die na die wijziging blijft voortbestaan dan wel
wordt ingesteld, wordt, indien aan het tweede lid
wordt voldaan, gedurende vijf uitkeringsjaren een
verfijningsuitkering gedaan waarvan het bedrag
verkregen wordt door toepassing van de formule:
(A - B)
* c;
in welke
formule voorstelt:
de
letter A:
- 1.
- Voor
een gemeente waarbij de bedoelde wijziging er
toe leidt dat het aantal woonruimten of gelijk
blijft of daalt: de algemene uitkering zoals
die, zonder de bedoelde wijziging, aan die
gemeente zou worden gedaan;
- 2.
- Voor
de overige gemeenten: de algemene uitkering
aan de voormalige gemeente of gemeenten die
geheel overgaan naar de desbetreffende
gemeente en/of de algemene uitkering die aan
het gebiedsdeel of de gebiedsdelen van
gemeenten, die niet geheel naar de
desbetreffende gemeente overgaan, kan worden
toegerekend;
de
letter B: de algemene uitkering zoals die, met
inbegrip van de bedoelde wijziging, aan de
desbetreffende gemeente wordt of zou worden
gedaan;
de
letter c: een vermenigvuldigingsfactor die voor
het eerste uitkeringsjaar waarover de
verfijningsuitkering wordt gedaan 1,0 en voor de
vier volgende uitkeringsjaren onderscheidenlijk
0,8, 0,6, 0,4 en 0,2 bedraagt.
- 2.
- De
verfijningsuitkering, bedoeld in het eerste lid,
vindt plaats indien de uitkomst van de term (A -
B) positief is en, uitgedrukt in procenten van de
letter B, groter is dan 0,5 procent.
- 3.
- De
berekening van de uitkomst van de formule
opgenomen in het eerste lid vindt plaats naar de
toestand over het uitkeringsjaar waarin de datum
van herindeling valt. Bij de berekening blijven
uitkeringen op grond van de artikelen 3.3.1 en
3.15.1 buiten beschouwing.
- 4.
- In
afwijking van het eerste tot en met derde lid
wordt aan de gemeenten Boxtel, 's-Hertogenbosch en
Sint-Michielsgestel gedurende de jaren 1997 tot en
met 2000 een verfijningsuitkering gedaan
overeenkomstig de bedragen in de volgende tabel:
|
Gemeente
|
1997
|
1998
|
1999
|
2000
|
|
Boxtel
|
205 190
|
153 890
|
102 600
|
51 300
|
|
s-Hertogenbosch
|
2 293 590
|
1 720 190
|
1 146 790
|
573 400
|
|
Sint-Michielsgestel
|
354 500
|
265 870
|
177 250
|
88 620
|
Artikel
2.7.2
De in het
eerste lid van artikel 2.7.1, onder de beschrijving
van de letter A bedoelde toerekening van de algemene
uitkering aan een gebiedsdeel van een gemeente die
niet geheel is overgegaan naar de bedoelde gemeente
vindt, voor wat betreft de maatstaven land en
binnenwater, buitenwater, inwoners en woonruimten
plaats naar rato van het aantal overgaande hectaren
land en binnenwater, onderscheidenlijk hectaren
buitenwater, inwoners en woonruimten. Voor wat betreft
de overige maatstaven vindt de toerekening plaats naar
rato van het aantal overgaande woonruimten.
Artikel
2.7.3
- 1.
- Aan elke gemeente
waarvoor een wijziging van de gemeentelijke
indeling van kracht is geworden en die na die
wijziging blijft voortbestaan, dan wel wordt
ingesteld, wordt, indien de uitkomst van de in dit
artikel opgenomen formule positief is, gedurende
vijf uitkeringsjaren een verfijningsuitkering
gedaan waarvan het bedrag wordt verkregen door
toepassing van de formule:
in welke
formule voorstelt:
de
letter d: het aantal woonruimten op de datum van
de herindeling;
de
letter e: het naar de toestand op de dag vóór de
herindeling hoogste aantal van de aantallen
woonruimten in de voormalige gemeenten of delen
van een voormalige gemeente, voor zover daarin een
bestuurscentrum is gevestigd, waaruit de gemeente
op de datum van de herindeling is samengesteld;
de
letter F: een bedrag per eenheid.
- 2.
- Voor de toepassing
van het eerste lid wordt, indien de uitkomst van
de term tussen accoladen meer dan 1 bedraagt, deze
op 1 gesteld.
Artikel
2.7.4
- 1.
- Aan elke
gemeente waarvoor een wijziging van de
gemeentelijke indeling van kracht is geworden en
die na die wijziging blijft voortbestaan, dan wel
wordt ingesteld, en die op grond van de wet die de
wijziging van de indeling regelt personeel
voorlopig in dienst overneemt, wordt gedurende
vijf uitkeringsjaren een verfijningsuitkering
gedaan waarvan het bedrag wordt verkregen door
toepassing van de formule:
in welke
formule voorstelt:
de
letter g: het aantal woonruimten van het naar
aantal woonruimten grootste samenstellende deel
van de gemeente; onder samenstellend deel wordt
verstaan: het grondgebied van een gemeente of
gedeelte daarvan, dat na de datum van herindeling
deel uitmaakt van de gemeente waarop dit artikel
wordt toegepast;
de
letter h: het aantal woonruimten van de gemeente
op de datum van herindeling;
de
letter i: het aantal gemeenten waarvan de gemeente
op grond van de wet die de wijziging van de
indeling regelt personeel voorlopig in dienst
overneemt;
de
letter J: een bedrag per eenheid.
- 2.
- Voor de
toepassing van het eerste lid wordt de uitkomst
van de term tussen haken gesteld op:
- a.
- 0,1,
indien deze meer bedraagt dan 0,1;
- b.
- 0,
indien deze minder bedraagt dan 0.
- 3.
- De
uitkomst van de term tussen accoladen in het
eerste lid wordt afgerond op twee decimalen en
wordt op 1 gesteld, indien deze minder bedraagt
dan 1.
Artikel
2.7.5
- 1.
- Onze
Ministers dragen er zorg voor dat zo spoedig
mogelijk na de datum van herindeling een voorstel
wordt geformuleerd ten aanzien van de toepassing
van de artikelen 2.7.1, met uitzondering van het
vierde lid, 2.7.3 en 2.7.4. Zij zenden dit
voorstel, tezamen met de berekeningen waarop het
is gebaseerd, aan de betrokken gemeentebesturen en
gedeputeerde staten.
- 2.
- De
betrokken gemeentebesturen en gedeputeerde staten
brengen binnen acht weken na ontvangst van het in
het eerste lid bedoelde voorstel hun zienswijze
schriftelijk naar voren.
- 3.
- Onze
Ministers beslissen binnen zes maanden na de datum
waarop het in het eerste lid bedoelde voorstel is
verzonden.
Artikel
2.7.6
- 1.
- De
verfijningsuitkeringen hebben betrekking op
wijzigingen van de gemeentelijke indeling waarbij
de datum van herindeling ligt vóór 1 januari
1997.
- 2.
- De
verfijningsuitkeringen hebben tevens betrekking op
wijzigingen van de gemeentelijke indeling waarbij
de datum van herindeling ligt op 1 januari 1997 of
op 1 januari 1998, mits:
- a.
- de
wijziging geschiedt bij wet en aan deze wet
een ontwerp-regeling als bedoeld in artikel
284 van de Gemeentewet ten grondslag
ligt welke voor 1 januari 1996 aan provinciale
staten ter vaststelling is voorgelegd, of
- b.
- de
wijziging geschiedt bij algemene maatregel van
bestuur en aan deze maatregel een
ontwerp-regeling als bedoeld in artikel
13 van de Wet algemene regels herindeling
ten grondslag ligt welke voor 1 januari 1996
aan provinciale staten ter vaststelling is
voorgelegd, of
- c.
- het
een wijziging betreft van de indeling van de
gemeenten Boekel of Vierlingsbeek.
Artikel
2.7.7 [Vervallen per 01-01-1997]
Hoofdstuk
3. Overgangsbepalingen
§
3.1
Artikel
3.1.1 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.2
Artikel
3.2.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.2.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.2.3 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.2.4 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.3 Tijdelijke verfijning monumenten
Artikel
3.3.1
- 1.
- Aan elke
gemeente op wier grondgebied een onroerend goed
geheel of gedeeltelijk is gerestaureerd, voor
welke restauratie in verband met de verlening na 4
mei 1945 van een rijkssubsidie uit dien hoofde,
anders dan in verband met oorlogs- of
stormvloedschade, het verwerkte bedrag van de
subsidiabele kosten is vastgesteld, wordt een
verfijningsuitkering gedaan waarvan het bedrag
verkregen wordt door toepassing van de formule:
0,3 p *
a;
in welke
formule voorstelt:
de
letter p: het naar boven op een tiende afgeronde
annuïteitspercentage van een 25-jarige annuïteit
bij het gemiddelde van door de Minister van
Financiën voor het kalenderjaar, bedoeld in het
tweede lid, vastgestelde rentepercentages;
de
letter a: het vastgestelde verwerkte bedrag van de
subsidiabele kosten.
- 2.
- De
verfijningsuitkering vindt plaats met ingang van
het uitkeringsjaar, volgend op het kalenderjaar,
waarin het verwerkte bedrag van de subsidiabele
kosten is vastgesteld, tot en met het
vijfentwintigste uitkeringsjaar volgend op bedoeld
kalenderjaar.
- 3.
- Voor de
toepassing van artikel 3.3.1 worden de voor 1
januari 1964 vastgestelde verwerkte bedragen van
de subsidiabele kosten slechts in aanmerking
genomen, indien zij zijn vastgesteld.
Artikel
3.3.2
Artikel
3.3.1 is van toepassing met betrekking tot
restauraties, voor zover het verwerkte bedrag van de
subsidiabele kosten voor 1 januari 1983 is
vastgesteld.
Artikel
3.3.3 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.4
Artikel
3.4.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.4.2 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.5
Artikel
3.5.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.5.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.5.3 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.6
Artikel
3.6.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.6.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.6.3 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.7
Artikel
3.7.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.7.2 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.8
Artikel
3.8.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.8.2 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.9
Artikel
3.9.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.9.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.9.3 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.9.4 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.10
Artikel
3.10.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.10.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.10.3 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.11
Artikel
3.11.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.11.2 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.12
Artikel
3.12.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.12.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.12.3 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.12.4 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.13
Artikel
3.13.1 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.14
Artikel
3.14.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.14.2 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.15 Tijdelijke verfijning rioleringen
Artikel
3.15.1
- 1.
- Aan elke gemeente op
wier grondgebied gebouwen, ligplaatsen van
woonschepen of standplaatsen van woonwagens op een
gemeentelijke riolering worden aangesloten wordt
een verfijningsuitkering gedaan waarvan het bedrag
verkregen wordt door toepassing van de formule:
a * b *
c * e * D;
in welke
formule voorstelt:
de
letter a: het naar boven op een tiende afgeronde
annuïteitspercentage van een 25-jarige annuïteit
bij het gemiddelde van door de Minister van
Financiën voor het kalenderjaar, waarin de
aansluiting is gemaakt, vastgestelde
rentepercentages;
de
letter b: het rekenkundig gemiddelde van de
indices van de kosten van onderscheidenlijk het
maken van riolering buiten en binnen de bebouwde
kom, inclusief BTW, (1979 = 100) voor het jaar van
aansluiting;
de
letter c: het in het kalenderjaar gemaakte aantal
aansluitingen op een gemeentelijke riolering;
de
letter e: een vermenigvuldigingsfactor, die als de
formule wordt toegepast op aansluitingen die voor
1 juli 1985, onderscheidenlijk na 30 juni 1985
maar voor 1 januari 1986, in 1986, in 1987, in
1988, in 1989 of enig daarop volgend jaar tot
stand komen 1,0 onderscheidenlijk 0,8, 0,6, 0,4,
0,2 en 0,0 bedraagt;
de
letter D: een bedrag per aansluiting.
- 2.
- Bij de vaststelling
van het aantal aansluitingen, voorgesteld door de
letter c, wordt voor elk aangesloten gebouw, elke
aangesloten ligplaats van een woonschip of elke
aangesloten standplaats van een woonwagen één
aansluiting geteld, met dien verstande dat voor
een complex van onderscheidenlijk
volkstuinhuisjes, vakantiewoningen en
bedrijfsgebouwen twee aansluitingen worden geteld.
- 3.
- De
verfijningsuitkering vindt plaats met ingang van
het uitkeringsjaar, volgend op het kalenderjaar
waarin de aansluiting is gemaakt, tot en met het
vijfentwintigste uitkeringsjaar volgend op bedoeld
kalenderjaar.
- 4.
- Indien het in het
eerste lid onder de letter b genoemde basisjaar
van de bedoelde prijsindices wijzigt, past Onze
Minister van Financiën het in het eerste lid
bedoelde bedrag per aansluiting aan deze wijziging
aan.
- 5.
- De in het eerste lid
opgenomen vermenigvuldigingsfactor, voorgesteld
door de letter e, wordt,
in afwijking van het gestelde in het eerste lid,
voor aansluitingen van ligplaatsen van woonschepen
en standplaatsen van woonwagens die na 31 december
1985 en voor 1 januari 1990 tot stand komen op 0,8
gesteld.
Artikel
3.15.2
Voor de
toepassing van artikel 3.15.1 wordt verstaan onder:
- a.
- gebouw:
elk bouwwerk met stenen of betonnen fundering,
aard- en nagelvast met de grond verbonden, dat een
voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of
gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
- b.
- woonschip
of woonwagen: elk woonschip dat of elke woonwagen
die op grond van de Financiële-Verhoudingswet
1984, zoals deze luidde voor 1 januari 1997
tot het aantal woonruimten in de gemeente behoort;
- c.
- riolering:
een riolering die ondergronds is aangelegd,
geschikt voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
niet open, niet van hout of zonder bodem, die niet
dient ter vervanging van een bestaande al dan niet
gemeentelijke riolering en waarop ten minste twee
aansluitingen zijn gemaakt. Onder vervanging wordt
mede begrepen de omzetting van een bestaande
riolering in een gescheiden systeem voor de afvoer
van vuil en schoon water;
- d.
- gemeentelijke
riolering: een riolering waarvan de kosten van
aanleg en onderhoud ten laste van de algemene
middelen van de gemeente komen en waarvan het
gemeentelijk beheer genoegzaam verzekerd is;
- e.
- aansluiting:
voor wat betreft een gebouw: een aansluiting op
een riolering, die tenminste faecaliën afvoert en
is aangelegd ten behoeve van gebouwen, die op het
moment van aansluiting in gebruik zijn en
tenminste 5 jaar in gebruik zijn geweest, die niet
dient ter vervanging van een bestaande aansluiting
en wordt gemaakt binnen 5 jaar na de eerste
oplevering van de riolering;
- f.
- aansluiting:
voor wat betreft een ligplaats van een woonschip
onderscheidenlijk een standplaats van een
woonwagen: een aansluiting op een riolering, die
tenminste faecaliën afvoert en is aangelegd ten
behoeve van ligplaatsen van woonschepen
onderscheidenlijk standplaatsen van woonwagens,
die op het moment van aansluiting in gebruik zijn
en op 1 januari 1985 in gebruik zijn geweest en
die niet dient ter vervanging van een bestaande
aansluiting;
- g.
- complex
van onderscheidenlijk volkstuinhuisjes,
vakantiewoningen en bedrijfsgebouwen: een
ruimtelijk samenhangende groepering van
onderscheidenlijk volkstuinhuisjes,
vakantiewoningen en bedrijfsgebouwen, die
functioneel een eenheid vormt. Deze omschrijving
is van overeenkomstige toepassing op woonschepen
en woonwagens die een recreatieve functie hebben
of waarin een bedrijf wordt uitgeoefend.
Artikel
3.15.3
- 1.
- De in
het eerste lid van artikel 3.15.1 opgenomen
vermenigvuldigingsfactor, voorgesteld door de
letter e, wordt, in afwijking van het gestelde in
artikel 3.15.1, eerste lid, op 1 gesteld voor
aansluitingen die voor 1 januari 1990 tot stand
komen en die behoren tot een rioleringsproject dat
aan de volgende voorwaarden voldoet:
- a.
- de
eerste oplevering van de riolering heeft voor
1 juli 1985 plaatsgevonden;
- b.
- de
vertakking van de riolering tot aan de
erfgrens van het aan te sluiten gebouw is op 1
juli 1985 aanwezig;
- c.
- de
riolering is voor 1 juli 1985 in gebruik
genomen en
- d.
- het
gemeenteraadsbesluit tot het uitvoeren van het
desbetreffende project is voor 31 juli 1984
genomen, dan wel de gemeente heeft voor 31
juli 1984 een bindende privaatrechtelijke
verbintenis tot het uitvoeren van het
desbetreffende project aangegaan.
- 2.
- Indien
de in het eerste lid onder de letter d
genoemde privaatrechtelijke verbintenis bepalingen
bevat die, naar het oordeel van Onze Minister van
Financiën, het voldoen aan de in het eerste lid,
onder de letters a, b
en c, opgenomen
voorwaarden onmogelijk maken, beslist Onze
Minister van Financiën dat voor aansluitingen
behorend tot het desbetreffende project de in
artikel 3.15.1, eerste lid, opgenomen
vermenigvuldigingsfactor, voorgesteld door de
letter e op 1 gesteld wordt.
- 3.
- Op
verzoek van het gemeentebestuur kunnen Onze
Ministers beslissen dat voor een gemeente die, ten
aanzien van op 31 juli 1984 reeds geruime tijd in
voorbereiding zijnde projecten, onevenredig en
onredelijk wordt getroffen door onverkorte
toepassing van artikel 3.15.1, eerste lid, de
daarin opgenomen vermenigvuldigingsfactor,
voorgesteld door de letter e,
voor aansluitingen die voor 1 januari 1990 tot
stand komen en tot het desbetreffende project
behoren, op 1 wordt gesteld.
- 4.
- Een
verzoek als bedoeld in het derde lid dient, onder
gelijktijdige overlegging van alle van belang
zijnde stukken, voor de dag van uitgifte van het Staatsblad
waarin dit besluit wordt geplaatst, aan Onze
Minister van Financiën te zijn gedaan. Verzoeken
die op of na de in de eerste volzin genoemde dag
worden ontvangen worden niet in behandeling
genomen.
Artikel
3.15.4
- 1.
- Burgemeester
en wethouders zenden jaarlijks voor 1 april aan
Onze Minister van Financiën een opgave in
drievoud van het aantal in het vorige kalenderjaar
gemaakte aansluitingen, bedoeld in artikel 3.15.1.
- 2.
- Opgaven
die niet zijn ontvangen voor 31 december van het
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de
aansluitingen tot stand zijn gekomen, worden niet
in behandeling genomen.
Artikel
3.15.5
- 1.
- Voor aansluitingen
die voor 1 januari 1984 tot stand zijn gekomen
geldt, ter zake van het aantal jaren dat een
gebouw op het moment van aansluiting op een
riolering tenminste in gebruik moet zijn geweest,
een periode van 3 jaar.
- 2.
- Voor aansluitingen
die voor 1 januari 1983 tot stand zijn gekomen
wordt uitgegaan van het globale indexcijfer van
bouwkosten van woningen, inclusief BTW (1969 =
100) en een bedrag per aansluiting van € 15,88.
Artikel
3.15.6 [Vervallen per 01-01-1997]
§
3.16
Artikel
3.16.1 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.16.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.16.3 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel
3.16.4 [Vervallen per 01-01-1997]
Hoofdstuk
4. Slotbepalingen
Artikel
4.1
Dit besluit
wordt aangehaald als: Besluit verfijningen algemene
uitkering 1984.
Artikel
4.2 [Vervallen per 01-01-1997]
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Raad voor de
gemeentefinanciën.
's-Gravenhage, 26 april 1984
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
H.E.
Koning De Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken,
Van
Amelsvoort
Uitgegeven de tweeëntwintigste
mei 1984
De Minister van Justitie,
F.
Korthals Altes
|