BESLUIT van 21 december 2000, houdende regels over de
uitvoering van de Wet bevordering eigenwoningbezit (Besluit
bevordering eigenwoningbezit)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 3 oktober 2000, nr. MJZ2000117443, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 33, derde en vierde lid,
34, vijfde lid, 36, eerste lid, en 63a, onderdeel d, onder
1º, van de Wet bevordering eigenwoningbezit, op artikel 70c van
de Woningwet en op artikel 9, eerste lid, van de Invoeringswet Wet
stedelijke vernieuwing;
De Raad van State gehoord (advies van 13
december 2000, nr. W08.00.0469/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 15 december 2000, nr. MJZ 2000152597, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definitie
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet bevordering
eigenwoningbezit.
Hoofdstuk 2. Vaststelling bijzondere bijdrage
§ 1. Vaststelling actueel inkomen
Artikel 2
1. Het actueel inkomen, bedoeld in artikel 33, eerste lid,
onder a, van de wet, wordt vastgesteld aan de hand van door de
eigenaar-bewoner en degene die tot diens huishouden behoort over te
leggen stukken die naar het oordeel van Onze Minister voor een
deugdelijke onderbouwing van dat inkomen noodzakelijk zijn.
2. Voor het vaststellen van het recht op een bijzondere bijdrage
stelt Onze Minister het actueel inkomen forfaitair vast aan de hand van
het inkomen over een langere periode dan over de eerste kalendermaand
van het betreffende bijdragetijdvak, voorzover het patroon van de
inkomensverwerving of de hoogte van het inkomen over een langere periode
daartoe aanleiding geeft.
3. Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onder a, van de
wet worden inkomsten aangemerkt als te zijn genoten op het tijdstip,
bedoeld in artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de bepaling van het actueel inkomen. Daartoe kunnen regels
behoren over de bepaling van het netto inkomen. Daarbij kunnen voorts
gevallen worden aangegeven waarin bij de bepaling van het actueel
inkomen degene die tot het huishouden van de eigenaar-bewoner behoort of
inkomensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden
gelaten. Bij de bepaling van het netto inkomen of het geheel of
gedeeltelijk buiten beschouwing laten van inkomensbestanddelen kan van
het derde lid worden afgeweken.
§ 2. Gevallen waarin geen bijzondere bijdrage wordt toegekend of
deze bijdrage niet nader wordt vastgesteld
Artikel 3
1. Indien blijkt dat het verschil tussen het actueel inkomen en
het meetinkomen ten minste gelijk is aan het verschil, genoemd in
artikel 34, eerste lid, van de wet, maar deze omstandigheid niet of
nauwelijks tot een daling van het netto inkomen heeft geleid, is
artikel 34, eerste lid, van de wet niet van toepassing.
2. Een wijziging van feiten en omstandigheden die van belang is
voor de vaststelling van het actueel inkomen en zich gedurende het
betreffende bijdragetijdvak voordoet, kan eerst voor het daaropvolgende
tijdvak in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het recht
op een bijzondere bijdrage.
3. Artikel 34, eerste lid, van de wet is niet van toepassing
indien de inkomensdaling een vrijwillig karakter heeft.
§ 3. Terugvordering en verrekening
Artikel 4
Onze Minister verrekent of vordert geheel of gedeeltelijk de
bijzondere bijdrage, dan wel het daarop verstrekte voorschot terug,
indien deze ten onrechte is verstrekt doordat:
a. de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort
een onjuiste opgave heeft gedaan van het meetinkomen of het netto
inkomen;
b. het rekenvermogen meer bedraagt dan het toepasselijke bedrag,
genoemd in artikel 9, eerste lid, van de wet, of
c. de eigenaar-bewoner een onjuiste opgave van de samenstelling
van het huishouden of aanwezige personen die tot diens huishouden
behoren heeft gedaan.
Hoofdstuk 3
[Wijzigt het Besluit beheer sociale-huursector]
Artikel 7
[Wijzigt het Besluit woninggebonden subsidies 1995]
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8
Voorzover de peildatum is gelegen voor 1 juli 2002, wordt voor de
toepassing van artikel 3, derde lid, onder het in dat lid bedoelde
tijdstip verstaan het tijdstip, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964.
Artikel 9
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
2. Hoofdstuk 3 vervalt met ingang van 1 juli 2002.
3. Hoofdstuk 3 blijft van toepassing op aanvragen om toekenning
van een eigenwoningbijdrage met de peildatum 1 juni 2002 of eerder.
Artikel 10
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bevordering
eigenwoningbezit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 december 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.W. Remkes
Uitgegeven de achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals